Van Bern-0-lettres naar Bern-0-letters…

De benaming Bern-0-lettres is al meer dan dertig jaar oud.  Van toen mijn vader veel te jong overleed en ik de familie Bernolet probeerde te steunen met een soort ‘goed gevoel’-blad. De naam ‘Bern-0-lettres’ lag voor de hand. Het was een gestencild en geniet blad, met uiteraard familienieuwtjes, aangevuld  met al wat ik kon vinden dat tot een leuk verhaaltje kon leiden. Voor de kinderen was er een in te kleuren pagina, een zoek de zeven verschillen-tekening en huisgemaakt kruiswoordraadsel en mijn vader die Elie heette, gaf ik een nieuw leven in de verhalen over Lie van der Loep, detective. Ik had nog geen kinderen en bijgevolg meer vrije tijd. Maar toen mijn kinderen geboren werden verschoof de aandacht steeds meer en belandde Bern-0-lettres voorgoed in de schuif.

Toen het internet kwam en ik zoals iedereen een blog begon, aarzelde ik de naam terug op te pikken en noemde mijn blog Berne au lait/Bern met melk. Het was geen echte chronologische blog, met korte berichtjes, maar een verzameling verhaaltjes, net.verhalen, noem ik ze zelf, over alledaagse dingen. Mensen die ik ontmoet, rare gebeurtenissen, overpeinzingen,  over vroeger, over politieke patsers en andere bekenden. Soms laat ik de woorden in pure fantasie over mijn scherm lopen, wanneer ik over de werking van mijn geheugen schrijf, over de vetverbranders in mij, over de melktoer van prins Filip of over de waarheid achter de broers Sinterklaas en Father Christmas…

Hugo Bernolet "on the rocks" (gletsjer Jungfrau)

Met deze Bern-0-letters (let op de taalwissel) in WordPress wil ik mijn ‘net.verhalen’ onder een betere vorm  presenteren en hoop er wat extra’s aan toe te kunnen voegen. Voor mijn – en naar ik hopen mag – ook voor uw plezier, beste lezer. Wees gerust, het zijn beschaafde verhalen, zonder  polemiek, zonder onzin, maar met het hart, de kadans en de pointe op de juiste plaats. Een tekst moet “bekken”, het verhaal moet “rollen”, daarom lees ik het altijd luidop voor aan mijn vrouw.  Haar commentaar is mij heilig, misschien omdat zij haar beoordeling in één enkel woord kan samenvatten. Zij zal bijvoorbeeld zeggen: “ik vind het een aangenaam verhaal. Of een grappig verhaal, of een ontroerend, een mooi, een hilarisch of een fantastisch verhaal…” Dat laatste dan wel in de nederige betekenis van fantasierijk.  Als ik aandring op enige kanttekening, zegt ze mij met de hand op het hart, dat zij nog nooit meer woorden heeft nodig gehad. Ik weet dat zij nog altijd van mij houdt.

Veel leesplezier,

Hugo Bernolet
26/4/2011

Geplaatst in Intro | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody bouwen een kamp

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik maakte voor hele en aantal verhaaltjes voor bij het slapengaan.

Er hingen strandhanddoeken op het droogrek dat uitzonderlijk in de strijkkamer stond. Meer was er niet nodig voor Fodi. “Ik ga een kamp bouwen”, zei hij met grote zekerheid.
“Ik ga ook een kamp bouwen” zei Glody. Glody, die twee jaar jonger is dan Fodi, heeft toevallig altijd dezelfde ideeën en plannen, maar altijd nadat Fodi ze heeft uitgesproken.

Fodi ging de kamers rond en verzamelde wat hij kon gebruiken voor zijn kamp. Een wekker, twee kussens van het bed, een tennisraket, een fleece uit de zetel, een zaklamp en twee oude stoelen. Een van de stoelen legde hij neer, op die manier was het zowel een auto als een keuken. De andere stoel moest rechtop blijven om de strandhanddoeken van het droogrek verder te laten reiken.
“Maar dan heb ik niks om een kamp te bouwen”, begon Glody.
“Maar Glody dit is òns huisje. Kijk, hier is de kamer, en daar is de keuken, en hierboven is de slaapkamer.”
“Dat is te klein, ik wil daar niet liggen.”
“Ik ga daar wel liggen” en Fodi kroop op de zitting van de stoel onder de badhanddoeken minder dan een voetbal hoog boven zijn hoofd. Hij lag zo plat als een kat en ronkte een beetje. Hij zat helemaal in het verhaal.

“Ik wil een ander kamp bouwen” en Glody kroop vanonder de doeken en het droogrek uit. “Pas op”, riep Fodi, “je stapt in de zee en daarin zwemt een grote walvis en gevaarlijke haaien”.
“Och, dat is het tapijt, ik speel niet meer mee…”, reageerde Glody, maar toe ze wou weggaan sloop Fodi uit zijn slaapplaats als een lenige kat rond het droogrek en werd zo een haai die gek werd van de honger en die met zijn scherpe tanden zo’n klein meisje als Glody misschien wel in één hap kon opeten. Glody had haar rug gedraaid als de haai zo groot als de kamer werd en met een vreselijke “wraaauw” op haar toesprong. Glody schrok een halve meter hoog en gilde nog luider dan de haai had gebruld.
“Niet bijten, niet bijten” riep ze en vluchtte zo snel ze kon in het huisje onder het droogrek.

De haai was terug Fodi geworden en kalmeerde Glody met goede raad. Kijk, hier buiten het huisje ligt een roeispaan, hij nam de tennisraket, en als de haai te dichterbij komt sla je maar met de roeispaan op zijn kop.

Glody sloeg met de tennisraket op Fodi zijn hoofd. “Weg haaitje, weg”
“Maar Glody stop nu toch, auw, dat doet pijn!”
“Jij bent een haai en haaien moeten weg”
“Glody dit is niet leuk en kijk je hebt ons huisje kapot gemaakt”.

Fodi moest het alleen terug opbouwen, maar dit keer volgde Glody wel haar fantasie.

Ze zat te koken in de keuken van het kamp. En met de beker van de tandenborstels, bereidde ze koffie en tomatensoep met frietjes, terwijl ze haar ingebeelde dochtertje streng toesprak. “Neen, je krijgt geen dessertje zolang je tomatensoep met frietjes niet op zijn. Papa, kom ‘ns, waar ben jij, kijk es zij wil weer niet eten”.

Fodi nam de tandenborstels in zijn mond en zei “hmm, lekkere frietjes”, Niet alleen van de frietjes snoepen, papa. Proef eens van de soep. Is ze niet te warm voor onze baby. “Juist goed” zei papa Fodi. Even was er rust in het huishouden. Tot Fodi de zaklamp nam. Die had hij nog niet gebruikt. Hij scheen er Glody mee in de ogen. “Doe dat niet”.
“Haha, jij kunt mij niet zien” lachte Fodi en hij deed lustig verder.
“Stop ermee.. Ik wil de zaklamp”
“Neen, die is voor mij…”
Glody zette haar tanden op elkaar. Fodi wist dat zij dan wellicht ten aanval trok. Ze greep Fodi bij de arm en zetten er flink haar nagels in.
“Jij mag niet meer in mijn kamp”, zei Fodi.

Op dat moment kwam mama de kamer binnen. “Fodi, Glody, waar zitten jullie. Ik zoek jullie overal…”
Fodi scheen nog altijd met de zaklamp in Glody haar ogen, Glody had haar nagels nog altijd in Fodi zijn arm, maar tegelijkertijd brachten ze hun andere arm naar hun mond, om hun gegiechel tegen te houden. Hun ruzie was voorbij. Van uit hun kamp kampten ze samen tegen mama. Ze zagen haar voeten en benen onder de handdoeken uit naast het droogrek staan.

“Ik denk dat ze hier in de buurt zijn. Wat een rommel hebben ze toch weer gemaakt. Ik zal eerst eens die handdoeken opplooien…”

“Mama, dit is ons huisje..” riepen ze allebei. “En je staat in een zee met gevaarlijke haaien!”
Mama deed een stap opzij, alsof een hongerige haai op weg naar zijn prooi geen metertje verder kon zwemmen. “wraaauw” brulden ze beiden.
Mama was een beentje kleiner.

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody en het visje dat niet kon zwemmen

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik schreef voor hen een aantal verhaaltjes voor bij het slapengaan.

“Zie je dat goudvisje daar, het hangt recht naar beneden in het water en zijn mondje gaat open en toe”, zei Glody.
“Oh ja, het spijt me”, zei de man van de dierenwinkel. Ik had dat visje al eerder moeten wegdoen. Soms gebeurt het dat visjes niet kunnen zwemmen.”
“Dat kan niet”, zei Fodi fel. “Visjes wonen in het water en kunnen dus zwemmen, vogels wonen in de lucht en kunnen dus vliegen.”
“Maar als ze nu een vleugel gebroken hebben” zei Glody terwijl ze haar handjes zijwaarts in de lucht stak en in het rond trippelde, de ene arm waaierde uit de andere hield ze strak tegen zich aan.
“Vogels kunnen nog altijd op de grond rondtrippelen, maar visjes kunnen alleen zwemmen.”
“Ik wil dat visje, papa. Mag ik dat visje, ik kan het genezen”.

“Ik zou dat niet doen, meneer”, zei de verkoper.

Glody en nu ook Fodi keken hun papa aan met hun hoofdje schuin en een beetje trieste ogen.
“Alsjeblieft, papa…. Mag het?”
“Doe toch maar dat visje dat niet kan zwemmen”, zei papa.

De verkoper viste het met een netje op en stak het in een plastieken zakje dat gevuld was met water.

“Hij kijkt naar mij” zei Glody blij. “Ik ga hem Goudy noemen, dan weet iedereen dat het ‘t visje van Glody is.” “En van gouden Fodi”, vulde Fodi aan.

Thuis bleef Goudy in zijn bokaal hulpeloos rechtop in het water hangen. “Dat houdt ie nooit vol”, wist Fodi. “Ik heb een idee om hem te helpen” “Weet je nog, als er een pakje van de post komt zitten er in het doosje ter bescherming zo witte zacht stukjes. We hebben die in de keuken eens allemaal in de lucht gegooid en we zeiden dan dat het sneeuwde”.

Er stond nog een doos vol in de kelder. Een voor een bekeken ze de witte stukjes. Het ene was te groot, het andere te lang, en vooral… de meesten waren volledig gesloten. Fodi wist dat ze op het water bleven drijven, maar om zeker te zijn deed hij nog even de proef. Een voor een visten ze de stukjes er uit. Pas een van de laatste stukjes die hij uit het water viste was perfect, mooi rond, met een gat in het midden ter grootte van de hals van de goudvis. Dit kan een zwemband zijn voor Goudy. “Mag ik die eerst in goud spuiten”, vroeg Glody. “Laat ons eerst maar Goudy redden. En als dat met deze zwemband lukt kunnen we nog altijd aan opa vragen of hij die spuitbus met gouden verf meebrengt.”

Het was niet makkelijk om dat ringetje, als een kleine zwemband rond het goudvisje te trekken.
Zijn vinnen mochten niet beschadigd worden. Dan moet het maar langs zijn kopje. Het zwembandje spande een beetje, maar bleef daardoor goed op zijn plaats zitten.
“Misschien is zijn staart te zwaar, want hij blijft nog altijd rechtop in het water hangen”.
“Misschien, maar ik zie hem niet meer naar lucht happen. Ik denk dat hij zich goed voelt zo. We hebben hem gered, Glody. Maar ik heb nog een idee. Weet je nog die bloemenwinkel waar we eens een ballon kregen die maanden later nog altijd tegen het plafond hing?
Als we die nu eens leeg laten lopen tot er nog maar een klein ballonnetje overblijft en dat binden we dan aan zijn staart…”

Goudy straalde met zijn zwembandje en ballonnetje. Op woensdag kwamen de vriendjes kijken.

De papa van een van de kindjes werkte bij de krant. En zo kwamen Fodi, Goudy en Glody met foto in de krant. “Goudy het visje dat niet kon zwemmen. Met naast hem Fodi en Glody die hem gered hadden, zodat hij nu zoals elk visje kon leren zwemmen”.

Weken gingen voorbij en Goudy zwom rondjes in zijn bokaal, geholpen door het ballonnetje en het zwembandje. “Heeft hij nog niet genoeg geoefend, straks gaat hij het nooit leren”, zei Glody en met de hulp van Fodi deden ze het zwembandje uit. Ze legden het aan de kant voor als het toch nog zou mislopen. Maar Goudy zwom verder. Hij trok zelfs een spurtje in het water.

“Als hij ook zonder ballonnetje kan zwemmen kunnen we hem in de beek in het park zetten, dan leert hij vriendjes kennen en jagen en alles ontdekken wat er onder water leeft en misschien vindt hij een vriendinnetje?”

Ze namen een netje mee om Goudy terug uit het water te vissen mocht het niet lukken met het zwemmen.

“Dit moet lukken”, zei Glody, want dit is ander water dan in het bokaaltje. “Dit is levend water, dit is de natuur” zei Fodi “en zo is het goed.”

