De benaming Bern-0-letters is meer dan veertig jaar oud.  Van toen mijn vader te jong overleed en ik de familie Bernolet probeerde te steunen met een soort ‘goed gevoel’-blad.
Het was een gestencild en geniet blad, met familienieuwtjes, aangevuld met al wat ik kon vinden dat tot een leuk verhaaltje kon leiden. Voor de kinderen was er een in te kleuren pagina, een zoek de zeven verschillen-tekening en huisgemaakt kruiswoordraadsel en mijn vader die Elie heette, gaf ik een nieuw leven in de verhalen over Lie van der Loep, detective. Ik had nog geen kinderen en bijgevolg meer vrije tijd. Maar toen mijn kinderen geboren werden verschoof de aandacht steeds meer en belandde Bern-0-letters voorgoed in de schuif.

Toen het internet kwam pikte ik de naam terug op. Voor een blog, met korte berichtjes,  net.verhalen, noem ik ze zelf, over alledaagse dingen. Mensen die ik ontmoet, rare gebeurtenissen, overpeinzingen,  over vroeger, over politieke patsers en andere bekenden.

Beschaafde verhalen, zonder  polemiek, zonder onzin, maar met het hart, de cadans en de pointe op de juiste plaats.
Een tekst moet “bekken”, het verhaal moet “rollen”, daarom lees ik het altijd luidop voor aan mijn vrouw.  Haar commentaar is mij heilig, misschien omdat zij haar beoordeling in één enkel woord kan samen-vatten. Zij zal bijvoorbeeld zeggen: “ik vind het een aangenaam verhaal. Of een grappig verhaal, of een ontroerend, een mooi, een hilarisch of een fantastisch verhaal…” Dat laatste dan wel in de betekenis van fantasierijk.  Als ik aandring op enige kanttekening, zegt ze mij met de hand op het hart, dat zij nog nooit meer woorden heeft nodig gehad. Ik weet dat zij nog altijd van mij houdt.
Veel leesplezier,

Hugo Bernolet

de bijgevoegde foto is gemaakt ter gelegenheid van mijn 70ste verjaardag

wie mij wil mailen kan dat naar :  bern.0.letters@telenet.be
26/4/2011
Geplaatst in INTRO | Een reactie plaatsen

De Sint gaat in het rood

voor lezertjes vanaf +10

De Sint gaat in het rood. Niet omdat hij zijn boot heeft gemist en er achteraan moet hollen. Of dat hij boos zou zijn. Neen, de Sint gaat in het rood door Corona. Zoals iedereen. Maar het is wel de eerste keer dat de goede man het ook niet meer weet.

Hoe kan hij nog zijn werk doen wanneer hij ’s nachts niet meer de straat op mag ?
Hoe kan hij pakjes ronddragen en tegelijkertijd in zijn kot blijven?
De Sint kan niet van thuis uit telewerken?
En wat moet hij met één knuffelcontact wanneer hij de vriend van alle kinderen wil zijn?
Corona zet overal een streep door. Met rode inkt. Kan niet, kan ook niet, mag niet.

Grote mensen vragen de ministers : geef ons alstublieft iets om naar uit te naar kijken.
Maar wie denkt er aan de kinderen? Waar moeten die naar uitkijken? Naar hun iPad misschien? Of naar de zoveelste herhaling van hun televisie feuilleton? Toch niet naar de Paashaas, die bij het begin van Corona nog net mocht komen? Wie gelooft er nu in een konijn dat chocolade eieren brengt? En wat hebben kinderen aan de pompoenen van Halloween? Je mag een dag verkleed om ter engst doen, maar daarna braaf pompoenensoep eten.

Het feest van Sinterklaas, dàt is iets om naar uit te kijken. Omdat het altijd verrassend is, omdat er een heel verhaal rond gebouwd is. Omdat er de zekerheid is op cadeautjes en snoep voor iedereen. Hoewel chocolade, letterkoekjes en suikerbommen van marsepein, eigenlijk niet meer mogen.

Maar dit jaar wordt het toch heel moeilijk met die Corona. Misschien betekent dit wel het einde voor de Sint? En de Sint die wij kennen, had het al zo moeilijk. Volgens zijn berekening is hij de eenentwintigste Sint in de geschiedenis.
De allereerste was de bisschop van Myra, een stadje in Turkije. Er bestaat een afbeelding van. Geen foto natuurlijk. Dat bestond nog niet. Daarom kan er twijfel bestaan over de juistheid van de afbeelding, maar zo te zien zou de eerste en enige echte Sint zwart geweest zijn. Kom daar nu maar eens mee af. Van door de schouw te kruipen kan het niet geweest zijn, want ook schouwen bestonden nog niet in die tijd.

Sinterklaas is misschien het oudste familiebedrijf ter wereld. Sinterklaas word je van vader op zoon. Tenzij er geen zoon geboren wordt en de dochter de traditie verder zet.

Het gebeurde meer dan tweehonderd jaar geleden, maar iedere latere Sint kent de anekdote van madame Sint. Zij had een baard opgeplakt en ook de wijdse kleding
kon haar niet verraden. Op zicht was er dus geen probleem. Alleen had ze een behoorlijk irritante piepstem.
Iedereen deed alsof ze het niet hoorden. Maar op een dag had zij een verlegen jongetje op haar schoot. Zij vroeg hem of hij het voorbije jaar braaf was geweest. Het jongetje had haar nog niet durven aankijken en zei stilletjes  “Ja mevrouw…”

Zijn papa die het hoorde blies  stoom uit zijn oren en neus en  gaf zijn zoontje zo’n dreun tegen het hoofd dat het mannetje van de schoot van madame Sint op de grond vloog. Dat had hij niet mogen doen. Deze Sint was wel anders dan al de anderen, maar niet minder een kindervriend. Dus pakte de Sint zijn gouden zware staf en sloeg de vader ermee tot die nog maar zo groot was als zijn zoontje.
Iedereen kende het verhaal maar de afspraak was: ‘wat in de familie gebeurt, blijft in de familie’. De Sint die wij kennen hoorde niet bij de familie en vertelde graag het verhaal van madame Sint.

Onze Sint had zich gewoon in het familiebedrijf “Sinterklaas & Zonen” ingekocht. Hij was niet de zoon van de vorige Sint maar van de steenrijke uitvinder van Coca Cola. Die bood voor de vrijgekomen job van Sinterklaas zoveel geld dat cadeautjes voor kinderen nooit meer een probleem zou zijn. Meneer Coca gaf zijn zoon de nieuwe Sint daarbij nog een aantal sinaasappelplantages cadeau in het zonnige Spanje. Na de oogst maakten ze er Minute Maid mee.

Tevoren moesten Sinten zich beperken tot het strooien van wat munten en pepernoten in de schoenen van de kinderen. De kinderen van toen waren daar blij mee. Ze wisten ook niet beter want reclamefolders bestonden nog niet.

Meer dan zijn voorgangers heeft deze Sint alles zien veranderen.
Toen hij begon waren jongens nog blij met een nieuwe bal, een spel van Pim-Pam-Pet,
een chocolade sigaret. Meisjes waren blij met  poppen, met poppenkleertjes, poppenbedjes of poppenwagentjes. Een springtouw was ook populair en keukengerei in ’t klein. Kleurboeken en kleurpotloden waren ook in trek. Een oplossing voor de Sint als hij niet zeker was of Kris, Gert, Bo of Jo, een jongen of een meisje was.

Tegenwoordig moet de Sint een computerspecialist in dienst nemen om de verlanglijstjes van de kinderen te begrijpen. En O wee wanneer hij de verkeerde Ninjago levert of een Ghost of Tsushima ps4, terwijl de ps5 al uit is.
En wat doe je dan als Sint? Je gaat mee met die moderniteit. Zo niet vragen de kinderen het aan zijn broer Santa Claus. En ben je weer een kind kwijt.

Het mag dan nog je broer zijn, wat Santa Claus doet is niet eerlijk. Alleen al de naam Sinterklaas inpikken en naar het Engels vertalen. En dan, omdat je geen eigen datum hebt, met slede en rendieren ergens tussen de feestdagen van 6 december en Kerstmis zweven. Dat is dubbel profiteren.

Een Sint klaagt niet, maar het doet pijn wanneer je moet vaststellen dat Santa, met de steun van Coca Cola nota bene, ook nog eens jouw werkterrein inpikt. Eerst Amerika, dan de andere Engelstalige landen, en nu ook vele landen in Europa. Hier noemen ze hem Kerstman. Hoe beschamend is dat? Van Kerstmis blijf je toch af?

“Mijn geschiedenis, of toch die van Sinterklaas”, zei de Sint ooit, “is bijna zo oud als die van Kerst en over ons worden ook tientallen mooie verhalen verteld. Wij hebben kindjes gered, geven arme kinderen snoep met veel voedzame suiker en we hebben altijd letterkoekjes gegeven om hen te helpen bij het lezen. En met ons groot Sinterklaasboek, geven we ouders bij de opvoeding een steuntje in de rug. Ouders zeggen dan: ‘Pas op voor Sinterklaas, die hoort en ziet alles en schrijft dat in zijn boek. Om het niet te vergeten en
om de brave kinderen te belonen. ‘Wie braaf is krijgt lekkers’.
Die truc met de Sint werkte bij de meeste kinderen.
Ik vroeg de ouders wel om mij niet de hele tijd door als de stok achter de deur te gebruiken. Gelukkig kon ik ieder jaar vertellen dat ook nu alle kindjes braaf waren geweest. Ik zou het niet anders over mijn hart en lippen kunnen krijgen.”

Ik weet niet hoe mijn voorgangers het deden, maar ik heb de samenwerking met de ouders altijd heel belangrijk gevonden. Er was bij voorbeeld de afspraak dat ze in de nacht van vijf op zes december de voordeur niet op slot deden. Dat werkte prima. Tot er ene Jan Schenkman prentenboeken over mij begon te maken.

Plots moest ik met de stoomboot uit Spanje komen. Vervolgens met een paard over de daken rijden. En tot slot door de schouw naar binnen kruipen. Te gek voor woorden.
Mijn enige band met Spanje waren mijn sinaasappelplantages. Dat is al. Ik kon niet paardrijden en had hoogtevrees. Door de schouw kruipen zag ik helemaal niet zitten. Gelukkig had ik helpers. En voor een goed begrip, die waren allemaal blank.
Een van mijn voorgangers, heeft ooit een Ethiopisch jongetje uit de slavernij gered. Die bleef uit dankbaarheid zijn verder leven bij de Sint. En ja, hij was zwart. De eerste zwarte tussen allemaal witte pieten. Daar denk ik dikwijls aan als ik nu die verhalen over zwarte pieten moet aanhoren.

Ik, en niemand anders heb destijds zwarte pieten gezocht om de witte pieten te vervangen. Niemand weet wat voor een problemen ik heb gekend met die witte pieten.

Toen we, met dank aan Jan Schenkman, over de daken moesten lopen vroegen zij meteen een gevarenpremie. Ik moest hen al extra betalen voor nachtwerk en dan was er die heisa omdat die liedjesschrijver in ‘zie ginds komt de stoomboot’ de mensen wijsmaakte dat: ‘zijn knecht staat te lachen’, en in dat ander mooi liedje laat hij de kinderen zingen: ‘Sinterklaasje, kom maar binnen met uw knecht...”.
Ik was zo blij met die liedjes, maar mijn witte pieten eisten dat ik Jan Schenkman voor de rechter sleurde. “Wij zijn medewerkers. Noem ons desnoods helpers, maar geen knechten. Hoe durft die man.”
Echte zeurpieten waren het, mijn witte pieten. Zij profiteerden toch ook van die heerlijke reclame die de liedjes ons opleverde?
Ik durf zeggen, ook vandaag nog, dat ik liever in ’t zwart werk.
Mijn zwarte pieten waren blij met een blinkend kostuum en een gouden oorring.
Wij waren familie. Geen firma. En toen kwam die onzin over racisme.

Niemand beseft hoe pijnlijk het is om familie te moeten ontslaan omdat ze niet de juiste kleur hebben. Gelukkig heb ik een groot aantal van hen werk kunnen geven als appelsienperser in mijn Minute Maid fabriek. Maar ik vond het vreselijk.
Met hen was het altijd feest. Zij deden de boel swingen.
De zogenaamde roetpieten daarentegen zagen over hoger loon, over deel in de winst en over een firmawagen. Je houdt het niet voor mogelijk. Ik die op een schimmel over besneeuwde daken moet sukkelen, zou een Sinterklaas-cabriolet moeten geven aan mijn medewerkers die er dan mee op de versiertoer gaan.

“Misschien moet ik de Corona-pandemie aangrijpen om de firma Sinterklaas & Zonen failliet te verklaren en de organisatie van het Sinterklaasfeest definitief over te dragen aan de ouders.
Ik weet dat het hard klinkt, voor kinderen die nog in mij geloven. Ik vraag jullie van niet boos te zijn. Ik heb altijd mijn uiterste best voor jullie gedaan. Ik zal jullie altijd graag blijven zien, maar ik vrees dat het virus geen uitzondering zal maken voor Sinterklaas. Voor het virus ben ik ook maar een oude man met een witte baard.
Ik heb er het volste vertrouwen in dat jullie ouders het bijna zo goed zullen doen als ik. Misschien kan ik terugkomen na Corona?”

“Weet je wie ook ontgoocheld gaat zijn? Bart Peeters. Dat is nog het grootste kind van het land. Ik heb hem ooit over mijn problemen met mijn Pieten en mijn stoomboot verteld. Ik vroeg hem of we die intocht met de stoomboot niet konden vervangen door een blijde intrede in het huis van de Sint in Sint-Niklaas? Bart wou er niet van weten. Alsof het
Sinterklaasfeest van hem was.
‘Kom toch hier in de buurt wonen’, had hij gezegd. ‘Dat is toch veel leuker. En niemand moet dat weten. In de zomer kunnen we dan samen gaan fietsen en achteraf een terrasje doen. En als u een pet opzet en uw baard inkort kunt u naar mijn optredens in het Sportpaleis komen. Niemand gaat u herkennen. En laat ons eerlijk zijn, uw werkterrein beslaat nog maar een deel van ons land en dat van onze Noorderburen, en die hechten meer belang hechten aan hun eigen gedichtjes en respecteren niet eens uw verjaardag.
Zij  organiseren liever een dag eerder pakjesavond. Maakt het u toch makkelijk, lieve Sint, en verhuist naar hier. Tegenwoordig woont iedereen in de buurt van zijn werk’.
“Hij vond voor mij een rustige plek met voldoende terrein in de buurt van de Bocht van de Schelde. Daar stap ik sindsdien in mijn stoomboot. Dan is het niet ver meer varen tot aan de stad voor mijn grote intrede. Bart had het allemaal goed bekeken.”

“Tot die Corona zijn intrede deed. Niet één van mijn twintig voorgangers heeft zo een wereldramp meegemaakt. Ik moet dus nederig zijn en mij niet slimmer dan de rest rekenen.
De regering heeft beslist: tot voorbij mijn verjaardag ligt het land stil.
Noodgedwongen doe ik een oproep aan jullie ouders.
Laat hen dit lezen en vergeet nooit: ‘wie braaf is krijgt lekkers…’ De zin die daar op volgt schrappen we voor altijd.

“Lieve ouders, ik dank jullie voor de jarenlange samenwerking en geheimhouding,
maar ik moet het hoofd buigen voor Corona. Ik heb altijd van jullie gehouden toen jullie klein waren, zoals ik nu van jullie kinderen hou, maar met pijn in het hart moet ik vragen van mijn taak over te nemen.
Jullie kunnen er voor zorgen dat 6 december voor altijd de feestdag van Sinterklaas blijft.

Tot slot, lieve kinderen, vraag ik begrip voor mijn keuze. Treur niet.
Ik blijf jullie vriend, voor altijd. Mama en papa moeten het nu van mij overnemen, net zoals jullie dat later zullen doen voor jullie kinderen.
Zo blijft Sinterklaas voor altijd bestaan.”

Dag Sinterklaasje, dàààg, dàààg, dàààg, dàààg me-de-wer-ker

Lees over de tweestrijd tussen de broers Santa Claus en Sinterklaas
bij Fantasie: Sinterklaas was geen heilige.

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fredje Pochetje gaat solo

Het woord uitklapboekje moest nog uitgevonden worden toen in de jaren zestig
de firma Solo, fabrikant van bak- en smeerboter, een reclameboekje uitdeelde waarvan de middelste pagina als bij wonder gewoon rechtop kon staan. Als de veren van een pauw. Dat had nog nooit iemand gezien. Het beeld was dat van een theatervoorstelling, de Solo parade waarmee Solo het land rond trok.

Onderaan de pagina was de orkestbak getekend. Alles daarboven leek naar voor te komen en je zag dansers en danseressen die allemaal hun beste beentje voorzetten.

Deed je het boekje snel open dan sprong er eentje letterlijk uit het pak. Dat was de zanger van de revue, Fredje Pochetje. Hij leek verdacht veel op Fred Astaire. Met hetzelfde glimmende plat gekamde haar en een pochetje in het borstzakje van zijn jasje. Fredje Pochetje. Op de werkvloer van de fabriek was een pochetje een stoeferke, maar Fredje Stoeferke rijmde niet zoals Fredje Pochetje en een stoefer was ook een opschepper en dat wou de boterfirma niet in zijn verhaal. Ze hadden het zo al lastig genoeg met de boeren van de echte roomboter die eisten dat de boter van Solo ‘kunstboter’ werd genoemd of nog liever ‘margarine’ en ook dat ze een wansmakelijk kleurtje kreeg, roze bijvoorbeeld.

Bovenaan het uitklapstuk stond de titel van het lied dat Fredje zong: “O Solo mio.” In het lettertype van het merk. Het echte liedje over de ondergaande zon in Napoli heet ‘O Sole Mio’, maar wie let er nu op een letter zus of zo? Door van sole Solo te maken moesten de botermannen niks betalen aan de liedjesmakers.
Die hadden nochtans wel een cent kunnen gebruiken. Omgerekend in ons geld hadden ze destijds voor ‘O Sole Mio’ niet meer dan een halve euro gekregen. Een niemendalletje voor een van de bekendste liedjes ter wereld.
Ze waren al lang overleden toen honderd jaar geleden, bij de aanvang van de Olympische Spelen in Antwerpen, het orkest “O Sole Mio” speelde. Omdat ze het Italiaanse volkslied niet kende. Het publiek wist niet beter.

Je moest het boekje wel zorgvuldig sluiten want anders plooiden dansers en danseressen in elkaar en was er de volgende keer eentje zijn hoofd kwijt of bleef aan de ander plakken. Zo bleef Fredje in een O van Solo steken toen het woord Solo bovenaan verkeerd was toegeplooid. ‘Dat komt er van als je zo uit de band springt’, had mama gezegd en ze kleefde Fredje met Velpon vast op zijn plaats.

De makers van het boekje beseften dat die middelste pagina snel zou kunnen sneuvelen in handjes van kinderen. Daarom kleefden ze aan de binnenkant van de kartonnen kaft nog een eenvoudige uitklappagina die je viermaal kon uitklappen. Goed voor iets meer dan een meter.
Meten deed je aan hand van de streepjes op het pak van Peter De Lopende Meter, dat centimeter na centimeter 100 streepjes telde. Een hele meter dus. Het was wellicht de eerste groeimeter ooit.
Die Peter moest natuurlijk nog een hoofd hebben boven dat pak. Met dat hoofd hield hij een pakje Solo in evenwicht. Zouden de botermannen aan de uitdrukking ‘hij heeft boter op zijn hoofd’ gedacht hebben? Of was het eerder omdat het bovenste uitklapblad vaak boven het boekje uit stak en je het kubusvormige pakje Solo zag?

Kindjes klapten Peter De Lopende Meter graag uit. Hij was een beetje grote broer waar ze zich aan konden meten. Wanneer ze er naast op de grond gingen liggen, zetten moeders streepjes en een datum op het pak van Peter. Omdat men vroeger veel kindjes had stond het pak van Peter vol gekribbeld en was het een wedstrijd om te zien wie het snelst groeide. Wellicht diegene die flink zijn boterhammetjes at. Dik besmeerd met Solo boter, die vitamine D en A bevatten.

Het verhaal van het boekje
was eenvoudig.
Op het einde van de straat waar Fredje Pochetje woonde was een grote wasserij. Een echte fabriek waar veel volk werkte. Onder hen was er maar één waar Fredje oog voor had. Boterbloempje, zo noemde Fredje haar. Omdat ze goudblonde haren had boven een fijn gezichtje. En omdat ze zo eenvoudig was, zo natuurlijk. En verlegen.
Wanneer ze passeerde sloeg ze haar blik neer. Toch wist hij dat ze helblauwe ogen had.
Dat had hij gezien toen ze geschrokken grote ogen trok omdat een auto te snel kwam aangereden op het ogenblik dat zij de straat wou oversteken. Hij had iets willen roepen naar de chauffeur om te laten zien dat hij aan haar kant stond, maar ze was al vederlicht de straat over gehuppeld. Zij gaf hem het nakijken. En daar was hij al blij mee. Hij die op het podium de vedette van de Solo Parade was, durfde in zijn eigen straat het meisje van de wasserij-fabriek niet eens aan te spreken.

Vanaf de eerste keer dat hij haar zag was hij verliefd. Nochtans liep zij gewoon voorbij. Een meisje op weg naar haar werk. Hij had eerst ook gewoon gekeken zoals hij naar meisjes kijkt, maar nu kreeg hij figuurlijk een patat tegen zijn hoofd. Zo hard dat zijn ogen uit hun kassen sprongen, waarna die op vertraagde film overschakelden. Om zo haar beeld langer in zijn hoofd te verankeren.
‘Wat heb ik nou’, mompelde hij in zichzelf. Het stemmetje in zijn hoofd antwoordde:
“wat heb ik nou, wat heb ik nou? Doe niet zo onnozel, man. Dit is als de bliksem verliefd worden. Op de seconde zelf. Stel daar toch geen domme vragen over, beleef het gewoon en geniet.”
Wat een geluk dat ik zo’n slim stemmetje in mijn hoofd heb, dacht Fredje, en dat het  liefste meisje van de wereld zomaar door mijn straat loopt.

Vanaf die dag stond hij om kwart voor acht aan het raam naar haar uit te kijken.
Hij moest geen wekker zetten. Zijn hart tikte tweemaal zo snel als de seconden. Zo werd hij lang op voorhand wakker.
Wanneer ze in de verte kwam aangestapt, viel hij volledig stil. Niet alleen viel zijn mond open, ook zijn longen leken mee te gapen, waardoor Fredje nauwelijks lucht kreeg en zijn hoofd niet goed meer bij zijn hoofd was.
Dag na dag vergrootte de druk. Zou hij de straat op gaan om haar aan te spreken? Misschien valt dan ook mijn hart stil. Misschien stik ik in mijn woorden. Zou ik zingen? Zingen was zijn grootste troef. Maar zou hij zich dan niet onvergeeflijk belachelijk maken? Wie begint er nu plots op straat te zingen, tenzij in een film?

Op een dag liet hij al die twijfels thuis en trok de straat op.
Normaal moest hij pas in de namiddag voor repetities van de Solo parades naar zijn fabriek. Maar nu deed hij of hij ook ’s morgens naar zijn werk moest. Hij nam een oude boekentas mee om zich aan vast te houden en om zijn toneeltje geloofwaardig te maken. Wanneer hij op het einde van de straat kwam en Boterbloempje nog niet was opgedoken, liep hij achterwaarts op zijn stappen terug. Op die manier kon hij de hoek van de straat in ’t oog blijven houden. Tot een buurvrouw met opzet achter hem ging staan zodat hij tegen haar zou opbotsen. “Waarom loop jij zo raar, ben jij aan ’t slaapwandelen, wil jij niet vooruit in het leven?”
“Ook goedemorgen buurvrouw, het spijt me dat ik u in de war breng, maar ik dacht dat
de straat van iedereen is. Ik heb ruimte nodig want ik oefen voor de nieuwe show, daarin moet ik zo lopen en ik merk dat ik nog wel een beetje mag oefenen.”

Gek toch dat hij zich in zijn eigen straat wel bekeken voelde, terwijl hij dat gevoel op een podium helemaal niet kende. Hij ging alleen nog de straat op wanneer hij voelde dat de buren hem niet nakeken.
Zo gingen weken voorbij.

Boterbloempje had hem natuurlijk al lang in het snotje. Zo’n rare spillebeen die deed alsof hij de deur uit moest op het moment dat zij passeerde. Om hem te testen nam ze een andere weg, waardoor ze pas voorbij zijn huis in de straat kwam en zag hoe hij vertwijfeld naar haar  zocht.
Hij was niet echt moeders mooiste, maar ze was wel opgezet met zijn aandacht. Ze moest aan het stemmetje in haar hoofd toegeven dat ze er naar uitkeek en dat het ook voor haar het hoogtepunt van de dag was.

Toen het op een dag fel regende en zij rillend in een te dun jasje haastig langs de plassen liep, werd ze plots door zijn paraplu tegengehouden.
“Eindelijk”, dacht ze, maar zei, toen hij zijn paraplu aanbood: “dat is vriendelijk van u, maar u weet dat ik bijna op mijn bestemming ben en ik ben toch al helemaal nat.”
Fredje wist niet wat zeggen. Hij wou een antwoord geven als in de film, maar zei domweg: “waarom ben je droevig, meisje, heb je geweend?”
“Onnozelaar”, dacht ze. Maar om zijn toneeltje mee te spelen zei ze met onschuldige blik: “dat is alleen maar regen op mijn wangen.”
Hij wou haar zoenen om het verschil te proeven tussen regendruppels en tranen en sloot zijn ogen om zich te concentreren. Maar zij duwde zijn paraplu in zijn handen en zei: “Toch bedankt, maar ik moet nu verder.”
“Ik moet hem niet”, zei hij geschrokken, alsof er kak aan hing.
“Hij is voor jou op voorwaarde dat je zaterdag naar de Solo parade komt in de tent aan het Zuid. Hier is een vrijkaart voor jou.”
Winkeliers mochten vrijkaarten uitdelen wanneer de Solo parade in de buurt optrad.
Ze nam de kaart aan zonder ze te bekijken, want voor het eerst keek ze hem recht  in de ogen en glimlachte. Ze had stralend witte tanden. Die van Fredje zagen zo geel als boter, wat niet moeilijk te verklaren was.

De dagen tot zaterdag durfde Fredje niet meer buiten. Boterbloempje zou kunnen passeren. Van achter het gordijn zocht hij of zijn paraplu passeerde met het liefste meisje van de wasserij er onder. Hij kon niet zien of zij bij het passeren naar zijn huis keek.

Tegen zaterdag was Fredje zo zenuwachtig dat hij elke dansbeweging vergeten leek.
Hij vreesde dat er straks geen klank meer uit zijn keel kon komen.
Hij durfde niet eens te kijken of Boterbloempje in de zaal zat.

De voorstelling verliep gesmeerd. Het orkest speelde geen enkele valse noot,
de dansers en danseressen wervelden over het podium. De temperatuur voelde goed.
Het publiek amuseerde zich kostelijk en applaudisseerde en lachte ook wanneer
het niet moest.
Iedereen had er zin in en dan moest de finale nog komen.
Het hoogtepunt waarop Fredje Pochetje “O Solo Mio” zou zingen.
Fredje vreesde dat tegen dan zijn darmen ook hun hoogtepunt zouden bereiken en daar niet zouden stoppen. Stel je voor dat hij een streep zou achterlaten zoals een vliegtuig in de lucht, maar geen witte. Iedereen zou het zien, want de dansers moesten uit elkaar gaan om hem door te laten gaan terwijl een lichtspot hem zou volgen.

Net voor hij op het podium moest zag hij in de gang naar het podium een paraplu hangen identiek aan die hij aan Boterbloempje had gegeven. Zou die van haar zijn?
Terstond werd het droog in zijn mond en kon hij niet meer verder. Hoezeer de muziek hem tot de orde riep.
De drummer roffelde als in een circus. Dit was zijn verwelkoming. Hij moest nu gaan. Iemand duwde hem in de rug verder. Hij greep naar de paraplu. Als laatste redmiddel, maar het mocht niet baten. Hij werd met paraplu en al het podium op geduwd.
Daar trok hij de paraplu open en draaide die voor hem uit.
Het leek alsof het zo moest. Om de spanning er in te houden. Wie ging er achter schuil? Aan de rand van het podium hield hij halt en begon automatisch te zingen “O Solo Mio”. Het publiek zong mee, maar daarbovenuit klonk na enkele seconden een duidelijke gil. Vooraan in de zaal ging eenzelfde paraplu open. Het was die van Boterbloempje. Zij had gegild. Van verbazing. Die rare snoeshaan van het gratis kaartje, die verlegen sprinkhaan met zijn vet haar stond daar op het podium.

De man van de techniek had het gezien en richtte een tweede spot op de paraplu in de zaal. Het leek afgesproken. Als deel van de show. Net als de dansers op het podium maakte het publiek de baan vrij voor Boterbloempje. Zij werd voortgestuwd tot aan de rand van het podium. De twee spots werden er één waarin de twee paraplu’s samenkwamen.

Het publiek bestond even niet meer. Boterbloempje en Fredje stonden terug in de straat van de wasserij-fabriek. Onwennig tegenover elkaar. In een wedstrijd om ter verlegenst.
Maar in het echt ging Fredje nog voor het einde van zijn O Solo Mio zowaar op de rand van het podium liggen en kuste Boterbloempje, die zich zo groot mogelijk maakte en met gesloten ogen haar lippen tot bij de zijne bracht.

Hij gooide zijn paraplu weg en trok Boterbloempje met beide handen mee op het podium. Het publiek genoot en applaudisseerde alsof het eigenhandig deze twee mensen bij elkaar had gebracht.
Boterbloempje en Fredje namen het applaus gedwee in ontvangst.
Zij draaide zich naar hem en zei slechts één woord in zijn oor : “komediant”.
Hij zei niks, keek voor zich uit en lachte zijn gele tanden bloot, zoals de boterfabriek van hem verwachtte bij het einde van de Solo parade.

Er volgde een lange nacht waarin hij onder meer voorstelde dat ze voortaan haar boterhammekes bij hem thuis mocht komen opeten tijdens haar middagpauze.

Het boterde zo goed tussen hen dat ze al snel bij hem kwam wonen
en daar kwamen kindjes van.

Omdat ze Pochetje maar een idiote naam vond gaf ze haar kinderen haar meisjesnaam. Fredje vond het goed omdat haar naam in de lijn lag van Boterbloempje, maar  mooier.
Zij heette met name Lelietje van Dalen, in de volksmond ‘meiklokje’. Mijn meikloekje.

Het boekje eindigde met een tekening van hun boterkoeken huisje op de heide.
Het was een zoekplaatje waarop hun zeven kindjes als de zeven dwergen her en der rondhingen. Meisje of jongen, ieder met een pochetje in het borstzakje.

En Peter De Lopende Meter?
Die scheurde zich af van het boek. Niet dat hij dit zelf wou, maar de harde kaft
werkte als een snijmes voor de dunnere uitklapbladen.
Moeder had Peter De Lopende Meter al eens bij het oude papier gegooid.
Maar een dag later zat Peter opnieuw in het boek.
“Maar kindjes”, zei mama, die groeimeter is zo vuil, het lijkt wel een morsdoek
die dringend in de was moet.”
“Maar de Lopende Meter moet bij Fredje blijven, mama”.
“Kijk eens hoe hij vol vlekken zit. Je kunt een hele menukaart samenstellen
van hetgeen jullie op hem gemorst hebben. Weet je wat? Als jullie hem absoluut
willen bijhouden zullen we hem Smetje noemen, dat past perfect bij Fredje.”
Mama dacht dat ze hem zouden laten vallen nu ze hem zo als een plekpot
had voorgesteld, maar de kinderen gaven geen sjoege.
“Ik zal hem niet meer weggooien, dat beloof ik, maar ik wil wel weten
wie hem van tussen het oud papier heeft gehaald?”
Iedereen keek naar het plafond, tot de jongste zei : “ik denk dat Fredje
dat gedaan heeft.  Het kan toch zijn dat hij zijn Lopende Meter mist?”

Moeder wist niet wat ze er moest van denken. Wie mist wie?

Misschien was Fredje het beu van altijd maar solo te gaan
en wou hij nieuwe avonturen beleven met zijn grote vriend Smetje?
Stel je voor : ‘Fredje en Smetje samen onderweg’. Daar zat een verhaal in.

Voor zover ik weet heeft de Solofabriek er niks mee aangevangen.

Hugobe
15 oktober 2020

Noot: Wie een uitklapboekje van Solo heeft mag mij mailen
(bern.0.letters@telenet.be)

 

 

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

De kop van Jut

Zo voelde ik mij de voorbije maand. In geen tijd was er iets op mijn kale hoofd
aan het groeien dat aanvoelde als een open wonde. Ik was er niet gerust in.
Ook al noemde Otto (4j) het liefelijk het “toppeke” van opa.

“Wegsnijden, zei de huisarts, en wel snel. Je hebt een PCC op je hoofd, een plaveisel carcinoom, de meest voorkomende vorm van huidkanker.”

Huidkanker, ik? Wat moet ik daar bij denken? Dat ik voor de verpakking kies in plaats van voor de inhoud? Of dat ik het weer groots zie? Onze huid is immers ons grootste orgaan. Een zak die ons van kop tot teen samen houdt. Die snij je niet zo maar eventjes weg. Als je ons vel zou uitrollen heb je een ruim vloerkleedje, groot genoeg om de salontafel breeduit te onderlijnen. En met mijn uitschuif-buik is er nog ruimte voor een bijzettafeltje.

De chirurg vertelde  ook dat mijn ‘toppeke’ de optelsom is van herhaalde beschadigingen veroorzaakt door UV-licht. Typisch voor buitenmensen zoals boeren en zeemannen.
Ik ben noch het een noch het ander. Ik ben een huismus. Iemand die in de schaduw staat. Als het niet van een ander is, dan toch van een parasol of boom. Ik heb nooit op een zonnebank gelegen en de tijd dat we op het podium Black Light gebruikten ligt meer dan vijftig jaar achter ons.


Zou dit het perpetuum mobile van de oudjes zijn?

Ik begon het jaar in het ziekenhuis met geblokkeerde nieren. Dan slaat Corona toe. Dat probleem is er voor iedereen, maar samen met mijn vrouw kunnen we acht redenen aanvinken waarom wij extra moeten opletten. Vervolgens wordt mijn vrouw getroffen door baarmoederkanker. Met een zware operatie en bestraling als gevolg. En nu zij er zo goed als bovenop is, begint er weer voor mij een nieuw ‘hoofdstuk‘ met die PCC.

Gelukkig had ik snel een afspraak bij de chirurg. ‘Kun je hier morgenvroeg om zeven uur zijn? Dan neem ik jou onder handen nog voor ik aan het grote werk begin.’
Ik heb niet geaarzeld.

‘We gaan de tumor ruim verwijderen dan is de kans groot dat het probleem voor nu
is opgelost. Blijkt dat we verder moeten snijden, dan zullen we een stukje huid moeten transplanteren.’

Ik was er rustig naar toe gegaan, maar bij die mogelijke transplantatie sloeg mij verbeelding toch even op hol. Waar gaan ze huid wegnemen? Van mijn bil, van mijn buik? Daar staat haar op. Minder dan op mijn kin of op mijn tanden, maar toch. Ik zag al een kleine zode stekelhaar op mijn voor de rest kale knikker.

De ingreep verliep onder lokale verdoving. De chirurg praatte honderduit.
Ja, hij woonde als kind bij ons om de hoek. Ja, hij had de grootste appreciatie voor mijn vrouw die hoofdverpleegkundige van het OK was toen hij daar als stagiair begon. Interessant allemaal, maar ik had liever gehoord dat hij zich in stilte op zijn snij- en naaiwerk zou  focussen.

Toen hij de hechtingen wel erg stevig aantrok en ik even reageerde, zei hij laconiek: “Wil je liever als spaarpot door het leven gaan? Wees blij dat ik jou oren iets dichter bij je hoofd aan trek…”
Ik moest maar vertrouwen hebben. Ik vertelde de verpleegster die me van het OK wegreed
dat ik mij Wiske voelde wiens eierkopje strak naar boven werd samengehouden door haar strikje. Ze zei met zin voor empathie: “Maar Suske toch.”

Maar het is zo. Alles trekt. Mijn wenkbrauwen, een hoestje, een geeuw, zelfs wanneer ik op de pot zit te drukken trekt mijn hoofd mee. Van kop tot kak zijn we één grote zak.

Het labo liet weten dat er genoeg werd weggesneden.
Ik moet uit de zon blijven en om de zoveel maanden 
op controle naar de dermatoloog.

Ondertussen heb ik een spinnenkop.
Het lijkt of de spin die in mijn vorig verhaal “Spinola” op de hoofdsteun in de auto van vakantie mee naar huis kwam, zich finaal in mijn hoofd heeft genesteld. 
Maar ook dat gaat voorbij.
Wat blijft is dat ik altijd en overal
een streepje (van) voor zal hebben.

HugoBe
20 sept 2020

 

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

Spinola spreekt

Ward was een nerd. Hij wist dat een bal rond was, maar had er nog nooit een trap tegen gegeven. Hij zat meestal stilletjes op zijn kamer in zijn boeken te neuzen. Hij was zo stil dat zijn mama regelmatig kwam kijken of hij nog wel leefde.

Op school was hij de meest onbeweeglijke jongen van de klas. Tot vertwijfeling van meester Frans. Op een keer was die aan het uitleggen hoe het internet was ontstaan.
In grote letters schreef hij WWW op het bord.
‘Wie weet wat dat betekent?’ Alle vingers gingen de lucht in behalve die van Ward. Hij wist het zeker ook, maar hij zat niet met zijn gedachten in de klas. De meester stapte tot voor de bank van Ward en riep:”WAKKER WORDEN WARD”. ‘Schrijf jij maar eens duizend keer: WWW = Wakker Worden Ward. Om het in jouw slaapkopje te prenten. En deze WWW blijft het hele jaar op het bord staan als herinnering.’

En toch vond Ward meester Frans super. Zeker wanneer die over de ruimte vertelde.
Ward geloofde vast in buitenaardse wezens.
‘In de ruimte is het muisstil’, vertelde de meester. ‘Daar is geen enkel geluid. En toch bouwen we grote telescopen om de ruimte af te luisteren. Je kent de kleine schotelantennes die je hier en daar aan gevels ziet hangen. Wel, in Puerto Rico staat er een schotel van meer dan 300 m hoog. Dat is zeven keer onze speelplaats.’

‘Geluid zijn trillingen van de lucht. En die trillingen kunnen we met die schotelantennes opvangen. Wij mensen kunnen maar een klein deel van alle geluiden horen. Hoge tonen horen wij helemaal niet. En toch zijn die er massaal. Hoe sneller de trillingen, hoe hoger het geluid. Honden bijvoorbeeld horen veel beter. Misschien heeft iemand z’n papa een hondenfluitje? Als je daar op blaast hoort niemand dat. Alleen honden. Er zijn al veel mensen terug naar de winkel gestapt, boos omdat ze het fluitje niet konden horen.

De eerste wetenschapper die geluidsgolven opving en voor ons versterkte, was de uitvinder van de radio. Meneer Tesla. De kinderen lachten want zij kenden Tesla van de elektrische auto. Later zullen jullie meer over elektriciteit leren, onthou voorlopig dat die meneer Tesla heel belangrijk was niet alleen voor de werking van elektriciteit en voor het ontstaan van de radio, maar ook voor de radar, voor de afstandsbediening en honderden andere uitvindingen.’ Meester Frans stopte vaak feitjes in zijn verhaal om de kinderen bij de les te houden.

‘Wanneer je alle bouwdozen van Lego hebt gedaan, kun je misschien beginnen met een radiozender en -ontvanger zelf te bouwen. Daar bestaan ook pakketten voor. Met alle onderdelen en een goede handleiding. Als je die nauwgezet volgt kun je naar geluiden uit de ruimte zoeken. Maar het kan zijn dat je eerder gesprekken van in de buurt ontvangt. Van de politie bijvoorbeeld of van misdadigers…
Maar denk er aan, om af te luisteren moet je toelating hebben. En daarvoor moet je een test doen.’

Dat is iets voor mij, dacht Ward. Stel je voor dat ik de ruimte kan beluisteren. Maar hij kromp ineen bij de gedachte dat de politie hem kwam zoeken omdat hij hen afluisterde. Toen hij toch maar aan zijn papa een bouwpakket vroeg en zo’n kleine schotelantenne,
zei papa direct: ‘Geen sprake van. De buren zullen denken dat wij naar radio Mustafa luisteren.’ En daarmee was de kous af.
Wat is er fout met radio Mustafa, vroeg Ward zich af. Papa had natuurlijk liever radio Minerva maar toen die meneer van Minerva op de radio zei “ hoe is da na mogelijk, na luisterde gij al jaren naar Minerva en gij zijt nog geen lid”, was het voor papa gedaan. Nooit luisterde papa nog naar radio Minerva. Met radio Mustafa zal dat ook wel zoiets zijn.

Ward was zijn ruimteplannen al een beetje vergeten toen papa thuis kwam met een bouwpakket voor een zender/ontvanger en met de oude tv-antenne van oma. ‘Daarmee kom je misschien niet tot in de ruimte maar toch wel tot in Lopik.’

Het gevolg laat zich raden. Nu was Ward helemaal niet meer uit zijn kamer te slaan.
In geen tijd slaagde hij er in van een zender/ontvanger te bouwen en kon hij met een koptelefoon op zijn oren de wereld afluisteren. Op de korte of op de lange golf. Hij had er nog geen idee van dat een golf duizenden kilometer groot kon zijn maar ook slechts enkele millimeter.
In ieder geval, hij hoorde vooral veel geruis en gekraak. Maar dat deerde hem niet. Als hij bleef luisteren en op alle mogelijke golflengtes bleef zoeken, zou hij vroeg of laat iets opvangen dat zonder meer spectaculair zou zijn.

Zijn moeder had het er moeilijk mee dat haar jongen al zijn vrije tijd op zijn kamer doorbracht, verankerd aan zijn koptelefoon. “Ga toch buiten spelen of ruim je kamer eens op”, had zij gezegd, waarop Ward had geantwoord : “mama, ik kan niet én buiten spelen én mijn kamer opruimen, tenzij jij natuurlijk mijn kamer in de tuin zet…”
“Franken teut” had moeder geroepen alvorens de deur toe te klappen. Franken teut? wat betekent dit nu weer. Papa riep soms ‘Theo Francken Teut’ naar het tv-scherm wanneer daar zo’n lelijke man in beeld kwam met een angstaanjagende blik en een gebit dat nog van diens vader geweest was. Mama vindt toch niet dat ik daar op lijk?

Hij had al muziek opgevangen, hele rare talen gehoord, gekraak en gefluit, maar de eerste keer dat hij echt iets verstaanbaar opving waren gesprekken tussen een taxichauffeur en zijn centrale. De chauffeur heette Helmut. Dat kan. Maar dat het taxibedrijf Lottie heette, was toch wel heel toevallig. Ward hoorde duidelijk : ‘Helmut aan Lottie, Helmut aan Lottie, ik ben nu aan ’t Nachtegalenpark, heb je nog een applausronde voor mij?’
Zoude gij nie eens een toontje lager zingen, Helmutje?’
Ofwel verdiende de echte Helmut Lotti een centje bij als taxichauffeur ofwel grapten
de collega’s een eindje weg om de verveling te verdrijven. Ward was graag tussen-
gekomen in het gesprek om een verzoeknummer aan te vragen, maar hij durfde niet.
Het was nochtans een uitstekende gelegenheid om zijn zender uit te testen.

Maanden gingen voorbij. Ward droeg zelfs in zijn bed zijn koptelefoon. Hij wist perfect waar hij de taxigesprekken kon beluisteren, waar commandant Staal brandweerman Sam opriep, waar hij Afrikaanse radiozenders kon ontvangen en waar radioamateurs, zoals hij er nu ook een was, elkaar vonden. Hij wist ondertussen ook dat zijn naam volgens het spellingsalfabet van de NAVO uitgesproken werd als Whiskey, Alfa, Romeo, Delta.
Maar het was allemaal een beetje te veel van hetzelfde. Geluiden uit de ruimte, van heel ver dan, kon hij met de antenne van oma niet halen. En heel dichtbij luisteren durfde hij  niet. Stel je voor dat hij een burenruzie oppikte.

Bij wijze van experiment probeerde hij de hoogste frequenties. De golf zou zo kort zijn
dat hij bij wijze van spreken de muizen onder de houten vloer van zijn kamer zou kunnen horen.
Bij manier van spreken of echt, want op een dag hoorde hij een fijn hoog piepstemmetje het volgende zeggen : ‘hé, stomme kat ga eens weg van voor mijn gat…’
Ward schrok zo hard dat hij een meter achteruit sprong met de koptelefoon nog op zijn hoofd, waardoor zijn ontvangtoestel op de grond viel en de poes Minoe, die altijd in de hoek van zijn kamer onder de tafel lag te spinnen, snuivend wegstoof.
“Minoe, ben jij die stomme kat? Heb jij dat ook gehoord?”
Ward zette z’n koptelefoon terug op. Had hij dat gedroomd of had hij dat echt gehoord. Minoe was toch weggestoven, de kamer uit. Alle flaters van katers nog aan toe.

Nu hoorde hij weer dat piepstemmetje krijsen. Het leek nog het meest op lachen : ’Hihihihi, dat had ik al eerder moeten doen, wie kan er nu vermoeden dat die
stomme kat mij kan horen.’
Voor het eerst zette Ward zijn microfoon aan en zei aarzelend: ‘Hallo?’
Na enkele seconden piepte het in zijn koptelefoon :’hallo?’
‘Hoe kan het dat jij die kat ziet, waar ben jij dan?’
Het piepstemmetje antwoordde met net hetzelfde zinnetje: ‘Hoe kan het dat jij die kat ziet, waar ben jij dan?’ Ward dacht even dat het de echo was die vanuit de ruimte terugkaatste in zijn kamer en door de snelheid zijn stem in een piepstemmetje veranderde. Maar dat kon niet, want hij zou Minoe nooit een stomme kat noemen.
Hij moest iets zeggen waarop je niet met hetzelfde zinnetje kon antwoorden.
Hij zei: ‘Minoe is mijn kat en die is niet stom.’
‘Oh nee’, zei de piepstem zuchtend, eerder tegen zichzelf dan tegen Ward, ‘ik had beter niks gezegd en die stomme kat gewoon in haar gat gebeten, moest ik niet zo vies zijn van haar pels.’
‘Zeg ben jij dan een muis? In ons huis?’
Ward kreeg geen antwoord of toch, een onophoudelijk lachen : ”Hi,hihihi, hi,hihihi.”
Ward klemde zijn microfoon vast alsof het een wapen was dat hem seffens moest redden. Maar redden van wat? Van een buitenaards wezen? Voor wie kon Minoe in de weg zitten, wie kan er in de muur zitten, wie is er zo klein?
‘Wie ben jij? Heb jij een naam? Kan ik jou kennen? Dat leek hem een goede vraag. Kan ik jou kennen. Wat het ook is, het zal wel een naam hebben en die zal niet Fons of Otto of een andere gekke naam zijn, maar kan ik jou kennen, ja, dat zal me verder brengen.
‘Jij kent mij niet, maar jouw vader kan mij wel kennen. Wij hebben samen al een avontuur beleefd.’
Mijn vader? Papàààà!
‘Doe eens niet zo hysterisch mens. Als je zo begint zeg ik niks meer.’
‘Oké, oké, ga niet weg. Ik wil verder met jou praten. Ik beloof dat ik mijn vader niet zal roepen. Die zou toch niet geloven dat ik met een piepstemmetje praat dat ik niet kan zien en waarvan ik niet weet wat het is.’
‘Dat is al beter. Ik wil zelf ook verder praten want dit is mega spannend.
Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik met een mens praat.
Als jij mij belooft dat je mij niet onmiddellijk dood zult doen, wil ik jou alles vertellen
en misschien, als ik jou vertrouw, kom ik wel ooit wel tevoorschijn.’
‘Jij bent toch geen kabouter zeker met een rode puntmuts en een lange witte baard.’
‘Oeioieoei, ben jij zo iemand die nog in sprookjes gelooft? Straks denk je nog dat ik een buitenaards wezen ben of Sinterklaas die in jouw schouw vastzit.’Als je zo’n domme gedachten hebt ga je nu aardig schrikken, want ik ben namelijk een grote Italiaanse…spin.’

Ward schrok inderdaad. Hij trok zijn benen in kleermakerszit op zijn stoel en greep naar de vliegenmepper.

‘Mensen houden niet van spinnen, hé? Hoewel jullie meer dan honderd keer groter zijn dan wij. Begrijpe wie kan. Jullie hebben honden die bijna zo groot zijn als jullie zelf, maar oh, ze zijn zo lief meneer.
Als jullie een spin zien moet die zo snel mogelijk dood, want wij spinnen zijn gevaarlijker dan grote wilde dieren. Wij kunnen jullie opeten…Of dat denken jullie toch.
Jullie zijn al bang als ik ‘sono un ragno’ zeg. Dat is gewoon ‘ik ben een spin’ in het Italiaans. In mijn taal. Vraag jij je nu niet af hoe ik als knappe Italiaanse in jouw slaapkamer terecht kom? Dat zou je wel willen weten hé. Wel, jouw vader heeft er alles mee te maken.
Dat kon Ward moeilijk geloven, want zijn papa was banger voor spinnen dan een klein kind. Maar ja, spinnen die spreken, tot daarnet zou hij dat ook nooit geloofd hebben.

‘Ik groeide op in de Italiaanse wijngaarden, spinde iedere morgen mijn netten
en wachtte af of ik wat in mijn netten kon vangen. Een nieuw net begin je altijd met een lange basisdraad te spinnen. Die laat je dan vrij zweven in de wind. Men zegt wel eens dat spinnen kunnen vliegen maar dat is natuurlijk niet waar, wij laten ons gewoon dragen door de wind. Dat vind ik het leukste aan het spinwerk. Daar kan ik echt van genieten.
Ik doe dan al mijn ogen toe en kijk niet waar de wind mij zal brengen.
Maar die dag loopt het anders. Mijn draad breekt en ik val pardoes door het open dak
in een auto. Ik, die al heel mijn leven tussen wijnranken hang, lig hier opgesloten in een auto. Ik ben zo verbaasd dat ik maar geen plan kan bedenken hoe ik hier uit zou geraken. Vooral omdat de auto gesloten is. En die lederen zetels maken het er niet makkelijk op. Hoezeer ik ook mijn best doe, telkens glijd ik opnieuw naar beneden. Ik besluit de auto goed te verkennen en daarna een plaatsje te zoeken waar ik kan rusten en eventueel iets kan vangen.

Wanneer ik wakker word zitten er twee mensen vooraan in de auto en rijden we weg
van mijn thuis, weg van mijn familie, weg van de wijngaarden. Afscheid nemen is ook voor spinnen niet leuk. Ik huil even uit al mijn acht ogen, maar bedenk dan snel : hier moet je van profiteren, meisje, dit maak je misschien nooit meer mee.
Via de bagage begin ik naar boven te klimmen om naar buiten te kunnen kijken.
Ik slaag er in van bovenop de hoofdsteun van de chauffeur te klimmen. Een beter uitzicht kun je als kleine spin niet vinden. Wij spinnen kunnen uren stilzitten en dat kwam nu goed van pas, want die man blijft maar rijden.
Wanneer de zon keert en het zonlicht op het kale hoofd van de chauffeur weerkaatst moet ik mij verplaatsen. Wij hebben allemaal heel gevoelige ogen. Om van ons hartje maar te zwijgen, dat breekt als je ons plattrapt.
Voorzichtig laat ik mij zakken tot op de schouder van de chauffeur. Van jouw papa dus.
Ik weet niet of hij weet dat ik daar zit, maar ik wil hem niet laten schrikken en blijf rustig zitten. De uren vliegen voorbij en ik voel me één met jouw papa. Het is alsof ik zijn assistent ben. Zijn kompaan, zijn vriend. Ik ben nog nooit zo vertrouwd geweest met een mens. En terwijl we verder en verder rijden denk ik dat ik een beetje verliefd word op jouw papa. Ik zou in zijn baard willen kruipen naar de donkere holte van zijn oor om dan stil ‘papa’ te fluisteren. Maar ik doe het niet.

Wanneer we aankomen besef ik dat ik heel ver van huis ben en er beter aan doe van hier mijn nieuwe thuis te maken.
Tussen de plooien van de sportzak word ik in huis gedragen en neergezet op jouw kamer. Ik bekijk jouw boeken en weet dat ik veel moet studeren om mij hier te integreren. Toch zal ik snel mijn Italiaanse naam Rafaella inruilen voor Spinola.
Niet alleen omdat de naam begint met spin, un ragno, maar ook omdat de echte Spinola honderden jaren geleden tijdens de 80-jarige oorlog van Italië naar hier kwam en opperbevelhebber werd van het leger in de Zuidelijke Nederlanden.
Hij was de baas, maar tegenstanders noemden hem eerlijk en correct en de belangrijkste militaire leider van de eeuw.
Ik ben geen veroveraar, maar wel correct en eerlijk en ook verhuisd naar hier. Sinds vorige zomer. Jij mag blij zijn dat ik meestal op jouw kamer woon. Honderden muggen heb ik sindsdien gevangen en ook veel vliegen. Dat moet je toch gemerkt hebben of dacht je dat die ook verdwijnen door de klimaatopwarming?

Eigenlijk zouden wij goede vrienden moeten zijn. Wij zijn nuttig en kennen onze plaats. Wij doen niet lastig zoals muggen en vliegen. Met ons valt best samen te leven. Maar ja, wij kunnen er ook niet aan doen dat we zo’n klein lijfje hebben en zulke lange poten. Acht poten dan nog wel. Evenveel als onze ogen. Voor iedere poot een oog. Om de samenwerking tussen de poten te controleren. Weet je, ik heb een poot die niet altijd meewil. Ik denk dat het een stomme poot is die het verschil tussen links en rechts niet kent. Het is al gebeterd, maar toen ik nog klein was heeft die mij ooit in rondjes doen lopen. Meneerke wou geen poot verzetten en de andere zeven stapten lustig door. Ik leek wel een paardenmolentje.
Soms droom ik dat ik op twee poten kon lopen zoals jullie. Of dat mijn poten op zijn minst kleiner zouden zijn, zoals die bolle kevertjes die toch ook zes pootjes hebben, maar die ze kunnen intrekken. Jullie noemen die vertederd lieveheersbeestje, of pim-pam-poentje of kapoentje.
Maar ik kan mijn poten niet missen. Met de haartjes op onze poten – nog zoiets, harige poten – kunnen wij voelen. Blindelings. En dan het belangrijkste: in onze poten zitten
onze hersenen. Die ene poot die nooit mee wou zal wel de domste van de groep zijn.
Mijn hersenloze poot. Dat doet mij opnieuw denken aan jouw vader.
We reden dus op de autostrade, in al mijn ogen tegen een hoge snelheid, komt daar een auto ons werkelijk voorbij gevlogen en weet je wat jouw papa zei? “Die zijn hersenen zitten in zijn gat.” Ik wist niet dat zoiets bestond. Ik kon alleen denken: bij deze man moet ik blijven, want daar ga ik nog veel van leren.’

Ward zat met gloeiende oortjes te horen. Voor een deel veroorzaakt door de druk van zijn koptelefoon.
‘Zeg, nu we toch samenwonen, ik heb jou verteld dat ik nu Spinola heet, maar hoe heet jij eigenlijk?’
‘Euh Ward. Ik heet Ward’
Wakker worden Ward’ piepte de spin zo luid ze kon. Vind je mij niet interessant
genoeg of zo?’
‘Toch wel, toch wel, maar ik kan me niet voorstellen dat er achter zo’n fantastische verteller een spinnetje zit. Je bent absoluut een dame met klasse, maar kunnen we toch maar afspreken dat je voorlopig nog niet tevoorschijn komt?
Toch niet als ik in de kamer ben? En dat je zeker niet ’s nachts op mijn hoofdkussen komt liggen. Hoe graag je mij ook ziet.
Je mag natuurlijk uit je hoek komen om muggen te vangen. Maar ik ben nog niet klaar voor een eerste ontmoeting, denk ik.
En als je dan op jacht bent en ik kom binnen, wil je dan in slow motion lopen of dansen? Dat is misschien minder angstaanjagend? Kennen spinnen geen liedjes? Kun je niet in gedachten een liedje zingen en daar een beetje op walsen? Geen rock ‘n roll natuurlijk, want als je daar met je acht pootjes op gaat dansen, loop ik zeker terug de kamer uit of grijp ik naar een krant om toe te slaan, maar als Italiaanse ken je wellicht ‘lasciatemi cantare…’
‘Zeèg, zal ik ook nog een gitaar vasthouden, dan vallen mijn acht poten minder op.
Of zal ik zwembewegingen maken.’
‘Kunnen spinnen zwemmen?’
‘Ja natuurlijk, meestal rollen we ons op in een bolletje en drijven met het water mee,
maar ik heb collega’s spinnen die over het water kunnen lopen, zoals jullie god Jezus’
‘Jézus!’
‘Ik heb ooit gelezen dat in elk huis honderden spinnen zitten. Als ik dan een spin zie,
hoe kan ik dan weten dat jij het bent?
Het is een wonder dat ik jou via mijn radio-ontvanger kan horen. Maar als ik jou bijvoorbeeld in de keuken tegenkom of in de douche, kan ik moeilijk zeggen ‘kom eens mee naar mijn kamer…’
“Ben jij een bruine spin, ben jij een hooiwagen, heb jij een kruis op je rug? Hoe groot ben je in feite? Ik weet dat allemaal niet, hé.’
‘Sono una signora italiana, dus kun je denken dat ik zo zwart ben als de nacht.
En als ik mijn pootjes uitrek haal ik net geen acht centimeter.’
‘Oh gruwel’, was het enige wat Ward kon denken.
‘Laat het ons voorlopig maar op radiocontact houden.’

Ward vroeg papa of die voor hem een plexi-wand bij Brico wou kopen.
‘Wat moet je daarmee?’ Ga je daarmee rondlopen misschien?
Een mondkapje volstaat hoor.’
‘Het is voor op mijn kamer, papa.’
‘Maar daar zit jij toch alleen, wat moet je dan met een plexi-wand?’
‘Voor een wetenschappelijk experiment. Ik wil zien hoe ver speekseldruppeltjes vliegen
als ik gewoon praat, als ik roep, als ik zing, als ik nies.’ Papa zuchtte ‘zou je dat niet
aan de experten overlaten, jongen?’
In plaats van het op zijn bureau te zetten, zette Ward de plexi onder zijn bureau vòòr de hoek waar Minoe meestal lag en waar Spinola waarschijnlijk haar holletje had.

Ward was al minder bang van spinnen, maar zag ze toch liever achter plexiglas.
Toch ging hij sinds hij Spinola kende anders over spinnen denken.
Hij prentte zich in dat hij Spinola dankbaar moest zijn voor al de muggen die zij voor hem ving. We moeten vreedzaam samen leven. Ook met spinnen. Hij bleef ze eng vinden en hoopte dat hij ze nooit zou ontmoeten, maar hij vertelde aan iedereen hoe nuttig spinnen zijn en dat die er zelf ook liever zouden uitzien als een leuk schattig lieveheersbeestje en niet als een duivels angstaanjagend mormel. En als er een door de kamer liep, zou hij die niet meer plattrappen maar zou hij luidruchtig ter plaatse trappelen zodat de spin naar haar hol zou vluchten. Over zijn gesprekken met Spinola sprak hij met niemand.

Na verloop van tijd begon hij er zelfs aan te twijfelen of hij het niet allemaal gedroomd had, want hoe kon Spinola weten dat hij van meester Frans duizend keer Wakker Worden Ward moest schrijven en dat Spinola dat ook tegen hem riep?

Uiteindelijk heeft hij Spinola nooit in levende lijve gezien en na die ene keer heeft hij haar ook nooit meer gehoord. Misschien moet ik minder op mijn kamer zitten en gewoon met de jongens gaan voetballen, besloot hij. De ruimte ontdekken kan later nog.

Hugo
aug. 2020

 

 

Geplaatst in Fantasie, Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

WEGWERPTENT

Christine en ik zijn heel verschillend. Daardoor vullen we elkaar zo goed aan. Al 44 jaar.
Ik blijf een speelvogel vol fantasie en verhaaltjes, zij houdt de boel recht met feiten en cijfers. In het begin speelden we soms op elkaars terrein.
Om indruk te maken.
Ik doorspekte mijn verhalen met kurkdroge gegevens die ik ter plekke uitvond, terwijl zij, die meestal zo zuinig met woorden is, plots volzinnen aan elkaar begon te rijmen waar kop noch staart aan kwam.

Ik herinner mij een mooi voorbeeld uit onze eerste vakantie.
Christine wou absoluut in de vrije natuur kamperen. Ik geloofde niet dat we dat echt zouden doen en had een symbolisch fluttentje gekocht dat niet eens een grondzeil had zodat de miertjes en de piertjes zomaar mee in de slaapzak konden. Normaal zou ik er hysterisch bij worden, maar je leeft van de liefde en daarna val je toch in slaap.

Eén nacht hebben we in ons tentje geslapen.
De volgende nacht lagen we al tussen verse lakens in een proper hotelbed.

Gelukkig maar, want het regende pijpenstelen. Met gevolg dat Christine een natte broek had toen ze ’s anderendaags instapte en ik kreeg een paniekaanval toen ik zag dat ik het raampje niet had toegedraaid. Mijn Honda Civic was nagelnieuw en die Fransen hadden er zomaar mee kunnen gaan joyriden. Honda Civic, ça c’est chic.

Halverwege onze kampeernacht werd ik wakker.
Ik stootte Christine aan en fluisterde : “Ben jij wakker ? Doe je ogen dan eens voorzichtig open en kijk naar boven. Wat zie je?”
“Oh, wat een prachtige sterrenhemel. Dat zie je nu alleen wanneer je in de vrije natuur kampeert.
“Zie je alleen dat?”
“Hoe bedoel je, ik zie jou daarbij natuurlijk…”
”En dat is het?”
Ik kreeg niet onmiddellijk een antwoord en dacht dat ze weer was gaan slapen, maar ze haalde diep adem en zei: “Wel, we zien die prachtige sterrenhemel in de eerste plaats omdat het een heldere nacht is, omdat er geen wolken zijn, omdat de lucht hier nog zuiver is. Ik kan je nu al zeggen dat we ook morgen een prachtige zonnige dag zullen hebben. Als ik naar de maan kijk schat ik dat het nu kwart over drie is, ik zie dat de leeuw in Saturnus staat, ik zie de kreeft, de steenbok, de tweelingen, de grote beer, de kleine beer en vooral jou mijn liefste beer. En ik vind me zo klein tegenover die miljoenen sterren en planeten in ons universum, maar dan voel ik me weer groot als ik erover denk hoe romantisch het toch is dat wij hier samen naar de sterrenhemel liggen te kijken…
Vind jij dat ook niet? Wat treft jou het meest als jij naar de sterren kijkt..”.

Zij kende meerdere manier om mij de adem te benemen. Ik wou dan ook niet onvriendelijk zijn toen ik haar stilletjes in haar oor zei:
“Ik zie vooral dat iemand vannacht onze tent gepikt heeft…?”

HugoBe

7 mei 2020

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Nostalgie | Een reactie plaatsen

Tante Cor verliest een letter

Tante Cor is een telg van de beroemde Hong Kong-stam. De virusfamilie met de meeste deelnames aan de Influenzagriep, het wereldkampioenschap voor virussen. En dat is opmerkelijk, want dat wereldkampioenschap is geen eendagswedstrijd waarbij de vorm van de dag bepalend kan zijn. Je moet een heel jaar je stinkende best doen om opgemerkt te worden tussen de vele duizenden stammen die deelnemen.
Vals spelen kan niet, want het zijn wetenschappers die nauwgezet bepalen wie wint en in verwaterde vorm opgenomen wordt in het kringetje virussen waarmee het griepvaccin van het jaar wordt samengesteld.

Wanneer het winter wordt en virussen de mensen komen aanvallen, krijgen ze bij diegenen die ingeënt zijn de deur op de neus. Omdat die door het vaccin al kleine hoeveelheden Hong Kong-stammen, of andere Yamagata-stammen in hun lijf hebben. Te weinig om er ziek van te worden maar wel voldoende om de aanstormende ziektemakers buiten te houden.
Kleine hoeveelheden van het juiste virus inspuiten om grotere hoeveelheden, waar je ziek van kunt worden, buiten te houden. Zo beschermt een vaccin of een griepprik.

Voor wie niet ingeënt werd is de influenzagriep wel gevaarlijk. Van de mensen die geen griepprik kregen sterven er ieder jaar meer dan vijftigduizend. De helft van hen zijn erg oud of hebben door ziekte een verminderde weerstand.

We hebben leren leven met de influenzagriep. We weten dat ze wekenlang door het land kan trekken. Vijf jaar geleden zelfs meer dan 20 weken.
We kennen de symptomen, we weten dat je griep kunt overdragen via speeksel, maar ook via een handdruk, nog voor jezelf goed en wel beseft dat je griep hebt. Heb je griep dan volstaat meestal een weekje uitzieken en klaar is Kees (in geval Kees griep zou hebben).

Het is ieder jaar ongeveer hetzelfde en dus denken we dat we griep wel in onze greep kunnen houden. We maken er ons niet veel drukker over dan over een winter zonder sneeuw of over een erg natte zomer.

Maar kijk hoe de wereld in brand staat wanneer daar een nieuw virus ons komt verrassen. Een virus waar de wetenschappers het fijne nog niet van weten en dus ook niet hoe ze de mensen daar tegen kunnen beschermen. Is het een krachtig virus? Hoe kan het ons besmetten? Wordt iedereen er even ziek van? Hoe verloopt de ziekte?
Alles moet ter plekke vastgesteld worden. En dat is niet eenvoudig, want inderdaad, waar de ene persoon drager is van het virus maar er niks van merkt, zal de andere zwaar ziek worden en mogelijk overlijden. Wanneer je heel erg oud bent of een verminderde weerstand hebt. Stel dan maar eens een vaccin samen tegen een virus dat we niet kennen.

We moeten toegeven dat de wereld niet voorbereid was en voor het oog van het universum met de billen bloot gingen. Met het schaamrood op al onze wangen.
Nooit eerder werd de mensheid zo voor schut gezet. En dat door een virusje, niet groter dan een miljoenste van een millimeter. Maar dat wel super gevaarlijk zou kunnen zijn als het de samensmelting is van twee uiteenlopende virus- stammen.

We begonnen ons verhaal met tante Cor en haar beroemde Hong Kong-familie. Stel nu eens dat tante Cor een virus als Rona leert kennen. Wat een explosief stel zou dat kunnen zijn?
Tante Cor is natuurlijk ook geen fraaie dame, maar zij en haar familie volgen in zekere zin de regels van het spel. Zij werken heel hard om opgemerkt te worden zodat ze van de partij zijn bij de volgende seizoensgriep. Einde verhaal. En volgend jaar gaan ze er opnieuw tegenaan.

Bij Rona is het een ander verhaal. Rona is een virus van de Kansasstam. Een Amerikaantje, een cowboy die zijn Keltische naam, die ‘ruig eiland’ betekent, met plezier in het water laat vallen en overal rondbazuint dat hij een Roma is met een been te weinig.
Roma zijn zigeuners, nomaden die overal en nergens thuis zijn. Zo wou Rona in het leven staan. Wereldomspannend. Ook al had hij niks van de werklust van de Hong Kongers.
De Spaanse griep, waar wereldwijd bijna 100 miljoen mensen aan stierven, begon zijn verovering van de wereld ook vanuit ‘Kansas’.
Was dat Rona zijn grote voorbeeld?
Hij wist verdomd goed dat de mens zo maar eventjes 25.000 genen en 20.000 eiwitten heeft, terwijl hij en zijn collega’s virussen het met slechts 15 genen en 27 eiwitten moeten doen, maar toch wou hij beter doen dan zijn voorgangers die kort na de eerste wereldoorlog een greep op de wereld hadden.

Toen hij per toeval tante Cor leerde kennen, was hij helemaal zeker van zijn plan. Hij wist dat Cor van een sterke stam afstamde. Samen met haar zou hij de Corona, de ‘kroon’ op het werk zetten. Op haar werk, in feite. Want niemand kon werken zoals Cor. “Jij kunt verdorie nog beter werken dan ik”, zou hij verbazing spelend toegeven.
“Mag ik jou begeleiden? Jij bent goud waard, jij bent nu al uitstekend, maar ik denk dat ik jou nog beter kan maken. Laat mij jou naar ongekende climaxen voeren…”
“Mijn ideeën, liefste Cor, zijn onverzadigbaar.” Hij noemde het zijn ‘ideeën’, maar in feite was het zijn ‘veroveringsdrift’.
Nu vond tante Cor ‘onverzadigbaar’ eerder iets voor iemands grote honger of voor iemands heerszucht, maar die gedachten liet ze vlug varen want Rona wist haar tot in haar laatste eiwit te charmeren. Zonder verder nadenken dronk zij zijn woorden. Even onverzadigbaar als zijn ideeën.
Hij deed Cor zweven.
“Wij worden het sterkste team ooit. Ik zal altijd voor jou klaar staan. Wanneer jij niet verder kunt, zal ik er zijn om jou af te lossen. Als in een estafetteloop.”
Hij zag dat tante Cor op het punt stond te bezwijken en hij deed er nog een schepje bovenop. “Het is geen toeval, liefje, dat jouw naam met een R eindigt en mijn naam met diezelfde letter begint. Zo staan wij sinds de oerknal in de sterren geschreven. Wij zijn voor elkaar gemaakt. Wij horen bij elkaar. Laat ons onze eigen stam beginnen. Jij en ik. Samen sterk : “CoR & Rona”. Laat ons daar CoRona van maken. Ons unieke onverbrekelijke verbond.”
En tante Cor deelde haar R met Rona.


“Laat ons naar het Oosten gaan, liefste. Daar komt de zon op, daar begint het leven iedere dag opnieuw. Laat ons daar onze reis beginnen. Ik stel Wuhan voor. Wuhan is een symbolische plaats. Net zoals onze naam Corona een samensmelting is van twee geliefden die eeuwig bij elkaar willen horen, is Wuhan een samensmelting van Wuchang en Han.
Wuchang lag aan de zuidelijke oever van de Jangtsekiang-rivier en Han aan de noordelijke. Omdat de rivier het hen onmogelijk maakte van bij elkaar te komen liet Wuchang haar chang vallen en versmolt in naam althans met Han. Een liefdesverhaal bijna zo mooi als het onze.”
Rona wist dat de vergelijking nergens op sloeg, maar Cor zag de zon opkomen in het Oosten en dacht opnieuw niet verder na. Wuhan (woeha) zou het zijn.

Zou Rona de virussen verantwoordelijk voor de Spaanse griep kunnen evenaren of,
nog beter, verbeteren?
Virussen zijn vandaag niet slimmer dan toen. Hoe zou het kunnen? Virussen kunnen helemaal niet denken. Eigenlijk kunnen virussen niks. Tenzij zich vermenigvuldigen.
En daar hebben ze altijd een gastheer voor nodig.

Wij zijn wèl slimmer geworden. De meesten onder ons toch.
Toen de Spaanse griep woedde was de eerste wereldoorlog net voorbij. De mensen waren blij dat ze van die ellende verlost waren. Ze vielen elkaar in de armen en zochten elkaar op. Nog niet met het vliegtuig uiteraard. Het naburige dorp was al ver genoeg.
Maar niemand vertelde hen over het virus. Van Ranst bestond nog niet. Er was geen tv, geen gsm, geen sociale media. Maar daardoor ook geen paniek…

Nu is de wereld een dorp geworden. We vliegen voor schoenen naar Milaan, voor tulpen naar Amsterdam, voor de zon naar Benidorm, voor een weekend naar New York of Barcelona. Van uit de hele wereld komt men naar de Schorre voor Tomorrowland. En de virussen reizen mee. Makkelijk zat.
Vroeger bleef iedereen in zijn kot. Ze hadden net vier jaar oorlog achter de rug. Schuilen was een tweede natuur. En vakantiegeld bestond nog niet.
Nu feesten we er op los. Samen aperitieven, samen naar de zomerbars, na het werk iets gaan drinken. Om op Instagram of andere Facebooks te tonen dat we er bij waren. Likeme werd zelfs een jeugdserie. Om te oefenen.
En de media zitten iedereen met een vergrootglas op de nek. Iedere dag moet het nieuws gevuld worden. De praatbarakken moeten constant kraken.

En dan komt Tante Cor en haar cowboy Rona met de wintersporters mee naar België. Naar het land van Guust Flater. Bestuurd door een Mexicaans leger met alleen maar generaals.
We hadden net maanden achter de rug waarin de generaals als kleuters bleven vastzitten in “neen, ik wil niet met die daar spelen.”
“Ja, ik wil meedoen, maar dan moet die zeker ook meedoen.”
Ondertussen stond het land stil.
Heel kort kon Corona de generaals wakker schudden, maar al snel werden ze weer hun chaotische zelve.
Wie zijn verantwoordelijkheid nam werd verdacht gemaakt en afgeschoten.
Maatregelen werden getroffen en teruggefloten, hulpmiddelen werden aangekocht en weggegooid. Elk woord werd gewikt en gewogen. Niet alvorens het werd uitgesproken,
wat normaal zou zijn, maar erna.
Meer dan ooit tonen we ons als een volk van klagers en misnoegden. Ieder nieuwsitem lijkt een klacht over het vorige.
Ons mag niks meer overkomen. Iedereen verwijt iedereen.
We vergeten dat we sterfelijk zijn. Hoewel er ieder jaar meer dan 100.000 Belgen het tijdelijk voor het eeuwige wisselen.
Dat is meer dan 300 per dag. Meer dan 25.000 in een trimester.
De oversterfte door Corona is nog niet bekend. Men spreekt van oversterfte wanneer er meer mensen sterven dan het gemiddelde van de voorbije vijf jaar.
Uiteraard zullen er door Corana meer mensen overleden zijn.
Maar de 5000 overlijdens die nu aan Corona worden toegeschreven, zijn nog altijd maar een vijfde van de normale 25000 voor een trimester. En van die vijfduizend is meer dan de helft ouder dan 85 jaar. Mensen die in een woon- en zorginstelling zitten, waar men niet naar toe gaat voor vakantie, dat weet iedereen. Net zoals iedereen weet dat mensen van die leeftijd, hoe flink ze zich ook gedragen, zwakker zijn.
En toch staan de kranten en tv-studio’s vol van verontwaardiging.
Hoe kan dat, wat liep er mis, wiens schuld is dit?

Corona trekt door de wereld, en zaait nog meer paniek dan ziekte.

Iedereen eist snel opheldering. Zoveel keer per dag. Iedereen weet het beter en wil
dat het nu snel gedaan is. Terwijl gezond verstand en rust het meest aangewezen is.
Nu het kan.
Rust om na te denken zodat we geen fouten maken.
Rust om de tijd die nodig is op de best mogelijke manier door te komen.
Misschien is het na de bosbranden, de orkanen, de sprinkhanenplagen wel een zoveelste ingrijpen van de natuur dat wij haar met rust moeten laten. Misschien probeert ze de overbevolking bij te stellen? Met een onzichtbaar klein virus.

Minister Donald Weyts stelde voor van na laptops voor alle schoolgaande jongeren, hen ook kamergrote elektronenmicroscopen te geven, zodat ze Covid-19 van ver zouden kunnen zien en een straatje om kunnen gaan. Het idee is even simpel als waanzinnig. Als we maar in het nieuws komen. Typisch Donald.

Maar noteer toch maar het woord voor geval je in de komende dagen Scrabble zou spelen. Elektronenmicroscoop.
Groepsimmuniteit is nog zo’n woord waarmee je bij Scrabble kunt scoren. Die bereiken we wanneer zes op tien mensen de Coronagriep heeft doorgemaakt. Het virus moet dan al ver zoeken naar een gastheer waar hij nog bij terecht kan. Zich verder verspreiden wordt moeilijk.

Eenvoudiger om Corona naar de vergetelheid te verdringen is de afstand tussen ons verdubbelen en volhouden. Na handhygiëne, dat op de eerste plaats blijft, en niet aan je gezicht prutsen op de tweede plaats, waardoor eventuele virussen op je handen naar binnen kunnen en jouw slijmvliezen bereiken.
Bij dat afstand houden moeten we nog eens het volgende herhalen.
Twee meter is beter, maar je loopt geen gevaar als je op minder dan anderhalve meter van elkaar staat. Als je jouw mond houdt kun je geen speekseldruppeltjes verspreiden en kun je de ander niet besmetten. Het virus gaat enkel over via het speeksel. Via de handen alleen als je een voorwerp hebt aangeraakt waarop recent het virus zat.

Kunnen we iets besluiten in deze tijd waarin wat vandaag gezegd wordt straks al achterhaald is?  Wellicht niet. Maar in de huidige stand van zaken kunnen we wel zeggen : we zijn verdomme sterker dan het virus.
Maar we zijn ook maar mensen, die het beter willen weten, die niet kunnen luisteren, die hun eigen willetje volgen.

Stel dat we allemaal niet anderhalve meter maar drie meter van elkaar verwijderd blijven. En dat volhouden. Lang genoeg. Dan moet het virus zich steeds meer uitputten om van de ene naar de andere gastheer te springen. En ook al kan Rona tante Cor laten zweven, zie ik in mijn verbeelding Corona uitgeput en levenloos op de stenen sterven.
De verspreiding wordt een halt toegeroepen. De zieken kunnen genezen.
Wij kunnen eindelijk terug naar elkaar toe lopen. Om elkaar vast te nemen, te knuffelen en te zoenen. Amor vincit omnia. Liefde overwint alles. Altijd.

Een dikke knuffel van

Hugo

Dit is géén wetenschappelijk artikel,  maar toch ook geen fake news, tenzij dit: tante Cor is niet echt een tante.

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

VAN RANST TOT JOHN WAYNE, EEN COWBOYVERHAAL

De weinige films die we als kind in de jaren vijftig zagen waren cowboyfilms. Wellicht omdat het de goedkoopste films waren uit de Hollywood-fabriek.

We waren al content dat we zaterdagmiddag naar de Patclub mochten in de parochiezaal. Ook al moesten we daar op onze stoelen blijven stilzitten. Er liepen opzichters rond in de zaal. Vechten en wild doen mocht alleen op het scherm. Niet te verwonderen dat wij na de film, als wilde paarden met één hand op ons achterste kletsend, de zaal uitliepen de speelplaats op, waar we de scènes die we juist gezien hadden naspeelden.
Eén keer werd ik voor het einde van de film de zaal uitgezet omdat ik, tijdens de film, de jongen achter mij een tand uitgeslagen had. Hij zat de hele tijd aan mijn stoel te trekken. Ik heb hem met een forse linkse tegen de grond geslagen. Ik was nog geen tien jaar.

In al die cowboyfilms was John Wayne de held. Je kende zijn naam natuurlijk nog niet, maar je wist wel dat hij de ‘goeie’ was. Wanneer hij in beeld kwam, joelden we als vanouds bij de poppenkast. Naast hem waren al de andere cowboys idioten en schreeuw-lelijkaards, die hem wilden klein krijgen maar er nooit in slaagden.
Hij was de reus tussen de dwergen, de verpersoonlijking van het goede. Met een gelaat dat gevormd was door de pijn van jaren in het zadel en door het korrelige zand dat diepe groeven had getrokken, waardoor de mimiek verstard was en niet meer te bewegen tot grote emoties en bijhorende mimiek.

Wayne was een man van weinig woorden, maar wat hij zei was altijd juist, met een timing waarbij de stiltes even veelzeggend waren. Hij oordeelde zelf niet, maar dat deed je als kijker wel. Met een zekere meewarigheid zat je in het donker van de zaal je gezicht in plooien te trekken die hij uit wellevendheid achterwege liet. Wellicht bonkte zijn hart even hard als het onze, maar hij bleef de rust zelve.

Wel, wat John Wayne was voor de prairie is zo vele jaren later Van Ranst voor de pandemie.
Ook hij is te zien in al de films van Corona, zoals Wayne in alle cowboyfilms te zien was. Ook hij draagt voor de herkenbaarheid altijd hetzelfde zoals Wayne destijds deed. Maar wat belangrijker is dan zijn truien met V-hals, zijn Van Ranst’s juiste woorden.
Rustig uitgesproken, met pauzes als page-turners waarin je, als je aandachtig luistert, hem hoort denken. Zijn kennis van zaken gaat veel verder dan de virologie. Zijn mensenkennis is even groot, om maar één ding te noemen.
In deze crisis is hij meer dan wie ook de “vader des Vaderlands”, de rots waarop je kunt bouwen, die je met de ogen toe kunt vertrouwen. Ook al zijn de moderne aanvallen misschien dodelijker dan de kogels die Wayne destijds moest ontwijken. Bovendien moest Wayne gewoon het script volgen. Alles lag vast, het happy end inbegrepen. Van Ranst daarentegen moet razendsnel alles zelf beslissen. Wat een gigantische verantwoordelijkheid. Ieder woord dat hij zegt zou fout kunnen zijn.
Maar in al die weken dat hij onvermoeibaar iedere dag op het scherm komt heb ik hem nog nooit op een fout kunnen betrappen. Wat logisch is, want wat zou ik, dwaze leek in deze materie, mij in de debatten kunnen moeien.
Omdat hij de kunst verstaat van alles zo eenvoudig uit te leggen, krijg je het gevoel dat je zou kunnen meepraten, maar uiteraard heb je de kennis niet. Dus luister je dankbaar.
Wie dat niet doet is of dwaas of politieker, van slechte wil of alledrie samen.
Ook journalisten proberen beroepshalve zijn woorden in twijfel te trekken.
Ik weet wel dat zij kritisch moeten zijn en zullen doorvragen wanneer zij iets niet duidelijk vinden of wanneer ze denken een fout ontdekt te hebben.

Kathleen Cools van Terzake heeft zo van die dagen. Gelukkig heeft ze er andere waarop ze schittert, maar nu ging ze zo drammerig door over de noodzaak van mondmaskers dat ik zowaar weer als vanouds bij de poppenkast naar het scherm zat te roepen. “Hou toch op, Kathleen, je maakt je belachelijk”.
Ik weet natuurlijk niet wat er in haar oortje wordt gefluisterd , maar ze negeerde keer op keer de geruststellende antwoorden van de professor.
“In Oost-Europa worden mondmaskers verplicht. Oostenrijk verplicht ze in grootwarenhuizen, de Chinezen begrijpen niet waarom wij op straat geen maskers dragen….”
Ik zou op dat moment misschien gezegd hebben “met alle Chinezen, maar niet met den deze…“.
Van Ranst echter liet haar uitpraten, herhaalde dat het zinloos is dat we op straat met een masker gaan rondlopen. Handen wassen, afstand houden, daarmee kunnen we het virus afstoppen. Verzorgers die in direct contact komen met besmette patiënten die moeten maskers dragen en daar waren er al bijna te weinig voor..”

“Dit is belangrijk nieuws”, zei mevrouw Cools bijna triomfantelijk. “Hebt u het publiek afgeraden van mondmaskers te dragen omdat er niet voldoende waren?”

Van Ranst zei niet “mevrouw, u verdraait mijn woorden.” Hij zei rustig als altijd : “wanneer mensen zich daar goed bij voelen mogen zij natuurlijk een masker dragen in winkels en andere omstandigheden waar ze de sociale afstand niet kunnen respecteren, maar dan mogen ze niet aan hun gezicht komen om dat maskers beter te plaatsen of zo. Het geeft een vals gevoel van veiligheid…”

Aan de overkant van de tafel zat nog een professor, Petra Schelstraete, kinderinfectioloog van het UZ Gent. Kathleen Cools dacht daar meer bijval te krijgen.
Coolske had niet gezien dat professor Schelstraete de hele tijd instemmend had zitten knikken bij hetgeen viroloog Van Ranst zei. Schelstraete zei, om het gesprek te ontzenuwen: “Ja, als ze die mondmaskers in modekleurtjes op de markt gaan brengen, zou het kunnen dat ze ook bij ons algemeen worden in het straatbeeld, maar nodig zijn ze daar echt niet.”

Kathleen Cools moest afsluiten, ze had the Duke Van Ranst niet uit zijn evenwicht kunnen brengen, maar hoopte wel de sneeuwbal aan het rollen te hebben gebracht.
Volgens mij behoudt viroloog Van Ranst ook na deze zoveelste storm in een glas water
zowel de groene, de gele, de bolletjes als de witte trui.
’s Anderendaags bevestigt minister-dokter De Block dat mondmaskers veralgemenen een verkeerd gevoel van veiligheid geeft. “Als we nu maskers zien opduiken, denk ik dat het meer uit emotie is, alsof men iets doet dat bescherming biedt.” En ook : “als iedereen nu een masker gaat opzetten, dan komen we voor de Belgische bevolking aan 700 miljoen maskers per maand. Dat is te zot voor woorden.”
Misschien had ze dat laatste niet moeten zeggen, maar op het einde van de rit zal de quote van het jaar toch van haar komen: “Blijf in uw kot. Ik meen het, hé.”

HugoBerno

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

PROSIT CORONA

Het lijkt misschien cynisch om vandaag op de gezondheid van Corona te klinken, maar dat heeft de mens altijd al gedaan. In mijn studententijd was Corona de verzameling van schachten en anciens, de commilitones en commilitoneskes, die samen de studentenclub vormden.
‘Prosit Corona’ riep de praeses, wat niet meer betekende dan “schol, mannen”.
Die mannen riepen dan terug ‘prosit senior’, oftewel ‘schol chef”, want de praeses was de chef, de baas voor een jaar.

Ik was het baasje dat het via een cantus gezellig moest maken. Maar ik mocht niet zo maar beginnen zingen. ik moest wachten tot de praeses riep : “Cantor, ad cantandum verbum habes”. ‘Zanger, je krijgt het woord om ons te laten zingen’.
Nu begrijp ik  dat. Omdat ik het neerschrijf en lees. Maar toen keek ik naar een teken van de praeses zonder te luisteren naar wat hij zei. Wellicht zenuwachtig dacht ik toen:’ ‘ja, ja, het is al goed met uw Latijn. Bla, bla, bla.’ En ik begon.

In de Codex stonden die Latijnse uitspraken vooraan verklaard, maar ik bladerde door naar de liedjes. Ik had toen al een broertje dood aan instructies. “Read the manual first”zou mijn vrouw vaak herhalen, wanneer ik weer aan iets begon zonder vooraf goed te weten waar ik aan begon. Omdat ik geen geduld had om de instructies te lezen.
Maar ja, ik had geen bijkomende uitleg nodig om ‘Ad fundum’ te begrijpen, en bij ‘ad libitum’ sloeg ik de codex  en mijn ogen snel dicht. Zoiets mocht ik niet lezen van thuis want dat gleed fonetisch langs ‘libido’. Een woordje dat ik al wel kende. Ik zal het misschien met een half oog gelezen hebben, maar de kans is groot dat ik uitgerekend dat half oog gesloten hield.

Wat moest ik met die vreemde zinnen als: “Ad exercitium, sanctissimi salamandris, omnes commilitones qui adsunt surgite!” Het deed me denken aan de oudejaarsavonden bij ons thuis toen ons vader met pint in de hand een Salamander inzette. Hij was praeses geweest, maar van de nonkels had niemand ook in een studentenclub gezeten. Misschien vonden zij ons vader een grote aansteller, maar zegden ze niks omdat ze feest vierden  in zijn huis. Alleen nonkel Albert riep enthousiast “surgimus”.  Hij werd nogal makkelijk begeesterd door mannen die opstonden en de menigte vurig toespraken om vervolgens de algemene leiding op te eisen.

Waarom moesten die studentenrituelen eigenlijk in het Latijn verlopen?
Deden de studenten dat om zich te onderscheiden? Was het een dieventaaltje voor studenten die de Latijnse hadden gedaan en voor dokter of advocaat studeerden?
Die tijd is gelukkig voorbij. Op een enkele wereldvreemde nostalgicus na die Latijn blijft kwaken in de overtuiging dat hij daarmee de slimste van de klas lijkt. Terwijl er niemand op dat moment nog naar zijn woorden luistert, tenzij de journalisten die dat om den brode moeten doen.
Ik goochel liever met woorden in mijn eigen taal. De toehoorders mogen dan wel “stoefer” denken, maar ondertussen hebben ze toch begrepen wat ik wou zeggen.

Mijn kennis van het Latijn beperkt zich trouwens tot mislatijn. Het ‘confiteor Deo omnipotenti’ ken ik nog uit mijn hoofd, hoewel ik ook toen niet wist wat ik zei.
Je hebt die woorden als misdienaar zo vaak afgerammeld dat ze voor eeuwig in je hoofd blijven hangen. Tot je ouder wordt en de betekenis van ‘impotent’ leert kennen. Ons brein is de beste computer die constant naar gelijkenissen zoekt. En dan komt onvermijdelijk dat oude confiteor voorbij en denk je: ‘Oh Christ’. Was dat zelfspot? Zovele eeuwen. Wereldwijd. Dagelijks in zovele missen? Dat kan niet missen.

Misschien rust alles op een historische vergissing. De Romeinen spraken Latijn, maar ook de apostelen zouden het gesproken hebben voor zij de vurige tongen tegenkwamen.

Stel je voor dat het Laatste Avondmaal niet meer was dan een vrolijke en onschuldige studentencantus? Met Jezus als praeses en Judas als cantor, die snel werd weggestuurd omdat hij vals zong? De apostelen waren de commilitones. Vrolijke vrienden die hielden van “Wein und Gesang”. Weib was er nog niet bij. Dus geen commilitoneskes. Laat ons maar denken omdat er toch iemand het huishouden moest doen.

Hief Jezus de beker hoog en zei hij, zoals het een praeses betaamt: “schol, mannen” naar toen vertaald in “prosit Corona” ?
Wie zegt ons dat “Hic est enim Calix Sanguinis Mei”, “dit is mijn bloed” geen fantasie is van een van de apostelen? We weten dat Paulus brieven schreef naar de Korintiërs.
Is het stichtend van te schrijven dat ze weer op de lappen waren geweest?
Hij zou niet de eerste zijn die zijn verhalen kleurt. Ik geef toe dat ik dat ook een beetje doe. Niets is er nieuw onder de zon. Alles keert toch terug. Zo ook Corona.

Dus: “prosit Corona”

HUGO

 

 

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

EGEL DE VLEGEL

Hij heette eigenlijk Prikkertje, maar mama noemde haar jongste egel ‘vlegel’.
Zoals wij mensen wel eens tegen een lieve deugniet zeggen. Maar dat wist mama egel natuurlijk niet. Prikkertje kwam op een dag thuis met een VL-sticker op zijn rug. Wandelaars hadden hem gevangen en voor de grap die sticker geplakt.
“Ons jongste egeltje is een vlegeltje geworden”, zei mama.
Papa kon er niet mee lachen. Hij was boos. Het is Prikkertje zijn eigen schuld. Egels moeten niet bij mensen rondhangen. Egels verstoppen zich. Of slapen overdag. Papa noemde Prikkertje daarom ‘ezel’ in plaats van ‘egel’.
Voor een stuk had papa gelijk. Prikkertje was dan wel geen ezel, maar een gewone egel  was hij toch ook niet.
In plaats van een veilig nest te bouwen tussen de wortels van een boom of verborgen in het struikgewas, ging Prikkertje wonen bij het restaurant aan de speeltuin in het park.
Hij ging ook niet zoals andere egels op zoek naar slakken, kevers, spinnen of regenwormen om te eten. Iedere dag wachtte hij tot het restaurant zijn etensresten weggooide. Dan had hij keuze zat. Hij at kliekjes van pannenkoeken, frieten, spaghetti, balletjes in tomatensaus, mini hamburgers. Eigenlijk alles wat kinderen op hun bord laten liggen. Waarom zou hij op zoek gaan naar slakken en kevers als hij zonder moeite dingen kon eten die de mensen aten. Want in zijn dromen was hij een mens. Klein van gestalte, geen halve kilo zwaar en ja, met stekels. Maar die maakte hij meermaals per dag nat in het beekje achter het restaurant. Zo leek het dat hij gel in zijn haar had. Tot het weer opdroogde en rechtop stond en hij weer het beekje moest.

Prikkertje vond zichzelf cool. Mocht hij kunnen praten zou hij spelende kinderen aanspreken en zich voorstellen als een prins die in een egel veranderd was.
Wie wil hem terug tot mens kussen ?

Hij kon  niet praten. Maar hij kon de mensen wel verstaan. Meestal zat hij te luistervinken onder een bank bij de speeltuin. En wanneer de kastanjes uit de bomen vielen, ging hij graag tussen de bolsters liggen in de hoop dat kinderen hèm oppikten in plaats van de bolsters. Stel je voor dat er een kindje zou zeggen “Oh, mama, kijk eens een egeltje, hoe lief. Mag ik het meenemen naar huis?” Hij zou dan met plezier in hun tuin wonen en hij zou daar uit dankbaarheid alle slakken, spinnen en kevers vangen. Zolang ze maar naar hem omkeken en hem als een van hun vriendjes beschouwden.

Het mochten alle kindjes zijn, maar als hij echt mocht dromen zou hij mee naar het huis willen van die twee jongens en dat meisje. Die leken hem zo leuk. Hij zag vanonder zijn bankje hoe die zich samen amuseerden, veel lachten en lief waren voor elkaar.
Hij had onthouden dat de broertjes Fons en Otto heetten. En hun zusje Gloria.
Hij hoorde hen heel de tijd door toneeltjes spelen. Meestal kwamen de ideeën van grote broer Fons. Maar wanneer Otto de leiding nam en iedereen hem moest nadoen, speelden Fons en Gloria met veel plezier mee. En dat was ook zo wanneer het meisje met dat mooie haar zei wat ze gingen doen.
Prikkertje luisterde er naar op zijn buikje liggend met zijn pootjes onder zijn kin.
Soms kon hij niet aan de verleiding weerstaan van zich even te laten zien.
Hij liep dan van de ene bank naar de andere. Vlak voor hun neus. Zodat ze hem zeker zouden zien. Egels kunnen twee meter per seconde lopen. Prikkertje kon bijna dubbel
zo snel, zodat hij eigenlijk aan Fons, Gloria en Otto voorbij flitste.
“Kijk een stekelvarken”, gilde Gloria.
“Dat is geen stekelvarken, dat is een egel”, zei Fons.
“Is dat niet hetzelfde maar met een andere naam?” vroeg Otto.
Prikkertje wou uit zijn schuilplaats komen. Hij kon het niet verdragen als ze hem een stekelvarken noemde. Stekelvarkens hebben stekels tot dertig centimeter lang. En die wonen niet hier, maar in Afrika. Het zijn knaagdieren en egels zijn insecteneters of eten, zoals ik, alleen kliekjes van een goed restaurant. En bovenal: wij zijn geen varkens.

Prikkertje had Fons wel willen zoenen toen die in zijn plaats perfect het verschil tussen een egel en een stekelvarken uitlegde. Gelukkig kon Prikkertje zich inhouden. Stel je voor dat hij Fons pijn zou doen met zijn stekels. Of, nog erger, dat Fons in een egel zou veranderen.

Elke dag liep Prikkertje langs de speeltuin om te zien of zijn vriendjes er niet waren.
Toen ze er de laatste keer weer waren hoorde hij het meisje vertellen dat ze op de hoogste verdieping van het opa-huis uit het raam had zitten kijken naar het bloementapijt op het kerkhof…”
Zij wonen in een opa-huis tegenover het kerkhof. Het ontroerde Prikkertje. Zijn opa-egel woonde vroeger op het kerkhof en lag daar nu begraven. Hij ging er soms ’s nachts naar toe. Dit kan geen toeval zijn. Dit is een hemels opa-verhaal.

Ik moet gewoon naar hen toe. Prikkertje kroop dichterbij zodat hij goed de geuren van zijn vriendjes kon opsnuiven. Egels hebben een ongelooflijk scherpe reukzin. En een olifantengeheugen voor geuren. Met de geuren die hij nu had opgesnoven zou hij van op het kerkhof kunnen zeggen in welk huis zijn nieuwe vriendjes woonden.

Deze nacht ga ik er naar toe, zei hij tegen zichzelf. Eerst ga ik dag zeggen aan het graf van mijn opa en dan steek ik de straat over. Op zoek naar hun huis. Als ik niet achterom kan in hun tuin, dan blijf ik wel in de voortuin zitten tot ze mij opmerken. Ik kan een beetje puffen en knorren en grommen, dan zien ze me zeker. Hij liet het grommen vallen. De kinderen zouden kunnen denken dat ik boos en ben en hen wil aanvallen.

De volgende nacht vertrok Prikkertje uit het park op weg naar het kerkhof. Hij vond het niet ver. Egels leggen iedere nacht makkelijk vijf kilometer af, op zoek naar eten.
Het kerkhof lag niet eens twee kilometer verder. Onderweg kwam hij veel andere egels tegen. Dat was een blij weerzien.
Aan iedereen die hij tegenkwam vertelde hij dat hij een thuis gevonden had bij drie lieve kinderen en dat hij nu echt bij de mensen ging wonen. Ja, vreten jullie je buikje maar vol om dan een half jaar in winterslaap te  gaan. Ik ga van het leven genieten. Beetje eten, beetje jagen, beetje spelen. Maar me vooral laten verwennen door Fons, Otto en Gloria.

De ene egel vond Prikkertje goed gek. De andere feliciteerde hem met zijn nieuw leven, maar de meesten waren een tikkeltje jaloers omdat zij zo’n avontuur als dat van Prikketje niet aandurfden.

Lang was hij niet blijven hangen bij het graf van zijn opa. Hij was te nieuwsgierig naar het huis van Fons, Otto en Gloria. Hij zou het makkelijk vinden. Er was maar één straat langs het kerkhof waar er direct aan de overkant huizen stonden.

Hij kroop het kerkhof uit. Er was nog een brede strook gras vooraleer hij aan de rijweg kwam. Hier moest hij goed opletten. Hij had nog maar pas gehoord dat er ieder jaar bijna driehonderdduizend egels door auto’s worden doodgereden. Dat zou hem niet overkomen. Hij had dan wel zoals alle egels zwakke ogen, maar hij was slimmer dan de rest. Hij zou oversteken aan die grote bouwwerf. Die had de helft van de straat in beslag genomen zodat er voor de auto’s nog maar een smalle doorgang overbleef.
Met zijn fenomenale loopsnelheid was hij in minder dan een seconde aan de overkant. Daar bleef hij even nahijgen van zijn sprintje. Van het moment dat hij zijn ademhaling terug onder controle had herkende hij de geur van Fons, Otto en Gloria vlakbij.
Een huis of twee verder wist hij het zeker. Hier wonen zijn vrienden. Aan dat venster boven had Gloria staan kijken naar het bloementapijt op het kerkhof.

Mocht hij het gekund hebben zou hij meteen hebben aangebeld. Hij hield zich voorlopig schuil onder de grote rozenstruik in het midden van de voortuin.
Hij vleide zich neer in het gras tussen de herfstbladeren. En deed zoals alle egels doen. Hij draaide rond en rond tot de bladeren een dikke wand rond hem vormden. Daarna viel hij in slaap en droomde van zijn nieuw leven in de tuin achter dit huis van Fons, Otto en Gloria. Hoe zij hem eten gaven en hem knuffelden. Hij zou zich nooit meer ter verdediging in een bolletje rollen. Hij zou zich laten pakken en hen allerliefst met zijn grote zwarte ogen aankijken.

Toen hij wakker werd was hij een beetje boos op zichzelf. Kijk nu eens aan hoe ik mij als een gewone egel doe. Ik lig hier verdorie opgerold in de bladeren. In de plaats van me zichtbaar op te stellen bij het huis, zodat ze mij morgen onmiddellijk zien en mij herkennen als het egeltje van in het park en mij in hun huis en in hun leven opnemen.

Oeps, wat is dat? Een keldergat.
Auw, ik val. Help! Hoe kom ik hier uit. Die wand is veel te hoog voor mij.
Zal ik roepen? Kunnen ze mij horen? Gaan ze mijn kreten herkennen?
Gelukkig is dit een koekoek-keldergat met een groot venster op de kelder.
Morgen zullen ze wel melk of iets anders in de kelder komen halen en dan zien ze mij
en dan zullen ze zeggen “Ooh, lief egeltje, ben jij naar ons gekomen.”

Maar niemand moest die dag in de kelder zijn.
En het egeltje dat bij de mensen wou wonen en zich niet zoals de andere egels
volpropte met eten stierf van honger in zijn slaap.

Toen we Prikkertje gingen begraven leek hij vredig te lachen.
Alsof hij nog in dromenland was. Bij Fons, Otto en Gloria.
Op zijn graf staken we een prikkertje van de kaasschotel van de avond tevoren.
Op het vlaggetje schreven we “Egel de vlegel” met een kleine vl.

Naschrift: Ik las in de krant dat je een schijnbaar dode egel niet te snel moet begraven. Hij kan in winterslaap zijn. Gelukkig ligt Prikkertje in een ruim bemeten luchtdoorlatende doos. Misschien komt hij na zijn winterslaap dan toch nog aankloppen?

HugOpa
2 november 2019

 

 

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Stift voor schoonschrift

Otto weet dat zijn naam geschreven wordt met  twee “O”-s en twee “T”-s.
Zelf zijn naam mooi schrijven is nog moeilijk. Maar daar zal papa wel iets voor uitvinden.
Papa kan alles maken. In huis, op de computer, op zijn werk. Papa bedenkt altijd oplossingen voor problemen.

Mooi en leesbaar leren schrijven is bijvoorbeeld zo’n probleem. Niet alleen voor Otto binnenkort, maar voor alle kinderen van de wereld.
Schrijven is een vorm van tekenen. Alleen moet je strikte regeltjes volgen en daar moet je de hele tijd bij nadenken, want deze tekeningetjes hebben een betekenis. En dat is het fantastische aan schrijven.
Wanneer je mooi schrijft kan iedereen dat lezen. Kan iedereen weten wat je bedoelt.
Maar om mooi te schrijven heb je niet alleen veel aandacht nodig. Je moet ook veel oefenen.

Fons kan alles wat hij denkt op papier schrijven. Toch zet de juf er soms een streep door. “Ik kan dat niet lezen, Fons. De letters plakken in elkaar en krullen als een duizendpoot van de lijntjes weg.” Dat doet Fons verdriet. Want hij kan zijn geschrift altijd lezen, maar vaak heeft hij zijn aandacht er niet bij en schrijft hij de letters zonder spatie over elkaar of is hij moe en doen zijn vingers pijn van het schrijven. En alles moet zo snel. Er is geen tijd voor schoonschrift. Dat wordt ook niet meer geoefend.

Vroeger was dat anders. Opa leerde tussen de lijntjes  schrijven. Urenlang. Oefenen tot het goed was. Maar opa schreef met de linkerhand. En dat mocht niet.
Telkens de leraar het zag werd die heel kwaad. Hij riep dan :”ben je weer bezig vuile plekpot” en sloeg met zijn hand, die groter was dan het hoofdje van opa, tegen opa zijn kop. Gelukkig voor ons dat zijn hoofdje op dat lijfje bleef staan, maar binnenin vloog wel alles door elkaar. Dat kon niet zonder gevolgen blijven. Het meest wonderlijke was dat opa voortaan met beide handen tegelijkertijd kon schrijven. Dat was handig als hij straf moest schrijven. “Ik mag niet met mijn linkerhand schrijven”, schreef hij met zijn rechterhand op het ene blad en met zijn linker op een blad ernaast. De vriendjes in de klas vonden dat circus. Maar toen de leraar dat zag werd die weer heel kwaad en riep tegen opa dat die daar onmiddellijk moest mee stoppen. Opa keek de leraar vragend aan. Moet ik nu straf schrijven of niet?  Wanneer hij aan iets twijfelde zei zijn mama soms: “ga het eens bij de buren vragen”. Dat kon hij moeilijk tegen de leraar zeggen. Dus keek hij de leraar recht in de ogen. Een tactiek die onbeleefd werd genoemd, maar wel lekker werkte.

Ook papa was linkshandig. Maar tegen de tijd dat die school liep mocht dat. Hij had een regelmatig schrift ontwikkeld, maar een stift voor schoonschrift zou niet alleen voor Otto, maar ook voor alle linkshandigen een geweldige uitvinding zijn.
Papa zou bijvoorbeeld kunnen beginnen met alle lettertekens, cijfers en getallen in te scannen.
Wie kan dat perfect neerschrijven? Een lerares die kinderen leert schrijven moet dat kunnen. Meisjes schrijven altijd meer verzorgd dan jongens. Ronder en gelijkmatig.
Die gescande tekens zou papa dan in een pen met een geheugen moeten brengen.

Als iemand dan met die pen schrijft, tekent de pen de letters zoals die in het geheugen  zitten. Mooi tussen de lijntjes. De kleine letters tussen het tramspoor van twee lijntjes.
De uitschieters naar boven en naar beneden tot aan de hulplijnen drie en vier. Niet verder, maar ook niet minder ver.
De “f” van Fons krijgt een lus naar boven en naar onder, zo perfect dat je er een schoenveter-diploma bovenop zou voor geven.
Ook de “g” van Gloria krijgt een mooie lus naar beneden en geen half om half vishaakje zoals velen doen.
En de “t”-s van Otto kunnen hun pet laten rusten op de bovenste lijn van het tramspoor.

Nog niemand had de pen gezien, maar het was al ‘oei oei’ van hier tot ginder.
“Je gaat onze kinderen lui maken”, werd al op voorhand gezegd.
Stel je voor. Het is toch duidelijk dat kinderen nog altijd zelf zullen moeten schrijven?
Die inspanning blijft hetzelfde. Maar schrijven zal geen last meer zijn. Dat verandert. Schrijven wordt een plezier. Zonder inspanning glijdt je hand achter de stift aan over het papier. Je moet je hand niet dwingen om die lettertekens mooi te tekenen, de stift leidt je hand in de mooiste bochten en lijntjes. Het is een ongelooflijke samenwerking. Je wordt niet meer afgeleid door het schrijven, zodat je de vrijgekomen aandacht kunt gebruiken om met minder fouten te schrijven.
Niemand zal nog kunnen twijfelen aan wat je geschreven hebt.
Maar je moet natuurlijk wel oefenen.
Een schoonschrift-stift schrijft niet uit zichzelf. Iemand moet er mee willen schrijven. Iemand moet de pen in de hand houden, dan pas zal de stift de schrijver bij de hand nemen om de letters perfect te tekenen.
“Maar we gaan dan allemaal op dezelfde manier schrijven. Dat kan toch niet. Ons handschrift is toch een kenmerk van wie we zijn…”
Wanneer kinderen moeten zwoegen en zweten om fatsoenlijk te leren schrijven, hoor je niemand. En nu er een interessante schrijfhulp zou zijn, vraagt iedereen zich af of dat wel goed is voor onze kinderen. In de plaats van blij te zijn dat zij van de eerste woordjes duidelijk zullen schrijven, leesbaar voor iedereen. En trouwens, ook met zo’n pen zal de ene meer rechtop schrijven dan de andere. Mooi geschreven lettertjes kunnen nog altijd een beetje tegen de wind in hangen. Of door de wind achteruit geblazen worden. Je ziet het niet zo vaak, maar het bestaat.

“En als ze die pen niet meer hebben of als die stuk is, gaan ze terug lelijk en onleesbaar schrijven ?”
“Niet noodzakelijk. We hebben allemaal leren fietsen met de hulp van iemand die een hand in de nek hield. Na even oefenen fietsten we toch ook verder door het leven zonder die beschermende hand? Met de stift voor schoonschrift is dat net zo.”
“Behalve als je voor dokter hebt gestudeerd”, zei iemand. “Er is niet één dokter die leesbaar kan schrijven. Je zou veel geld kunnen verdienen als je een gouden schoonschrift-stift voor de dokters zou maken.”

Papa zuchtte diep. Laten we maar eerst proberen van een schoonschrift-stift te maken voor Otto die het idee aanbracht en straks voor zijn broertje Titus. En als het lukt mogen Fons, Gloria en Nona er ook een. Maar eerst wil ik het zelf proberen. Met de linkerhand. Als ik er ooit in slaag van een stift voor schoonschrift uit te vinden…

Hugopa
8 oktober 2019

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen