Van Bern-0-lettres naar Bern-0-letters…

De benaming Bern-0-lettres is al meer dan dertig jaar oud.  Van toen mijn vader veel te jong overleed en ik de familie Bernolet probeerde te steunen met een soort ‘goed gevoel’-blad. De naam ‘Bern-0-lettres’ lag voor de hand. Het was een gestencild en geniet blad, met uiteraard familienieuwtjes, aangevuld  met al wat ik kon vinden dat tot een leuk verhaaltje kon leiden. Voor de kinderen was er een in te kleuren pagina, een zoek de zeven verschillen-tekening en huisgemaakt kruiswoordraadsel en mijn vader die Elie heette, gaf ik een nieuw leven in de verhalen over Lie van der Loep, detective. Ik had nog geen kinderen en bijgevolg meer vrije tijd. Maar toen mijn kinderen geboren werden verschoof de aandacht steeds meer en belandde Bern-0-lettres voorgoed in de schuif.

Toen het internet kwam en ik zoals iedereen een blog begon, aarzelde ik de naam terug op te pikken en noemde mijn blog Berne au lait/Bern met melk. Het was geen echte chronologische blog, met korte berichtjes, maar een verzameling verhaaltjes, net.verhalen, noem ik ze zelf, over alledaagse dingen. Mensen die ik ontmoet, rare gebeurtenissen, overpeinzingen,  over vroeger, over politieke patsers en andere bekenden. Soms laat ik de woorden in pure fantasie over mijn scherm lopen, wanneer ik over de werking van mijn geheugen schrijf, over de vetverbranders in mij, over de melktoer van prins Filip of over de waarheid achter de broers Sinterklaas en Father Christmas…

Hugo Bernolet "on the rocks" (gletsjer Jungfrau)

Met deze Bern-0-letters (let op de taalwissel) in WordPress wil ik mijn ‘net.verhalen’ onder een betere vorm  presenteren en hoop er wat extra’s aan toe te kunnen voegen. Voor mijn – en naar ik hopen mag – ook voor uw plezier, beste lezer. Wees gerust, het zijn beschaafde verhalen, zonder  polemiek, zonder onzin, maar met het hart, de kadans en de pointe op de juiste plaats. Een tekst moet “bekken”, het verhaal moet “rollen”, daarom lees ik het altijd luidop voor aan mijn vrouw.  Haar commentaar is mij heilig, misschien omdat zij haar beoordeling in één enkel woord kan samenvatten. Zij zal bijvoorbeeld zeggen: “ik vind het een aangenaam verhaal. Of een grappig verhaal, of een ontroerend, een mooi, een hilarisch of een fantastisch verhaal…” Dat laatste dan wel in de nederige betekenis van fantasierijk.  Als ik aandring op enige kanttekening, zegt ze mij met de hand op het hart, dat zij nog nooit meer woorden heeft nodig gehad. Ik weet dat zij nog altijd van mij houdt.

Veel leesplezier,

Hugo Bernolet
26/4/2011

Geplaatst in Intro | Een reactie plaatsen

Verlicht en verlaten

 

Hij was door zijn Latoflex gezakt en zat met zijn gat op de grond terwijl zijn benen met de knieholten over de sponde in de hoogte hingen. Het zou uren duren vooraleer hij met zijn 140 kg uit die benarde positie raakte. Niemand kon hem horen. Hij woonde al jaren alleen. Zijn vrouw was overleden, zijn kinderen hadden alle contact met hem verbroken, zijn vier kleinkinderen had hij nooit gezien.

En nu zat hij tegenover mij op de rand van het bed in de tweepersoonskamer van het ziekenhuis. We moesten de nacht samen doorbrengen. Hartpatiënten onder elkaar, dus maakten we kennis. Hij zei meteen hoe oud (77) hij was en dat hij doctor in de rechten was geweest en licentiaat in het notariaat. Hij deed me denken aan Zero Mostel, met zijn kikkerogen en mimieken variërend van angstaanjagend naar poeslief.

Mijn vrouw was er bij. Daardoor moest ik me niet zo uitgebreid voorstellen. Mijn leeftijd volstond. Hij vroeg of we televisie wilden kijken. Ik hou wel van een goed gesprek, antwoordde ik en dacht, als het even kan, onder de gegeven omstandigheden, het liefst met mijn vrouw. Maar op het einde van het bezoekuur hadden wij nauwelijks iets tegen elkaar kunnen zeggen.

Hij wou weten of we al lang samen waren en of we kinderen hadden. We vertelden dat we tot daarjuist bij onze kleinkinderen waren. “Dat is mooi en ik moet zeggen dat jullie nog altijd ‘schoon koppelke’ zijn. Ik ben jaloers.”
Daarmee waren de plichtplegingen geformuleerd en rolde de tsunami van zijn leven over ons heen. Hij zou het zes uur zonder ophouden volhouden. Rond middernacht zei ik dat ik mij nu toch wel op mijn ingreep wou concentreren en deed het licht uit. Mijn nek deed pijn van het zijdelings kijken naar mijn ratelende kamergenoot.
Zero Mostel - Carrara

Ik ben zelf ook graag aan het woord. Maar bij mij is entertainment belangrijker dan het verhaal. Mijn korte anekdotes verschilden erg van de homerische Odyssee die mijn kamergenoot over mij uitstortte en die vooral honderd jaar eenzaamheid verborgen.
Hij werd woorddronken bij de gedachte dat hij het toch nog eens aan iemand kon vertellen. Al snel liet ik hem alleen aan het woord want hij begon een nieuw verhaal alvorens het vorige gedaan was, wellicht uit schrik dat ik zijn woordenstroom zou afblokken. Als een ontsnapte gooide hij het er allemaal uit, het strafste eerst, vooraleer hij seffens toch weer opgepakt zou worden.

Hij had melaatsen in Marokko geholpen. Hij was met – voor miljoenen franken – medicamenten naar Roemenië gereden. Hij had de ambassadeurs van de landen waar hij door moest ’s nachts uit hun bed gehaald om de papieren in orde te krijgen.

Hij had er voor gezorgd dat een aantal Vlaamse kunstenaars zes weken in Havanna konden exposeren, vliegtuig, hotelkosten, alles betaald door het regime.
Fidel Castro was zo blij met het initiatief dat hij een kist met 100 Havanna-sigaren, ter waarde van 5000 frank per stuk, liet bezorgen.

Hij had een huisje in Narbonne. Hij sprak perfect het provençaals van de langue d’oc. Toen hij hoorde dat het oude moedertje van Charles Trenet daar nog woonde, nam hij contact op met de zanger en beval hem een lied voor Narbonne te schrijven. Trenet bedankt onze vriend voor de aansporing en geeft hem de matrijs voor een plaat. Onze verteller laat drieduizend exemplaren persen in Brussel en signaleert de ‘bevolking’ van Narbonne dat ze de platen gratis bij hem mogen oppikken wanneer zij nog eens een wijntransport naar Rotterdam hebben. De dankbaarheid van de Narbonezen is zo groot dat hij sindsdien rond Nieuwjaar telkens honderd flessen van hun beste wijn bezorgd krijgt.

Hier maakt hij een bruggetje naar de Légion d’honneur, de hoogste onderscheiding van Frankrijk die hem te beurt zou vallen, maar het is niet duidelijk of dat met de plaat voor Narbonne te maken heeft. Onze man is evenwel niet uit op dergelijk vertoon en wordt, volgens hem, de eerste in meer dan honderd jaar die deze onderscheiding weigert. Hij laat de Franse overheid weten dat hij geen zin heeft om een half uur op de Champs Elysées in de zon te gaan staan om een medaille opgespeld te krijgen.

Klopt het allemaal wat hij vertelt? Je kunt het niet controleren en voor  je ‘tiens, tiens’ kunt zeggen is hij al een ander verhaal begonnen. Je besluit dat je eigenlijk naar een soort cliniclown voor volwassenen zit te luisteren.

Hij is niet echt een bluffer, hij wil alleen maar ‘overbluffen’.
Hij is de enige die drie dagen mocht rondneuzen in de archieven van het Vaticaan. Hij heeft documenten in handen gehad die bewijzen dat Michelangelo homo was. Et alors, denk ik, maar voortgaande op de samenzwerende toon waarop hij het vertelt, moet het wel een van de vele doofpotten van het Vaticaan zijn.
Via het daaropvolgende verhaal dat hij ook de stoel met uitsnede gezien heeft die gebruikt werd om het geslacht van de verkozen paus te controleren, komt hij bij
‘de Amerikaanse Pausin’, een toneelstuk waarmee Yvonne Lex voor enige deining zorgde. “Dat stuk heb ik voor haar geschreven”, zegt hij. Ik zeg niks omdat ik niet zeker ben, maar had Yvonne Lex dat niet zelf geschreven? Zij schreef vaker haar eigen teksten en gebruikte daarvoor de schuilnaam David Cohn. Wanneer ik het na mijn thuiskomst natrek blijkt David Cohn het stuk van een Duits-Argentijnse schrijfster naar het Nederlands vertaald te hebben.

Hij leunt graag aan bij de literatuur. Letterlijk. Vooral die van vroeger. Zijn grootoom Mane de Bom, waarover later meer, was mede-oprichter van het tijdschrift “Van Nu en Straks”. In diens “Withof” in Kalmthout maakt onze vriend als snotneus kennis met Stijn Streuvels, Hendrik Conscience, Cyriel Buysse, August Vermeylen en andere schrijvers. Hij gaat aan vaders hand naar het sterfbed van Felix Timmermans en laat in de archieven van het Letterenhuis de tekst wijzigen die beweert dat de laatste persoon die Willem Elsschot nog bij leven gezien had, Simon Carmiggelt was. Carmiggelt was ’s morgens van Amsterdam naar Antwerpen gespoord, maar Elsschot stuurde hem gewoon terug naar huis. ’s Middags gaat onze vriend aanbellen. Elsschot staat nog een paar uur dichter bij de dood, maar laat hém wel binnen, omdat hij spijt heeft dat hij die morgen een Nederlander, die speciaal uit Amsterdam gekomen was, niet eens had binnen gelaten.
Bij dit verhaal zal hij voor het eerst glimlachen.
Hij lacht nog nadrukkelijker wanneer hij vertelt dat hij bij een rondleiding in het Rubenshuis de gids in de war brengt door bij het bed van Rubens op te merken: “het bed van Rubens? Van mijn vader zeker. Ik ben er waarschijnlijk in gemaakt!”  – Het heeft er waarschijnlijk niks mee te maken  maar onze vriend heeft dezelfde voornamen als Peter Paul Rubens. We noemen hem dan verder ook  “P.P.” – Het zou kunnen natuurlijk. Het Rubenshuis werd acht jaar na de geboorte van P.P. als museum ingericht. De stad Antwerpen had onvoldoende aangepast meubilair en vroeg de vader van P.P. of hij niet een en ander kon toesteken. Van in de jaren dertig had die immers al naam gemaakt als verzamelaar van antieke meubelen.

Je neemt dat aan voor waar, maar verder op de avond komt dat gegeven terug in je hoofd  wanneer P.P. vertelt dat hij in zijn derde jaar aan de universiteit bij de rector geroepen wordt die hem mededeelt dat P.P. zijn mecenas overleden is en zijn studies niet verder betaald worden. P.P. was ervan overtuigd dat de Paters van de abdij van Averbode altijd zijn sponsors geweest waren, maar hoort nu voor het eerst dat Arthur Boon, stichter van de ‘Ganterie Boon’ in de Lombardenvest, zijn weldoener is. Ik zie emotie nummer twee: een trillende onderlip, wanneer hij ongeveer vijftig jaar na het gebeuren zegt: “en ik heb hem niet eens kunnen bedanken…”
Ik durf niet vragen waarom meneer Boon de handschoen heeft opgenomen om de studies van P.P. te betalen, wanneer zijn vader een welstellend antiquair was. Had hij een problematische verhouding met zijn vader, zoals hijzelf er later een heeft met zijn kinderen?

Ook zijn adoratie voor zijn grootoom Mane de Bom kan ik niet vatten. Die brave man is al 62 jaar dood, maar krijgt deze maand eindelijk een praalgraf van P.P. in Kapellen. Hier heeft hij jaren moeten voor werken. Eerst om de oud-schrijver in concessiegrond te laten herbegraven en dan om er een uniek graf op te laten bouwen. Hij heeft hiervoor een marmeren blok uit Carrara laten overkomen. Hij zal steeds opnieuw Carrèra zeggen.
En passant vertelt hij dat hij de plaatselijke autoriteiten heeft wijsgemaakt dat ze een brandweg moesten voorzien doorheen het bos dat naar de oude marmermijn leidde, waar P.P. absoluut nog een stuk marmer van wou. Vervolgens zoekt hij een kunstenaar die het handschrift van Mane de Bom precies na kan beitelen in het marmer. Niet om bijvoorbeeld enkel zijn handtekening na te bootsen. Het moet een volledig gedicht worden van de oud-schrijver, te beitelen in een marmeren boek van negentig op een meter twintig groot. Het praalgraf zal op de 62ste verjaardag van het overlijden, later deze maand, worden ingehuldigd.

Als idolatrie kan dat tellen, maar de uitsmijter verbijstert mij nog meer.
Probeer het voor jezelf in te beelden. Van wie ben je een achterneef? Hoe goed ken je die?  Hoe vaak zie je die? Wat heb je er voor over?
Ik heb de oefening zelf niet kunnen doen. Ik weet niet eens van wie ik achterneef ben. Maar P.P. houdt van zijn grootoom als was het zijn eigen vader. Ik veronderstel dat hij er dikwijls naar toe ging, want er was altijd goed volk. Hij is vijftien wanneer die grootoom sterft.
Kijk weer naar je eigen familie. Meer dan vijftig jaar later, je hebt ondertussen een eigen leven met vrouw en kinderen en alles er op en er aan, geef je een klein fortuin uit om die mens van vroeger – ook al was hij Van Nu en Straks – alsnog een praalgraf te geven én…
ga je met de plaatselijke autoriteiten een verbintenis aan dat je bij jouw dood mee in het graf van die grootoom gestoken wordt. (Daar is de trillende lip voor een tweede keer).
Mane de Bom is in arm gestorven, als bedankje voor de gulle erfenis kan het niet geweest zijn.

Nochtans weet P.P. een graantje mee te pikken van erfenissen. Eerder op de avond vertelt hij: er was eens iemand gestorven die een gigantisch vermogen te verdelen had. Meerdere huizen en appartementen én een berg gouden Krugerrands ter waarde van een miljard frank. Er zijn geen kinderen, maar wel 22 neven en nichten die zich al rijk rekenen en elk hun advocaten onder de arm nemen want: hun gekke tante laat in haar testament al het goud na aan het “Dierenwelzijn”.
P.P. moet dit oplossen. Hij neemt de opdracht aan op voorwaarde dat de groep van 22 al die advocaten naar huis sturen. Hij wil ‘soloslim’ spelen. Hij weet dat het “dierenwelzijn” niet bestaat als rechtspersoon. De erflater had het wel zo geformuleerd, maar bedoelde het Dierenasiel in Antwerpen, waar ze genegenheid en huisdieren kreeg. Hij biedt de mensen van het Dierenasiel enkele miljoenen aan op voorwaarde dat ze niet gaan procederen om de erfenis toch in hun voordeel uitgekeerd te krijgen. Triomfantelijk kan hij de 22 neven en nichten naast de reeds verkregen huizen een miljard frank aanbieden, min enkele miljoenen voor het dierenasiel en een ‘gouden’ percent voor hemzelf. Glimacht. Enkele seconden stilte.

Ik heb nu verschillende verhalen laten vallen, maar u begrijpt dat het moeilijk slapen is met zoveel nieuwe informatie in je hoofd. Hij heeft zich gelukkig moe gepraat en laat enkele uren zijn motor van 140 PK grommen.

Rond 3 uur is hij wakker en steekt het grote licht aan. Door mijn wimpers zie ik dat hij op de bedrand is gaan zitten, naar mij gekeerd. Er is niet eens een meter afstand tussen ons beiden. Hij begint opnieuw te praten. Ik druk mijn goede oor in het kussen en hou mijn hand in een onnatuurlijke slaaphouding op mijn andere.

Het lijkt alsof hij telkens hetzelfde verhaal vertelt. Ik ben er niet gerust in. Hij heeft het over Mane de Bom. Over het marmer van Carrera. Over een zware last op onze schouders. Over pijn in de borst. Over het marmer van Carrera. Ik wil brullen dat het niet Carrera is maar CarrAra is zoals in Tarara en of hij misschien op de gang verder wil gaan wauwelen. Maar ik zeg niks en mijn adem stokt wanneer ik plots hoor dat mijn vrouw en ik in zijn herhaalde mantra voorkomen. “Twee mensen met een grote liefde voor hun kleinkinderen, twee mensen met een grote liefde voor hun kleinkinderen, twee mensen…” Mijn arme hart bonst, mijn mond plakt dicht, mijn spieren zetten zich schrap. Ik vrees dat hij misschien in zijn slaap praat en zo dadelijk in een opwelling van jaloezie zijn hoofdkussen op mijn gezicht zal duwen.

“Een zware last op onze schouders… twee mensen met een grote liefde…” Hij zet zijn voeten op de grond, komt dichterbij. Ik doe een bruuske beweging en er schiet een kramp in mijn kuit.
Hij merkt het niet eens en stapt de kamer uit naar de nachtzuster die vlak naast onze kamer zit. Ik hoor hem vragen of zij papier voor hem heeft.

Om halfzeven vraagt hij mij of ik een pen voor hem heb. Hij begint te schrijven, ik probeer nog een half uurtje mijn ogen dicht te knijpen om mij op de nakende anesthesie en ingreep te concentreren.

“Wil je eens lezen wat ik geschreven heb, ik kan het niet zelf lezen, ik ben naar de kliniek gekomen in spoed, zonder bril…”.

Ik doe mijn best. Wanneer het te onduidelijk is, zeg ik dat hij het straks thuis kan ontcijferen. “Neen ik wil dat u het kunt lezen…” Ik lees opnieuw :
In de zaal van de verwachting zitten drie mensen naast elkaar. Met pijn in borst en knie. Met druk op rug en schouders. Van Carreramarmer. Ze willen dat het goed komt, door hun positieve gedachten. Het zijn drie vogels die nog kunnen vliegen, maar met een handicap, doch ook met mooie horizonten in ’t verschiet. Eén vogel is gevlogen: Mane de Bom komt loeren achter het gordijn…

Opdracht: voor twee lieve mensen, die hun kleinkinderen doodgraag zien…
Getekend: Peter Paul

Ik denk dat wij hem voor een avond uit zijn eenzaamheid hebben gehaald en hij ons wou bedanken met een gedicht. Hij had geen bril, geen pen en papier, vandaar de mantra.
Wanneer ik ’s middags van de recovery naar mijn kamer word gebracht is onze vogel gevlogen.
Ik denk dat ik over twee weken naar die inhuldiging op de begraafplaats in Kalmthout ga*.
PeterPaul

 * Heb ik ondertussen gedaan, met mijn vrouw en haar nieuwe Titanium-knie, en het klopt van de witmarmeren grafsteen én de feestelijke inhuldiging. 
Geplaatst in Dagklapper, Nieuw | Een reactie plaatsen

Straatartiest

Het was even na zes toen ik mijn krant uit de bus ging halen. Voor de deur stond een camionette met draaiende motor. Ik zei goeiemorgen tegen de man achter het stuur, hij knikte. Ik herkende hem. Enkele weken terug had hij mij uit mijn slaap gehaald omdat hij al voor zes uur stoeptegels stond los te wrikken. Nog voor het daglicht hem kon helpen lag de stoep terug dicht en was hij vertrokken. Op naar de volgende job.

Wat kwam hij nu doen? Voor mijn deur zou hij geen werk hebben. Mijn tegels liggen strak in het gelid, mooi waterpas en zonder onkruid. Daar zorg ik zelf voor. Bovendien veeg ik voor mijn eigen deur…

Misschien kon hij niet parkeren op de plaats waar hij een karweitje had en stond hij daarom bij mij. De stoeptegels aan de oprit enkele meter verder waren helemaal verzakt, en daar kon hij niet staan, want ook de straatstenen waren op die plaats verzakt. Daar zou hij werk aan hebben.
Eindelijk pakken ze die gevaarlijke put in de baan aan. Maar dat zo’n man dat alleen moet doen. Ik ben er in ieder geval blij om want ik durf er nauwelijks over rijden. Stel dat net op dat moment de kasseien elkaar niet meer zouden samenhouden en mijn auto een meter diep in de straat zou verdwijnen. Op ons vorig adres heb ik het ooit voor mijn deur zien gebeuren.

Wanneer ik kort na zeven de gordijnen opentrok…  lag de stoep voor mijn deur al een meter breed open. Waarom hier? Vroeger zou ik meteen naar buiten zijn gestapt en de man om uitleg hebben gevraagd. Nu aarzelde ik. Hij had nog altijd zijn metershoge stootijzer in zijn handen en er was verder niemand in de straat te bespeuren. Bovendien was hij dubbel zo groot als ik. In omvang toch.

Ik vond het vreemd. Mocht er iets aan de ondergrondse leidingen zijn dan zat hij er toch flink naast. Maar hij zou niet diep graven, want hij gebruikte niet eens een steekschop, alleen een ronde schop om de bruine grond enkele centimeter gelijkmatig af te graven. Hij had er zo twee die hij zonder aanwijsbare reden afwisselend gebruikte. In een mum van tijd had hij een bergje bruine grond in zijn camionette geschept. Een langgerekte piramide grond zoals cowboys hun makkers of tegenstanders vroeger in de film begroeven.
Zijn camionette was volledig anoniem. Niet oranje zoals alle overheidscamionettes, ook zonder de rood-witte visgraattekening die zelfs private aannemers op hun wagens hadden om passanten te verwittigen dat er werken aan de gang waren.
Was hij wel echt een straatwerker? Zou ik de stadsdiensten bellen om hem na te trekken. Mensen van de stadsdienst maar ook private stratenmakers zag je nooit alleen werken.

Ik besloot gewoon binnen te blijven en vroeger dan anders achter de computer te kruipen. Vandaar had ik een goed zicht op de werken.

De eerste keer dat ik even naast mijn scherm naar de straat keek zag ik zijn camionette niet meer staan. Ik liep tot bij het raam. Verdorie, die heeft gewoon de stoep opengelegd en is vertrokken.
Gelukkig kwam hij dadelijk terug. Hij was op het einde van de straat zijn camionette gaan draaien en parkeerde op dezelfde plaats maar nu met zijn neus in de andere richting. Niet dat dit een verschil maakte. Er lag niet meer op dan een bergje grijs zand evenwijdig aan het bruine zand dat hij van mijn stoep had afgegraven.

straatartiest-03Misschien paste zijn camionette in de vorige positie niet in de cadrage van de foto die hij wou maken van de opengelegde stoep. Daar nam hij dan wel zijn tijd voor, waardoor de foto leek me belangrijker dan de stoep. Hij stond daar niet zomaar met zijn mobieltje te trekken, maar met een heus fototoestelletje. Zo’n paarlemoeren ding dat je eerder in de handtas van een dure dame vermoedt dan in de zakken van een werkbroek.

Wie weet was hij vroeger echt stratenwerker geweest en had hij zijn werk verloren maar wou van geen ophouden weten. Hij zag er toch niet ongelukkig uit, want dan sta je niet om kwart over zeven, tegen de laadbak van de camionette leunend, opgewekt te bellen in een taal die ze in een andere tijdzone spreken.
Het zou ook kunnen dat de man aan een minder bekende dwangneurose lijdt. Dat hij dwangmatig stoepen openbreekt en dicht legt en kickt op de spanning dat hij misschien betrapt zou kunnen worden. Hij zou hiervoor in behandeling zijn en foto’s maken voor zijn therapeut. Of voor zichzelf, wat ik plots veel enger vond.
Ik zag hem al in een kamer vol met foto’s van stoepen. Met permanente stift schreef hij er datum en plaats op. Speurders zouden er een kluif aan hebben. Ze wisten wel dat de foto’s niet overeen kwamen met de plaats van misdaad.  Zou hij als gevolg van een of andere kronkel stelselmatig de stoep van zijn slachtoffers fotograferen?
Terwijl ik naar boven liep om een foto te maken van mijn stoep, checkte ik of mijn voordeur wel goed gesloten was. Stop toch met die fantasie, zie ik tegen mezelf. Seffens geloof je jezelf nog. Maar dat was niet makkelijk want, gingen mijn dove gedachten verder, deze man heeft evenzeer gekke gewoonten, misschien wel een verrassend dubbelleven?
De politie zal hem wel kennen, maar niet op deze manier. Zij wisten wie er achter het masker van de ‘Kolos van Knossos’ schuilging. In het wereldje van het professionele worstelen werd hij geroemd als “het crapuul van Kreta, even wreed en meedogenloos als hij groot is”. De politie moet de ware identiteit van al die gemaskerde catchers op voorhand kennen, evenals de uitslag van de te betwiste kamp.  Hij stond bekend als een eerder timide man, die een centje bijverdiende als catcher, maar onder de spotlights met een kap op zijn kop alles durfde.

Ik stond terug met beide voeten op de stoep. Goed, hij zal dan misschien wel geen seriemoordenaar zijn, maar hoe vreemd ben je als je voor de kick voetpaden open legt?
Vrees om betrapt te worden in onze straat moest hij niet hebben. Aan de overkant is er een kerkhof. Van die kant zou niemand reclameren, en aan deze kant staan verschillende huizen leeg. In een winkelstraat met veel passerend volk zou hij zijn kunstjes niet moeten vertonen. Zou hij al vaak net niet betrapt zijn geweest? Zou hij voorttrekken van stad tot stad?  Tweemaal in dezelfde straat opereren was dan toch niet zonder risico?

Op het vervolg moest ik even wachten, want zoals echte stratenmakers nam hij een pauze alvorens de volgende fase aan te vatten en zijn opdracht ook voor mij duidelijk zou worden. De stoep werd weliswaar met zorg gewoon terug dicht gelegd, waarbij hij een ouderwetse tegelstamper gebruikte. Alvorens er een laagje zand over te strooien nam hij weer uitvoerig foto’s.
Om de voegen op te vullen gebruiken vaklui een fijn, bijna wit zand. Onze man zijn zand kwam recht uit een zandbak. Te grof, te geel met van die heel kleine steentjes in. Voor de dag voorbij was hadden er al kinderen in zitten spelen.
Nadat hij het zand had gestrooid was hij meteen weg. Pauze en foto’s nemen inbegrepen was hij nauwelijks meer dan een uur bezig geweest.

Ik ging toch eens kijken. Hij had enkele nieuwe tegels gelegd. Ze waren minder grof dan de andere, lichter grijs en net iets kleiner waardoor de voeg breed openstond. Het waren er zeven in totaal die in “V” een pijl vormden naar mijn huis.
Moet ik nu blij zijn omdat een voorlopig nog onbekende artiest mijn stoep uit duizenden heeft uitgekozen om zijn ‘streetart’ te performen ? Of moet ik bang zijn omdat hij op deze manier zijn handlangers laat weten dat dit huis de moeite loont om in te breken ? Misschien hoor ik er nog wel van. Maar eigenlijk toch liever niet.

Geplaatst in Dagklapper, Nieuw | Een reactie plaatsen

De blauwe Valentijn-bakker

We hebben een uitzonderlijke bakker. En ik ben niet de enige die dat vind. In het weekend staat de rij wachtenden tot een eind in de straat. Soms wel veertig man. En dan heb ik de vrouwen nog niet mee geteld. Maar die zijn met veel minder. In de rij staan voor de bakker is blijkbaar een mannenzaak. Maar dat is niet erg, want het gaat vooruit. We worden door meer dan tien vrouwen bediend. En er is koffie voor de wachtenden.
En altijd wel wat te zien. Zoals de activiteit in de bakkerij. Door een glazen wand kun je volgen hoe vooral de patisserie wordt gemaakt.
Ik zou er geld voor geven, of toch heel blij zijn, mocht ik eens enkele dagen in de bakkerij mogen meedraaien. Om zelf te kunnen zien hoe ze dagelijks het mirakel van de vermenigvuldiging van broden en vissen voltrekken. Maar dan in de plaats van vissen, de lekkerste taarten en gebakjes, pistolets en koeken,  croissants en snoepjes. En alsof dat nog niet genoeg is kun je er ook drietraps-bruidstaarten bestellen of ander gelegenheidsgebak. De klant is hier geen koning, maar een verwend kind.

Als ik sta aan te schuiven beeld ik mij soms in dat ik in New York of Parijs bij de bakker sta. De sfeer, de ruimte, het design voelt internationaal. Alleen al de verlichting. Zoiets zie je normaal niet bij een bakker.
Hoewel de meesten recht voor zich uit staren, wordt er door sommigen toch op een niet Belgische wijze onder elkaar gepraat. Joviaal, luidruchtig, van “hé, wie heb ik daar”, maar dan in het Engels, het Frans en in talen waar ik nooit van gehoord heb. Het lijkt wel een receptie in een kunstgalerij. Maar met de geur van brood en koffie.
Dit is dan ook geen bakkertje van tien in een rozijn, waar geel koper nog de toon zet en ouderwetse taarten steevast op papieren broderie staan. Dit is een hotspot voor wie houdt van lekker brood en aanverwanten. En van klasse. Gebak en andere patisserie lijken wel uitgestald alsof het juwelen zijn en (h)eerlijk gezegd, in hun genre zijn ze dat vaak ook. Alleen is er geen glazen wand. Wel een lint zoals in een museum. Om de kijklustigen op afstand te houden.
De broden liggen dan weer op functionele rekken. Heel basic. Ik heb er geen idee van hoeveel soorten brood er liggen. Wij houden van multi-granen en Ardeens. Maar ik wed dat er dagelijks nog meer dan twintig andere soorten brood worden aangeboden.

Sommigen vinden het een salut-les-copains-bakker. Maar wat zou er mis zijn aan een sfeertje van vrienden onder elkaar? En ja, in het weekend lijkt de dresscode algemeen would be sportief. Docksides aan de voeten, gestreepte sweater losjes over de schouders, alsof ze vlug nog warme pistoleekes komen halen alvorens ze naar hun yacht snellen. Zeker vroeg in de ochtend, wanneer ik dus ga en op een verkeerde filmset verzeild lijk te zijn. Maar ik sta liever tussen propere imaginaire sporters dan tussen verstokte rokers. Bij de bakker wil je toch vooral dat verse brood ruiken?leBleuValentijn

Het is wel een bakker voor macho’s, vind ik. In de aanloop naar Valentijnsdag had de bakker er niet beter op gevonden dan een mannequin in de winkel te plaatsen. Zo’n etalagepop in een knalrood niemandalletje, met een plumeau in haar handen. Misschien had hij die verenpluim wel ergens anders willen steken dan dat ze, zoals nu, een beetje onhandig met een rekkertje aan de handen van de etalagepop was bevestigd. Het was geen gezicht. Dat was geen pop met een plumeau, maar een tang op een varken.  Een poetspoes voor Valentijn. Hoe haalt een uitstekende en moderne bakker zoiets in zijn hoofd? Wat wil hij daar mee zeggen? Neem ook eens een taartje mee voor uw Poolse, Roemeense of Congolese poetsvrouw?

Omdat ik toch nog een hele rij voor mij had sprak ik er de bakkersvrouw op aan. “Stoort het jou niet dat jouw man vrouwen als “kuisvrouwen” neerzet? Jou in de eerste plaats? Wat moeten al die zelfbewuste vrouwen daarvan denken?”
Zij kon er mee lachen. “Ach, soms mag hij ook eens zijn goesting doen, zegt ze, hij moet van mij al het hele jaar in zo’n wit-blauw gestreept Jean-Paul Gaultier truitje lopen. ‘Lebleu, le beau male’, lachen sommigen, verwijzend naar de redelijk erotische reclame voor een mannenparfum. En je had hem moeten horen toen hij met Sinterklaas als zwarte Piet in de bakkerij moest opdraven. Compleet zwart geschminkt met vuurrode lippen en in een blinkend satijnen pakje. Hij weet wie er de baas is en dan vergeef ik hem die etalagepop. Hij heeft die ooit op een rommelmarkt gekocht en wou die altijd als eens in de winkel zetten, maar dat past niet bij brood, hé. Nu met Valentijn heeft hij zijn kans gezien.”
Daar sta je dan als voorvechter voor de emancipatie van de vrouw.
We spraken af dat ze het volgend jaar anders zouden doen. Ik stelde al gratis en voor niks een tekst voor: “ik werk een heel jaar aan mijn lijn, met Valentijn wil ik één keer echt “lekker” verwend zijn?”  We zouden die tekst dan op een pancarte kunnen zetten, die de mannequin als in een betoging naar boven houdt zodat de klanten die staan te wachten reeds van buiten in de rij over de hoofden heen kunnen zien dat er iets aan het gebeuren is. En als ze dan dichterbij komen…Verrassing, staat die mannequin in bikini. Om haar slanke lijn te tonen.”
Ze zei dat ze er zou over nadenken. Ik ben benieuwd.

Geplaatst in Dagklapper, Nieuw | Een reactie plaatsen

VANMORGEN (Fons & Gloria)

Op een morgen, bijna dertig jaar, geleden bracht ik de kinderen met de auto naar school. Toen ik voorbij de elektriciteitswinkel Big Ben reed, moet ik ‘bij manier van spreken’ gezegd hebben. Het overkomt me wel meer dat ik mijn eigen woorden op die manier nuanceer. Mijn jongste, die hooguit drie was en de finesse van de taal nog aan ’t leren was, plakte die manier van spreken als ‘meneer” van spreken in zijn figuurlijk woordenboek. Volgens hem woonde deze ‘meneer’ boven de winkel van Big Ben, want ik wees op het moment van de uitspraak met mijn hand in die richting. Die “meneer” moest wel een tovenaar zijn, want die wist gewoon alles van ons en kende onze gesprekken nog voor wij ze voerden; want hoe kon het anders dat papa al wist wat “meneer van spreken” over een en ander dacht?

Op een vergelijkbare manier heeft Fons een eigen invulling gegeven aan “vanmorgen”.
Voor hem is vanmorgen niet het begin van deze dag maar een verwijzing naar een recent verleden. Laatst.
“Vanmorgen zijn wij naar het park geweest”, zegt hij, terwijl hij nog in pyjama aan het ontbijt zit. Hij wil dan vertellen dat ze daar recent zijn geweest. De eerste keer heb je ‘t niet door. Fons bedenkt verhalen even natuurlijk als hij ademt en vertelt ze in een heldere taal en mooie zinnen. Maar met ‘vanmorgen’ zet hij iedereen op het verkeerde been. Moet je hem corrigeren? Uiteraard niet. Je kunt niet tot een spraakwaterval komen als er telkens dammen worden opgeworpen. Hij is toch ook van pinazji naar spinazie gekomen en tatejage zal binnenkort ook wel tatoeage heten. Net zoals hij het moeilijke bibliotheek nu nog als biloteleek uitspreekt of  jager zegt voor jarig en wanneer hij gaat kleuren wil hij dat ik eerst een afdeling (afbeelding) op de iPad zoek. Soms is er enig heen en weer gepraat nodig alvorens je mee bent met de betekenis die hij aan het woord geeft. Zo vertelde hij dat de ‘werkemannen’ hun tuin helemaal als de onze gingen maken (zelfs met plas op het slecht aangelegde terras) en met een matras. Ik dacht dat hij het over ligstoelen had, maar door hem te laten praten bleek het om het terras te gaan. Het is zo schattig hoe hij vol vuur zijn verhaal brengt en ochottekes hier en daar ongewone betekenissen aan woorden geeft. Ik denk dat ik ze hier allemaal heb opgenoemd. Voor de geschiedenis, voor hem later. Laat hem dus maar elk verhaal met ‘vanmorche’, zoals hij het uitspreekt, beginnen. Hij zal er wel achter komen dat er meerdere tijdsaanduidingen zijn. 

Het gaat al zo snel. Iedere week zijn er nieuwe dingen die ik zou moeten noteren alvorens ik ze vergeet. En dan komt Gloria er steeds nadrukkelijker bij. Niet zozeer dichterbij, want Gloria houdt graag afstand. Minstens een gestrekte arm in afweer terwijl ze neen zegt.
Ze kan al hele kinderliedjes zingen, toch blijft “neen” haar meest gebruikte woord. Noem haar “zoeteke” of “poppemie” en ze reageert onmiddellijk met: “neen, Gloria”. Poëzie beperkt zich voorlopig tot “boempatat”, haar eerste krachtterm die ze om de haverklap gebruikt, zoals dat met krachttermen gaat. “Omà” ligt op het puntje van haar tong, want die springt onmiddellijk voor haar in ’t gelid. ’Opààà’ laat ze veel langer klinken.
Fons spreekt van het “opa-huis”. Elke keer opnieuw ben ik bijna ontroerd wanneer hij met fijn stemmetje zachtjes “dag, opa-huis” zegt wanneer we met de auto ’s avonds terug naar zijn thuis rijden. Tot Gloria dat in “oma-huis” veranderde. Niet omdat ze het slecht begrepen of onthouden had. Het is Gloria haar keuze: vrouwen aan de macht. Ik denk zelfs dat Fons geen ‘opa-huis’ meer durft zeggen sinds Gloria hem een paar keer heeft verbeterd: “neen Fons, oma-huis”.
Heerlijk toch hoe die kleine hoofdjes zo uiteenlopend denken en doen. Fons was er eerst en zal altijd wel eerste blijven, maar afgezien daarvan ben ik evenveel met haar bezig. Vertel verhaaltjes, zing, lees voor en breng hen vooral aan ’t lachen. Mijn geluk is hen gelukkig zien. Desnoods vertel ik tien keer na elkaar hetzelfde verhaal, met dezelfde sleutelwoorden en mimieken. Zolang ze “nog ‘s” zeggen. Fons kan blijven lachen, voor hem is het een toneeltje, iets dat we samen creëren, maar Gloria zal plots een streng gezicht trekken en “neen, opa” zeggen, doe niet onnozel denk ik dat ze er ooit zal bij aanvullen.

Fons moet geeneens moeite doen om haar aan ’t lachen te brengen. Al lacht ze zoals bakvisjes doen, overdreven in verhouding met de grap. En alles wat hij doet, doet zij na. Ook “in overdrive”. Niemand haalt haar beter uit haar frons dan Fons. ‘Frons’, omdat Gloria haar wenkbrauwen zo diep kan fronsen en zij zich aan alles en nog wat lijkt te ergeren. Een kruidje-roer-me-niet, tenzij het Fons is die roert.
Fons fantaseert en regisseert en Gloria laat zich meedrijven. Tot ze haar anker uit gooit en tegen de stroom in gaat. Hun samenspel verloopt uiteraard niet zonder slag of stoot. Onze ‘flinke meid’ deelt graag een plaagstoot uit. Heeft ze losse handjes en tandjes? De bieterkes staan in ieder geval stevig vast en ze kan er mooi haar stempel mee drukken. Gelukkig alleen als ze echt boos is. Ook met haar nageltjes laat ze wel eens een afdruk na. Als experiment. Om te zien hoe Fons reageert. Trekt hij gewoon zijn arm weg dan gaat zij er soms met ‘verbeten’ blik achteraan. Wanneer je het opmerkt blijft ze als bevroren staan, het hoofdje afgewend en de oogjes half toe. ‘Bemoei je niet, dat is iets tussen ons, I call the shots’, denk ik dat zij dan denkt. Het is het peper en zout bij het opgroeien. De ene doet zus, de andere doet zo.

We hebben een zetel met een uitstekende vering. Ze mogen er naar hartenlust in springen, hij is van sterk leder en gaat niet kapot. Fons vraagt me iets ritmisch te zingen en dan springt hij zich buiten adem in zijn aanstekelijke en vrolijke regendans. Hij danst voor zichzelf. Zijn plezier gaat naar de beweging en de beleving. Gloria springt mee maar heeft een doel. Met haar handjes op de rugleuning springt ze tot ze hoog genoeg is voor een zijsprongetje: met de voeten vooruit op de hand, voorarm of buik van wie in de zetel zit. Dan pas schatert ze het uit.
Fons fantaseert dat de zetel een boot is en daarrond water met krokodillen. Het is verbeelding, vooral verbaal. Gloria heeft lak aan dat soort toneel. Zij wil actie. Als ze niet van de ene naar de andere kant loopt, zoekt ze wel een wapen en stormt voor de afwisseling op je af. Gisteren viel ze me aan met een bezemsteel. Als een gewichtheffer steekt ze die boven haar hoofd om hem dan met alle kracht tegen jouw armen en benen te rammen. Je moet lachen met hoe ze in extase haar ogen openspert en al haar energie samenbalt voor die nakende aanslag. Maar na enkele stokslagen vergaat je het lachen want het doet echt pijn. Elke ‘auw’, is voor haar een aansporing om een tandje bij te steken.
Het gekke is dat die kleine geweldenaar de grootste bangerik is. Ze kijkt graag naar de beelden bij de liedjes van Kapitein Winokkio, maar bij Roodkapje vlucht ze weg. “Bang van boze wolf!” Om het kwaad te bezweren zingt ze dan een hele voormiddag: “ben niet bang van de boze wolf, ben niet bang, ben niet bang…” Een visje met dikke lippen in een onschuldige Goofy tekenfilm: “Bang van!” Zelfs van de sprekende Sprookjesboom van de Efteling loopt ze weg. Fons roept haar dan galant terug wanneer het fragment voorbij is.

Natuurlijk komt er veel op hen af. Verwerk maar eens die dagelijkse stroom van pulp op tv voor kinderen. Die inspiratieloze drukte heen en weer zonder verhaal in waanzinnige kleuren met onherkenbare galactische toestanden over flitsende robotten en laserpistolen en boeken met draken en nog lelijkere monsters. (Probeer er maar ’s alleen naar te luisteren, zonder naar het scherm te kijken…) Een goed verhaal, lieve figuurtjes, mooie prentjes, een rustig tempo, het mag niet meer zijn. Wat moet dat stormen in die hoofdjes, ’s nachts als het donker is. En je mag nog duizend keer zeggen dat draken en spoken niet bestaan.
Toen wij klein waren was het veel makkelijker. Er was nog geen tv en we gingen voor het slapengaan wel eens wandelen. En wie was er nu bang voor nonkel Bob? (Van zijn zoon was toen nog geen sprake.) We lazen Puk en Muk, die woonden op drie straten van Luilekkerland bij Klaas Vaak en verzamelden slaapzand voor ons, kindjes. ‘Liever lief’ en de bloemetjeskinderen moesten nog komen. Daar staat tegenover dat wij op zo jonge leeftijd bijlange niet zoveel kenden of assertief waren. Dat laatste mocht trouwens niet van thuis.

Geheel in haar eigen stijl, beknopt en zonder omkijken verbaast de kleine Gloria ook verbaal. Zo bekeken we laatst samen foto’s van het kerstfeest. “Hoe heet die soep weer”, zegt Fons en hij ondersteunt zijn hoofd om beter te kunnen denken. Gloria die aan haar tafeltje zit te kleuren, zegt zonder opkijken: “ venkel”. Fons is het wenen nabij : “Gloria, jij hebt het verklapt… ik was nog aan het nadenken…”

Het is een voorrecht van hen in deze fase te mogen meemaken. Fons is nu tweemaal zo oud als Gloria. Ook dat komt nooit meer terug. Vanaf volgend jaar en alle jaren later blijft het verschil in jaren gewoon twee. Zou ook het verschil in karakter vastliggen? Dat zien we later wel, nu zijn het om ter grootste hartendiefjes. Waren ze om op te eten, wat ze bij ‘manier van spreken’ helemaal zijn, zou ik zeggen: “Pak ze maar allebei in.” Zij pakken iedereen in die hen leert kennen.

Er was een tv-programma ‘taxi’ waarin de chauffeur gesprekken voert met zijn klanten. Simpele televisie, maar soms best interessant. Zeker om de tegenstellingen tussen mensen te zien in eenzelfde omstandigheid. De ene omarmt het leven zodanig dat hij ook bijna de chauffeur om de hals valt, de andere is zo stil dat je omkijkt om te vergewissen of hij stiekem al niet is uitgestapt.
Ik denk wel eens aan die ‘pratende’ taxichauffeur wanneer ik op woensdag Fons van school ga halen of Gloria op donderdag naar ons meeneem. Bij Gloria kijk ik inderdaad nu en dan achterom, maar zij zit altijd stil naar buiten te kijken. “Driving miss Gloria”. Soms, wanneer ik een praatje met haar wil maken reageert ze met “neen, opa, niets zeggen”. Maar wanneer we de steenfabriek De SaeGher passeren zegt zij onveranderlijk: ‘Gloria letter”. “Maar ook die van mama”, zeg ik dan. “Ja, ook!” Einde van de conversatie.

Maar ook dat zal wel veranderen. Vorige week heeft ze onze taal trouwens verrijkt met het originele “stokveger”. Wij noemen het ruitenwisser, maar dat kan verward worden met de ruitenwissers van de auto zelf. Stokveger veegt die twijfel weg. Zeker wanneer zij het met aandrang aanwijst. Wanneer ik haar de stokveger aanreik, zegt ze niks meer en kijkt verder naar buiten. Zij heeft de chauffeur getest. Krijg ik een ‘orzijntje‘ vraagt ze ook wel eens en dan heb ik spijt dat ik geen rozijntjes bij heb. Orzijntje vind ik trouwens een mooier woord.

Natuurlijk heeft zij nog niet zoveel verhalen als Fons. Wanneer ik hem van school haal heeft hij nog voor hij in de auto zit al enkele verhalen verteld en kapper Theo vriendelijk dag gezegd, want Theo heeft altijd een snoepje klaar.
Je weet meteen waarover zij het in het klasje gehad hebben: “opa, zal ik ’s zeggen vanwaar hoofdpijn komt…?” of “weet jij wat ribben zijn?” Hij verrast met de melding dat zijn vriendje die hij al kent van de crèche met hem wil trouwen. Maar dan vraagt hij of we hartjes van Fimo-klei zullen maken, want hij is verliefd op een meisje van de klas. Wanneer je de week daarop informeert naar dat meisje, blijkt die ondertussen verliefd te zijn op een ander meisje van de klas.
Een Nieuwjaarsbrief voordragen is met de familie erbij vervelend, maar alleen met hem in de auto kreeg ik een schitterende versie te horen de dag dat ze hem in de klas hadden ingeoefend. Soms zingen we heel de weg vol en laatst hebben we van Berchem tot Deurne Bert en Ernie-dialoogjes gehouden. Ik heb al zovele verhaaltjes verteld met Sesamstraat-stemmetjes, hij heeft er dus wel oren naar, maar ik vond het toch verbluffend hoe hij in zijn rol bleef en nooit om een repliek verlegen zat.

Ikzelf ben nergens als ik de weg moet uitleggen, maar Fons, als hij het over iemand van de klas heeft, begint steevast uit te leggen waar die woont. Laatst was hij weer aan een verbaal stratenplan bezig toen hij plots zijn uitleg eindigde met “…en blablabla”. “Blablabla, waar is dàt?”, vraag ik. “Oh, dat zeg ik als ik het niet meer weet.”
Of een diepgaander gesprek wil voeren? “Weet je wat de hemel is? Dat zijn sterretjes in de lucht. En al die sterretjes zijn oma’s en opa’s die gestorven zijn. Soms zijn er ook al mama’s en papa’s bij en zelfs kindjes.” Misschien was er die dag een oma of opa van een klasgenootje gestorven. Over mij ging het nog niet. Ook al vroeg hij na mijn hartoperatie, toen mama hem verteld had dat opa het nog een tijdje rustig aan moest doen: “opa, hoe lang ben jij nog verstorven?”
Het hield hem bezig, dat merkte je, dat voelde je ook. Zonder angst kwam hij op bezoek in het ziekenhuis. Je zag hem kijken, mij bestuderen en nadenken ‘hoe kan ik mijn opa laten weten dat hij de liefste opa van de wereld is?’
Een kind van drie dat uw lakens mooi trekt vooraleer hij doorgaat is al uitzonderlijk zorgzaam, maar dat was voor hem niet genoeg. Hoe kon hij zijn gevoel op onvergetelijke wijze formuleren? Terwijl hij mijn hand vasthield en me liefdevol aankeek zei hij: “Opa, ik ga kapster Veerle vragen van mijn haar zo te knippen als dat van jou, want ik wil helemaal zoals jij zijn…” Nooit kreeg ‘kaal’ een mooier verhaal.
Mijn kleinkinderen zijn mijn grootste vrienden.

Geplaatst in Fonske, Nieuw | Een reactie plaatsen

Man van het jaar

Brieven aan Fons 5

Het is 7u10 op de zaterdag voor Kerstmis. Buiten is het nog stikdonker. Binnen zijn de lichtjes van de kerstboom al aangestoken en ook de honderd lichtbolletjes in het windglas naast de tafel waar ik zit met een kop verse koffie achter een bord met tweemaal ‘sunny side up’, om het slechte weer te compenseren.
De telefoon rinkelt. Het is vroeg voor kletspraatjes. Op het schermpje lees ik ‘Sarah’, mijn dochter, mama van Fons en Gloria. “Goeiemorgen Sarah”, zeg ik wanneer ik de verbinding aanneem. Geen antwoord. Gedurende enkele seconden. En dan stil : ”het is Fons…” Gewoonlijk opent Sarah met “het is Sarah…”, hoewel zij weet dat ik dat weet van op het schermpje, maar nu hoor ik een gebroken stem of een nog niet wakkere stem, die zegt “het is Fons…”
Mijn hart ontploft, mijn bloed tsunamiet zich stampend naar mijn hersenen, de tranen spatten uit mijn ogen, ik geef de hoorn aan mijn vrouw. Er is iets met Fons… Ik sluit mijn ogen en probeer een infarct te vermijden. Fons is mij het dierbaarst in het leven. Als er iets met hem is, moet ik dat aanvaarden, maar mijn lichaam gaat altijd wilder te keer dan mijn geest. Donderdag was hij nog een hele dag hier. Liever, aanhankelijker dan ooit, maar dat vind ik altijd.
Ik zie mijn vrouw lachen, ze brengt de hoorn aan mijn oor, ik hoor mij dochter zeggen “sorry, sory, Fons was wakker en wou telefoneren.” Naar wie wil je bellen had ze gevraagd. “Naar opa” had de lieverd geantwoord. Achteraf kan ik er gelukkig om zijn, maar dan wel nadat ik enkele fracties van een seconde zo ongelukkig was als een mens maar ongelukkig kan zijn. Mijn dochter is een knappe actrice, maar om 7u slaapt ze nog te veel om de impact van haar dramatisch gekreun aan de telefoon in te kunnen schatten.

Fons is voor mij, ook al ben ik niet zo gezaghebbend ter zake als Time magazine, voor het tweede jaar op rij “man van het jaar”. Zonder dat hij daarvoor het hoogste ambt ter wereld moet bekleden zoals Obama. Zijn prestatie is des te groter omdat hij bij de bekendmaking nog maar twee jaar en één week oud is.

Na Nieuwjaar komt zusje Gloria er bij op donderdag, maar we hebben al gezien dat het goed zit tussen die twee. Als Fons van de crèche thuis komt is Gloria aan het einde van haar middagdutje. Hij klimt dan op het ouderlijke bed en vandaar buigt hij zich over Gloria in haar bedje dat er achter staat, om haar in zijn armen te nemen voor een zoentje. Vervolgens kijkt hij stralend als een Antwerpse “A” in het rond, strekt zijn armen uit alsof hij net wereldkampioen is geworden en laat zich zonder omkijken achterover ploffen op het ouderlijke bed. In denk dat hij zich op dat moment echt de kleine volwassene voelt die van zijn werk thuiskomt. Imitation of life, zoals R.E.M. zingt, hoewel we daar niet zeker van kunnen zijn, omdat we er niet bij zijn wanneer zijn papa thuiskomt.

Hoe dan ook, naast dat beweeglijke bolletje wol lijkt hij – hoe klein hij in feite nog is – al zo groot, ons blond engeltje uit de schilderijen van Rubens.
Zijn houding van beschermende broer is mooi, maar het mag natuurlijk niet te gek worden met kleine zus. Gloria kan bijna evenveel decibels veroorzaken als Maria Sharapova en daar heeft Fons al een grens getrokken. Als het kan wil hij graag als eerste sussen en Gloria haar tutje geven of het muziekpopje aan haar bedje op gang trekken, maar als dat geen verschil maakt zie je de stress toenemen en stapt hij hoofdschuddend weg terwijl hij de volwassene in de buurt sommeert van in te grijpen. Hij wordt er niet lastig bij, hij probeert zich af te sluiten door zich op iets totaal anders te concentreren. Wanneer mama overneemt en het niet snel lukt kijkt hij nog wel ‘s opzij, maar bemoeien doet hij niet meer. Tenzij oma zich ook over Gloria ontfermt. Een papje geven mag, een propere doek omdoen ook, maar het armwiegen mag niet te lang duren of hij gaat voor oma staan “Gloria bedje leggen”.
Ik mag naar Gloria lachen en foto’s van haar nemen, maar haar in mijn armen nemen mag ik voorlopig niet, want dan krijg ik een streng “opa!” van hem, terwijl hij voor mij komt staan en zijn arm uitstrekt voor een “no pasaràn”. Ik ben zijn speelkameraad en moet een perimeterverbod van minstens één meter in acht nemen. Voor hem moet ik vertellen, voorlezen, zingen, silly walks met hem doen, onder tafels kruipen, zelfs onder de salontafel, koken, kleuren, poetsen, op avontuur trekken door het huis, met de bal spelen, hoewel dat laatste misschien maar liever niet meer.

Enkele weken geleden, zit mijn dochter met mijn vrouw aan tafel koffie te drinken. Ik zit op de grond de bal heen en weer te rollen naar Fons. De bal is zo groot als een normale voetbal, maar volledig van mousse en dus min of meer ongevarlijk in huis. Ik weet van mezelf dat ik zo groot ben als Messi (1m69) en dat ik aardig een balletje kan plaatsen. Ik vond het moment gekomen om dat aan Fons te demonstreren en zeg “kijk Fons, opa trapt de bal tussen de taterende mama en oma…” en trap de bal met een lage boog diagonaal van de ene naar de andere kant van de kamer, over de gedekte tafel heen, inderdaad tussen mijn vrouw en dochter door in het gat dat aan de bovenkant tevens gelimiteerd wordt door laaghangende lampen. Heel even reageert Fons bewonderend om dat sterk staaltje traptechniek, tot hij de dramatisch aangedikte stem van mijn vrouw hoort : “Opa, ben je nu gek geworden…” Fons kijkt met grote ogen naar mijn vrouw en dan naar mij. “Vooruit, in de hoek”, zegt ze. Blijkbaar kent hij het begrip van thuis of van de crèche, want zijn gezicht trekt meteen in de juiste plooi. Ik heb moeite om mijn lach in te houden, maar ga beteuterd in de hoek staan. “Dat mag niet, hé Fons, met een bal door de kamer trappen”, zegt mijn vrouw. Zijn vingertje maakt nog schattig de beweging van “mag niet”, maar de twijfel is groot. Wanneer mijn vrouw enkele tellen later nog ’s zegt “opa, in de hoek…” is zijn oordeel definitief gekanteld. Ja, het is dwaas wat opa gedaan heeft, maar opa doet ook veel leuke dingen. Als opa in de hoek moet dan… ga ik mee in de hoek staan…. en terwijl hij zijn lieve oma blijft aanstaren, komt hij naast mij in de hoek staan. Welk kind zou dat doen?
Ik heb ooit als klein manneke tegen mijn vader gezegd toen mijn moeder, daartoe aangezet door mijn tante, uitvloog tegen mijn vader en mijn vader niet wist hoe hij zich een houding moest geven tegen de boze vrouwen: “kom, we gaan wandelen”. Ik zat in het eerste studiejaar en was bang in het donker, maar ik vond dat mijn vader iemand nodig had die voor hem opkwam, zeker tegen mijn tante die nooit een man had gehad en zich daarom niet in relaties moest moeien.
Mijn voetbalovertreding nu was veel onschuldiger, niet eens echt een kwajongensstreek, want als ik iets van het tafel trap, is het van mijn tafel en dus nooit ‘erg’. Maar de reactie van Fons was groots. En niet louter emotioneel. Dat bewijst hij twee weken later.

We zitten weer op de grond te spelen, ditmaal met autootjes. Tot ik weer die bal vastpak en liggend op de speelmat de bal tegen de muur net onder het plafond stuiter. Ik heb geen drie keer de bal kunnen opgooien en opvangen of Fons wijst mij terecht. Het zou kunnen passeren, oma is er immers niet, maar hij weet dat je zoiets niet doet en neemt de rol van de volwassene over. Wanneer ik lach en met mijn vinger op de mond “sssst” doe, in de betekenis van ‘wat niet weet wat niet deert’, gaat hij rechtop staan en berispt mij streng: “opa” en dan volgt iets als “mag niet oma”. Zo schattig. Maar in de wereld van Fons is dit grote ernst en om mij een lesje te leren… gaat hij in mijn plaats in de hoek staan. Hoe rechtschapen en knap kun je zijn. Het goede voorbeeld kent geen leeftijd of positie. Ghandi, Martin Luther King deden het hem misschien wel voor maar waren twintig keer ouder dan Fons. Ik spring op hem toe, neem hem in m’n armen en met tranen in de ogen beloof ik hem dat ik het niet meer zal doen, dat het maar om te lachen was. Hoewel ik van mezelf weet dat ik altijd een speelvogel zal blijven.
Twee dagen later is Fons weer bij ons. Mijn vrouw is thuis, het is weekend, we zitten aan het ontbijt. Er hangen stickers uit het plakboek van Nijntje op het schuifraam in de keuken. Regelmatig verandert Fons de selectie en de plaats. Het is prachtig didactisch materiaal. Je leert het verschil tussen een groot en een klein huis, dat paddenstoelen rood zijn met witte stippen, dat de groene kikker kwaakt, dat de koe boe loeit, dat een sneeuwman bij een iglo hoort, enzovoort.
Net zoals de meeste vrouwen wil mijn vrouw de leiding nemen en de personen rondom haar haar laten volgen. Dus kan ze het niet laten en zegt: “Fonske, wat is dit…?” “Groot huis”, zegt Fons. En dit? “Klein huis”. “Opa, wat is dit”, terwijl ze naar de groene kikker wijst. Ik zeg, balorig tegendraads :”boom”. Die is op het prentje ook “groen”. Sapristi! Wat is er nu weer mis met opa? In een film zouden ze bij de manier waarop hij zijn hoofd naar mij draait een geluidje genre “wiiiieett” plakken. Mijn vrouw vraagt het vervolgens aan Fons. “Kikker” antwoordt hij met een blik naar mij van dit zou je toch moeten weten… Dan wijst mijn vrouw een sneeuwman aan. “Opa!” Ik kijk naar Fons met vragende blik: ‘help mij!’ Hij is nog niet schoolplichtig en kent nog niks van spieken en opsteken, evenmin van Alzheimer. Hij kijkt mij in verwarring aan: “komaan opa, zeg het, doe weer niet zo stom…”. Om hem te testen zeg ik “iglo”. Hij bonkt zijn hoofd op tafel en roept dan zonder opkijken naar oma: “sneeuwman”.
Wat doe ik dat lief kind toch aan. En hij is al zo met mij begaan. Als ik een hoestbui heb, gaat hij naar mijn vrouw en zegt bezorgd : “opa oetse”.
Ik denk dat wij een team zijn, dat ik hem minstens een goed gevoel geef en hij dat gevoel graag bestendigt. Telkens weer moet ik hem van Bert en Ernie vertellen. Ik zou het niet moeten proberen van dat met mijn eigen stem te doen. Het moeten de juiste stemmetjes zijn, ook die van Grover, van Kermit, the great Gonzo en alle andere figuurtjes. Zelfs als ik een naamloos beertje in mijn handen neem, zoals er hier in huis vele staan, moet ik die ook een stem geven. Dat hoort zo voor hem. Dat hoort bij het huis, zou ik bijna zeggen. Het huis “opa”. Dat zegt hij wanneer we hem naar zijn mama en papa brengen : “dag huis opa”. Misschien is het voor hem een beetje Fantasialand. Ik wil het gerust nederiger ‘Zonneland’ noemen, zolang ik maar niet op een zonnekoning lijk.

Op donderdag is het vrolijkheid troef. Wie mij kent weet dat ik altijd en overal aan het zingen ben, wellicht omdat mijn moeder ooit zei “alleen de boze mensen zingen niet”, maar nu krijgt dat zingen voor Fons een extra dimensie. Want als ik zing moet er geen radio spelen, dan wil hij dansen. Zijn poepke steekt dan een beetje achteruit, terwijl hij door zijn benen zakt. Zeker als ik deuntjes uit dvd’s zing die hij kent en weet hoe de dansjes gaan. Ik moet maar de mars van de pinguïns uit Mary Poppins aanzetten of hij houdt zijn armen tegen zijn lijf en danst de pinguïns na, “raterateratata, raterateratata… Steppin’ time van de schoorsteenvegers is nog een favoriet, ik moet wel meedoen en dan danst hij desnoods tien keer na elkaar. Thuis zegt hij tegen zijn ouders steppin’ time op het ‘tak’ en danst op het bed.

Het ongelooflijke is dat hij ook begint mee te zingen, zeker als ik à la Pavarotti uithaal, met breed armgebaar. Fons imiteert mij dan met zijn tweejaren-stemmetje. De vocalen, maar ook en vooral de armgebaren. Op YouTube zou het scoren. Ik weet dat hij dat fantastisch vindt, want na weinig tellen loopt hij naar mij toe om me al lachend een beet in mijn been te geven. Van zottigheid.
In die doorlopende circusvoorstelling leert hij praten, zingen en dansen. Ik vind dat hij op een ongelooflijke manier leert en luistert. Ik zei het daarjuist al: ik heb de tijd om hem die voluit te geven. Hij kiest wat er te gebeuren staat, ik volg en vertel. Als hij de scharnieren van het raam wil onderzoeken of de onderkant van de tafel, krijgt dat voorrang. Het moet niet alleen voetbal en meccano zijn, uit alles kun je leren. Ik ben gelukkig bij de gedachte dat ik hem bovenal leer blij te zijn.

Wanneer hij zijn patatjes eet wil hij graag met zijn vork in de tafel prikken. Als ik hem dan zeg dat dit putjes in de tafel maakt en dat op het bord tikken veel luider klinkt, probeert hij het uit en lacht. “Mag niet”, zegt hij dan zelf, “so, mag wel”. Natuurlijk probeert hij alles uit. Dat moet. Ik vind het ongelooflijk boeiend om volgen. En als hij dan boven in de trappenhal op de vers witgeschilderde muren met zwart potlood zijn impressie achterlaat, kan ik dat artistiek plaatsen als “la griffa de l’artiste”. Misschien zet ik er ooit nog een naamplaatje bij: Fons, december 2012.
De “keschboom” is in deze periode ook een monument van verwondering voor Fons. Er zijn de lichtjes die hij met een handomdraai aan en uit zet en er zijn de sneeuwmannetjes in de boom, de muziekinstrumentjes, de emmertjes waar hij graag enkele rondjes mee in de kamer loopt. In elke hand één, acht centimeter groot. Twee emmertjes water halen. Maar er zijn vooral de dennennaalden.
Hij schrok de eerste keer dat hij er zich een beetje aan prikte. Maar dan wou hij als het ware de boom plukken. Naaldje voor naaldje. Wanneer er dan een tapijtje op het parket lag ging hij kuisen. Met zijn voetjes als draaiende wieltjes loopt hij dan het huis door naar de keuken. Ik volg hem. Hij trekt het deurtje onder de wasbak open, neemt stoffer en blik en loopt met dezelfde gedrevenheid terug naar de boom vooraan in het huis. “Kuisen”, zegt hij tegen mij en veegt toch wel behoorlijk nauwgezet de naalden op het blik. “So” zegt hij voldaan en begint terug te lopen, er niet op lettend dat hij het blik verticaal houdt en het naaldentapijt nu een meter verder van de boom ligt. Ik zeg niks, want het is te mooi om zien hoe hij in de keuken opnieuw voorzichtig het deurtje onder de wasbak opent, de vuilemmer naar buiten trekt het deksel naar achteren schuift om dan het ondertussen lege blik in de open emmer om te keren. Enkele uren later herhaalt hij de dennennaaldenpoets. Bij de kerstboom veegt hij opnieuw de dennennaalden samen, maar dit keer stapt hij voorzichtig naar de vuilbak, om daar dan, tevreden dat hij de vuilbak gehaald heeft, net iets te vlug het volle blik om te kieperen, waardoor de naalden nu niet meer bij de boom maar netjes in de keuken vòòr de vuilbak liggen.
Mijn andere held Charlie Chaplin zou het net zo doen. De schoonheid van beweging is vaak belangrijker dan het uiteindelijke resultaat.

Geplaatst in Fonske | Een reactie plaatsen

Focus op Fons

Brieven aan Fons 4

Alsof dat nodig was, alsof Fons ooit niet op de eerste plaats zou komen. Alsof de aandacht voor Fons tussen twee donderdagen zou kunnen wegvallen.
Fons is geen feuilleton. Fons is een deel van ons. In ons hoofd en in ons hart.
Op donderdag zijn wij in alle staten van euforie alsof Elvis, Merckx, God en klein Pierke tegelijk aanwezig zijn. De dagen naar de volgende donderdag raken we er niet over uitgepraat en hopen stiekem dat de ouders ondertussen ergens naar toe moeten en wij een extra-aflevering Fons mogen beleven.
Wij zijn fervente Fons-fans, want zoals Fons zijn er geen twee… Voorlopig toch nog, want over enkele weken wordt onze kleine Fons “grote broer” van een Fonske II. Of van een Fonske-meiske, die waarschijnlijk nog meer dan Fons op mama lijkt.
Ondertussen leren we ex aequo foutloos schrijven. Zij zullen met twee de mooiste, de liefste, de zachtste en de grappigste zijn. Ex aequo zonder wedstrijd wie vandaag de beste is. We gaan onze aandacht en superlatieven niet naar believen maar met liefde evenredig verdelen. Eenvoudig wordt het als er na het mooiste jongetje, het mooiste meisje bijkomt.
Voorlopig heeft Fons twintig maanden voorsprong. In ’t begin merk je dat natuurlijk,
maar misschien lijken ze met zo’n klein verschil mettertijd een tweeling?
Wij, die niet door weeën en bevalling moeten, kijken vooruit: hoe zal het zijn met twee? Druk, dat zeker. Schattig, ongetwijfeld in het kwadraat en spannend ook. Hoe reageert Fons? Ik weet nu al dat hij heel verzorgend zal zijn. En liefdevol.
Op de hoogste verdieping ligt een grote pop van toen mama-Fons klein was. Hij heeft die nog maar pas ontdekt. Hij weet dat het een pop is, omdat ze niet uit zichzelf kan bewegen, toch noemt hij haar baby. Voorzicht streelt hij haar haar en wangen en dan trekt hij haar naar zich toe en geeft hij haar kusjes. Maar als hij zelf op het verzorgingskussen ligt moet ze weg.

Hij is helemaal klaar voor zijn rol van grote broer en van hulp in het huishouden ‘tout- court’. In Italië hebben we eens een veegborstel met blik op steel gekocht, waarmee de Italiaanse mama’s de stoep vegen zonder zich te bukken. Daar loopt hij graag mee rond alsof hij in de living en keuken een traject voor nordic walking heeft herkend. Voor in de tuin hebben we een kindergritsel voor hem gekocht. Daarmee trekt hij grond vanonder de haag het gazon op. Hij ziet dat de overgang tussen gazon en grond een geultje dreigt te vormen. Ik denk dat hij dat wil rechttrekken. Het gras groeit er toch weer zo door.

Deze zomer begonnen we de donderdag met de planten in de voortuin water te geven vooraleer die in volle zon komen te staan. Ik vul de gieter in de keuken en dan loopt hij voor mij uit, zijn pas redelijk breed en een arm de hoogte in zwaaiend als een tambour major voor zijn sjerpa. Bij de plant gekomen neemt hij de gieter over. Doseren is een zaak voor kenners. Wanneer de planten te hoog staan, zoals de geraniums op de vensterbank, mag ik gieten maar geeft hij met een kort “ja, ja” te kennen wanneer het genoeg is. Die begankenis door de gang herhaalt zich driemaal.
In de loop van de dag lopen we wel meer door de gang, want tegenwoordig moeten we toch altijd even onze silly walks oefenen. Het begon, denk ik, toen hij het galmen in de gang ontdekte. Sindsdien lopen we meestal luid stampvoetend door de gang. De ene keer met de knieën zo hoog mogelijk optrekkend, dan in paardengalop, maar dat lukt iets minder. Zijn favoriet kan ik niet imiteren, hij kan met zijn handen en beentjes draaien of hij op wieltjes loopt. Wanneer ik buiten adem raak, loop ik nog altijd luid breed stappend maar nu met de handen op de rug. In ganzenpas loopt hij identiek achter mij, als schaatsers op een rij doen we de “navette” van de gang. Het is een gek spektakel. Op het einde van de gang bekijken we ons in de grote spiegel. Hij lacht van zottigheid, ik lach met hem mee.
Met de handen op de rug imiteren we trouwens onder ons tweetjes de zeven dwergen.
Ik zing dan “he-ho, he-ho, je krijgt het niet cadeau” en hij vertaalt ‘he-ho’ onveranderd in ‘ajuu, ajuu’.
De zinsbouw staat nog niet in de steigers, maar de verzameling losse woordjes is niet meer te tellen. En hij weet het wanneer hij met een nieuw woordje scoort. Vorige week zat hij zijn fruit te eten. Banaan en appel zijn makkelijke woorden, maar appelsien ligt al iets moeilijker.
Plots leek hij het woord zowaar uit te spuwen met een langgerekte “sien” waarbij hij zijn hoofd naar voor gooide en een gezicht trok zoals een kogelstoter wanneer die de kogel van zich af stoot.

En dan is er het namen noemen. Geen woord kan hij mooier zeggen dan “mama”.
Papa klinkt een stuk zakelijker, onder mannen. Zelf hoor ik hem het liefst “opa” zeggen.
Hoewel hij het altijd laat klinken als “héla, luister eens”, alsof hij mij zo’n beetje tot de orde moet roepen. Dan zegt hij ‘opa’ en klopt op de plaats naast hem in de zetel. Of ‘opa’ en komt hij met mijn bril af als hij met mij naar een dvd’tje op computer wil kijken. Of hij laat ‘opa’ iets strenger klinken wanneer hij met mijn pantoffels aan komt draven als ik nog op blote voeten loop. Hugopa en oma Krol kan later nog.
Ondertussen eet hij helemaal zelfstandig. Met een vork prikt hij een stukje groente, een topje aardappel en een vleesje samen. Dan gaat het met een wijde boog, meestal vanuit de linkerhand, naar de mond. Natuurlijk valt er onderweg wel wat op de grond, maar dan zegt hij streng “opa” en wijst naar de grond. Hij zal niet uit zijn stoel komen vooraleer ik alles bij elkaar heb geveegd. Enkele maanden terug poetsten we de vloer de dag voor ons “kruiperke” langskwam, nu de dag nadat ons vriendje geweest is.
De bereiding van het eten gebeurt in harmonieuze samenwerking en loopt eigenlijk ook grotendeels onder zijn supervisie. Hij staat dan op een stoeltje bij de wasbak en spoelt de groenten met een grondigheid en ernst waarmee vergeleken Jeroen Meeus een kluns lijkt. Met zwier en zonder op een druppel water meer of minder te kijken legt hij de groenten op het aanrecht waar ik ze op maat snij alvorens ze in de stoompan te doen.
Als ik zijn tempo niet kan volgen kijkt hij mij onbegrijpend aan en neemt wat groenten terug in ’t water tot mijn snijplank weer leeg is. Meer dan eens steekt hij zijn armen uit en dan moet ik hem optillen zodat hij in de potten kan kijken. Hij kent de volgorde van de handelingen en ik moet het bijvoorbeeld niet proberen van zelf de timer op en af te zetten. Of het vlees in de pan te mikken zonder dat hij het gekeurd heeft. Bij dat alles blijft hij uitzonderlijk ernstig terwijl ik juist daarom mijn lach niet kan inhouden. En van het moment dat de kookgeuren de keuken vullen stapt hij naar zijn stoel en neemt alvast zijn morsdoek terwijl hij verlekkerd verlangend “hmmm, hmmm” zegt.
Omdat het verklarend woordenboek het omschrijft als :” iets waar je heel blij mee bent”, durf ik toch zeggen: Fons is een “godsgeschenk”. Zelfs als hij ernstig is moet je er mee lachen en ben je blij.
Ik vertelde eerder van het ochtendritueel met de planten. Wel, meer dan eens stopt hij bij de voordeur om toch nog eens te checken of de tuimelaar die de pin in de vloer drijft om de deur te verankeren, nog wel werkt. Een seconde tevoren loopt hij op zijn Fonskes zingend door de gang om dan plots minutenlang stilt te zitten bij die check-up, gehurkt zoals alleen Afrikanen en kinderen dat kunnen, klikklak, klikklak en hup, hij is weer weg.

Soms lijkt hij van rol te willen wisselen. Naast zijn tafeltje en stoel is een radiator van de chauffage. In de zomer staat die niet aan en alle magneetjes die we in huis vinden hangen er tegen gekleefd. Toen ik eens een magneetschijfje van op afstand tegen de radiator gooide, nam hij die eraf en gaf het aan mij terug. Ik mocht nog ‘s gooien. Als hij niet telkens triomfantelijk “bravo” had geroepen zou hij mij aan een uitbater van een schietkraam op de kermis doen denken, zoals hij daar stond met een arm op zijn tafeltje en met een rustig monkellachje naar mij kijkend. “Hier manneke, probeer nog maar eens.”
Het is niet erg opvoedkundig als ik er mee lach, maar als hij door het dolle heen is, als we bijvoorbeeld een kussengevecht voeren, kan hij plots met een heel ernstig gezicht mij een klets vlak in mijn gezicht geven om dan onmiddellijk zijn armpjes rond mijn nek te gooien en mij te troosten, “auw, auw, Oh, kom…”, om mij opnieuw op een mep te trakteren en terug te troosten. Drie, vier keer achter elkaar. Ik denk dat hij, wanneer hij echt uitgelaten is, door het dolle heen, zijn affectie wil tonen en daar een aanleiding toe creëert. Binnenkort zijn we op donderdag met drie, maar ik denk dat we voor altijd twee beste vrienden zullen zijn.

Geplaatst in Fonske | Een reactie plaatsen

Eerste echte schoenen

Brieven aan Fons 3

Mijn vader zei me ooit, toen ik weer eens mijn verhaal geestdriftig naar een crescendo aan het bouwen was alsof het de toren van Babel betrof die tot de hemel moest reiken: ”jongen, overdrijf zo niet, de mensen gaan u niet meer geloven.”
Wij waren met acht, iedereen wou een stukje aandacht. Ik stak in plaats van mijn ellebogen – bij manier van spreken – mijn tong uit. Als ik het woord kreeg, gaf ik het niet meer terug. Mijn ouders moesten mij niet met twee woorden leren spreken, ze waren allang blij als ze met twee handen mijn woordenvloed konden stoppen. Ik pookte graag mijn verhalen op, van vonk tot vuurwerk. De woorden rolden uit mijn mond, zonder mij daar eerst iets van te zeggen. Niettemin hield ik mij altijd vlakbij de enige ware correcte kern. De opmerking van mijn vader zou altijd als een waakvlam in mijn gedachtenkamer blijven branden.
Moest hij me nu als grootvader bezig kunnen horen, zou hij met genoegen vaststellen dat ik eindelijk woorden te kort schiet wanneer ik over mijn kleinzoon Fons begin.
Natuurlijk is Fons mijn onderwerp nummer één, net als mijn kinderen vroeger, maar toen waren er nog honderden andere dingen die naar mijn aandacht dongen. Wanneer ik over Fons praat denk ik steeds vaker terug aan de waarschuwing van mijn vader. Alleen denk ik er nu bij, wie overdrijft er. Hij of ik?
Fons zit niet liever dan aan de computer. Dat is normaal. Het effect van een lichtbak is al lang bekend. Zelfs bij konijnen. Maar Fons wil zich niet beperken tot kijken. Hij wil sturen, uitzoeken, werken. Hoe hij het doet weet ik niet, maar hij vindt toetsencombinaties op het klavier waar ik het bestaan niet van ken. Zo opent hij Excell via het toetsenbord, dan weer een file met, toevallig, zijn foto’s in Photoshop, vervolgens legt hij een scherm over het scherm met de dagtemperaturen en andere tabellen, die ik nog nooit gezien heb. Dashboard heet het, zo leerde ik achteraf. Of lijkt de cascade van file-indeling op zijn kop te staan. Maar laat dat nog allemaal toeval zijn. Met de muis daarentegen gaat hij zo doeltreffend te werk dat ik gisteren toch maar het ontvangertje voor de draadloze muis uit het klavier heb verwijderd. Hij had het niet gezien, maar merkte wel onmiddellijk dat de muis zijn bevelen niet meer volgde. Hij keek naar mij, eerst vragend, vervolgens beschuldigend, tenslotte zo verontwaardigd dat ik mij betrapt voelde. Het kan allemaal toeval zijn, ik wil zeker niet overdrijven, maar nadat hij mij getaxeerd had en besefte dat ik hem niet ging helpen, liet hij mij links liggen. Hij zou het zelf wel oplossen. Hij begon met die muis te draaien en keren, checkte of het lichtje onderaan nog brandde om vervolgens, zoals de grote mensen dat soms doen, met die muis een paar keer op tafel te kloppen alsof er iets in los zat. Het toeval wil dat op dat moment zijn mama en papa hem kwamen ophalen. Op hun geknuffel reageert hij met een ongeduldig jaja, het is nu goed, ik was bezig, kom maar eens mee. Allemaal in gebaren en mimieken, want met zijn dertien maanden is zijn woordenschat nog te beperkt. Hij dwingt zijn vader met gebaren en een dringende tone of voice mee naar de computer. Hij wijst de muis aan en bekijkt zijn papa behoorlijk streng: wat ga jij daar aan doen, die muis werkt niet meer? Ik overdrijf niet, Fons redeneert en trekt conclusies als een grote.
Diezelfde middag zat hij met mijn GSM te spelen. Dat mag, ik blokkeer het toetsenbord, zodat er weinig kan gebeuren. Om te zien hoe hij reageert bel ik met de huistelefoon naar mijn GSM. Mijn beltoon is de ouverture van Wilhelm Tell, niet lawaaierig maar niettemin levendig. Fons schrikt er helemaal niet van en met een air alsof hij dat al duizend keer heeft gedaan geeft hij met uitgestreken gezicht de GSM aan mij. Het zal voor u zijn, denk ik.

Ik zou hem iedere donderdag met Oscars en andere prijzen willen overladen. Als hij geen wetenschapper wordt zoals zijn mama en papa, moet hij acteren of zou er minstens voortdurend een camera op hem gericht moeten zijn. Ik heb nog nooit een kind gezien dat zo met zijn gezicht kan spreken. Van ernst tot uitgelaten en elke gradatie daartussen. En voorbeeldig. Moet zijn neusje gekuist worden, een aërosol-masker aangebracht, een nek-kraag aangepast, zonder dat je hem dat moet zeggen weet Fons dat dit goed is en ondergaat het onbeweeglijk terwijl hij voor zich uit kijkt. Met de aërosol duurt dat 7 minuten. Hij zit dan lichtjes voorovergebogen, met de handjes op de knieën en zijn grote ogen rustig observerend boven het stomende masker. Het is even aandoenlijk als fascinerend. Ik vind het grote kunst. Zo ook als hij zijn tandjes poetst. Hij heeft er voorlopig nog maar twee boven en twee onder, maar die poetst hij met zoveel ernst en een piepkleine tandenborstel, alsof zijn leven er van afhangt. Ik vraag me soms af wat zijn ouders over tandenpoetsen hebben verteld. Echt zijn mond spoelen kan hij nog niet, maar hoe hij zich van op zijn stoeltje over de wasbak buigt wanneer hij de pasta en mondvocht naar buiten tuft is zo overtuigend en grappig dat je zou willen lachen, maar eigenlijk niet durft. Hoewel, Fons de laatste zal zijn die je kwalijk neemt wanneer je lacht. Hij doet het zelf de hele tijd en in alle gradaties. Het liefst zie ik hem bezig als hij probeert met twee ogen tegelijk te knipogen. Zijn mondje en neusje trekken dan samen van inspanning. Maar wanneer hij het uitschatert breekt de hemel helemaal open. Geen mens die niet blij wordt van zoveel “Ode an die Freude”. Op het gevaar af dat ik weer ga overdrijven wil ik vertellen over Fons zijn eerste echte schoenen.
Mijn vrouw was met een vriendin op stap, mijn schoonzoon wou karweien in huis, dus vroeg mijn dochter of ik als nuttige reserve met haar en Fons naar de shopping in Wijnegem wou. Zelf zal ik er nooit gaan, maar met Fons is alles anders. Voor hem was het de eerste keer en hij keek zijn ogen uit. Zo vele mensen, zoveel licht, zovele nieuwe ervaringen en zo’n drukte, hoewel hij dat laatste wellicht nog niet bewust beseft. Het was nog solden en mijn dochter liep tussen de rekken van de Hema op zoek naar koopjes. Ik zou met Fons wachten bij de kassa. Er stonden wel dertig klanten in de rij. Het zou lang wachten worden. Fons kreeg het warm en wou uit de kinderwagen. Om zijn aandacht af te leiden zette ik mij op een kinderstoeltje dat daar te koop werd aangeboden, het model dat gebruikt wordt om koeien te melken. Ik zat bijna op de grond, maar toch nam ik een tweede tabouret tussen m’n knieën en begon daarop te roffelen, terwijl ik liedjes voor Fons zong. Hij vergat dat hij uit zijn kinderwagen wou en gierde het uit van de pret. Ik ben misschien bevooroordeeld, maar Fons heeft altijd al een blij gezicht en wanneer hij echt begint te lachen is dat voor mij alleszins het mooiste gezicht ter wereld. Op zo’n moment vergeet ik de shopping en iedereen die rond ons staat en of ik wel op zo’n kinderstoeltje mag zitten. Mijn act werd er alleen nog gekker bij en Fons straalde. Hij kijkt wel naar de mensen rondom hem en wijst naar mij “ziet”, alsof hij de anderen in zijn vreugde wil laten delen. Al snel stonden de verkoopsters aan de kassa in plaats van verder te werken ook lachend naar ons te kijken. Dat gaf niet want zo goed als iedereen die in rij stond aan te schuiven lachte vertederd mee. Ik voelde me niet de enige die Fons als een kleine miracle-worker beschouwt. In een winkel waar tal van kinderen rondlopen op die manier de aandacht vangen en iedereen doen vergeten dat ze in een lange file staan is echt niet gewoon.
Daarna ging in de schoenwinkel de show gewoon verder. Wanneer de verkoopster zijn pantoffeltje uitdeed en een echte stapschoen aan zijn voet schoof, keek hij naar zijn mama en mij en knikte met zijn hoofd naar die verkoopster die voor de kinderwagen gebukt zat. Wat doet die? Vinden jullie dat oké, zal ik maar laten begaan?
Het waren hele speciale schoentjes. Met hoge schacht die steun geeft aan de hiel, maar vooral volledig van jonge gemzenpels, modieus in saffraangele kleur gezet. Hij draaide zijn voetje van links naar rechts en nog ‘ns en dan komt er een monkellachje op zijn gezicht. Ik zie hem denken in zijn vaders’ taal: “vree wijs, dat zal knallen bij mijn rode piano.”
Natuurlijk wil hij ze uitproberen. Hij staat steviger dan ooit in zijn schoenen, dat voelt hij zelf ook. Hij steekt zijn handjes uit en we lopen de winkel door alsof het de catwalk van Milaan betreft. Op het einde staat een spiegel. Fons wil zichzelf bekijken in de spiegel, draaiend met zijn nieuwe schoenen. Dan stapt hij van de spiegel weg, om dan telkens en telkens terug te kijken alsof hij zichzelf wil verrassen. Koekoek, hier ben ik terug. En hij schatert het uit. Zijn mama is aan de kassa voor de betaling en ziet niet dat ook deze verkoopsters hun job even vergeten en alleen maar aandacht hebben voor Fons.
Er staat een tafeltje met alle soorten puzzelstukken voor kindjes. Om het wachten te verzachten. Er zit een jongetje aan van een jaar of vijf. Met een brilletje. Fons gaat er bij staan. Kijkt naar het brilletje en glimlacht vriendelijk. “Kan hij nog niet spreken”, vraagt het jongetje aan mij. Ik zeg “neen, maar hij wil wel met jou samenspelen.” Samen leggen ze een rood visje in de puzzel. Elk de helft. Fons lacht bemoedigend. De jongen is blij. Ze delen stukken en wisselen. Als de jongen niet kijkt, bestudeert Fons hem met peinzende blik vanonder zijn wenkbrauwen. Hij besluit altijd vriendelijk te zullen zijn voor kindjes met een bril. De mama van het jongetje roept hem weg van de speeltafel. “Maar mama”, protesteert het ventje. Ik zit erbij naast Fons op de grond. Twee kindjes en een oude man met witte baard bij een tafeltje van 50 cm hoog. Zou de vrouw zich verkijken op mijn witte baard? Een kerstman einde januari, daar klopt iets niet. Ik geef het geen tweede gedacht. Fons staat recht in zijn eerste schoenen. Ik ben blij dat ik er bij was.

Geplaatst in Fonske | Een reactie plaatsen

Tandeloos lachen

Brieven aan Fons 2

Mijn vrouw vroeg me laatst, toen ik weer vol vuur over Fonske aan het vertellen was, wat ik zal doen wanneer we twee, drie of meer kleinkinderen hebben? Dat ik dan met hetzelfde enthousiasme de lof van al mijn kleinkinderen zal zingen, antwoordde ik. Omdat ik dat zo aanvoel. Ons tweede en derde kind zijn toch ook met evenveel liefde begroet geweest als ons eerste? Daar was en is geen speld tussen te krijgen. Zij zijn nog altijd evenveel mijn kleine wonderen en dat verandert niet naarmate ze ouder worden en gehaast met hun tijd mee moeten. Kinderen krijgen is het mooiste dat er is. Alleen kleinkinderen kunnen daar aan tippen. Daar raak je niet over uitgepraat. En dan nog meestal in de vergrotende trap. Omdat het besef als grootouder groter is. Omdat je niet meer aangevuurd wordt door “les must de Cartier”. Omdat je nu de tijd de tijd kan laten zijn en je vroegere mantra “first things first” het laatste van je zorgen is geworden.
Een kleinkind voegt een dimensie toe aan het leven van een ouder. Zeker wanneer je het van dichtbij kunt zien opgroeien. En het is geen kwestie van perceptie, het is nu dat het tot je doordringt dat elke beweging, elke blik buitengewoon is. Kom kijken, kom kijken, roep ik wel honderd keer naar mijn vrouw. En nog meer keer moet ik lachen om wat hij doet, hoe hij reageert. Donderdag is Fonsdag, een feestdag.
Gisteren bijvoorbeeld woei er een flink briesje buiten en ik stond met Fons op de arm aan het raam. Minutenlang keek hij naar de blaadjes van de rozelaar en de olijfboom hoe die in de wind trilden, tot hij de musjes in ’t oog kreeg die in de voortuin soms met vijf, zes tegelijk druk doende waren. Ze springen van tak naar tak, vliegen naar de struik van de buren, keren terug, duiken naar het mulle zand onder de struik en draaien een kratertje alsof ze een stofbad willen nemen. Fons zijn grote ogen vlogen mee heen en weer, nu en dan onderlijnd door een “oh”. Ik kijk kort mee naar de vogels om vooral van dichtbij zijn gezichtje te kunnen volgen. Mag ik het zeggen? Er is mooi, er is mooier en er is het gezichtje van Fons. Niet te verbeteren in verhouding en vorm.
De passage bij het raam maakt deel uit van het ochtendritueel van onze donderdag samen. Van het raam gaat het naar de oude spiegel tussen beide ramen, daar zal hij zichzelf op zijn spiegelbeeld een high-five toekletsen en dan kijkt hij al uit naar het bebaard mannetje met helm. Fons moet het beeldhouwwerkje even in handen nemen en aan de baard voelen. Dan kijkt hij naar mij, zoekt hij naar gelijkenissen of hoopt hij deze week de oude filmprojector van naderbij te mogen onderzoeken? Het is een Alef 9,5 mm projector, met de vertanding nog tussen de beeldjes in het midden van de film. Een uniek exemplaar dat ik zomaar voor mijn verjaardag kreeg van mijn leraar van het zesde jaar lager. Mijn verjaardag was een feest voor heel de klas omdat de leraar er een snipperdag van maakte. Nu klinkt dat raar, maar hij vond mij blijkbaar zo speciaal dat hij aan mijn moeder vroeg of hij mij mocht adopteren, ook al had hij zelf vier kinderen. Het zou Fons ook kunnen overkomen.
Maar terug naar “Fonske groet ’s morgens de dingen”. Met een klets op de helm van het beeldhouwerkje geeft hij te kennen dat we verder kunnen gaan. Dat wil zeggen, op naar een check van het licht in de laaghangende lampenkap. Het is een spaarlamp die langzaam lichter wordt. Brandt ze nog niet dan wijst hij de schakelaar aan en moet hij die even aanklikken en kijken naar het resultaat. Volgende stop is bij de porseleinen pop. Fons is geen jongetje dat met poppen zal spelen, maar het koude porselein intrigeert hem, ook dat oude kleedje met kant moet hij altijd even tussen de vingers laten gaan. Alle stofjes moet hij trouwens voelen, net als zijn moeder toen zij klein was. Hij wil ook alle materialen aan zijn scratch-test onderwerpen. Vooral de nieuwe kunststoffen wil hij analyseren. Met het hoofdje een beetje scheef om al zijn jonge verstand naar een kant te schuiven, neemt hij de nieuwe materie in zich op, zijn tactiele waarnemingen in diepe concentratie herschikkend.
Het hoofd van de pop scharniert, maar als die hem lijkt toe te knikken gaat zijn hoofdje telkens evenveel achteruit. Fonske is een kind van de zustersteden Antwerpen en Gent, maar zijn terugdeinzen interpreteer ik voluit als een Antwerps “nie mè maai, hé”.
Bij de pop ligt een grote oude waaier. Als ik hem laat openvallen en terug dichtklap, steekt hij zijn handje uit en houdt het terug in. Hij vindt het maar iets vreemd, zeker als ik in zijn richting waai, dan knipperen zijn oogjes dicht en trekt hij zijn neusje op terwijl zijn wimpers meetrillen. Het is niet zijn favoriet, dat is duidelijk, maar hij kan er niet aan voorbij.
Als ochtendgroet aan de vorige generaties wil hij stilstaan bij de portretten in huis. We hebben een fotografisch precies getekend portret van mezelf en mijn vrouw, niettemin lijkt hij mij meer te vereenzelvigen met de clownskop die ik ooit schilderde. Het portret van mijn vader wil hij ook altijd even aanraken, maar het meeste ontzag heeft hij voor het meer dan honderd jaar oude portret van mijn grootmoeder.
De volgende halte is dan een stuk schors waarin een hoofd gesneden is.  Iedere week wil hij een beetje anders leggen.  Op weg daarnaar passeren we de computer en zwaait hij met zijn armpjes en kijkt mij bevragend aan als die nog niet open staat. Hij weet dat er telkens een ander, geactualiseerd portret van hemzelf op het bureaublad staat en dat er meer dan honderd foto’s van hem in zitten en enkele tientallen filmpjes. Hij ziet zichzelf graag bezig, hoewel specialisten beweren dat kindjes op die leeftijd, we spreken van 9 à 10 maanden, zichzelf nog niet kunnen herkennen. Ze denken dat het een ander kind is. Ik weet het niet.
Hij is 8 maanden wanneer hij als djembé-muzikant op een stoeltje roffelt. Ritmisch met beide handen kloppen is al lang zijn ding. Ik film hem daarbij en film hem daarna als hij naar dat filmpje zit te kijken op de schoot van mijn vrouw. De eerste keer dat hij dat filmpje zag sloeg hij zowaar door naar de overtreffende trap van enthousiast en trommelde met nog meer geestdrift op de bureauruimte voor het scherm. Als hij dan daarna het filmpje ziet waarop hij tweemaal te zien is, op het scherm én daarvoor kan het zijn dat hij denkt dat hij naar anderen zit te kijken.
Maar hij krijgt er nooit genoeg van. Meer dan eens op donderdag trekt hij me mee naar de computer en wil hij zichzelf in actie zien. Fons die op zijn eetstoel trommelt en zijn longen test in hele zinnen van wisselende intonaties daidaidai; Fons in de box, die op zijn manier meezingt met de radio terwijl zijn gatteke ritmisch mee swingt. Of terwijl hij op mijn arm zit bij de radio, zodat hij het geluid kan regelen. Als ik dan dans en zing strekt hij zijn armpjes als een adelaar breed uit, fladdert met zijn armen op het ritme en zingt mee of lacht mij gelukzalig toe: “wij amuseren ons nogal eens, hé”.
Een ander filmpje toont Fons die achter de kat aan kruipt en haar, zoals ik in een vorig verhaaltje voorspelde, bij de staart neemt. Ik voeg hier onmiddellijk aan toe dat dit slechts één keer is gebeurd.
Onze poes is al meer dan honderd jaar oud, in mensenjaren gerekend, zij laat rustig betijen. Hoewel ze de eerste keer dat Fons rondkroop zelf nog verschrikt wegkroop, maar nu kennen ze elkaar en respecteren ze elkaars terrein. Het ziet er bovendien naar uit dat “poes” zijn eerste geconnoteerd woordje zal zijn.
Gisteren heeft hij een tweede woordje tot vier keer toe herhaald. Hij zei me correct na en ik denk dat hij er ook de juiste betekenis aan koppelde. Hij wou tegen een grote gevulde vaas duwen. Hij weet dat hij hier alles mag vastpakken en onderzoeken en misschien daardoor lijkt hij uit zichzelf te beseffen dat sommige dingen geen speelgoed zijn. Ik moet dan ook zo goed als nooit ‘neen’ zeggen, zoals ik nu deed met die grote vaas vol water en bloemen. Met mijn wijsvinger zwaai ik dan van links naar rechts voor het voorwerp. In eerste instantie keek hij weg alsof hij er niks mee te maken heeft. Zich vasthoudend aan de salontafel stapte hij een stukje weg om dan op dezelfde toon als ik: “neen, neen, neen” te zeggen. Had ik dat maar kunnen filmen. Nu was ik alleen met hem en wist ik even niet waar ik het had. Als ik streepjes zou zetten telkens hij mij op donderdag verbaast of aan ’t lachen brengt, het zouden er veel zijn.
Zijn strafste klanknabootsing tot nog toe is die van de poes. Omdat ze zo oud is miauwt ze niet meer, maar laat ze te pas en te onpas een diep klagend gejammer horen alsof ze de coyote van la Esterella is. Vorige week ging Fons naast haar zitten en deed haar na “grauw, grauw, grauw”. Waarschijnlijk heeft hij nog geen ‘klassiek’ miauwen gehoord, maar toch beseft hij dat dit een ongewoon geluid is. Hij weet dat niet alleen te imiteren, maar gaat daarbij zo naast de poes zitten alsof hij haar leed volkomen begrijpt en haar met zijn mimiek wil zeggen “het is toch niet zo erg, poes”.
Ik sta er telkens weer van te kijken hoe genuanceerd een kind zich non-verbaal enkel met zijn mimiek kan uitdrukken. Je ziet hem nadenken als hij op onderzoek is. Ik vermoed dat één wenkbrauw op, “tiens” betekent. Bij ernst is zijn mond een streepje. Bij inspanning steekt het puntje van zijn tong net uit en trekt zijn neusje in plooitjes. Nieuw is hoe hij zijn ogen ten hemel slaat, met de betekenis “hemel, ze begrijpen het niet”. Ik vind het allemaal fantastisch, maar het mooiste is wanneer hij door het dolle heen is. Als hij bijvoorbeeld door de kamer kruipt, achterom kijkt en één hand opsteekt om te zeggen: ‘ waar blijf je’. Hij begint al te stralen als ik, eveneens op handen en knieën, achter hem aankom. Als ik doe alsof ik niet verder kan en plat op de grond blijf liggen terwijl ik, zoals hij altijd doet, met platte handen op de grond trommel, kirt hij het uit van pret en komt zo snel als hij kruipen kan naar mij toe en gaat hij ook languitgestrekt op de grond liggen of komt van zottigheid in mijn neus bijten.
Hij kan zo onbevangen en onbezorgd blij zijn. En ik mag daarbij de speelkameraad zijn waar hij zich tegenaan gooit als hij moe wordt, de reus, toch van uit zijn perspectief, naar wie hij zijn armen uitstrekt als hij opgepakt wil worden, de extra radio, wanneer we bij de muziek staan te swingen en ik een trompetsolo op mij hand meespeel. En dan heb je weer die switch van mimieken. Hij giert het uit als ik met mijn hand in trechtervorm tegen mijn mond trompet speel, maar dan zie je hem plots ernstig denken : “wacht ’s even, dat kan toch niet dat die daar een trompet in zijn hand heeft…” waarop hij mijn hand opentrekt. Check and double check.
Hoewel hij weet dat het donderdag altijd een beetje circus is. Zeker als ik hem eten geef. Verstrooi de mensen terwijl ze eten en hun mond valt vanzelf open en een volgend schepje kan binnen gelepeld worden. Zingen en geanimeerd vertellen helpt altijd, maar soms moet je als een eens bord op je hoofd zetten en als dat niet straf genoeg meer is, zet je eerst een beker op je hoofd en daarop een bord en daar bovenop nog een beertje. Of je neemt datzelfde bord voor je gezicht en komt er langzaam vanachter piepen. Doet het altijd. Met een vaatdoek breng je nog meer swing in de show. En ondertussen maar fruitpap geven. Een bord rondtollend tot net niet tegen het plafond opgooien en met je andere hand opvangen. Ik leef me uit en Fons is een dankbaar publiek, zolang de geluiden hem niet aan ’t schrikken brengen. Zo sloeg ik eens met een lege Pet-fles op mijn hoofd. Hij schrok van het lawaai – en misschien ook wel van de onzin, wie slaat er nu met een fles op zijn hoofd – en begon zowaar te wenen. Ook moet mijn stem altijd herkenbaar blijven. Mijn kinderen vonden het vroeger geweldig als ik de stemmetjes van Sesamstraat nadeed, maar Fons was in paniek toen ik de stemmetjes van de Gamma-reclame nadeed, toen die op de radio waren. Wat moet dat worden als hij later zijn moeder hoort toneelspelen of zingen?
Als hij moet gaan slapen zal ik voorlopig nog geen Bert en Ernie-verhaaltjes vertellen. Rust is dan het codewoord. Vroeger bleef hij soms tot hij insliep je hand vasthouden, of kraste hij met zijn nageltje over de armband van mijn horloge. Dan had hij zijn ogen toe, maar dat vingertje bleef in beweging. Zo mag je als Fonske-fluisteraar ook nooit stilvallen. Vertel iets, bijna onhoorbaar stil en behoorlijk monotoon en hij zeilt weg naar dromenland.
Fonsdagen zijn echte feestdagen voor ons en ik denk dat Fons het op zijn minst ook een topdag vindt. Hij merkt dat hij van de eerste tot de laatste minuut mijn volle aandacht heeft en ik hem alle tijd en ruimte geef. Ik denk dat hij daar wel bij vaart. Speelgoed is leuk, maar alledaagse dingen zijn soms nog leuker en vooral interessanter.
Op donderdag vertrekt hij op exploratietocht, de crèche is dan ver weg, hier is hij de captain of the ship, die richting en timing kiest. Radioknoppen, afstandsbedieningen, alles mag hij uitproberen. Als hij de radio te luid zet, draait hij zelf de knop naar de andere kant. Het lijkt eenvoudig als ik dat zo zeg, maar een kind van nog geen jaar oud dat vaststelt ‘dit is te luid’, daarover nadenkt en herinnert hoe je dat geluid dimt en vervolgens correct daarnaar handelt, is wonderlijk.
We hebben een secretaire-meubel staan. De top om de onderste schuif open te trekken zit los. Iedere week moet die top er af en die rolt hij dan de kamer rond. Hij weet welke toets hij moet aantikken om zijn foto’s, in diashow op het scherm naar het volgende beeld te brengen. Dat vingertje gaat dan zonder aarzelen naar de juiste toets. Dat is goed voor zijn motoriek, denk ik dan. Net zoals hij bij het winkeltje van legoblokjes het knopje van het belletje met zo’n precisie weet in te drukken.
Hij creëert zijn eigen rituelen. Zo moet hij ook altijd op een bepaald moment van de dag de staanlamp aan en uit trekken, daar is zo’n leuk afhangend kettinkje voor… Ook de afstandsbediening van de televisie moet hij even manipuleren. Het kan geen kwaad want de tv staat in een kast. Maar hij weet op welk knopje hij een rood of een groen lichtje kan laten branden op de de afstandsbediening. Dat doet hij dan een paar keer alsof hij zichzelf wil testen “kan ik het nog?” en dan legt hij de afstandsbediening terug op zijn plaats. Zeg gerust dat ik een simpele duif ben die alles speciaal vind, maar de donderdagen vliegen voorbij, just watching him.
In een boek over de werking van ons geheugen dat ik voor mezelf las omdat ik vind dat ik vandaag vergeten ben wat ik gisteren gegeten heb, stond dat wij ons niets herinneren van voor de leeftijd van drie. Ik schrok ervan, ik dacht dat een falend geheugen alleen iets voor ouderen was.
Daarom schrijf ik dit nu ook voor jou, Fons, voor later. En voor mezelf, voor nu. Volgende maand stap jij wellicht ‘los’ naar jouw eerste verjaardag. Nu probeer je aan het handje je passen uit. Grappig groot alsof je bij elke stap een beek over moet.
De tijd gaat snel en jij evolueert nog sneller. Zonder foto’s zouden we niet meer weten hoe je er drie maanden geleden uitzag. We zien het beeld van nu, met de nuances die we er gaandeweg aan toevoegen. Het verhaal krijgt zoveel zijwegen, aanvullingen en perspectieven. Het leven dat nog moet beginnen is nu al zo veelzijdig ‘gelaagd’. Misschien is het eerste jaar het belangrijkste jaar. Het komt in ieder geval nooit meer terug. Vooral die onbevangenheid zal verdwijnen. Het pure zijn zonder externe druk. Ik zou met John Lennon tegen de wereld willen schreeuwen : “all we are saying is give Fons a chance…”
De melktandjes zitten klaar onder het tandvlees dat al één fijn wit lijntje vrijgeeft. Tandeloos lachen en toch schitteren, het is alleen kindjes gegeven. En dat hoort zo. We zouden het zelfs verschrikkelijk vinden mochten ze met tanden geboren worden. De bevallende vrouw nog het meest.
Fons ‘kon’ als geen ander tandeloos lachen. Met zijn fonkelende pretoogjes. Voortaan zal hij mét tandjes iedereen in zijn omgeving doen wegsmelten met zijn hartverwarmende uitstraling. Het is alsof hij van een andere planeet komt. Van de sterrengroep “blijgezind” bijvoorbeeld. Zijn mama was ook zo’n zonnetje, maar vergeleken met haar is Fons het hele zonnestelsel. En na de tandjes, zal hij beginnen lopen en dan praten, praten, praten… Van zijn moeder krijgt hij zeker een tsunami van taal. Van mij krijgt hij altijd het laatste woord. (In den beginne…).

Geplaatst in Fonske | Een reactie plaatsen

Frank gevonden

Jerome was tweede man op de tram, de wattman die kaartjes knipt en verantwoordelijk is voor de wattage. Telkens de bestuurder de stok die stroom neemt van de bovenleiding er roekeloos afreed, moest de wattman die met een touw terug op de kabel plaatsen.
De reizigers op de tram van Jerome moesten hopen dat de stok er niet afvloog nadat Jerome zijn huis was gepasseerd, want bij elke passage verscheen dan zijn inwonende schoonmoeder als een duivel uit een doosje aan het venster om een vuist te maken naar Jerome omdat die – getrouwd en wel – haar enige dochter Bertha bezwangerd had. Jerome zakte dan voor een halve ronde ongelukkig weg achter zijn dikke borstels van wenkbrauwen. De habitués lieten hem gerust en regelden hun reisticket zelf, de anderen reisden gratis. Ook zonder die schoonmoeder liep Jerome door het leven alsof hij in z’n eentje de erfzonde van de wereld moest dragen. Nochtans erkende hij God noch gebod.
Hij was halfbroer van mijn vader, kind uit een eerste huwelijk van mijn grootvader. Wanneer hij op bezoek kwam gaf hij ons tramboekjes, hetgeen overschoot nadat alle trambiljetten afgescheurd waren. Met onze communie kregen we een lederen kerkmissaal. Hij bewonderde mijn moeder die acht kinderen grootbracht en in tegenstelling tot hem meestal opgewekt was. Tegelijkertijd geloofde hij, ongelovige, dat zij het makkelijker had omdat ze God aan haar kant had. Hij durfde mijn moeder wel eens de kast op jagen met liedjes van Jacques de Vocht, de eerste conferencier van Vlaanderen. Vooral als ze geen oor had voor zijn overpeinzingen, zeg maar zijn gezaag, begon hij tegen over de “Kaspische zee”, of over “moeder ma’kis piepen achter het gordijn of die zwarte maskes al gewassen zijn…” Nochtans was Jerome een brave en bezadigde man die zijn sjaal onder zijn oksels nam alvorens zijn jas aan te trekken en vervolgens zijn wenkbrauwen gladstreek alvorens zijn klak op te zetten.
Zo saai hij was, zo avontuurlijk was zijn broer Frank. Althans, dat moesten we uit de verhalen afleiden, want de meesten van ons hadden Frank nog nooit gezien. De laatste keer dat hij op bezoek kwam, was begin van de jaren vijftig. Mijn ouders hadden net gebouwd. Ik was enkele maanden oud.
Net als Jerome was Frank tiener in WOI, de leeftijd waarop de basis wordt gelegd voor verdere studies. Maar na de ellende van de oorlog wilde hij de wijde wereld in. Omdat hij nog maar zestien was vonden zijn ouders dat wel wat ver en zorgden ervoor dat hij mocht helpen in een bakkerij in de Klappeistraat. Misschien komt de goesting voor school dan nog wel terug, hoopten zij. Het zou anders uitdraaien. Vooral omdat hij ’s nachts moest werken en met de knepen van de bakkersstiel niet te maken kreeg. Zijn werk beperkte zich tot het vuur onder de oven brandend houden. Dat was niet het avontuur waar hij naar op zoek was en het duurde niet lang of het kot stond in brand. Letterlijk dan. Hij had het vuur zodanig aangepookt, dat de vlammen de oven verlieten en gretig likten aan alles wat ontvlambaar was. In het tumult dat de uitslaande brand veroorzaakte vluchtte onze vriend naar de haven. Hij moest en zou op een schip geraken vooraleer de politie hem kon vinden. Op de kaaien liep hij van schip naar schip te solliciteren om werk. En zowaar, tegen de tijd dat de bakker uitgeblust zijn verhaal kon doen aan de politie, was de jonge Frank het zeegat uit. Thuis zou hij waarschijnlijk ook het deurgat uitgevlogen zijn. Grootvader, Franks vader dus, was politiecommissaris.

Zijn zeemansdoop zal wel zwaar en eenzaam geweest zijn, want hij had niet alleen zijn zestien jaar tegen, hij was vertrokken zonder enige zonder bagage. Letterlijk en figuurlijk. Hij kende niks en van alleen Zuid-Amerikanen leren zal het leerproces ook niet versneld hebben. Maar dat hij de taal niet sprak had hem niet kunnen tegenhouden. Overal in de wereld zijn de mensen hetzelfde, zei hij later, en als ge wilt verstaat ge elkaar altijd. Wellicht had hij het dan over de vrouwen in de havenbuurten. Uiteraard vertelden onze ouders niet dat Frank als zeeman naar de hoeren ging. We hoorden alleen dat hij overal waar hij aan land kwam het geld liet rollen, dat hij hemden op maat liet maken en die weggaf als ze vuil waren. Dat hij helemaal uit Amerika, zoals in de film, bloemen meebracht in een grote doos en luxe-geschenken die men hier nooit gezien had.

Soms gingen er jaren overheen alvorens hij nog eens in Antwerpen aanmeerde. Hij ging dan in de eerste plaats naar zijn echte broer Jerome, omdat het contrast altijd amuseert en meer flatteert. Hij had een lief in elke stad en zette overal de bloemetjes buiten, zijn broer mocht zelfs geen bloemeke plukken thuis.
Frank was meer dan tien jaar bij die eerste maatschappij gebleven en pendelde tussen Zuid- en Noord Amerikaanse havens. Een vrouwengeschiedenis verplichtte hem uit te kijken naar een ander schip dat hem terug in Europa bracht. Toen de tweede wereldoorlog uitbrak nam hij dienst bij de Royal Navy. Als steward in de mess van de officieren. Good old Franky boy flaneerde door de oorlog in hagelwit vest tussen whisky en gin. Maar zijn schip werd gekelderd en Frank dobberde urenlang gewond rond in het koude water. Dat was zijn geluk, vertelde hij daarover. Hij had onder meer een vinger verloren maar het koude water stopte de bloeding. Alles was eenvoudig bij Frank. Rustig blijven drijven, maar niet in slaap vallen. Voor hij tijdelijk of voor altijd zou inslapen, werd hij uit het water opgepikt en belandde in een Engels hospitaal bij Mary Turton, een verpleegster van ongeveer zijn leeftijd die al een man verloren had in de oorlog. Frank werd haar nieuwe man. Eén keer is hij met Mary in Antwerpen geweest en daarna verdwenen ze beiden in de nevelen van de geschiedenis. Jaren gingen voorbij zonder dat iemand nog van Frank hoorde. Niemand stelde er nog vragen over.

Tot ik in de jaren zeventig op een stunt broedde. Mijn ouders waren dertig jaar getrouwd, we hadden al een groot cadeau en een leuk feest bedacht, maar stel, stel dat Frank nog leefde en we hem konden opsporen, zou dat niet alles kloppen? ‘Zot!’, werd ook toen al geroepen als ik met zo’n idee kwam aanlopen. Het zou toch ongelooflijk zijn voor mijn ouders, zijn broer Jerome en zijn halfzus, tante Andrea? Als we het niet proberen weten we toch niet of het onmogelijk is?
Ik moest het doen, van mezelf alleszins, maar hoe moest ik er aan beginnen? Ik had niks om me op te baseren. Alleen de overtuiging dat het toeval soms een handje toesteekt als je iets heel erg wil. Omdat je aandachtiger bent bij alles wat je doet. Het is zoals bingo. In je onderbewustzijn zit je doel te wachten op een match. Je kijkt rond en rond tot plots…bingo!
De ‘match’ kwam uit onverwachte hoek. Op mijn eerste werk zat ik vaak tussen de middag alleen mijn boterhammekes op te eten. We waren maar met twee en de baas trok het land rond op prospectie bij klanten. Had ik geen krant bij dan las ik vaak om het even wat binnen mijn handbereik lag. Zo zat ik in die dagen zonder reden in het boek met telexnummers te bladeren. Ik las onder meer dat de International Criminal Police Organisation (ICPO) van naam veranderde toe ze een telexnummer kreeg. Geweldig interessant. Het ging zowaar om Interpol, dat, hé zeg, oorspronkelijk van de Gestapo was, maar door de Engelsen na de oorlog werd ingepikt. Zij waren gespecialiseerd in het opsporen van gezochte personen, later ook van vermiste personen die niets misdaan hadden. Hun nummer stond er gewoon bij. Dit is mijn spoor naar Frank, wist ik meteen. Uittesten, Hugoke, en wel onmiddellijk.
Enkele minuten later was mijn telex onderweg naar Interpol. In mijn beste Engels verzocht ik hen van Frank Bernolet op te zoeken, die als steward in dienst van de Royal Navy was geweest, gewond werd, in het hospitaal Mary Turton leerde kennen met wie hij huwde. Verdere gegevens ontbreken sinds 1951.
Mijn toenmalige baas kleurde rood tot achter zijn oren toen hij meer dan twee weken later de telex afscheurde. Ik was mijn vraag aan Interpol al vergeten. ‘Oei, van Interpol’, zei hij, ‘wat gebeurt er hier?’ Ik moet hem enkele seconden met grote ogen hebben aangestaard alvorens ik reageerde. “Dat is voor mij”, zei ik gespeeld verveeld, zoals een geheim agent aan een bekende toegeeft dat hij er nog andere activiteiten op nahoudt.
Interpol had Frank moeiteloos gevonden. “De Frank Bernolet die u zoekt woont in de John Daltonstreet 3 in Hadfield-Cheshire bij Manchester. Onze lokale agent heeft deze informatie bevestigd. Zijn vrouw Mary Turton is overleden.”

Interpol had mij een geweldige voorzet gegeven, het was nu aan mij om te scoren. Ik schreef naar Hadfield, stelde mezelf voor, vertelde uitgebreid over mijn vader en mijn nonkel, zijn broer Jerome, en uiteraard over het feest dat komende was en of hij een teken van leven kon geven dat ik dan – to top it all – bij het jubileum van mijn ouders zou kunnen voorlezen.
Er gingen twee weken voorbij zonder antwoord. Het jubileumfeest van mijn ouders naderde. Ondertussen had ik van mijn buurman verkregen (de trompettist uit het vuil Franske-verhaal) dat ik, samen met mijn broer, met zijn transportvliegtuig, tussen de kisten van Ford, gratis naar Engeland kon vliegen. Want een brief voorlezen was plots niet meer genoeg. We moesten beelden of iets tastbaar hebben.

De ochtend van ons vertrek kwam de verhoopte brief uit Hadfield. Een hanenpotengeschrift, Nederlands noch Engels, iets daar tussenin. Dezelfde zinnen herhalend, kinderlijk, zonder echt verhaal. Hij verwarde mij duidelijk met mijn vader. Alleen de “don’t come” in laatste zin had ik liever niet gelezen. Was hij bang om na meer dan twintig jaar terug contact te hebben met zijn vroegere familie?
De afspraken waren gemaakt. De vlucht, de trein naar Manchester. Hier mocht het toch niet bij eindigen? Maar wat als hij ons niet wil zien? Dat zien we dan wel.

Het was valavond toen we Hadfield bereikten. We besloten pas de volgende morgen op bezoek te gaan. In de lokale herberg “the Pear Tree Inn” zouden we iets eten en misschien ondertussen wat meer te weten komen over onze onbekende nonkel.
Frank was de enige Belgian die ze ooit hadden gezien in Hadfield en ineens stonden er twee andere voor hun neus. Als dat maar geen gewoonte werd. De uitbater en de tooghangers spraken elkaar tegen of Frank al dan niet nog bij zijn schoonbroer John in de Dalton street woonde. De baas van de Pear Tree zei dat er altijd problemen waren met Frank, meestal omdat hij deed alsof hij ‘last orders, please’ niet begreep en nog wou doordrinken na sluitingstijd, zoals dat overal in de wereld wel kon. Zo’n tien jaar geleden hadden ze er stevig ruzie over gemaakt en sindsdien was hij nooit meer in de Pear Tree binnengestapt en ook op straat hadden ze hem nog zelden gezien.
Natuurlijk wilden ze weten hoe het zou aflopen en om een slag om de arm te houden en zijn betrokkenheid te betonen stelde de waard voor dat wij zouden overnachten op de kamer van zijn zoon. Die was toch nog een hele tijd in het buitenland om de Queen te dienen als beroepsmilitair. We waren blij met het aanbod tot ’s nachts hun Duitse scheper dacht dat zijn beste vriend terug thuis was en tegen de kamerdeur bleef opspringen.

De John Daltonstreet was geen honderd meter verder. We stonden voor de deur van nummer drie en zagen achter het raam iemand zitten met de rug naar de straat. Op de cassetterecorder die we mee hadden om alles te registreren hoor je in onze stem ons hart bonzen.
“You must be John”, hoor je mij zeggen toen er iemand duidelijk jonger dan Frank de deur opende. “To be honest, we didn’t expect you. My brother in law wrote you a letter. Didn’t you receive it, then…?” At first he was overwhelmed hearing from you, but then he became rather agitated …” We deden alsof we hem niet goed begrepen en hadden afgesproken dat we zouden doen of we geen brief ontvangen hadden. Dit loopt niet goed zagen we elkaar denken.
Toen we de kamer binnenkwamen waar hij in zijn fauteuil voor het raam zat, was het eerste dat hij ons toesnauwde : “I told you not to come…” Slik.
“Ook goeiendag”, zouden we nu misschien zeggen, maar we stonden daar als van de hand Gods geslagen kiekens, overrompeld door een scenario dat niet bij onze verwachtingen zat. Als slecht acterende mimespelers keken we elkaar aan: weet gij iets van een brief? Hevig hoofdschuddend, nee, nee, en dan beiden schouderophalend met open handen naast ons, de mondhoeken naar beneden, keken we hem aan in de hoop dat hij begrip voor ons zou hebben. We waren zijn neefjes die hij nog nooit gezien had, en die met de beste bedoelingen gekomen waren.
Mijn mond was ineens zo droog dat het leek of mijn lippen voor altijd aan elkaar gelijmd zaten en het mij onmogelijk maakten van nog iets te zeggen.
Alsof we de drie koningen waren stapten we met twee op hem toe en met uitgestoken handen zeiden we “we brought you a present”. Mijn vader had ooit het zeilschip met drakenkop dat hij in onze inkomhal thuis in reliëf op de muur had gezet ook uit een blok hout gesneden. We redeneerden: een schip past bij een zeeman, en als dat eigenhandig door zijn halfbroer tot kunststukje vereeuwigd was zou hem dat wel ontroeren, zeker als we logen dat ons vader het speciaal voor hem had gemaakt. Tot onze verbazing zagen we hoe hij het wel aannam en in eenzelfde beweging op de vensterbank achter hem keilde, waarna hij de krant van zijn schoot terug ter hand nam en deed alsof wij nooit binnengekomen waren.

Waar waren we in onze jeugdige overmoed aan begonnen? Hoe stom waren wij eigenlijk? Was het niet logisch dat we met ons voeten op de grond gezet werden? Die man zat daar omgeven door kranten misschien al jaren te vegeteren, vergeten door de Pear Tree en de rest van de wereld. Hij woonde in bij zijn schoonbroer, maar in hoeverre leefde hij er mee samen? Praatten ze met elkaar, kreeg hij te eten, sliep hij in de fauteuil of had hij ook een bed? Wij wisten van niks en komen daar als toeristen binnenvallen. Seconden duurden uren terwijl ik zijn biotoop registreerde en m’n verbeelding er een langspeelfilm van Ken Loach bij dacht.

“Do you want some tea”, vroeg John die het volledige tafereel zag en waarschijnlijk aanvoelde dat hij iets moest doen. Zonder ons antwoord af te wachten horen we hem op de cassetterecorder naar achter roepen: “Alan, put the kettle on…”. John had blijkbaar een zoon Alan, die van onze leeftijd moet geweest zijn, maar die zo schichtig was dat we hem in huis maar enkele seconden hebben gezien en nooit één enkel woord hebben horen spreken. Later zagen we hem in Hadfield langs de winkels lopen, waaruit we besloten dat er wellicht toch niks mis mee was.
We bedankten voor de thee en zegden dat we later op de dag wel ’s terug zouden komen. We moesten naar buiten, lucht happen, bekomen, steun zoeken bij elkaar, maar vooral de tijd laten spelen.

Die middag verliep aanvankelijk volgens hetzelfde scenario; een stoïcijns kranten lezende Frank en John die wel opgezet was met bezoek van over de plas en ons met vragen bestookte. Zelf was hij ooit in Bruges geweest, maar verder wist hij niets over België, waarop wij vertelden over Antwerpen en over de familie, dat ons vader veertien jaar jonger was dan zijn halfbroer Frank, maar al jaren hartlijder was en we ons zorgen maakte voor het moment dat hij zou vernemen dat zijn halfbroer nog in leven was en dat wij hem ontmoet hadden. Omdat hij ons toch geen blik waard achtte, hadden wij al pratende onze rug naar Frank gekeerd. Wij konden niet zien hoe hij reageerde op onze gesprekken met John. In die geladen omstandigheden was het niet te verwonderen dat wij ons een hartstilstand nabij schrokken toen Frank plots achter ons zei: “ge moogt ook Vloms spreken, you know!”
Met de klap was John irrelevant geworden, een eendagsvlieg om vijf voor twaalf. “Zou je dat nog kunnen, Nederlands spreken?” antwoordden we hem vliegensvlug. Hij kon het nog, niet goed, niet duidelijk, maar wel voldoende om John buitenspel te zetten. De metamorfose was begonnen. Hij moest er eerst jaloers voor worden. Het is te begrijpen dat hij schrik had voor de confrontatie en zich schaamde voor de omstandigheden waaronder hij leefde, maar nu we er toch waren… “You came for me, yes? Awèl dan!” Mijn broer en ik buitelden over elkaars zinnen om toch maar zijn aandacht gaande te houden en ons enthousiasme te betonen voor zijn gemoedswisseling. We pikten de draad op met het sculptuurwerk van ons vader op de vensterbank. “He’s not a sculptor, is he?” “Nee, ons vader doet dat voor zijn plezier “ zei mijn broer en ik snel :”en voor uw plezier, natuurlijk”. Gelogen, gelogen, ons vader wist niet eens dat wij zijn ‘wooden ship’ mee hadden, het lag al jaren op een schab achter het gordijn, maar in een moeilijk gesprek gebruik je alle trucs van de foor.

De start was moeilijk maar in de uren die volgden smolt Frank helemaal weg tot de crème die hij werkelijk was. Verhaal na verhaal bloeide hij open. De verwarring met ons vader, die nauwelijks twee was toen Frank het zeegat uit trok, bleef groot maar aan Jerome had hij meer herinnering en hij monkelde telkens bij de gedachte dat Jerome terug in zijn leven keerde. Al was het voorlopig via onze verhalen.
We hebben zelden iemand zo blij geweten met zo weinig. Hij toonde ons zijn zeemansboekje, beduimeld en verkleurd. Hij hield het in zijn vestzak. Het bleek zijn enige bezit, naast zijn onafscheidelijke pijp en een uit hout gesneden tabakspot, die ik dan nog ’s bij ons vertrek zou meekrijgen. Hij had geen foto’s, geen andere papieren of brieven. Ik weet bij benadering niet meer hoeveel uitkering of pensioen hij kreeg, maar het was net genoeg voor tabak, een dagelijkse krant en eenmaal per week een inzet bij de Prior. Je moest een kruisje zetten waar je dacht dat de bal was op een foto van een voetbalwedstrijd. Iedere week werd er zo een bal weggeretoucheerd. Het was zijn enige verzet. Je had drie dagen tijd om het kruisje te zetten, het rooster in te vullen en met inzet binnen te brengen bij het Prior-kantoor of bij de krant. Het hield hem bezig. John bracht het voor hem weg en moest soms zelfs op dag drie staan wachten bij een aarzelende Frank. Zelf kwam hij niet meer buiten. We begrepen dat het vooral was omdat hij geen centen over had.
Het was niet fris hoe hij daar leefde, maar zijn schoonbroer had hem in huis genomen nadat Mary overleden was en Frank zijn gezondheid verdronk. John had hem nooit een penny gevraagd voor eten en onderdak, op voorwaarde dat hij niet meer dronk. Frank had geen andere keuze dan kluizenaar worden bij zijn schoonbroer. Hij leefde vereenzaamd, zonder hoop. Maar nu werd hij in snel tempo weer mens.

Frank bij het wapenschild

Wanneer we de derde dag afscheid van hem gingen nemen stond hij ons op te wachten: gewassen en geschoren met een proper wit hemd en zijn haren nat gekamd. Hij ging met ons mee tot in Manchester. We konden onze ogen niet geloven. Wanneer we door Hadfield liepen leek het op een scène uit een oude western. Niemand op straat, hier en daar iemand die wegduikt achter het raam. Frank and his boys are back in town. Het was niet belangrijk dat we geen bekenden tegenkwamen. Voor Frank was het hoe dan ook een triomftocht. Boven op de dubbeldekker bus gidste hij ons alsof we door het Louvre reden. Wie had ooit kunnen denken dat het afscheid na drie dagen zo pakkend zou zijn. Hij ging niet mee op het perron. Daardoor was het laatste beeld dat we van hem zagen dat van een wenende oude man onverstaanbaar naar ons roepend achter de hekken van de perronpoort. Achtergelaten in de gevangenis van zijn eenzaamheid.

Met de dia’s van onze driedaagse hadden we een reportage gemaakt, compleet met off screen stem en achtergrondmuziek. Het eerste echte beeld van Frank stelden we zo lang mogelijk uit. Wanneer het dan toch zo ver was toonden we Frank achter zijn raam, eerst volledig wazig, wat met het weerkaatsende licht in het raam niet zo moeilijk was. En op de tonen van de versnellende, naar climax groeiende wals uit Grand Hotel van Procol Harum, stelden we het beeld langzaam scherp alsof Frank, na meer dan twintig jaar, uit de wolken neerdaalde bij zijn familie. Niemand hield de ogen droog en mijn tante sprak de profetische woorden :”kijk, zo’n reportages zouden ze op de televisie moeten tonen.”

Omdat corresponderen met Frank uitermate moeilijk bleef, arrangeerden we voor hem een vlucht van Manchester naar Brussel. We stuurden hem zijn voucher met wat zakgeld. Hij moest alleen op tijd de bus nemen in Hadfield naar Manchester Airport en daar de juiste gate vinden voor Brussels. Zijn voucher tonen zou volstaan. Wij zouden hem dan in Brussel ophalen. Het kon niet fout gaan. Het mocht ook niet fout gaan, want op het zakgeld kon hij niet overleven.
In een tijd dat er nog geen computers waren en zeker ook geen GSM kon je niet veel meer doen dan wachten. Uiteindelijk informeerden we of alle passagiers toch wel uit het vliegtuig waren gestapt. Dat was het geval, maar Frank Bernolet was niet te vinden. Uiteindelijk reden we onverrichter zake naar huis. Daar was iedereen ook zenuwachtig geworden omdat we zo lang weg bleven. Want hij was in Manchester wel degelijk aan boord gegaan. Hij kan toch niet uit het vliegtuig vallen? Bij Frank kon natuurlijk alles. Alles voor het avontuur. Allen konden we het niet natrekken, de tijd moest raad brengen. Om elkaars ongerustheid te temperen bleven we samen wachten. Onwezenlijk. Was hij terug in de wolken verdwenen?

En dan wordt er aan de deur gebeld. Een taxichauffeur vraagt ons of we de man in de taxi kennen en of we rit voor hem willen betalen. Van het geld dat we hadden meegestuurd had hij zich in de tax free shop op meer alcohol getrakteerd dan goed voor hem was. Eens uit het vliegtuig was hij op de plein gaan ronddolen en in plaats van op de bus te stappen om zich zoals iedereen naar de uitgang te laten voeren, liep hij naar de hangers, waar naast grote lijnvliegtuigen ook een enkel sportvliegtuigje te vinden was. Zoals hij als zestienjarige het land uit vluchtte door van schip naar schip te gaan, kwam hij nu terug het land binnen, bedelend van het ene naar het andere vliegtuig tot hij een piloot bereid vond om hem naar Antwerp te brengen. Tijdens de vlucht was hij in slaap gevallen en de piloot had hem aan de taxichauffeur overgedragen. Hij mocht dan wel op vele vlakken versleten zijn, avontuur was nog altijd zijn tweede natuur.

Geplaatst in Nostalgie | Een reactie plaatsen

Bij ons in de fifties

Wanneer coiffeur John je haar geknipt had nam hij een koperen kruik, die leek op een waterpijp, omgekeerd tussen zijn vingers en maakte je haren nat. Vervolgens nam hij de fles fixateur. Als hij het groene goedje in zijn handen kwakte grijnsde hij in de spiegel naar zijn slachtoffer. Voor hem was dit het hoogtepunt van elke knipbeurt. Daarmee zette hij de kroon op zijn werk. Nadat hij het stijfsel in je haren had gewreven, trok hij een scheidingslijn in je haar die zo zuiver was als de maagd Maria, terwijl hij niet kerkelijk was wat mij meer interesseerde dan hetgeen hij met mijn haar aanving. Ik snelde wel mee met mijn broers naar de overkant van de straat om in de spiegeling van de etalage van kruidenier Kamiel ons haar te luchten, maar mijn haar bleef ook met fixateur plat. Het klemde wel als een bankvijs op mijn hoofd maar ik moest geen schrik hebben zoals mijn broers, die een bros kozen, dat een fakir-kabouter onderweg op m’n kop zou gaan zitten om me een poepje te laten ruiken. Ik liet mijn broers altijd voorgaan bij coiffeur John, om langer de sfeer op te snuiven. Het was maar honderd meter van onze deur maar je betrad er een wereld die je van geen kanten kende. Wij waren binnenblijvers. Omdat dat veiliger was voor ons vel en ons zieltje daaronder. Bij coiffeur John zaten boeren die hun klak ophielden terwijl ze zich vakkundig lieten scheren en vloekten waar iedereen bij zat. Het geurde naar lotions en koffie maar vooral naar het onbekende. Links van hem had coiffeur John een kartonnen pancarte staan die trapsgewijs, met verplaatsbare ‘sjotterfiguurtjes’ in de kleuren van hun ploeg, het klassement van ’t moment aangaf. Meestal na het inzepen, wees John met de pink van de hand waarin hij het scheermes hanteerde naar de pancarte: “wat denkt ge ervan?” Meer moest hij niet zeggen. Ik zat de seconden af te tellen tot er weer een boer de voorzet van coiffeur John oppikte en de hele reutemeteut van geklaag, gestoef, tot en met ruzie om niets van voor af aan opnieuw begon. De ambiance viel nooit stil. Coiffeur John zei zelf niks meer maar glimlachte. Hij deed spontaan aan klantenbinding nog voor er cursussen werden over geschreven.
Wanneer er kinderen waren verscheen zijn vrouw uit het living waar de koffiegeur vandaan kwam met een koekje. Zelf hadden ze geen kinderen, meneer pastoor kwam uiteraard niet bij hen langs, niettemin hadden ze koekjes klaar en Robbedoes. Stripverhalen kwamen bij ons niet in huis. Wij lazen verhalen van Puk en Muk, geleend bij de bibliotheek van de parochie. Dat was niet erg, ik las liever een verhaal met alleen tekst dan een prentenboek. Prentenboeken waren voor kinderen die niet goed konden lezen en ik wou hetgeen ik las zelf in de cinema van mijn hoofd verbeelden. Zo zal het kabouterke dat ik ooit onder de kast in het licht van mijn zaklamp had gevangen een verbeelding van Puk of Muk geweest zijn. Maar toen bleef ik tot huilens toe beweren dat ik werkelijk een kabouterke had gezien, dat verschrikt tegen de plint van de kamer gedrukt stond. Met prentenboeken zou mijn fantasie nooit zo gewerkt hebben.
Niettemin nam ik Robbedoes in dank aan van mevrouw John, omdat ik haar dan van dichtbij kon zien en ruiken. Ik was een beetje gebiologeerd door haar. Louter antropologisch, als ontdekkingsreiziger. Ik zag genoeg vrouwen om me heen. Maar in die jaren zou ik niet vaak dichter bij een niet katholieke vrouw geraken. Of het moest mijn buurvrouw zijn. Die had ook Robbedoes en een al even rauwe stem van het roken als de vrouw van coiffeur John, maar ze zag niet zo mooi bruin. Mevrouw John zag overal bruin. In haar gezicht, op haar armen op haar benen. Veel bruiner dan mensen die naar de kerk gingen. Voor haar was een zondag waarschijnlijk een zon-dag. Bloot in de tuin. Als kind denk je na over die dingen. Misschien lag onze buurvrouw niet in de tuin om ons niet voor het gedoopte hoofd te stoten en omdat zij wel een kind had. Zij had ook al televisie, net als de vrouw van de coiffeur. En wij nog niet. Mijn vader zei dat het socialisten waren die alles kregen terwijl zij er de schuld van waren dat het huisvuil niet werd opgehaald. Ik begreep dat niet omdat onze buurman aan de dokken werkte. Hij was de eerste man die ik in ‘jeansbroek’ zag met blokkenhemd. Mijn vader droeg altijd kostuums. Niet kerkelijken droegen geen zondagse kleren, dat was duidelijk. Misschien was er een parallelle wereld aan de gang terwijl katholieken naar de kerk gingen. Met winkels die alleen dan jeansbroeken verkochten. De buurman leek met zijn jeansbroek uit het feuilleton Lassie te komen, dat we kenden van hun televisie. We leerden er ook nonkel Bob kennen, die vreemd genoeg ook geen kostuums droeg. Ondanks de verschillende levensopvatting mochten we wel bij hen gaan kijken; zo had hun enige dochter meteen een trits speelvriendjes en toonden wij haar ouders dat meer dan één kind beter was.
Het is pas jaren later dat ik begreep dat hun naam onze buren waarschijnlijk tot niet kerkelijken veroordeelde. Gelukkig hadden wij een naam die overal bewondering afdwong door zijn distinctie, zeldzaamheid en Franse klank. Heel wat anders dan hun “Kuterna”. Omdat zij er zich ook niet aan stoorden, waren wij ons van geen kwaad bewust wanneer er op de wijze van jingle bells: “Kuterna, Kutervoor, Kutermiddenin” werd gezongen. En een grap als: “zet een horizontaal verbindings-streepje in hun naam, dan komt dat vanzelf recht te staan” ging helemaal aan ons verstand, dat alleen met christelijke waarden was gevormd, voorbij.
Ik had ook nog nooit het woord “tettenzak” gehoord, toen de Verelst dat tegen zijn neef zei op geen twee meter afstand van kardinaal Cardijn, die de jeugdclub kwam inhuldigen. Ik dacht dat ik mee door God zou worden neergebliksemd. Gelukkig gebeurde dat niet, wellicht omdat God Cardijn niet wou storen, maar die ”tettenzak” had mij wel als de bliksem getroffen omdat mijn verbeelding het beeld van een tot de helft met roze paté gevulde koffiebeurs in mijn geheugen etste.
Wij leefden erg tussen de lijntjes. Gereserveerd en beheerst alsof we het koningshuis waren. Een voorbeeldgezin in de parochie. Met vier jongens en vier meisjes. Kinderen van meneer de ingenieur, zoals de mensen zegden. Van het mooie huis met de trappen. Natuurlijk waren er nog huizen met trappen, maar niet in de directe buurt en mensen kwamen toen niet verder dan de straten om hen heen.
We hadden wel enige bezienswaardigheden in huis. In de inkomhal ondermeer een metershoge reliëf fresco van de aartsengel Michaël die van op zijn steigerende paard een draak aan zijn voeten met een lans de doodsteek gaf. Mijn vader creëerde het reliëf met plasticine op de muur en schilderde het nadien als een schilderij met poederverf. Bezoekers lieten we graag aan de scherpe klauwen van de draak voelen.
In de woonkamer was een fresco van een groot zeilschip dat Antwerpen binnenvoer, de kathedraal stond in de verte te gloriëren in al zijn schakeringen boven een wapenschild van Antwerpen, met de tweekoppige adelaar uit de Oostenrijkse overheersing. Onze eigen wapenschild stond bezijden de schouw. (zie foto bij verhaal “gevallen Frank gevonden) Ons motto klonk in het Latijn “crede et pugna”, wat “geloof en vecht” betekent. De ridderhelm erboven was zo diep dat we centjes in de mondklep van de helm konden leggen. Ik deed daarbij een wens. Ik weet niet of mijn vader die cent achteraf terug bij mijn spaarcentjes stak, maar het feit dat je die helm kon blijven voeden en nooit vol geraakte was al wonderlijk genoeg om toch te geloven in de steun die ons embleem kon geven in het leven. In de trappenhal was er ook nog een reliëf tableau van exotische vissen en afzonderlijk een uitvergroot zeepaardje en op weg naar de slaapkamer een tafereel uit Bambi met tal van diertjes uit het Bambi-bos.
Al die fresco’s waren nog intact toen het huis werd verkocht. Alleen Sneeuwwitje en de zeven dwergen in de veranda verdween toen de keuken werd vergroot. Nochtans was er aan ruimte geen te kort, althans wat het woongedeelte betrof. Centraal in het huis, dat mijn vader zelf ontworpen had, stond de lange tafel, waar we met tien rond zaten. Met vader aan het hoofd, moeder aan zijn rechterhand, de oudste tegenover hem, als zijn plaatsvervanger op aarde. Zo zag die zichzelf toch. Maar daarmee stond hij helaas alleen. Ik zat ver genoeg van de hoofdeinden om gespaard te blijven van opvoedkundige tikken tegen mijn hoofd. Ik was de zesde in de rij, maar praatte aan tafel voor tien. Daar moest niemand over klagen want met verjaardagen moest er toch iemand voordragen of de gezangen inzetten.
Toneel speelden we met oudejaars. Op het verhoog van de erker. We konden het salon bovendien met schuifdeuren afsluiten zodat decorwisselingen konden gebeuren zonder dat de familie en andere toeschouwers er kijk op hadden.
Vader speelde al genoeg toneel tijdens het jaar. Nog lang na zijn dood zegden mensen me: “uw vader kon nogal eens komedie spelen, hé”. Toen begreep ik dat pas in zijn juiste betekenis. Op toneel leek ons vader een vreemde, die andere vrouwen in zijn armen nam, van “oh la la, in ’t park van de nachtegaal” zong of dat er “een engelke op zijn tong piste”. Naargelang de rol die hij speelde waren wij beschaamd of bang. Mijn vader was ook jarenlang de plaatselijke Sinterklaas tot mijn zus zijn schoenen herkende. Thuis zette hij wel eens zwarte vingers op de muur om de spanning op te drijven of vertelde hij zo geloofwaardig dat wij niet durfden gaan slapen.
Met oudejaar hield hij voor de nonkels en tantes conferences met een vuur alsof hij nog vlug in z’n eentje het aantal lachsalvo’s van het voorbije jaar op niveau moest tillen. Wij begrepen niet altijd waarom er gelachen werd. Niet dat hij ooit iets scabreus zou zeggen. Hij vertelde zelfs geen grappen, maar goochelde met woorden over niets. Het was de manier waarop dat het ‘m deed.
Het is oneerbiedig van hem een tribunespeler te noemen, maar zonder publiek viel hij wel compleet stil om niet te zeggen in slaap, met een brandende sigaret in de mond, die er dan uitviel en in meer dan een hemd gaten brandde en hij, wakker geschrokken, de brand op zijn borst probeerde te doven. ’s Avonds kwam hij ons onderstoppen en dan trok hij de dekens zo hard aan dat wij nu allemaal het deksel los willen, zo blijkt, tot ergernis van onze partners.
Alle andere taken waren voor mijn moeder. Ik zal haar tot het einde van mijn dagen bewonderen voor de manier waarop zij een gezin van acht op alle vlakken beredderde. Nu nog wisselen wij recepten van haar uit wanneer we iets lekkers willen maken. Althans diegenen die nog de moeite nemen om zelf te koken. Voor mijn moeder was een maaltijd niet af zonder nagerecht. De ene dag serveeerde zij ons pudding met koekjes, confituur en crème, een andere keer pudding met rozijnen, dan was het rijst met een laagje chocolade of met saffraan, gestoofde peertjes, pruimen en abrikozen in hun aangedikt vruchtensap, hoewel die abrikozen op rijst ook erg lekker waren. En op zondag diplomat of chipolata.
Zij zorgde er ook voor dat wij van de eerste tot de laatste piekfijn en smaakvol gekleed liepen. Voor de meisjes was er de naaister die hen uit de Burda liet kiezen, voor de jongens een kleermaker. Dat was mijn peter, nonkel Dolf, die wij, alleen om de rijm, sekswolf noemden, wat nergens op sloeg want de man en zijn vrouw waren nog godsvruchtiger dan mijn ouders. Elke avond baden zij op de knieën een rozenhoedje, waarin zij als Noord-Brabanders “de vrucht van uw schoot” lazen, wat wij nooit zouden zeggen. Terwijl zij dan wel met die schoot in hun onderbroek in bad gingen. Wij wisten dat niet en werden gestraft alsof we de kroonjuwelen ontbloot hadden. De volgende keren doopten we onze onderbroek na het baden even met het kruis in ’t water. Gewijd en geen gezaag. Die sekswolf leerde ons de kwaliteiten van goed kleermakersschap, wij leerden hem de mode van de stad. De fiere gieter die zijn kale knikker met veet insmeerde, denkend dat het een ‘fond de teint’ was die ze bij hen op de buiten niet kenden. Iedereen aan tafel kon zien dat hij er gloeiend bij was maar niettemin vertikte hij toe te geven dat hij iets op zijn hoofd gesmeerd had. Hoezeer zijn hoofd ook brandde en pikte, hij kikte niet. In de vakantie logeerden wij wel vaker bij hen of bij andere familie die in de buurt van hun huis veilige dennenbossen hadden of overzichtelijke weilanden.
Wij hadden een stadstuin, wat klein bemeten was voor een gezin van acht. Bovendien beliefde het mijn vader er een rozentuin van te maken. Omzoomd met natuursteen uit de Ardennen waarvan, toen hij in opdracht een park had ontworpen, een lading bij ons thuis werd afgezet. De platste stenen werden gebruikt voor het pad naar de trappen aan de voordeur, de geblokte in de achtertuin, wat ons als speelruimte een smal tuinpad van acht meter lang overliet. Gezien het leeftijdsverschil speelden wij niet alle acht in dezelfde periode, anders zouden wij per kind een lopende meter speelruimte hebben gehad. Niettemin timmerden wij op een onderstel van een kinderwagen een houten auto compleet met dak. Draaien konden we niet, een stuur was dus niet nodig, maar we konden er een hele vakantie mee zoet zijn. Eentje kon er in de auto zitten, terwijl twee anderen duwden. Voor drie duwers was geen plaats. Op het einde van de acht meter stapte de chauffeur zonder stuur uit om mee de auto op te tillen en te keren. Ik kan me niet herinneren dat we ooit ruzieden wie op de terugweg van acht meter chauffeur mocht zijn en wie duwer. Wij waren kampioen op de korte afstand.
Met die natuurstenen werd ook een vijvertje gemetst, een meter hoog, zodat we er niet per abuis konden invallen. Het wateroppervlak mat een meter vijftig op een meter. Dat is kleiner dan een doorsnee tafel. Maar dat belette ons niet van er in de winter met de vier jongsten ijshockey op te spelen. In feite stonden we twee aan twee tegen elkaars enkels te kloppen. De enkels blauw, de wangen rood van de kou. In de luchtbel onder het ijs waren de goudvissen een hartaanval nabij.
Voor de trap naar de tuin begon was er links en rechts een horizontale reling. Omdat de trap naar links vertrok stond de rechter reling een stukje terug. Dat buizenstel was de fiets die we niet hadden. Link als ik was zorgde ik er altijd voor dat ik het linkse buizenstel uitkoos wanneer ik een van mijn broers voor een wedstrijdje hardfietsen uitdaagde. De reling verroerde geen vin, maar als verslaggever van de wedstrijd maakte ik wel het verschil. Het was niet echt, het was de verbeelding die won, de woordenvloed die de snelheid maakte, maar toch was mijn jongste broer elke keer opnieuw kwaad omdat hij verloor.
Natuurlijk kon ik niet elke wedstrijd naar mijn hand zetten. Bij “Mens erger je niet” verloor ik keer op keer, maar dan keerde ik het bord om. Daar stond een paardenrenbaan op afgedrukt. In mijn verbeelding was dat de wielerbaan van het Sportpaleis. En we waren weer vertrokken in een wedstrijd ploegkoers, met ploegen van drie, zoals alleen de zesdaagse van Antwerpen de renners in de baan bracht. Ik moest de gele pionnen hebben, die leken het meest op de gouden truien van de Europese kampioenen, die toen Van Steenbergen-Severijns-Lykke heetten. Mijn broers moesten onder elkaar maar uitvechten wie met de rode garde reed: Van Looy-Post-Vannitsen of met de zwarte truien, die meestal door de Duits-Zwitserse ploeg Bugdahl-Pfenniger-Renz gedragen werd. Uiteraard besliste de teerling over de progressie van de pionnen, maar als wedstrijdcommentator was ik tegelijk ook organisator die een achtervolging of een sprintduel kon inlassen. Daar kon je punten mee verdienen, waarmee ik dan mijn achterstand opgelopen in de ploegkoers kon compenseren. Verloor ik uiteindelijk toch, dan troostte ik me met een Peter Post interview. Ik was kind maar kon goed Post’s Amsterdams dialect imiteren. Typisch was de manier waarop hij Van Looy uitsprak (felooij).
Hoewel we op wandelafstand woonden van het Sportpaleis was het ondenkbaar dat wij naar een wielerwedstrijd mochten gaan, dat gold evenzeer voor het voetbal, hoewel de “Hel van Deurne” nog dichterbij lag. Ik was een papieren wielersupporter. Al wat ik er van wist, wist ik uit de krant. Eén keer ben ik toch stiekem naar het Sportpaleis geweest toen er de Zesdaagse werd gereden. Op zondagmorgen werd er een mis opgedragen voor de renners en dan mocht het publiek gratis binnen. Tot mijn ontgoocheling moest ik vaststellen dat renners niet naar de mis gingen. Ik kreeg alleen Oskar Plattner te zien, omdat die als misdienaar diende. Misschien wel omdat hij als Zwitsers kampioen een kruis op zijn borst droeg.
God was overal in de fifties. Toch bij ons thuis. Als wij niet met tien aan tafel zaten was dat omdat meneer pastoor en zijn onderpastoors bij ons thuis kwamen eten. Veelal op vrijdag. Om te controleren of wij wel vis aten. De kinderen werden in een vroege shift afgewerkt en mochten van uit de keuken toekijken of werden vroeger in bed gestopt. Soms bracht meneer pastoor zijn deken mee. Dat was niet omdat hij het bij ons koud vond, maar zo heette zijn baas. Een levensgenieter werd gezegd, wat men daar toen ook mee bedoelde, die zelf kwam vaststellen of mijn moeder inderdaad zo lekker kon koken. Waren het niet de pastoors die aanschoven, dan kwamen de broeders van de school waar mijn vader voorzitter was van de oud-studenten en van de toneelkring. Ook zij kwamen nooit alleen. De prefect bracht de directeur mee, die zelf de oude broeder-overste meebracht, die wij omwille van zijn verrimpelde huid de “schildpad” noemden. De pastoors lieten hun oog vallen op ons vier broers voor de vroegmis, de broeders hadden het over de jongens die over enkele jaren toch zeker bij hen naar school kwamen. Over de meisjes werd niet gesproken. Die moesten niet naar school. Die moesten ten dienste staan en gehoorzamen. Jongens moesten niet helpen in het huishouden en mochten meer. Maar toch ook weer minder dan niet katholieken. Op zondag in je bed blijven liggen, bijvoorbeeld. Of contact hebben met wie je wou of naar de Zesdaagse gaan als je van wielrennen hield. Waarschijnlijk omdat het niet mocht kan ik nog altijd die ene renner die ik als kind in levende lijve gezien heb zo voor de geest halen. Oskar Plattner, in zijn rode trui met wit kruis, met een bruingebrand gezicht, waarin felle bolle ogen en vlezige lippen. Zijn gitzwarte haar blonk onder de lichten van het Sportpaleis. Hij was vooral een sprinter, ooit wereldkampioen in die discipline, maar hij kon niet tippen aan een Van Steenbergen of een Van Looy. En toch was hij voor mij dat jaar de grootste renner. Omdat hij echt was, omdat ik hem gezien had. Dankzij de mis, als dienaar van God. Net als ik. Toen toch. Hij zou dat jaar de Antwerpse Zesdaagse winnen, aan de zijde van Rik Van Looy en Peter Post. Het was al 1962, de fifties waren voorbij.
10/3/2011

Geplaatst in Nostalgie | Een reactie plaatsen