Ze lieten hem vrij daar waar het beekje zo smal was dat Fodi er over kon springen. Dan konden ze Goudy volgen. “Hij zwemt, hij zwemt..!” riepen Glody en Fodi samen. Er passeerden wandelaars achter hen en die zeiden tegen elkaar: “wat doen die druk over een visje dat zwemt, zeg.” Zij wisten niet dat Fodi en Glody dit visje, hun Goudy, het visje dat niet kon zwemmen, hadden gered.

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody spelen toneel

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik schreef voor hen een aaltal verhaaltjes voor bij het slapengaan.

Glody was nog heel jong toen ze al prinses wou worden. Zoals jongetjes brandweerman of voetballer. Alleen, een jongetje dat in een voetbaltruitje speelt, daar kijkt niemand van op, maar Glody wou zelfs als prinses gekleed naar school gaan.

Dat ze aan tafel een schort aan moest om haar prinsessenkleed niet vuil te maken nam ze er meestal graag bij. Maar over het algemeen vond ze dat zij niet moest luisteren maar dat er naar een prinses geluisterd moet worden.
Fodi speelt ook graag Power Ranger, Ninjah of een geheime soldaat die alle truukjes van de Power Rangers kan toepassen, maar hij weet dat het een spel is.
“Als je een echte prinses bent, is jouw papa een koning. En ik weet dat dit niet waar is, want wij hebben dezelfde papa.”
“Dat weet ik, maar ik ga wel met een prins trouwen…”
“En waar ga je die dan vinden? In de Prinsenstraat misschien…?” Telkens als Fodi gelijk had en zij niet meer wist wat antwoorden, danste ze even rond met haar hand sierlijk in de lucht en haar kleed zwierig volgend in haar beweging.
“Oh, Fodi, jij hebt mij een goed idee gegeven met die Prinsenstraat…
“Wat, ga je echt jouw droomprins daar zoeken?”
“Neen, nu nog niet, ik ben nog een kind, maar ik wil een toneeltje spelen met straatnamen. Ik noem een straat en jij zegt er iets geks bij…”
“Maar daar moeten we toch geen toneeltje voor spelen?”
“Jawel, want ik ben dan een prinses en jij een oud mannetje. Toe, Fodi, speel mee met mij. Weet je, in mijn verkleedvaliesje heb ik nog valse snorren zitten en dan mag jij zo’n snor op kleven. “

Dat vond Fodi wel leuk. Hij nam een pijp van het rekje van papa en ook zijn zomerhoedje en met de oude uilenbril van mama op zijn neus was hij gereed.
“Jij zit daar dan op een bankje in de zon jouw pijp te roken en ik kom als prinses voorbij en ik stel jou een vraag en jij antwoord dan iets leuks…” Glody zei altijd hoe het moest en dat was dan hoe zij het graag wou.

“Meneer, mag ik iets vragen? Ik zoek hier in de buurt de Palingstraat.”
“Maar madammeke, ik zou toch niet met die glazen schoentjes en dat lang kleed in de Palingstraat durven gaan. Weet je, er kruipen honderden lange palingen uit de riolen en met een auto kun je die platrijden, maar als je te voet bent en glazen schoentjes aan hebt en vooral met dat lang kleed, daar zijn ze gek van, zeker als het roos is, want weet je roos is de lievelingskleur van slangen.”

“Meneer, luister eens goed: ik ben niet zo maar een madammeke, maar een prinses en prinsessen dragen nu eenmaal roze of blauwe lange klederen en het zijn jouw zaken niet maar ik moet naar de Palingstraat want ik heb daar familie…”
“Ja, de koning zeker… Woont die in een groen huis, want paling in ’t groen is erg lekker.”
“Meneer, dat is niet grappig. Weet je dan misschien de Beekstraat, daar heb ik ook familie.”
“Ja, in de Beekstraat ga je geen palingen vinden, want met die weer staat de beek helemaal droog. En maar goed ook want prinsessen kunnen niet zwemmen met hun prinsessenkleed.”
“Meneer, ik vind jou heel onbeleefd. Moet ik jou misschien met mijn mattenklopper tsjoekedetsjoek billenkoek op je broek geven?”
“Billenkoek op mijn broek? Van jou, kakkebroek. Weet je, Ik doe niet meer mee.. Ga maar naar de Prinsenstraat, Prinsesje kakkebroek, prinsesje in den hoek..

En Fodi, die heel snel kan lopen, springt op en loopt weg. Pak me dan, als je kan” roept hij. Natuurlijk kan Glody niet volgen in haar lang kleed en op haar glazen muiltjes.
Om haar te plagen blijft Fodi telkens even staan en als Glody hem dan bijna kan grijpen, zingt Fodi: “Prinses, zeverbes, zever in een tutterfles… Prinses, zeverbes, zever in een tutterfles…” Glody wordt er moe van, maar ze wil niet opgeven, daarvoor is ze te kwaad.
De volgende keer dat ze tot bij hem in de buurt komt, zwaait ze plots met haar mattenklopper naar Fodi, die schrikt, doet zijn handen voor zijn ogen en in die beweging struikelt hij en valt op de grond. Glody zet de mattenklopper op zijn keel en met haar andere hand grijpt ze naar Fodi zijn gezicht en terwijl ze grijnzend zegt :” Geef mijn snor terug”, trekt ze aan de snor van Fodi.

“Auw, dat doet pijn.” Zit de snor te vast gekleefd of is zijn echte snor beginnen groeien omdat hij zo lang naar die prinsessenverhaaltjes moest luisteren.

Tja, hoe kon dat, Fodi had een echte snor gekregen. Nu was hij de jongste snorremans ter wereld.

“Ik moet die snor terug. Die is van mij”, zei Glody boos. “Toch niet, kijk maar ze is gegroeid, ze komt uit mijn gezicht…”

Op de radio zong iemand “Hé, prins het is tijd dat jij je scheert.”

“Al die prinsen en prinsessen, ik wil het niet meer horen” en hij drukte zijn handen op zijn oren.

“Kinderen”, riep mama “komen jullie eten?” Fodi was al wat hij gezegd had over prinsessen meteen vergeten. “Wat gaan we eten, mama”, riep Fodi terug.

“Ik heb voor jullie patatjes met prinsessenbonen”.

“Aaaah” klonk het luid door de gang.

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody vieren feest

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik schreef voor hen een aantal verhalen voor bij het slapengaan.

“Neen”, zegt Fodi, “jij bent al jarig geweest”. “Ja, dat weet ik wel, maar na mij is papa jarig en dan mama en dan jij, en dan ben ik toch terug jarig?”. “Maar Glody, dat duurt nog een jaar”. “Tussen Sinterklaas en Kerstmis is het mijn beurt. Kijk, ik heb met mama de uitnodigingen verstuurd voor mijn feestje”.
“Mama heeft gezegd dat ik ook vriendjes mag vragen op jouw feestje”.
“Glody, hou nu toch eens op. Ik ben volgende week jarig. Jij niet. Als mama heeft beloofd dat jij ook iemand mag uitnodigen, oké dan, maar het blijft mijn feestje en ik alleen krijg kadootjes”.
“Ik vraag alleen Aline, dat is mijn beste vriendin”.
“Ja, ik heb het vorige week gezien. Aline liep met haar mama aan de overkant van de straat en jij riep ‘Aline, Aline’ en zonder te kijken antwoordde ze: “Ja, zeg, ik heb je al wel gezien, hoor”.
“En jouw vriendjes dan, jullie vechten altijd en doen elkaar pijn”.
“Och Glody, dat is niet vechten, wij zijn jongens en wij spelen soms een beetje wild. Maar dat is maar tikkertje op de speelplaats en dan lijken wij als wilde paarden achter elkaar aan te lopen. Over heel de speelplaats, behalve op het klimrek, daar ben je veilig en mag men jou niet tikken. Ik durf van het klimrek springen en over heel de speelplaats lopen zonder dat men mij kan aantikken.” “En als je ons dan toch zo wild vindt, waarom wil jij dan altijd met ons meespelen?”
“Ik mag dat toch? Er spelen ook meisjes van jouw klas mee.”
“Ja, maar die zijn ouder dan ik. Weet je, als jij telkens opnieuw wil verjaren dan zal jij vlug zo oud zijn als mama.”
“Als ik zo oud ben als mama en ik heb een baby, dan mag die al de kindjes van de wereld uitnodigen…”
“Dan zal je wel een heel groot huis moeten hebben en heel veel tijd om voor iedereen cake te bakken.”
“Aline komt mij dan helpen.”

“Op mijn verjaardag gaan we eerst een tocht met opdrachten doen in het park. Als het te koud is daarvoor blijven we thuis spelen en eten we verjaardagstaart en drinken chocolademelk.”
“Mag ik dan meespelen?”
“Ja, ik heb een goed idee. Jij verstopt je in huis met Aline en wij komen jullie zoeken.”
“Oh, ik weet al waar ik mij ga verstoppen…”
“Dat mag je nog niet zeggen, Glody, dat moet een verrassing zijn.”

De dag van het feestje vriest het, dus blijven Fodie en zijn vriendjes in huis spelen.

Zes zijn er gekomen. En daarbij Aline en Glody. Nog nooit heeft er iemand zo luid “happy birthday” gezongen als deze zes vriendjes. Papa bleef in de keuken. Daar was hij dichter bij de deur als de buren zouden komen reclameren. Glody en Aline vluchtten naar boven. Mama sneed de taart terwijl ze met iemand telefoneerde. Ze belt met de politie!!! dacht Fodie en hij probeerde zijn vrienden te kalmeren. “Jongens, jongens, we zijn hier niet op de speelplaats van de school. Dit is mijn huis en van mama en papa”.

Ze hoorden hem niet. Ze liepen net als op school als wilden achter elkaar aan. Met rode koppen, roepend en aan elkaars truien trekkend. Daarstraks hadden ze elkaar zelfs met Lego bekogeld. Zoiets had Fodi nog op geen enkel feestje meegemaakt.
Hij was naar papa in de keuken gegaan. Als er iemand de televisie kapot gooit, weet papa dat ik het niet gedaan heb.

“Daar komt huilen van”, had papa gezegd. Nog geen minuut later was het zo ver. Arno brulde en huilde. “Neen, neen, niet doen. Help, dat doet pijn…”
Fodie stormde de woonkamer in. Arno was zijn beste vriend. Die moest hij beschermen, want die was niet zo flink en droeg een brilletje. De vijf andere vriendjes hadden Arno in het tapijt gerold en zaten op hem neer te springen.
“Arno is een pannenkoek, Arno is een pannenkoek” zong Juul.
Fodie vocht om hen van het tapijt te krijgen, tot de strafste van de vijf een restje taart van de tafel nam, en het met de crème in Fodie zijn gezicht duwde terwijl hij riep “Fodie is een crèmekoek, Fodie is een crèmekoek…”. Fodie zag niet meer waar hij liep met die crème in zijn ogen.
Mama hielp Fodie, papa rolde Arno uit het tapijt en Glody die de hele tijd met Aline boven kokeneten had gespeeld, nadat ze zich eerst verstopt hadden en niemand hen was komen zoeken, stond nu bovenaan de trap en gilde zoals alleen zij dat kon. Mama en papa moesten zelfs niks zeggen. Door het gegil van Glody waren alle vriendjes in paniek naar de voordeur gelopen. Glody liep achter hen aan. “Dit is het verjaardagsfeestje van mijn broer. Wat voor vrienden zijn jullie? Snotapen zijn jullie, ja. Grote snotapen. Zo groot dat zelfs een reus jullie niet kan snuiten.
De dag erna kwamen Fodie en Glody samen van school. “Hebben jouw vriendjes nog iets gezegd”, vroeg Glody aan Fodie.

“Ja, dat ze er spijt van hadden en dat het niet zo bedoeld was, ze deden zo gek omdat ze zich zo goed amuseerden”.
“Is dat alles”, vroeg Glody.
“Ze hebben ook allemaal gezegd dat ik hun beste vriend ben en… dat ze erg geschrokken waren van jou…”
“Dat is goed” zei Glody voldaan. “maar weet je, ik ben jouw echte beste vriend, Fodie”.
“Dat is zo”, Glody, ik ben blij dat jij er was op mijn feestje en ik ben altijd blij dat jij er bent”.
“Daarom ben ik jouw liefste zusje” zei ze fijntjes. “Maar jij bent ook de liefste broer van heel de wereld, Fodietje”

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody in de wind

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik schreef voor hen een aantal verhalen voor bij het slapengaan. Komt nog niet in de verhalen voor: hun neefje OTTO. Daarom hier een foto van hen drie:

FONS, OTTO & GLORIA – najaar 2017

Het was zondag. Fodi en Glody wandelden met mama en papa in het park. De wind blies de herfstbladeren in de lucht. “Durf jij mee door die vliegende bladeren lopen”, vroeg Fodi? “Ik weet het niet”, zei Glody. Ik heb schrik dat die bladeren ons meenemen”.“Maar Glody, hoe kan dat nou. Zo’n blaadje weegt toch veel minder dan wij. Kijk de wind maakt een tunnel van blaadjes.”
Fodi en Glody liepen de blaadjestunnel in. “Niet te ver lopen kinderen”, riep mama nog.
Ze hoorden mama niet en verdwenen in een wirwar van herfstkleuren tollend in de wind.“Ik ben een beetje bang”, zei Glody. “Hou mijn hand vast, dan kan er niks gebeuren”, trooste Fodi. “Kijk ginder zijn geen blaadjes meer en schijnt de zon”.
Ze kwamen in een deel van het park dat ze nooit eerder gezien hadden. Er waren alleen maar weilanden en bossen zo ver je kon kijken en er was geen straat meer te bespeuren. In de verte herkenden ze wel het kasteel van hun park. “Laten we daar de weg naar huis vragen.”
Er stond een soldaat op wacht. Toen ze dichterbij kwamen sloeg de soldaat op de vlucht.Niet alleen de soldaten waren bang voor de rare wezentjes die er aan kwamen. Ook de andere bewoners van het kasteel troepten samen. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Glody droeg haar T-shirt van de Minions en Fodi droeg er een met de Power Rangers op.
Maar ook van hun kant vonden Fodi en Glody de kasteelbewoners een beetje raar. Zij leken wel veel ouder dan zijzelf maar er was niemand bij die echt groter was dan hen.
Omdat er niemand iets zei, begon Fodi voorzichtig met een “Hallo, ik ben Fodi en dit is mijn zusje Glody. Wij wonen aan de andere kant van het park, maar eigenlijk zijn wij verdwaald, kunnen jullie ons helpen.”
Een soldaat werd vooruit geduwd om hen van dichtbij te bekijken. Het leek wel een hond die hen kwam besnuffelen. Hij tikte Fodi aan om te zien of die wel echt was en knikte naar de anderen. De groep ging uit elkaar en de kleinste van allemaal met een baard en lange verwarde haren stak zijn arm op en zei iets dat erg leek op “kom”.
Wanneer Fodi en Glody tussen die rare mensjes stapten leek het of die allemaal hun neus vooruit staken om aan hen te ruiken. “Vinden die nu dat wij stinken”, zei Glody stil tegen Fodi, “ik denk dat wij de enigen zijn die deze week in bad zijn geweest.”
“Ik ben Sterkske” zei dat mannetje met het lange haar. Dit is mijn kasteel, het Sterkskeshof”.
Fodi en Glody dachten toch dat hij dat gezegd had, want Sterkske bewoog zijn mond bijna niet als hij sprak.
Omdat hij maar zo groot was als zijzelf durfde Glody te zeggen: “je moet je mond verder opendoen als je spreekt, anders verstaat niemand jou”.
“Oooh” klonk uit alle monden. Het volk deed nog een stap verder achteruit. Wat durft dat meisje tegen onze baas zeggen. Maar Glody was vertrokken en niet meer te stoppen. “Zeg, weten jullie de weg naar de Leeuwlantstraat, want daar wonen wij en wij waren met onze mama en papa aan het wandelen en toen waaide de wind en liepen wij door een tunnel van bladeren, zoals je soms in films ziet en dan waren de bladeren weg en zagen we het Sterkshof dat we kennen van als we met de auto naar oma en opa rijden langs het park en toen zagen we jullie en…”
”Stop” zei Fodi, zie je niet dat die mensjes bang zijn en niet begrijpen wat je zegt. Maar Glody deed lustig verder…“Boempatat, chocolat, sleutelgat, protje, krotje, snotje…” lachte ze. Ik zeg zo maar wat om hen nog meer bang te maken.
“Mijn zusje maakt een grapje”, zei Fodi. Misschien hebben jullie telefoon in het kasteel, dan kunnen we mama en papa bellen en dan komen zij ons halen en dan zijn jullie vlug van ons af…

“Haal Nestor”, riep het mannetje “die zal hen beter verstaan, want die kan boeken lezen…” Tja, het was moeilijk om elkaar te verstaan. Zij spraken wel dezelfde taal als Fodi en Glody, maar op een heel onduidelijke manier, waarschijnlijk spraken ze zo heel lang geleden… Gelukkig zeiden ze niet veel. Zeker geen lange zinnen, alleen maar losse woorden, dat maakte het makkelijker.

Het was donker geworden. Tijd voor bedje. Maar ze stonden nog buiten. “ik wil naar mama”, begon Glody zachtjes te jammeren,” ik wil melk en nog eventjes tv kijken…” ”Rustig maar”, zei haar grote broer, het komt wel allemaal goed. Misschien mogen we wel in het kasteel slapen, dat hebben we nog nooit gedaan. En dan zien we morgen wel.

Fodi en Glody mochten in het kasteel slapen. Niet in een lekker bedje zoals thuis, maar in een stinkende houten bak. De geur kwam van de dierenvellen die als deken gebruikt werden. Glody had zoals altijd naar haar konijn gevraagd. Dat had ze beter niet gedaan, want in plaats van haar zacht, lekker ruikend pluchen konijntje gooide iemand een groot grijs levend konijn in Glody haar beddenbak. Gillend sprong ze uit bed. Fodi durfde niet lachen, want hij was ook erg geschrokken. Uiteindelijk vielen ze toch in slaap. Omdat ze zo moe waren.

De volgende dag kwam niemand hen wekken. Ze slopen dan zelf maar de kamer uit, op zoek naar de badkamer, maar die was er niet.
“Ik heb honger”, zei Fodi, maar er was nu geen mama of papa om hen boterhammetjes te smeren of Corn flakes te geven. Toch roken ze eten en gingen op zoek.
Sterkske, de kleine kasteelheer zat aan een grote houten tafel met een stuk vlees in zijn hand dat groter was dan zijn hand zelf. Toen hij hen zag gooide hij het vlees grommend naar hen toe. Het leek wel geroosterd op een vuur, maar zag er toch niet smakelijk uit.
“Ik wil melk”, zei Glody “en Pindakaas”.
Toen zagen ze dat er ook een mooie vrouw in de kamer stond. Die hadden ze gisteren niet gezien. Ze droeg een lang licht blauw kleed. “Hé, ik heb ook zo’n prinsessenkleed”, zei Glody blij. Heb jij dat ook in de shopping gekocht? De vrouw glimlachte en zei stilletjes “noem mij maar Alisa” en nam Glodie bij de hand en ging er mee naar buiten. Daar stond een koe en de vrouw deed teken naar een knecht om die koe te melken. De melk spoot dampend in een grijze beker zoals oma er eentje op de kast had staan. Omdat die mevrouw Glody heel lief hielp bij het drinken durfde ze wel te proeven. Maar ze deed toch maar haar ogen toe. Terwijl ze eigenlijk haar neus wou toe doen, maar dat lukte niet zo goed, want dan kon ze niet ademen terwijl ze dronk.
Fodi probeerde ondertussen het vlees. Het was wild everzwijn. Zouden ze hier geen kippen hebben, dacht hij. Dan kan ik morgen een ei bakken. Ik denk dat zij dat nog nooit gezien hebben.
Hij vroeg aan Sterkske of hij de keuken mocht zien. Sterkske was blij dat hij Fodi verstaan had en nam hem mee. Dàt had hij daarstraks geroken. Er was iemand, de kok waarschijnlijk, brood aan het bakken. Bijna zoals thuis. “Hmmh, dat ruikt lekker”, zei Fodi. “Mag ik een stuk?” en hij nam het zonder een antwoord af te wachten. Als ik daarbij nog een eitje kan vinden is alvast mijn hongerprobleem opgelost. Hij nam nog een groot stuk brood. Voor straks en voor Glody.

Misschien mag ik wel mee gaan jagen. Het leek of Sterkske Fodi zijn gedachten kon lezen. “Kom” zei hij weer en nam Fodi mee de trappen af naar een kelderkamer waar allemaal wapens stonden. Een kanon met grote ijzeren bollen. En grote en kleinere zwaarden, dolken en hakbijlen. Die kan ik niet eens optillen, dacht Fodi. Sterkske drukte hem een boog in de handen. En een rugtas met pijlen. Door een kleine deur stonden ze plots op het binnenplein. Aan de overkant stond een roos, zoals Fodi die kende uit de tekenfilms. Ze gingen hem echt waar leren schieten met pijl en boog.

“Joehoe”. Boven op een balkon stond Glody naast Alisa en Glody had nu net hetzelfde blauwe kleed aan, alleen was het veel te groot. Maar Glody was er wel blij mee. “Wanneer ik straks mee ga jagen zal ik de weg naar ons huis proberen terug te vinden, dat kan niet ver van hier zijn, alleen zijn al onze straten verdwenen”.
“Fodi, ik denk dat wij moeten wachten tot de wind weer een tunnel van bladeren maakt, waardoor wij terug naar onze tijd kunnen vluchten”, zei Glody die er al goed over nagedacht had. “Maar eerst wil ik mee gaan jagen”, zei Fodi. Misschien leren ze me ook wel paardrijden.

“Ik wil ook nog wel een dagje bij Alisa blijven. Die lacht met alles wat ik zeg. Hoewel ik denk dat ze mij niet begrijpt. Ik versta ook niet alles wat zij zegt. Toen ik daarstraks vroeg of ze geen tandpasta had en een tandenborstel, keek ze eerst heel raar en moest dan hard lachen. Ik denk dat zij nog nooit haar tanden heeft gepoetst, want die zien bruin, bijna zwart en ze stinkt wel een beetje uit haar mond. Maar ze heeft mij een kistje laten zien met parels en goudstukken. Ik wou er al een paar nemen want misschien zijn het er wel van chocolade. Vanmorgen heb ik alleen maar melk gedronken, recht van de koe”.
“Ik heb brood voor jou, Glody. Ik ben in de keuken geweest en als ik een kip kan vinden die eieren heeft, kunnen we een eitje bakken of misschien pannenkoeken proberen te maken, want ik heb ook bloem zien staan. Morgen pannenkoeken, neen, morgen naar huis. Glody, we zullen wel zien, morgen…

Van zodra hij wakker werd ging Fodie op zoek naar een kip. Hij had geluk. In de stal bij de koe liepen kippen rond en in het hooi vond hij wel drie eieren. Een knecht had de koe gemolken en Fodie nam ook melk mee naar de keuken. De kok had het vuur aangemaakt en Fodi vroeg hem een pan. Thuis had hij al vaak een ei gebroken. Iedereen in de keuken stond verbaasd te kijken wanneer Fodi een mooi wit-geel spiegelei lukte. Zij hadden nog nooit eieren gegeten. Zij lieten de eieren altijd uitbroeden tot nieuwe kuikens. Fodi en Glody lieten hun eitje en brood lekker smaken. De kok wou het ook wel ’s proberen. En het duurde niet lang of iedereen ging op zoek naar eieren.

“Weet je wat ook lekker is” zei Glody tegen Alisa “een boterhammetje met kaas en confituur” of met préparé en ketchup en dan een vleesbroodje als dessertje…” Alisa draaide met haar ogen. Zij en de andere kasteelbewoners vonden dat meisje toch wel heel raar, misschien was het wel een heks. Zo verschillend van haar broertje, die zou een van ons kunnen zijn. Hoewel, wat die met eieren doet. Het lijkt ook wel toverij.

Het was natuurlijk allemaal moeilijk te begrijpen voor de kasteelbewoners. Zeker wanneer Fodi over de Power Rangers begon en dat hij een horloge had waarmee hij zichzelf in een dinosaurus kon veranderen of onzichtbaar kon maken.

In plaats van mee te gaan jagen of met Alisa ballet te dansen werden Fodi en Glody in de torenkamer opgesloten. Hoe zouden ze nu terug thuis geraken? Wie kon hen helpen? Al de mensen die ze gezien hadden waren bang van hen. Glody begon zachtjes te huilen.” Ik dacht dat Alisa mijn vriend was”, snikte ze. “Misschien is dat wel zo, dat weten we toch niet? Laat ons dan proberen Alisa te roepen. Jij hebt toch veel aan haar verteld, zij vond jou toch zo leuk. Ik weet zeker dat zij ons mist en benieuwd is hoe het met ons gaat. Zij heeft ons toch niet opgesloten…”
“Alisa, Alisààà…” Kom roep met me mee Glody. “Alisa, Alisàà!!!” De tijd ging voorbij. De avond viel. Nu en dan riepen ze nog ‘s “Alisa, Alisa…”

Er werd een sleutel in het slot gestoken. De deur ging open, het was Alisa met een beker melk voor elk en wat vruchten, rode besjes, pruimen, vijgen en kleine appeltjes. Fodi en Glody bekeken het fruit niet eens en sprongen op Alisa toe. Ze sloegen hun armen om haar heen en lieten haar niet meer los. “Alisa, lieve Alisa, help ons alstublieft, wij zijn niet van hier, dat had je al gemerkt. Wij moeten terug naar onze thuis. Ons mama en onze papa zullen zich afvragen waar wij zijn. Waarom ga je niet met ons mee? Wij wonen ook in een groot huis. Daar is nog plaats voor jou. En dan kijken wij samen naar de televisie en spelen we samen met de iPad en ons mama zal jou op haar fiets leren rijden, en wij hebben ook een sprookjesbos en de shopping, zoiets heb je nog nooit gezien…”

Alisa lachte zenuwachtig en keek naar de deur achter haar. Was ze niet alleen, had er iemand haar gevolgd?
“Zul je dan elke dag een wit-geel eitje voor mij toveren, vroeg ze aan Fodi en mag ik dan jouw tandpasta, vroeg ze aan Glody.
“Jij mag alles”, zei Fodi. En je moet niet bang zijn, want eigenlijk wonen wij heel dicht bij elkaar, maar in een andere tijd. En als je het te druk vindt bij ons keer je gewoon terug naar jouw kasteel. Weet je dat dat er nog altijd staat? De ophaalbrug is nu vastgemaakt en werkmannen hebben het dak vernieuwd en er stopt nu een autobus voor de deur…”Autobus” zei Alisa lachend, daarna legde Alisa haar vinger op haar mond. “Ssst” en ze deed teken van haar te volgen. Ze nam de fakkel van de muur en in het licht van het vuur gingen ze hand in hand de trappen af.
Ze had een plan. Op het binnenplein stond een kar met vier grote vaten. De vaten waren leeg. Fodi en Glody moesten zich elk in een vat verstoppen. Eens het deksel er op riep Alisa een van de knechten. Ze konden niet verstaan wat Alisa tegen de knecht riep, maar ze voelden dat de kar in beweging kwam. De lege vaten moesten naar de brouwer die de vaten opnieuw met bier vult. Gelukkig was er een gat in de vaten, anders zouden Fodi en Glody al vlug een beetje zat worden van de biergeur.
Na een tijdje rijden werd er gestopt en tikte iemand op het vat. Fodi en Glody durfden niet bewegen. Dan deed Alisa maar zelf het deksel open. “Kom” zei ze . Ze had de knecht even naar zijn moeder laten gaan die op een boerderij buiten het kasteel woonde.
“We kunnen schuilen in het bos” “en dan wachten we tot de wind nog eens een tunnel van bladeren bij elkaar blaast” zei Fodi blij. “Ja, stel je voor, zo is het vorige keer ook gegaan…”
“Oh, Glody”, Fodi gaf zijn zusje een dikke knuffel. “jij bent mijn liefste zusje”.

“Windje, windje kom maar…” zong Glody en Fodi liet lachend een scheet. Alle angsten waren plots ver weg en door het dolle heen bootsten ze met hun mond de luidste scheten na. De echte wind had er zin in gekregen want hij begon ook te blazen en te blazen en de blaadjes gingen de lucht in en draaiden rond in cirkels steeds groter, steeds meer. “De blaadjestunnel is terug” joelden Fodi en Glody en ze trokken Alisa met hen mee de zotte wind in.
“In de Leeuwlantstraat, in de Leeuwlantstraat” zongen ze tegen de wind in. Glody begon te gillen, zoals alleen zij dat kon. Nu gilde ook Alisa, want ze werden bijna omver gereden door een groepje fietsers. Alisa had zoiets nog nooit gezien, maar Fodi en Glody wisten dat ze thuis waren. Terug in hun tijd. Daar was de speeltuin al en de nieuwe weg naar de grote poort.

“Mama, papa, wij hebben op het kasteel gewoond. Kijk dit is Alisa van het kasteel, zij kan niet praten zoals wij en ze heeft nog nooit haar tanden gepoetst, maar wij hebben beloofd dat ze bij ons mag wonen zolang ze maar wil en dat ze altijd naar haar kasteel terug kan”.
“Allez, kom, mama heeft viskens gebakken” zei papa.
“Ik weet niet of Alisa dat lekker zal vinden”, zei Glody”.
“Glody, dat bedoelt papa niet. Mama kookt toch niet, papa zegt dat zomaar, eigenlijk wil hij zeggen “jaja, allez, kom, laten we voort maken. Eigenlijk niks dus.
“Niet waar”, zei Glody. “Wel waar”, zei Fodi. “Peuh, peuh, peuh. Al wat je zegt ben je zelf, reageerde Glody, “met jouw broek in de helft…” en daarmee had Fodi het laatste woord.

 

 

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Verlicht en verlaten

 

Hij was door zijn Latoflex gezakt en zat met zijn gat op de grond terwijl zijn benen met de knieholten over de sponde in de hoogte hingen. Het zou uren duren vooraleer hij met zijn 140 kg uit die benarde positie raakte. Niemand kon hem horen. Hij woonde al jaren alleen. Zijn vrouw was overleden, zijn kinderen hadden alle contact met hem verbroken, zijn vier kleinkinderen had hij nooit gezien.

En nu zat hij tegenover mij op de rand van het bed in de tweepersoonskamer van het ziekenhuis. We moesten de nacht samen doorbrengen. Hartpatiënten onder elkaar, dus maakten we kennis. Hij zei meteen hoe oud (77) hij was en dat hij doctor in de rechten was geweest en licentiaat in het notariaat. Hij deed me denken aan Zero Mostel, met zijn kikkerogen en mimieken variërend van angstaanjagend naar poeslief.

Mijn vrouw was er bij. Daardoor moest ik me niet zo uitgebreid voorstellen. Mijn leeftijd volstond. Hij vroeg of we televisie wilden kijken. Ik hou wel van een goed gesprek, antwoordde ik en dacht, als het even kan, onder de gegeven omstandigheden, het liefst met mijn vrouw. Maar op het einde van het bezoekuur hadden wij nauwelijks iets tegen elkaar kunnen zeggen.

Hij wou weten of we al lang samen waren en of we kinderen hadden. We vertelden dat we tot daarjuist bij onze kleinkinderen waren. “Dat is mooi en ik moet zeggen dat jullie nog altijd ‘schoon koppelke’ zijn. Ik ben jaloers.”
Daarmee waren de plichtplegingen geformuleerd en rolde de tsunami van zijn leven over ons heen. Hij zou het zes uur zonder ophouden volhouden. Rond middernacht zei ik dat ik mij nu toch wel op mijn ingreep wou concentreren en deed het licht uit. Mijn nek deed pijn van het zijdelings kijken naar mijn ratelende kamergenoot.
Zero Mostel - Carrara

Ik ben zelf ook graag aan het woord. Maar bij mij is entertainment belangrijker dan het verhaal. Mijn korte anekdotes verschilden erg van de homerische Odyssee die mijn kamergenoot over mij uitstortte en die vooral honderd jaar eenzaamheid verborgen.
Hij werd woorddronken bij de gedachte dat hij het toch nog eens aan iemand kon vertellen. Al snel liet ik hem alleen aan het woord want hij begon een nieuw verhaal alvorens het vorige gedaan was, wellicht uit schrik dat ik zijn woordenstroom zou afblokken. Als een ontsnapte gooide hij het er allemaal uit, het strafste eerst, vooraleer hij seffens toch weer opgepakt zou worden.

Hij had melaatsen in Marokko geholpen. Hij was met – voor miljoenen franken – medicamenten naar Roemenië gereden. Hij had de ambassadeurs van de landen waar hij door moest ’s nachts uit hun bed gehaald om de papieren in orde te krijgen.

Hij had er voor gezorgd dat een aantal Vlaamse kunstenaars zes weken in Havanna konden exposeren, vliegtuig, hotelkosten, alles betaald door het regime.
Fidel Castro was zo blij met het initiatief dat hij een kist met 100 Havanna-sigaren, ter waarde van 5000 frank per stuk, liet bezorgen.

Hij had een huisje in Narbonne. Hij sprak perfect het provençaals van de langue d’oc. Toen hij hoorde dat het oude moedertje van Charles Trenet daar nog woonde, nam hij contact op met de zanger en beval hem een lied voor Narbonne te schrijven. Trenet bedankt onze vriend voor de aansporing en geeft hem de matrijs voor een plaat. Onze verteller laat drieduizend exemplaren persen in Brussel en signaleert de ‘bevolking’ van Narbonne dat ze de platen gratis bij hem mogen oppikken wanneer zij nog eens een wijntransport naar Rotterdam hebben. De dankbaarheid van de Narbonezen is zo groot dat hij sindsdien rond Nieuwjaar telkens honderd flessen van hun beste wijn bezorgd krijgt.

Hier maakt hij een bruggetje naar de Légion d’honneur, de hoogste onderscheiding van Frankrijk die hem te beurt zou vallen, maar het is niet duidelijk of dat met de plaat voor Narbonne te maken heeft. Onze man is evenwel niet uit op dergelijk vertoon en wordt, volgens hem, de eerste in meer dan honderd jaar die deze onderscheiding weigert. Hij laat de Franse overheid weten dat hij geen zin heeft om een half uur op de Champs Elysées in de zon te gaan staan om een medaille opgespeld te krijgen.

Klopt het allemaal wat hij vertelt? Je kunt het niet controleren en voor  je ‘tiens, tiens’ kunt zeggen is hij al een ander verhaal begonnen. Je besluit dat je eigenlijk naar een soort cliniclown voor volwassenen zit te luisteren.

Hij is niet echt een bluffer, hij wil alleen maar ‘overbluffen’.
Hij is de enige die drie dagen mocht rondneuzen in de archieven van het Vaticaan. Hij heeft documenten in handen gehad die bewijzen dat Michelangelo homo was. Et alors, denk ik, maar voortgaande op de samenzwerende toon waarop hij het vertelt, moet het wel een van de vele doofpotten van het Vaticaan zijn.
Via het daaropvolgende verhaal dat hij ook de stoel met uitsnede gezien heeft die gebruikt werd om het geslacht van de verkozen paus te controleren, komt hij bij
‘de Amerikaanse Pausin’, een toneelstuk waarmee Yvonne Lex voor enige deining zorgde. “Dat stuk heb ik voor haar geschreven”, zegt hij. Ik zeg niks omdat ik niet zeker ben, maar had Yvonne Lex dat niet zelf geschreven? Zij schreef vaker haar eigen teksten en gebruikte daarvoor de schuilnaam David Cohn. Wanneer ik het na mijn thuiskomst natrek blijkt David Cohn het stuk van een Duits-Argentijnse schrijfster naar het Nederlands vertaald te hebben.

Hij leunt graag aan bij de literatuur. Letterlijk. Vooral die van vroeger. Zijn grootoom Mane de Bom, waarover later meer, was mede-oprichter van het tijdschrift “Van Nu en Straks”. In diens “Withof” in Kalmthout maakt onze vriend als snotneus kennis met Stijn Streuvels, Hendrik Conscience, Cyriel Buysse, August Vermeylen en andere schrijvers. Hij gaat aan vaders hand naar het sterfbed van Felix Timmermans en laat in de archieven van het Letterenhuis de tekst wijzigen die beweert dat de laatste persoon die Willem Elsschot nog bij leven gezien had, Simon Carmiggelt was. Carmiggelt was ’s morgens van Amsterdam naar Antwerpen gespoord, maar Elsschot stuurde hem gewoon terug naar huis. ’s Middags gaat onze vriend aanbellen. Elsschot staat nog een paar uur dichter bij de dood, maar laat hém wel binnen, omdat hij spijt heeft dat hij die morgen een Nederlander, die speciaal uit Amsterdam gekomen was, niet eens had binnen gelaten.
Bij dit verhaal zal hij voor het eerst glimlachen.
Hij lacht nog nadrukkelijker wanneer hij vertelt dat hij bij een rondleiding in het Rubenshuis de gids in de war brengt door bij het bed van Rubens op te merken: “het bed van Rubens? Van mijn vader zeker. Ik ben er waarschijnlijk in gemaakt!”  – Het heeft er waarschijnlijk niks mee te maken  maar onze vriend heeft dezelfde voornamen als Peter Paul Rubens. We noemen hem dan verder ook  “P.P.” – Het zou kunnen natuurlijk. Het Rubenshuis werd acht jaar na de geboorte van P.P. als museum ingericht. De stad Antwerpen had onvoldoende aangepast meubilair en vroeg de vader van P.P. of hij niet een en ander kon toesteken. Van in de jaren dertig had die immers al naam gemaakt als verzamelaar van antieke meubelen.

Je neemt dat aan voor waar, maar verder op de avond komt dat gegeven terug in je hoofd  wanneer P.P. vertelt dat hij in zijn derde jaar aan de universiteit bij de rector geroepen wordt die hem mededeelt dat P.P. zijn mecenas overleden is en zijn studies niet verder betaald worden. P.P. was ervan overtuigd dat de Paters van de abdij van Averbode altijd zijn sponsors geweest waren, maar hoort nu voor het eerst dat Arthur Boon, stichter van de ‘Ganterie Boon’ in de Lombardenvest, zijn weldoener is. Ik zie emotie nummer twee: een trillende onderlip, wanneer hij ongeveer vijftig jaar na het gebeuren zegt: “en ik heb hem niet eens kunnen bedanken…”
Ik durf niet vragen waarom meneer Boon de handschoen heeft opgenomen om de studies van P.P. te betalen, wanneer zijn vader een welstellend antiquair was. Had hij een problematische verhouding met zijn vader, zoals hijzelf er later een heeft met zijn kinderen?

Ook zijn adoratie voor zijn grootoom Mane de Bom kan ik niet vatten. Die brave man is al 62 jaar dood, maar krijgt deze maand eindelijk een praalgraf van P.P. in Kapellen. Hier heeft hij jaren moeten voor werken. Eerst om de oud-schrijver in concessiegrond te laten herbegraven en dan om er een uniek graf op te laten bouwen. Hij heeft hiervoor een marmeren blok uit Carrara laten overkomen. Hij zal steeds opnieuw Carrèra zeggen.
En passant vertelt hij dat hij de plaatselijke autoriteiten heeft wijsgemaakt dat ze een brandweg moesten voorzien doorheen het bos dat naar de oude marmermijn leidde, waar P.P. absoluut nog een stuk marmer van wou. Vervolgens zoekt hij een kunstenaar die het handschrift van Mane de Bom precies na kan beitelen in het marmer. Niet om bijvoorbeeld enkel zijn handtekening na te bootsen. Het moet een volledig gedicht worden van de oud-schrijver, te beitelen in een marmeren boek van negentig op een meter twintig groot. Het praalgraf zal op de 62ste verjaardag van het overlijden, later deze maand, worden ingehuldigd.

Als idolatrie kan dat tellen, maar de uitsmijter verbijstert mij nog meer.
Probeer het voor jezelf in te beelden. Van wie ben je een achterneef? Hoe goed ken je die?  Hoe vaak zie je die? Wat heb je er voor over?
Ik heb de oefening zelf niet kunnen doen. Ik weet niet eens van wie ik achterneef ben. Maar P.P. houdt van zijn grootoom als was het zijn eigen vader. Ik veronderstel dat hij er dikwijls naar toe ging, want er was altijd goed volk. Hij is vijftien wanneer die grootoom sterft.
Kijk weer naar je eigen familie. Meer dan vijftig jaar later, je hebt ondertussen een eigen leven met vrouw en kinderen en alles er op en er aan, geef je een klein fortuin uit om die mens van vroeger – ook al was hij Van Nu en Straks – alsnog een praalgraf te geven én…
ga je met de plaatselijke autoriteiten een verbintenis aan dat je bij jouw dood mee in het graf van die grootoom gestoken wordt. (Daar is de trillende lip voor een tweede keer).
Mane de Bom is in arm gestorven, als bedankje voor de gulle erfenis kan het niet geweest zijn.

Nochtans weet P.P. een graantje mee te pikken van erfenissen. Eerder op de avond vertelt hij: er was eens iemand gestorven die een gigantisch vermogen te verdelen had. Meerdere huizen en appartementen én een berg gouden Krugerrands ter waarde van een miljard frank. Er zijn geen kinderen, maar wel 22 neven en nichten die zich al rijk rekenen en elk hun advocaten onder de arm nemen want: hun gekke tante laat in haar testament al het goud na aan het “Dierenwelzijn”.
P.P. moet dit oplossen. Hij neemt de opdracht aan op voorwaarde dat de groep van 22 al die advocaten naar huis sturen. Hij wil ‘soloslim’ spelen. Hij weet dat het “dierenwelzijn” niet bestaat als rechtspersoon. De erflater had het wel zo geformuleerd, maar bedoelde het Dierenasiel in Antwerpen, waar ze genegenheid en huisdieren kreeg. Hij biedt de mensen van het Dierenasiel enkele miljoenen aan op voorwaarde dat ze niet gaan procederen om de erfenis toch in hun voordeel uitgekeerd te krijgen. Triomfantelijk kan hij de 22 neven en nichten naast de reeds verkregen huizen een miljard frank aanbieden, min enkele miljoenen voor het dierenasiel en een ‘gouden’ percent voor hemzelf. Glimacht. Enkele seconden stilte.

Ik heb nu verschillende verhalen laten vallen, maar u begrijpt dat het moeilijk slapen is met zoveel nieuwe informatie in je hoofd. Hij heeft zich gelukkig moe gepraat en laat enkele uren zijn motor van 140 PK grommen.

Rond 3 uur is hij wakker en steekt het grote licht aan. Door mijn wimpers zie ik dat hij op de bedrand is gaan zitten, naar mij gekeerd. Er is niet eens een meter afstand tussen ons beiden. Hij begint opnieuw te praten. Ik druk mijn goede oor in het kussen en hou mijn hand in een onnatuurlijke slaaphouding op mijn andere.

Het lijkt alsof hij telkens hetzelfde verhaal vertelt. Ik ben er niet gerust in. Hij heeft het over Mane de Bom. Over het marmer van Carrera. Over een zware last op onze schouders. Over pijn in de borst. Over het marmer van Carrera. Ik wil brullen dat het niet Carrera is maar CarrAra is zoals in Tarara en of hij misschien op de gang verder wil gaan wauwelen. Maar ik zeg niks en mijn adem stokt wanneer ik plots hoor dat mijn vrouw en ik in zijn herhaalde mantra voorkomen. “Twee mensen met een grote liefde voor hun kleinkinderen, twee mensen met een grote liefde voor hun kleinkinderen, twee mensen…” Mijn arme hart bonst, mijn mond plakt dicht, mijn spieren zetten zich schrap. Ik vrees dat hij misschien in zijn slaap praat en zo dadelijk in een opwelling van jaloezie zijn hoofdkussen op mijn gezicht zal duwen.

“Een zware last op onze schouders… twee mensen met een grote liefde…” Hij zet zijn voeten op de grond, komt dichterbij. Ik doe een bruuske beweging en er schiet een kramp in mijn kuit.
Hij merkt het niet eens en stapt de kamer uit naar de nachtzuster die vlak naast onze kamer zit. Ik hoor hem vragen of zij papier voor hem heeft.

Om halfzeven vraagt hij mij of ik een pen voor hem heb. Hij begint te schrijven, ik probeer nog een half uurtje mijn ogen dicht te knijpen om mij op de nakende anesthesie en ingreep te concentreren.

“Wil je eens lezen wat ik geschreven heb, ik kan het niet zelf lezen, ik ben naar de kliniek gekomen in spoed, zonder bril…”.

Ik doe mijn best. Wanneer het te onduidelijk is, zeg ik dat hij het straks thuis kan ontcijferen. “Neen ik wil dat u het kunt lezen…” Ik lees opnieuw :
In de zaal van de verwachting zitten drie mensen naast elkaar. Met pijn in borst en knie. Met druk op rug en schouders. Van Carreramarmer. Ze willen dat het goed komt, door hun positieve gedachten. Het zijn drie vogels die nog kunnen vliegen, maar met een handicap, doch ook met mooie horizonten in ’t verschiet. Eén vogel is gevlogen: Mane de Bom komt loeren achter het gordijn…

Opdracht: voor twee lieve mensen, die hun kleinkinderen doodgraag zien…
Getekend: Peter Paul

Ik denk dat wij hem voor een avond uit zijn eenzaamheid hebben gehaald en hij ons wou bedanken met een gedicht. Hij had geen bril, geen pen en papier, vandaar de mantra.
Wanneer ik ’s middags van de recovery naar mijn kamer word gebracht is onze vogel gevlogen.
Ik denk dat ik over twee weken naar die inhuldiging op de begraafplaats in Kalmthout ga*.
PeterPaul

 * Heb ik ondertussen gedaan, met mijn vrouw en haar nieuwe Titanium-knie, en het klopt van de witmarmeren grafsteen én de feestelijke inhuldiging. 
Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

Straatartiest

Het was even na zes toen ik mijn krant uit de bus ging halen. Voor de deur stond een camionette met draaiende motor. Ik zei goeiemorgen tegen de man achter het stuur, hij knikte. Ik herkende hem. Enkele weken terug had hij mij uit mijn slaap gehaald omdat hij al voor zes uur stoeptegels stond los te wrikken. Nog voor het daglicht hem kon helpen lag de stoep terug dicht en was hij vertrokken. Op naar de volgende job.

Wat kwam hij nu doen? Voor mijn deur zou hij geen werk hebben. Mijn tegels liggen strak in het gelid, mooi waterpas en zonder onkruid. Daar zorg ik zelf voor. Bovendien veeg ik voor mijn eigen deur…

Misschien kon hij niet parkeren op de plaats waar hij een karweitje had en stond hij daarom bij mij. De stoeptegels aan de oprit enkele meter verder waren helemaal verzakt, en daar kon hij niet staan, want ook de straatstenen waren op die plaats verzakt. Daar zou hij werk aan hebben.
Eindelijk pakken ze die gevaarlijke put in de baan aan. Maar dat zo’n man dat alleen moet doen. Ik ben er in ieder geval blij om want ik durf er nauwelijks over rijden. Stel dat net op dat moment de kasseien elkaar niet meer zouden samenhouden en mijn auto een meter diep in de straat zou verdwijnen. Op ons vorig adres heb ik het ooit voor mijn deur zien gebeuren.

Wanneer ik kort na zeven de gordijnen opentrok…  lag de stoep voor mijn deur al een meter breed open. Waarom hier? Vroeger zou ik meteen naar buiten zijn gestapt en de man om uitleg hebben gevraagd. Nu aarzelde ik. Hij had nog altijd zijn metershoge stootijzer in zijn handen en er was verder niemand in de straat te bespeuren. Bovendien was hij dubbel zo groot als ik. In omvang toch.

Ik vond het vreemd. Mocht er iets aan de ondergrondse leidingen zijn dan zat hij er toch flink naast. Maar hij zou niet diep graven, want hij gebruikte niet eens een steekschop, alleen een ronde schop om de bruine grond enkele centimeter gelijkmatig af te graven. Hij had er zo twee die hij zonder aanwijsbare reden afwisselend gebruikte. In een mum van tijd had hij een bergje bruine grond in zijn camionette geschept. Een langgerekte piramide grond zoals cowboys hun makkers of tegenstanders vroeger in de film begroeven.
Zijn camionette was volledig anoniem. Niet oranje zoals alle overheidscamionettes, ook zonder de rood-witte visgraattekening die zelfs private aannemers op hun wagens hadden om passanten te verwittigen dat er werken aan de gang waren.
Was hij wel echt een straatwerker? Zou ik de stadsdiensten bellen om hem na te trekken. Mensen van de stadsdienst maar ook private stratenmakers zag je nooit alleen werken.

Ik besloot gewoon binnen te blijven en vroeger dan anders achter de computer te kruipen. Vandaar had ik een goed zicht op de werken.

De eerste keer dat ik even naast mijn scherm naar de straat keek zag ik zijn camionette niet meer staan. Ik liep tot bij het raam. Verdorie, die heeft gewoon de stoep opengelegd en is vertrokken.
Gelukkig kwam hij dadelijk terug. Hij was op het einde van de straat zijn camionette gaan draaien en parkeerde op dezelfde plaats maar nu met zijn neus in de andere richting. Niet dat dit een verschil maakte. Er lag niet meer op dan een bergje grijs zand evenwijdig aan het bruine zand dat hij van mijn stoep had afgegraven.

straatartiest-03Misschien paste zijn camionette in de vorige positie niet in de cadrage van de foto die hij wou maken van de opengelegde stoep. Daar nam hij dan wel zijn tijd voor, waardoor de foto leek me belangrijker dan de stoep. Hij stond daar niet zomaar met zijn mobieltje te trekken, maar met een heus fototoestelletje. Zo’n paarlemoeren ding dat je eerder in de handtas van een dure dame vermoedt dan in de zakken van een werkbroek.

Wie weet was hij vroeger echt stratenwerker geweest en had hij zijn werk verloren maar wou van geen ophouden weten. Hij zag er toch niet ongelukkig uit, want dan sta je niet om kwart over zeven, tegen de laadbak van de camionette leunend, opgewekt te bellen in een taal die ze in een andere tijdzone spreken.
Het zou ook kunnen dat de man aan een minder bekende dwangneurose lijdt. Dat hij dwangmatig stoepen openbreekt en dicht legt en kickt op de spanning dat hij misschien betrapt zou kunnen worden. Hij zou hiervoor in behandeling zijn en foto’s maken voor zijn therapeut. Of voor zichzelf, wat ik plots veel enger vond.
Ik zag hem al in een kamer vol met foto’s van stoepen. Met permanente stift schreef hij er datum en plaats op. Speurders zouden er een kluif aan hebben. Ze wisten wel dat de foto’s niet overeen kwamen met de plaats van misdaad.  Zou hij als gevolg van een of andere kronkel stelselmatig de stoep van zijn slachtoffers fotograferen?
Terwijl ik naar boven liep om een foto te maken van mijn stoep, checkte ik of mijn voordeur wel goed gesloten was. Stop toch met die fantasie, zie ik tegen mezelf. Seffens geloof je jezelf nog. Maar dat was niet makkelijk want, gingen mijn dove gedachten verder, deze man heeft evenzeer gekke gewoonten, misschien wel een verrassend dubbelleven?
De politie zal hem wel kennen, maar niet op deze manier. Zij wisten wie er achter het masker van de ‘Kolos van Knossos’ schuilging. In het wereldje van het professionele worstelen werd hij geroemd als “het crapuul van Kreta, even wreed en meedogenloos als hij groot is”. De politie moet de ware identiteit van al die gemaskerde catchers op voorhand kennen, evenals de uitslag van de te betwiste kamp.  Hij stond bekend als een eerder timide man, die een centje bijverdiende als catcher, maar onder de spotlights met een kap op zijn kop alles durfde.

Ik stond terug met beide voeten op de stoep. Goed, hij zal dan misschien wel geen seriemoordenaar zijn, maar hoe vreemd ben je als je voor de kick voetpaden open legt?
Vrees om betrapt te worden in onze straat moest hij niet hebben. Aan de overkant is er een kerkhof. Van die kant zou niemand reclameren, en aan deze kant staan verschillende huizen leeg. In een winkelstraat met veel passerend volk zou hij zijn kunstjes niet moeten vertonen. Zou hij al vaak net niet betrapt zijn geweest? Zou hij voorttrekken van stad tot stad?  Tweemaal in dezelfde straat opereren was dan toch niet zonder risico?

Op het vervolg moest ik even wachten, want zoals echte stratenmakers nam hij een pauze alvorens de volgende fase aan te vatten en zijn opdracht ook voor mij duidelijk zou worden. De stoep werd weliswaar met zorg gewoon terug dicht gelegd, waarbij hij een ouderwetse tegelstamper gebruikte. Alvorens er een laagje zand over te strooien nam hij weer uitvoerig foto’s.
Om de voegen op te vullen gebruiken vaklui een fijn, bijna wit zand. Onze man zijn zand kwam recht uit een zandbak. Te grof, te geel met van die heel kleine steentjes in. Voor de dag voorbij was hadden er al kinderen in zitten spelen.
Nadat hij het zand had gestrooid was hij meteen weg. Pauze en foto’s nemen inbegrepen was hij nauwelijks meer dan een uur bezig geweest.

Ik ging toch eens kijken. Hij had enkele nieuwe tegels gelegd. Ze waren minder grof dan de andere, lichter grijs en net iets kleiner waardoor de voeg breed openstond. Het waren er zeven in totaal die in “V” een pijl vormden naar mijn huis.
Moet ik nu blij zijn omdat een voorlopig nog onbekende artiest mijn stoep uit duizenden heeft uitgekozen om zijn ‘streetart’ te performen ? Of moet ik bang zijn omdat hij op deze manier zijn handlangers laat weten dat dit huis de moeite loont om in te breken ? Misschien hoor ik er nog wel van. Maar eigenlijk toch liever niet.

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

De blauwe Valentijn-bakker

We hebben een uitzonderlijke bakker. En ik ben niet de enige die dat vind. In het weekend staat de rij wachtenden tot een eind in de straat. Soms wel veertig man. En dan heb ik de vrouwen nog niet mee geteld. Maar die zijn met veel minder. In de rij staan voor de bakker is blijkbaar een mannenzaak. Maar dat is niet erg, want het gaat vooruit. We worden door meer dan tien vrouwen bediend. En er is koffie voor de wachtenden.
En altijd wel wat te zien. Zoals de activiteit in de bakkerij. Door een glazen wand kun je volgen hoe vooral de patisserie wordt gemaakt.
Ik zou er geld voor geven, of toch heel blij zijn, mocht ik eens enkele dagen in de bakkerij mogen meedraaien. Om zelf te kunnen zien hoe ze dagelijks het mirakel van de vermenigvuldiging van broden en vissen voltrekken. Maar dan in de plaats van vissen, de lekkerste taarten en gebakjes, pistolets en koeken,  croissants en snoepjes. En alsof dat nog niet genoeg is kun je er ook drietraps-bruidstaarten bestellen of ander gelegenheidsgebak. De klant is hier geen koning, maar een verwend kind.

Als ik sta aan te schuiven beeld ik mij soms in dat ik in New York of Parijs bij de bakker sta. De sfeer, de ruimte, het design voelt internationaal. Alleen al de verlichting. Zoiets zie je normaal niet bij een bakker.
Hoewel de meesten recht voor zich uit staren, wordt er door sommigen toch op een niet Belgische wijze onder elkaar gepraat. Joviaal, luidruchtig, van “hé, wie heb ik daar”, maar dan in het Engels, het Frans en in talen waar ik nooit van gehoord heb. Het lijkt wel een receptie in een kunstgalerij. Maar met de geur van brood en koffie.
Dit is dan ook geen bakkertje van tien in een rozijn, waar geel koper nog de toon zet en ouderwetse taarten steevast op papieren broderie staan. Dit is een hotspot voor wie houdt van lekker brood en aanverwanten. En van klasse. Gebak en andere patisserie lijken wel uitgestald alsof het juwelen zijn en (h)eerlijk gezegd, in hun genre zijn ze dat vaak ook. Alleen is er geen glazen wand. Wel een lint zoals in een museum. Om de kijklustigen op afstand te houden.
De broden liggen dan weer op functionele rekken. Heel basic. Ik heb er geen idee van hoeveel soorten brood er liggen. Wij houden van multi-granen en Ardeens. Maar ik wed dat er dagelijks nog meer dan twintig andere soorten brood worden aangeboden.

Sommigen vinden het een salut-les-copains-bakker. Maar wat zou er mis zijn aan een sfeertje van vrienden onder elkaar? En ja, in het weekend lijkt de dresscode algemeen would be sportief. Docksides aan de voeten, gestreepte sweater losjes over de schouders, alsof ze vlug nog warme pistoleekes komen halen alvorens ze naar hun yacht snellen. Zeker vroeg in de ochtend, wanneer ik dus ga en op een verkeerde filmset verzeild lijk te zijn. Maar ik sta liever tussen propere imaginaire sporters dan tussen verstokte rokers. Bij de bakker wil je toch vooral dat verse brood ruiken?leBleuValentijn

Het is wel een bakker voor macho’s, vind ik. In de aanloop naar Valentijnsdag had de bakker er niet beter op gevonden dan een mannequin in de winkel te plaatsen. Zo’n etalagepop in een knalrood niemandalletje, met een plumeau in haar handen. Misschien had hij die verenpluim wel ergens anders willen steken dan dat ze, zoals nu, een beetje onhandig met een rekkertje aan de handen van de etalagepop was bevestigd. Het was geen gezicht. Dat was geen pop met een plumeau, maar een tang op een varken.  Een poetspoes voor Valentijn. Hoe haalt een uitstekende en moderne bakker zoiets in zijn hoofd? Wat wil hij daar mee zeggen? Neem ook eens een taartje mee voor uw Poolse, Roemeense of Congolese poetsvrouw?

Omdat ik toch nog een hele rij voor mij had sprak ik er de bakkersvrouw op aan. “Stoort het jou niet dat jouw man vrouwen als “kuisvrouwen” neerzet? Jou in de eerste plaats? Wat moeten al die zelfbewuste vrouwen daarvan denken?”
Zij kon er mee lachen. “Ach, soms mag hij ook eens zijn goesting doen, zegt ze, hij moet van mij al het hele jaar in zo’n wit-blauw gestreept Jean-Paul Gaultier truitje lopen. ‘Lebleu, le beau male’, lachen sommigen, verwijzend naar de redelijk erotische reclame voor een mannenparfum. En je had hem moeten horen toen hij met Sinterklaas als zwarte Piet in de bakkerij moest opdraven. Compleet zwart geschminkt met vuurrode lippen en in een blinkend satijnen pakje. Hij weet wie er de baas is en dan vergeef ik hem die etalagepop. Hij heeft die ooit op een rommelmarkt gekocht en wou die altijd als eens in de winkel zetten, maar dat past niet bij brood, hé. Nu met Valentijn heeft hij zijn kans gezien.”
Daar sta je dan als voorvechter voor de emancipatie van de vrouw.
We spraken af dat ze het volgend jaar anders zouden doen. Ik stelde al gratis en voor niks een tekst voor: “ik werk een heel jaar aan mijn lijn, met Valentijn wil ik één keer echt “lekker” verwend zijn?”  We zouden die tekst dan op een pancarte kunnen zetten, die de mannequin als in een betoging naar boven houdt zodat de klanten die staan te wachten reeds van buiten in de rij over de hoofden heen kunnen zien dat er iets aan het gebeuren is. En als ze dan dichterbij komen…Verrassing, staat die mannequin in bikini. Om haar slanke lijn te tonen.”
Ze zei dat ze er zou over nadenken. Ik ben benieuwd.

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

VANMORGEN (Fons & Gloria)

Op een morgen, bijna dertig jaar, geleden bracht ik de kinderen met de auto naar school. Toen ik voorbij de elektriciteitswinkel Big Ben reed, moet ik ‘bij manier van spreken’ gezegd hebben. Het overkomt me wel meer dat ik mijn eigen woorden op die manier nuanceer. Mijn jongste, die hooguit drie was en de finesse van de taal nog aan ’t leren was, plakte die manier van spreken als ‘meneer” van spreken in zijn figuurlijk woordenboek. Volgens hem woonde deze ‘meneer’ boven de winkel van Big Ben, want ik wees op het moment van de uitspraak met mijn hand in die richting. Die “meneer” moest wel een tovenaar zijn, want die wist gewoon alles van ons en kende onze gesprekken nog voor wij ze voerden; want hoe kon het anders dat papa al wist wat “meneer van spreken” over een en ander dacht?

Op een vergelijkbare manier heeft Fons een eigen invulling gegeven aan “vanmorgen”.
Voor hem is vanmorgen niet het begin van deze dag maar een verwijzing naar een recent verleden. Laatst.
“Vanmorgen zijn wij naar het park geweest”, zegt hij, terwijl hij nog in pyjama aan het ontbijt zit. Hij wil dan vertellen dat ze daar recent zijn geweest. De eerste keer heb je ‘t niet door. Fons bedenkt verhalen even natuurlijk als hij ademt en vertelt ze in een heldere taal en mooie zinnen. Maar met ‘vanmorgen’ zet hij iedereen op het verkeerde been. Moet je hem corrigeren? Uiteraard niet. Je kunt niet tot een spraakwaterval komen als er telkens dammen worden opgeworpen. Hij is toch ook van pinazji naar spinazie gekomen en tatejage zal binnenkort ook wel tatoeage heten. Net zoals hij het moeilijke bibliotheek nu nog als biloteleek uitspreekt of  jager zegt voor jarig en wanneer hij gaat kleuren wil hij dat ik eerst een afdeling (afbeelding) op de iPad zoek. Soms is er enig heen en weer gepraat nodig alvorens je mee bent met de betekenis die hij aan het woord geeft. Zo vertelde hij dat de ‘werkemannen’ hun tuin helemaal als de onze gingen maken (zelfs met plas op het slecht aangelegde terras) en met een matras. Ik dacht dat hij het over ligstoelen had, maar door hem te laten praten bleek het om het terras te gaan. Het is zo schattig hoe hij vol vuur zijn verhaal brengt en ochottekes hier en daar ongewone betekenissen aan woorden geeft. Ik denk dat ik ze hier allemaal heb opgenoemd. Voor de geschiedenis, voor hem later. Laat hem dus maar elk verhaal met ‘vanmorche’, zoals hij het uitspreekt, beginnen. Hij zal er wel achter komen dat er meerdere tijdsaanduidingen zijn. 

Het gaat al zo snel. Iedere week zijn er nieuwe dingen die ik zou moeten noteren alvorens ik ze vergeet. En dan komt Gloria er steeds nadrukkelijker bij. Niet zozeer dichterbij, want Gloria houdt graag afstand. Minstens een gestrekte arm in afweer terwijl ze neen zegt.
Ze kan al hele kinderliedjes zingen, toch blijft “neen” haar meest gebruikte woord. Noem haar “zoeteke” of “poppemie” en ze reageert onmiddellijk met: “neen, Gloria”. Poëzie beperkt zich voorlopig tot “boempatat”, haar eerste krachtterm die ze om de haverklap gebruikt, zoals dat met krachttermen gaat. “Omà” ligt op het puntje van haar tong, want die springt onmiddellijk voor haar in ’t gelid. ’Opààà’ laat ze veel langer klinken.
Fons spreekt van het “opa-huis”. Elke keer opnieuw ben ik bijna ontroerd wanneer hij met fijn stemmetje zachtjes “dag, opa-huis” zegt wanneer we met de auto ’s avonds terug naar zijn thuis rijden. Tot Gloria dat in “oma-huis” veranderde. Niet omdat ze het slecht begrepen of onthouden had. Het is Gloria haar keuze: vrouwen aan de macht. Ik denk zelfs dat Fons geen ‘opa-huis’ meer durft zeggen sinds Gloria hem een paar keer heeft verbeterd: “neen Fons, oma-huis”.
Heerlijk toch hoe die kleine hoofdjes zo uiteenlopend denken en doen. Fons was er eerst en zal altijd wel eerste blijven, maar afgezien daarvan ben ik evenveel met haar bezig. Vertel verhaaltjes, zing, lees voor en breng hen vooral aan ’t lachen. Mijn geluk is hen gelukkig zien. Desnoods vertel ik tien keer na elkaar hetzelfde verhaal, met dezelfde sleutelwoorden en mimieken. Zolang ze “nog ‘s” zeggen. Fons kan blijven lachen, voor hem is het een toneeltje, iets dat we samen creëren, maar Gloria zal plots een streng gezicht trekken en “neen, opa” zeggen, doe niet onnozel denk ik dat ze er ooit zal bij aanvullen.

Fons moet geeneens moeite doen om haar aan ’t lachen te brengen. Al lacht ze zoals bakvisjes doen, overdreven in verhouding met de grap. En alles wat hij doet, doet zij na. Ook “in overdrive”. Niemand haalt haar beter uit haar frons dan Fons. ‘Frons’, omdat Gloria haar wenkbrauwen zo diep kan fronsen en zij zich aan alles en nog wat lijkt te ergeren. Een kruidje-roer-me-niet, tenzij het Fons is die roert.
Fons fantaseert en regisseert en Gloria laat zich meedrijven. Tot ze haar anker uit gooit en tegen de stroom in gaat. Hun samenspel verloopt uiteraard niet zonder slag of stoot. Onze ‘flinke meid’ deelt graag een plaagstoot uit. Heeft ze losse handjes en tandjes? De bieterkes staan in ieder geval stevig vast en ze kan er mooi haar stempel mee drukken. Gelukkig alleen als ze echt boos is. Ook met haar nageltjes laat ze wel eens een afdruk na. Als experiment. Om te zien hoe Fons reageert. Trekt hij gewoon zijn arm weg dan gaat zij er soms met ‘verbeten’ blik achteraan. Wanneer je het opmerkt blijft ze als bevroren staan, het hoofdje afgewend en de oogjes half toe. ‘Bemoei je niet, dat is iets tussen ons, I call the shots’, denk ik dat zij dan denkt. Het is het peper en zout bij het opgroeien. De ene doet zus, de andere doet zo.

We hebben een zetel met een uitstekende vering. Ze mogen er naar hartenlust in springen, hij is van sterk leder en gaat niet kapot. Fons vraagt me iets ritmisch te zingen en dan springt hij zich buiten adem in zijn aanstekelijke en vrolijke regendans. Hij danst voor zichzelf. Zijn plezier gaat naar de beweging en de beleving. Gloria springt mee maar heeft een doel. Met haar handjes op de rugleuning springt ze tot ze hoog genoeg is voor een zijsprongetje: met de voeten vooruit op de hand, voorarm of buik van wie in de zetel zit. Dan pas schatert ze het uit.
Fons fantaseert dat de zetel een boot is en daarrond water met krokodillen. Het is verbeelding, vooral verbaal. Gloria heeft lak aan dat soort toneel. Zij wil actie. Als ze niet van de ene naar de andere kant loopt, zoekt ze wel een wapen en stormt voor de afwisseling op je af. Gisteren viel ze me aan met een bezemsteel. Als een gewichtheffer steekt ze die boven haar hoofd om hem dan met alle kracht tegen jouw armen en benen te rammen. Je moet lachen met hoe ze in extase haar ogen openspert en al haar energie samenbalt voor die nakende aanslag. Maar na enkele stokslagen vergaat je het lachen want het doet echt pijn. Elke ‘auw’, is voor haar een aansporing om een tandje bij te steken.
Het gekke is dat die kleine geweldenaar de grootste bangerik is. Ze kijkt graag naar de beelden bij de liedjes van Kapitein Winokkio, maar bij Roodkapje vlucht ze weg. “Bang van boze wolf!” Om het kwaad te bezweren zingt ze dan een hele voormiddag: “ben niet bang van de boze wolf, ben niet bang, ben niet bang…” Een visje met dikke lippen in een onschuldige Goofy tekenfilm: “Bang van!” Zelfs van de sprekende Sprookjesboom van de Efteling loopt ze weg. Fons roept haar dan galant terug wanneer het fragment voorbij is.

Natuurlijk komt er veel op hen af. Verwerk maar eens die dagelijkse stroom van pulp op tv voor kinderen. Die inspiratieloze drukte heen en weer zonder verhaal in waanzinnige kleuren met onherkenbare galactische toestanden over flitsende robotten en laserpistolen en boeken met draken en nog lelijkere monsters. (Probeer er maar ’s alleen naar te luisteren, zonder naar het scherm te kijken…) Een goed verhaal, lieve figuurtjes, mooie prentjes, een rustig tempo, het mag niet meer zijn. Wat moet dat stormen in die hoofdjes, ’s nachts als het donker is. En je mag nog duizend keer zeggen dat draken en spoken niet bestaan.
Toen wij klein waren was het veel makkelijker. Er was nog geen tv en we gingen voor het slapengaan wel eens wandelen. En wie was er nu bang voor nonkel Bob? (Van zijn zoon was toen nog geen sprake.) We lazen Puk en Muk, die woonden op drie straten van Luilekkerland bij Klaas Vaak en verzamelden slaapzand voor ons, kindjes. ‘Liever lief’ en de bloemetjeskinderen moesten nog komen. Daar staat tegenover dat wij op zo jonge leeftijd bijlange niet zoveel kenden of assertief waren. Dat laatste mocht trouwens niet van thuis.

Geheel in haar eigen stijl, beknopt en zonder omkijken verbaast de kleine Gloria ook verbaal. Zo bekeken we laatst samen foto’s van het kerstfeest. “Hoe heet die soep weer”, zegt Fons en hij ondersteunt zijn hoofd om beter te kunnen denken. Gloria die aan haar tafeltje zit te kleuren, zegt zonder opkijken: “ venkel”. Fons is het wenen nabij : “Gloria, jij hebt het verklapt… ik was nog aan het nadenken…”

Het is een voorrecht van hen in deze fase te mogen meemaken. Fons is nu tweemaal zo oud als Gloria. Ook dat komt nooit meer terug. Vanaf volgend jaar en alle jaren later blijft het verschil in jaren gewoon twee. Zou ook het verschil in karakter vastliggen? Dat zien we later wel, nu zijn het om ter grootste hartendiefjes. Waren ze om op te eten, wat ze bij ‘manier van spreken’ helemaal zijn, zou ik zeggen: “Pak ze maar allebei in.” Zij pakken iedereen in die hen leert kennen.

Er was een tv-programma ‘taxi’ waarin de chauffeur gesprekken voert met zijn klanten. Simpele televisie, maar soms best interessant. Zeker om de tegenstellingen tussen mensen te zien in eenzelfde omstandigheid. De ene omarmt het leven zodanig dat hij ook bijna de chauffeur om de hals valt, de andere is zo stil dat je omkijkt om te vergewissen of hij stiekem al niet is uitgestapt.
Ik denk wel eens aan die ‘pratende’ taxichauffeur wanneer ik op woensdag Fons van school ga halen of Gloria op donderdag naar ons meeneem. Bij Gloria kijk ik inderdaad nu en dan achterom, maar zij zit altijd stil naar buiten te kijken. “Driving miss Gloria”. Soms, wanneer ik een praatje met haar wil maken reageert ze met “neen, opa, niets zeggen”. Maar wanneer we de steenfabriek De SaeGher passeren zegt zij onveranderlijk: ‘Gloria letter”. “Maar ook die van mama”, zeg ik dan. “Ja, ook!” Einde van de conversatie.

Maar ook dat zal wel veranderen. Vorige week heeft ze onze taal trouwens verrijkt met het originele “stokveger”. Wij noemen het ruitenwisser, maar dat kan verward worden met de ruitenwissers van de auto zelf. Stokveger veegt die twijfel weg. Zeker wanneer zij het met aandrang aanwijst. Wanneer ik haar de stokveger aanreik, zegt ze niks meer en kijkt verder naar buiten. Zij heeft de chauffeur getest. Krijg ik een ‘orzijntje‘ vraagt ze ook wel eens en dan heb ik spijt dat ik geen rozijntjes bij heb. Orzijntje vind ik trouwens een mooier woord.

Natuurlijk heeft zij nog niet zoveel verhalen als Fons. Wanneer ik hem van school haal heeft hij nog voor hij in de auto zit al enkele verhalen verteld en kapper Theo vriendelijk dag gezegd, want Theo heeft altijd een snoepje klaar.
Je weet meteen waarover zij het in het klasje gehad hebben: “opa, zal ik ’s zeggen vanwaar hoofdpijn komt…?” of “weet jij wat ribben zijn?” Hij verrast met de melding dat zijn vriendje die hij al kent van de crèche met hem wil trouwen. Maar dan vraagt hij of we hartjes van Fimo-klei zullen maken, want hij is verliefd op een meisje van de klas. Wanneer je de week daarop informeert naar dat meisje, blijkt die ondertussen verliefd te zijn op een ander meisje van de klas.
Een Nieuwjaarsbrief voordragen is met de familie erbij vervelend, maar alleen met hem in de auto kreeg ik een schitterende versie te horen de dag dat ze hem in de klas hadden ingeoefend. Soms zingen we heel de weg vol en laatst hebben we van Berchem tot Deurne Bert en Ernie-dialoogjes gehouden. Ik heb al zovele verhaaltjes verteld met Sesamstraat-stemmetjes, hij heeft er dus wel oren naar, maar ik vond het toch verbluffend hoe hij in zijn rol bleef en nooit om een repliek verlegen zat.

Ikzelf ben nergens als ik de weg moet uitleggen, maar Fons, als hij het over iemand van de klas heeft, begint steevast uit te leggen waar die woont. Laatst was hij weer aan een verbaal stratenplan bezig toen hij plots zijn uitleg eindigde met “…en blablabla”. “Blablabla, waar is dàt?”, vraag ik. “Oh, dat zeg ik als ik het niet meer weet.”
Of een diepgaander gesprek wil voeren? “Weet je wat de hemel is? Dat zijn sterretjes in de lucht. En al die sterretjes zijn oma’s en opa’s die gestorven zijn. Soms zijn er ook al mama’s en papa’s bij en zelfs kindjes.” Misschien was er die dag een oma of opa van een klasgenootje gestorven. Over mij ging het nog niet. Ook al vroeg hij na mijn hartoperatie, toen mama hem verteld had dat opa het nog een tijdje rustig aan moest doen: “opa, hoe lang ben jij nog verstorven?”
Het hield hem bezig, dat merkte je, dat voelde je ook. Zonder angst kwam hij op bezoek in het ziekenhuis. Je zag hem kijken, mij bestuderen en nadenken ‘hoe kan ik mijn opa laten weten dat hij de liefste opa van de wereld is?’
Een kind van drie dat uw lakens mooi trekt vooraleer hij doorgaat is al uitzonderlijk zorgzaam, maar dat was voor hem niet genoeg. Hoe kon hij zijn gevoel op onvergetelijke wijze formuleren? Terwijl hij mijn hand vasthield en me liefdevol aankeek zei hij: “Opa, ik ga kapster Veerle vragen van mijn haar zo te knippen als dat van jou, want ik wil helemaal zoals jij zijn…” Nooit kreeg ‘kaal’ een mooier verhaal.
Mijn kleinkinderen zijn mijn grootste vrienden.

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Man van het jaar

Brieven aan Fons 5

Het is 7u10 op de zaterdag voor Kerstmis. Buiten is het nog stikdonker. Binnen zijn de lichtjes van de kerstboom al aangestoken en ook de honderd lichtbolletjes in het windglas naast de tafel waar ik zit met een kop verse koffie achter een bord met tweemaal ‘sunny side up’, om het slechte weer te compenseren.
De telefoon rinkelt. Het is vroeg voor kletspraatjes. Op het schermpje lees ik ‘Sarah’, mijn dochter, mama van Fons en Gloria. “Goeiemorgen Sarah”, zeg ik wanneer ik de verbinding aanneem. Geen antwoord. Gedurende enkele seconden. En dan stil : ”het is Fons…” Gewoonlijk opent Sarah met “het is Sarah…”, hoewel zij weet dat ik dat weet van op het schermpje, maar nu hoor ik een gebroken stem of een nog niet wakkere stem, die zegt “het is Fons…”
Mijn hart ontploft, mijn bloed tsunamiet zich stampend naar mijn hersenen, de tranen spatten uit mijn ogen, ik geef de hoorn aan mijn vrouw. Er is iets met Fons… Ik sluit mijn ogen en probeer een infarct te vermijden. Fons is mij het dierbaarst in het leven. Als er iets met hem is, moet ik dat aanvaarden, maar mijn lichaam gaat altijd wilder te keer dan mijn geest. Donderdag was hij nog een hele dag hier. Liever, aanhankelijker dan ooit, maar dat vind ik altijd.
Ik zie mijn vrouw lachen, ze brengt de hoorn aan mijn oor, ik hoor mij dochter zeggen “sorry, sory, Fons was wakker en wou telefoneren.” Naar wie wil je bellen had ze gevraagd. “Naar opa” had de lieverd geantwoord. Achteraf kan ik er gelukkig om zijn, maar dan wel nadat ik enkele fracties van een seconde zo ongelukkig was als een mens maar ongelukkig kan zijn. Mijn dochter is een knappe actrice, maar om 7u slaapt ze nog te veel om de impact van haar dramatisch gekreun aan de telefoon in te kunnen schatten.

Fons is voor mij, ook al ben ik niet zo gezaghebbend ter zake als Time magazine, voor het tweede jaar op rij “man van het jaar”. Zonder dat hij daarvoor het hoogste ambt ter wereld moet bekleden zoals Obama. Zijn prestatie is des te groter omdat hij bij de bekendmaking nog maar twee jaar en één week oud is.

Na Nieuwjaar komt zusje Gloria er bij op donderdag, maar we hebben al gezien dat het goed zit tussen die twee. Als Fons van de crèche thuis komt is Gloria aan het einde van haar middagdutje. Hij klimt dan op het ouderlijke bed en vandaar buigt hij zich over Gloria in haar bedje dat er achter staat, om haar in zijn armen te nemen voor een zoentje. Vervolgens kijkt hij stralend als een Antwerpse “A” in het rond, strekt zijn armen uit alsof hij net wereldkampioen is geworden en laat zich zonder omkijken achterover ploffen op het ouderlijke bed. In denk dat hij zich op dat moment echt de kleine volwassene voelt die van zijn werk thuiskomt. Imitation of life, zoals R.E.M. zingt, hoewel we daar niet zeker van kunnen zijn, omdat we er niet bij zijn wanneer zijn papa thuiskomt.

Hoe dan ook, naast dat beweeglijke bolletje wol lijkt hij – hoe klein hij in feite nog is – al zo groot, ons blond engeltje uit de schilderijen van Rubens.
Zijn houding van beschermende broer is mooi, maar het mag natuurlijk niet te gek worden met kleine zus. Gloria kan bijna evenveel decibels veroorzaken als Maria Sharapova en daar heeft Fons al een grens getrokken. Als het kan wil hij graag als eerste sussen en Gloria haar tutje geven of het muziekpopje aan haar bedje op gang trekken, maar als dat geen verschil maakt zie je de stress toenemen en stapt hij hoofdschuddend weg terwijl hij de volwassene in de buurt sommeert van in te grijpen. Hij wordt er niet lastig bij, hij probeert zich af te sluiten door zich op iets totaal anders te concentreren. Wanneer mama overneemt en het niet snel lukt kijkt hij nog wel ‘s opzij, maar bemoeien doet hij niet meer. Tenzij oma zich ook over Gloria ontfermt. Een papje geven mag, een propere doek omdoen ook, maar het armwiegen mag niet te lang duren of hij gaat voor oma staan “Gloria bedje leggen”.
Ik mag naar Gloria lachen en foto’s van haar nemen, maar haar in mijn armen nemen mag ik voorlopig niet, want dan krijg ik een streng “opa!” van hem, terwijl hij voor mij komt staan en zijn arm uitstrekt voor een “no pasaràn”. Ik ben zijn speelkameraad en moet een perimeterverbod van minstens één meter in acht nemen. Voor hem moet ik vertellen, voorlezen, zingen, silly walks met hem doen, onder tafels kruipen, zelfs onder de salontafel, koken, kleuren, poetsen, op avontuur trekken door het huis, met de bal spelen, hoewel dat laatste misschien maar liever niet meer.

Enkele weken geleden, zit mijn dochter met mijn vrouw aan tafel koffie te drinken. Ik zit op de grond de bal heen en weer te rollen naar Fons. De bal is zo groot als een normale voetbal, maar volledig van mousse en dus min of meer ongevarlijk in huis. Ik weet van mezelf dat ik zo groot ben als Messi (1m69) en dat ik aardig een balletje kan plaatsen. Ik vond het moment gekomen om dat aan Fons te demonstreren en zeg “kijk Fons, opa trapt de bal tussen de taterende mama en oma…” en trap de bal met een lage boog diagonaal van de ene naar de andere kant van de kamer, over de gedekte tafel heen, inderdaad tussen mijn vrouw en dochter door in het gat dat aan de bovenkant tevens gelimiteerd wordt door laaghangende lampen. Heel even reageert Fons bewonderend om dat sterk staaltje traptechniek, tot hij de dramatisch aangedikte stem van mijn vrouw hoort : “Opa, ben je nu gek geworden…” Fons kijkt met grote ogen naar mijn vrouw en dan naar mij. “Vooruit, in de hoek”, zegt ze. Blijkbaar kent hij het begrip van thuis of van de crèche, want zijn gezicht trekt meteen in de juiste plooi. Ik heb moeite om mijn lach in te houden, maar ga beteuterd in de hoek staan. “Dat mag niet, hé Fons, met een bal door de kamer trappen”, zegt mijn vrouw. Zijn vingertje maakt nog schattig de beweging van “mag niet”, maar de twijfel is groot. Wanneer mijn vrouw enkele tellen later nog ’s zegt “opa, in de hoek…” is zijn oordeel definitief gekanteld. Ja, het is dwaas wat opa gedaan heeft, maar opa doet ook veel leuke dingen. Als opa in de hoek moet dan… ga ik mee in de hoek staan…. en terwijl hij zijn lieve oma blijft aanstaren, komt hij naast mij in de hoek staan. Welk kind zou dat doen?
Ik heb ooit als klein manneke tegen mijn vader gezegd toen mijn moeder, daartoe aangezet door mijn tante, uitvloog tegen mijn vader en mijn vader niet wist hoe hij zich een houding moest geven tegen de boze vrouwen: “kom, we gaan wandelen”. Ik zat in het eerste studiejaar en was bang in het donker, maar ik vond dat mijn vader iemand nodig had die voor hem opkwam, zeker tegen mijn tante die nooit een man had gehad en zich daarom niet in relaties moest moeien.
Mijn voetbalovertreding nu was veel onschuldiger, niet eens echt een kwajongensstreek, want als ik iets van het tafel trap, is het van mijn tafel en dus nooit ‘erg’. Maar de reactie van Fons was groots. En niet louter emotioneel. Dat bewijst hij twee weken later.

We zitten weer op de grond te spelen, ditmaal met autootjes. Tot ik weer die bal vastpak en liggend op de speelmat de bal tegen de muur net onder het plafond stuiter. Ik heb geen drie keer de bal kunnen opgooien en opvangen of Fons wijst mij terecht. Het zou kunnen passeren, oma is er immers niet, maar hij weet dat je zoiets niet doet en neemt de rol van de volwassene over. Wanneer ik lach en met mijn vinger op de mond “sssst” doe, in de betekenis van ‘wat niet weet wat niet deert’, gaat hij rechtop staan en berispt mij streng: “opa” en dan volgt iets als “mag niet oma”. Zo schattig. Maar in de wereld van Fons is dit grote ernst en om mij een lesje te leren… gaat hij in mijn plaats in de hoek staan. Hoe rechtschapen en knap kun je zijn. Het goede voorbeeld kent geen leeftijd of positie. Ghandi, Martin Luther King deden het hem misschien wel voor maar waren twintig keer ouder dan Fons. Ik spring op hem toe, neem hem in m’n armen en met tranen in de ogen beloof ik hem dat ik het niet meer zal doen, dat het maar om te lachen was. Hoewel ik van mezelf weet dat ik altijd een speelvogel zal blijven.
Twee dagen later is Fons weer bij ons. Mijn vrouw is thuis, het is weekend, we zitten aan het ontbijt. Er hangen stickers uit het plakboek van Nijntje op het schuifraam in de keuken. Regelmatig verandert Fons de selectie en de plaats. Het is prachtig didactisch materiaal. Je leert het verschil tussen een groot en een klein huis, dat paddenstoelen rood zijn met witte stippen, dat de groene kikker kwaakt, dat de koe boe loeit, dat een sneeuwman bij een iglo hoort, enzovoort.
Net zoals de meeste vrouwen wil mijn vrouw de leiding nemen en de personen rondom haar haar laten volgen. Dus kan ze het niet laten en zegt: “Fonske, wat is dit…?” “Groot huis”, zegt Fons. En dit? “Klein huis”. “Opa, wat is dit”, terwijl ze naar de groene kikker wijst. Ik zeg, balorig tegendraads :”boom”. Die is op het prentje ook “groen”. Sapristi! Wat is er nu weer mis met opa? In een film zouden ze bij de manier waarop hij zijn hoofd naar mij draait een geluidje genre “wiiiieett” plakken. Mijn vrouw vraagt het vervolgens aan Fons. “Kikker” antwoordt hij met een blik naar mij van dit zou je toch moeten weten… Dan wijst mijn vrouw een sneeuwman aan. “Opa!” Ik kijk naar Fons met vragende blik: ‘help mij!’ Hij is nog niet schoolplichtig en kent nog niks van spieken en opsteken, evenmin van Alzheimer. Hij kijkt mij in verwarring aan: “komaan opa, zeg het, doe weer niet zo stom…”. Om hem te testen zeg ik “iglo”. Hij bonkt zijn hoofd op tafel en roept dan zonder opkijken naar oma: “sneeuwman”.
Wat doe ik dat lief kind toch aan. En hij is al zo met mij begaan. Als ik een hoestbui heb, gaat hij naar mijn vrouw en zegt bezorgd : “opa oetse”.
Ik denk dat wij een team zijn, dat ik hem minstens een goed gevoel geef en hij dat gevoel graag bestendigt. Telkens weer moet ik hem van Bert en Ernie vertellen. Ik zou het niet moeten proberen van dat met mijn eigen stem te doen. Het moeten de juiste stemmetjes zijn, ook die van Grover, van Kermit, the great Gonzo en alle andere figuurtjes. Zelfs als ik een naamloos beertje in mijn handen neem, zoals er hier in huis vele staan, moet ik die ook een stem geven. Dat hoort zo voor hem. Dat hoort bij het huis, zou ik bijna zeggen. Het huis “opa”. Dat zegt hij wanneer we hem naar zijn mama en papa brengen : “dag huis opa”. Misschien is het voor hem een beetje Fantasialand. Ik wil het gerust nederiger ‘Zonneland’ noemen, zolang ik maar niet op een zonnekoning lijk.

Op donderdag is het vrolijkheid troef. Wie mij kent weet dat ik altijd en overal aan het zingen ben, wellicht omdat mijn moeder ooit zei “alleen de boze mensen zingen niet”, maar nu krijgt dat zingen voor Fons een extra dimensie. Want als ik zing moet er geen radio spelen, dan wil hij dansen. Zijn poepke steekt dan een beetje achteruit, terwijl hij door zijn benen zakt. Zeker als ik deuntjes uit dvd’s zing die hij kent en weet hoe de dansjes gaan. Ik moet maar de mars van de pinguïns uit Mary Poppins aanzetten of hij houdt zijn armen tegen zijn lijf en danst de pinguïns na, “raterateratata, raterateratata… Steppin’ time van de schoorsteenvegers is nog een favoriet, ik moet wel meedoen en dan danst hij desnoods tien keer na elkaar. Thuis zegt hij tegen zijn ouders steppin’ time op het ‘tak’ en danst op het bed.

Het ongelooflijke is dat hij ook begint mee te zingen, zeker als ik à la Pavarotti uithaal, met breed armgebaar. Fons imiteert mij dan met zijn tweejaren-stemmetje. De vocalen, maar ook en vooral de armgebaren. Op YouTube zou het scoren. Ik weet dat hij dat fantastisch vindt, want na weinig tellen loopt hij naar mij toe om me al lachend een beet in mijn been te geven. Van zottigheid.
In die doorlopende circusvoorstelling leert hij praten, zingen en dansen. Ik vind dat hij op een ongelooflijke manier leert en luistert. Ik zei het daarjuist al: ik heb de tijd om hem die voluit te geven. Hij kiest wat er te gebeuren staat, ik volg en vertel. Als hij de scharnieren van het raam wil onderzoeken of de onderkant van de tafel, krijgt dat voorrang. Het moet niet alleen voetbal en meccano zijn, uit alles kun je leren. Ik ben gelukkig bij de gedachte dat ik hem bovenal leer blij te zijn.

Wanneer hij zijn patatjes eet wil hij graag met zijn vork in de tafel prikken. Als ik hem dan zeg dat dit putjes in de tafel maakt en dat op het bord tikken veel luider klinkt, probeert hij het uit en lacht. “Mag niet”, zegt hij dan zelf, “so, mag wel”. Natuurlijk probeert hij alles uit. Dat moet. Ik vind het ongelooflijk boeiend om volgen. En als hij dan boven in de trappenhal op de vers witgeschilderde muren met zwart potlood zijn impressie achterlaat, kan ik dat artistiek plaatsen als “la griffa de l’artiste”. Misschien zet ik er ooit nog een naamplaatje bij: Fons, december 2012.
De “keschboom” is in deze periode ook een monument van verwondering voor Fons. Er zijn de lichtjes die hij met een handomdraai aan en uit zet en er zijn de sneeuwmannetjes in de boom, de muziekinstrumentjes, de emmertjes waar hij graag enkele rondjes mee in de kamer loopt. In elke hand één, acht centimeter groot. Twee emmertjes water halen. Maar er zijn vooral de dennennaalden.
Hij schrok de eerste keer dat hij er zich een beetje aan prikte. Maar dan wou hij als het ware de boom plukken. Naaldje voor naaldje. Wanneer er dan een tapijtje op het parket lag ging hij kuisen. Met zijn voetjes als draaiende wieltjes loopt hij dan het huis door naar de keuken. Ik volg hem. Hij trekt het deurtje onder de wasbak open, neemt stoffer en blik en loopt met dezelfde gedrevenheid terug naar de boom vooraan in het huis. “Kuisen”, zegt hij tegen mij en veegt toch wel behoorlijk nauwgezet de naalden op het blik. “So” zegt hij voldaan en begint terug te lopen, er niet op lettend dat hij het blik verticaal houdt en het naaldentapijt nu een meter verder van de boom ligt. Ik zeg niks, want het is te mooi om zien hoe hij in de keuken opnieuw voorzichtig het deurtje onder de wasbak opent, de vuilemmer naar buiten trekt het deksel naar achteren schuift om dan het ondertussen lege blik in de open emmer om te keren. Enkele uren later herhaalt hij de dennennaaldenpoets. Bij de kerstboom veegt hij opnieuw de dennennaalden samen, maar dit keer stapt hij voorzichtig naar de vuilbak, om daar dan, tevreden dat hij de vuilbak gehaald heeft, net iets te vlug het volle blik om te kieperen, waardoor de naalden nu niet meer bij de boom maar netjes in de keuken vòòr de vuilbak liggen.
Mijn andere held Charlie Chaplin zou het net zo doen. De schoonheid van beweging is vaak belangrijker dan het uiteindelijke resultaat.

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen