Van Bern-0-lettres naar Bern-0-letters…

De benaming Bern-0-lettres is al meer dan dertig jaar oud.  Van toen mijn vader veel te jong overleed en ik de familie Bernolet probeerde te steunen met een soort ‘goed gevoel’-blad. De naam ‘Bern-0-lettres’ lag voor de hand. Het was een gestencild en geniet blad, met uiteraard familienieuwtjes, aangevuld  met al wat ik kon vinden dat tot een leuk verhaaltje kon leiden. Voor de kinderen was er een in te kleuren pagina, een zoek de zeven verschillen-tekening en huisgemaakt kruiswoordraadsel en mijn vader die Elie heette, gaf ik een nieuw leven in de verhalen over Lie van der Loep, detective. Ik had nog geen kinderen en bijgevolg meer vrije tijd. Maar toen mijn kinderen geboren werden verschoof de aandacht steeds meer en belandde Bern-0-lettres voorgoed in de schuif.

Toen het internet kwam en ik zoals iedereen een blog begon, aarzelde ik de naam terug op te pikken en noemde mijn blog Berne au lait/Bern met melk. Het was geen echte chronologische blog, met korte berichtjes, maar een verzameling verhaaltjes, net.verhalen, noem ik ze zelf, over alledaagse dingen. Mensen die ik ontmoet, rare gebeurtenissen, overpeinzingen,  over vroeger, over politieke patsers en andere bekenden. Soms laat ik de woorden in pure fantasie over mijn scherm lopen, wanneer ik over de werking van mijn geheugen schrijf, over de vetverbranders in mij, over de melktoer van prins Filip of over de waarheid achter de broers Sinterklaas en Father Christmas…

Hugo Bernolet "on the rocks" (gletsjer Jungfrau)

Met deze Bern-0-letters (let op de taalwissel) in WordPress wil ik mijn ‘net.verhalen’ onder een betere vorm  presenteren en hoop er wat extra’s aan toe te kunnen voegen. Voor mijn – en naar ik hopen mag – ook voor uw plezier, beste lezer. Wees gerust, het zijn beschaafde verhalen, zonder  polemiek, zonder onzin, maar met het hart, de kadans en de pointe op de juiste plaats. Een tekst moet “bekken”, het verhaal moet “rollen”, daarom lees ik het altijd luidop voor aan mijn vrouw.  Haar commentaar is mij heilig, misschien omdat zij haar beoordeling in één enkel woord kan samenvatten. Zij zal bijvoorbeeld zeggen: “ik vind het een aangenaam verhaal. Of een grappig verhaal, of een ontroerend, een mooi, een hilarisch of een fantastisch verhaal…” Dat laatste dan wel in de nederige betekenis van fantasierijk.  Als ik aandring op enige kanttekening, zegt ze mij met de hand op het hart, dat zij nog nooit meer woorden heeft nodig gehad. Ik weet dat zij nog altijd van mij houdt.

Veel leesplezier,

Hugo Bernolet
26/4/2011

Geplaatst in INTRO | Een reactie plaatsen

Sint Fredegandusschool in de jaren zestig

Sint Fredegandusschool bestaat dit jaar 125 jaar. De sint hebben ze al lang laten varen en verder zal Fredegandus in weinig te vergelijken zijn met de school die ik 50 jaar geleden leerde kennen. Gelukkig maar. Een terugblik…

Het is een halve eeuw geleden dat ik naar Sint Fredegandus ging. Van ’62 tot ’68. Het waren de golden sixties. Maar afgezien van het feit dat wij de liedjes van The Beatles
uit de eerste hand leerden kennen en ons haar lieten groeien, beleefden wij dat in Deurne verre van revolutionair. Ik zal dan ook nooit spreken van de ‘goede oude tijd’. Het waren gewoon andere tijden. Het was wat het was. Wij waren zelf ook anders toen. Naïef vooral. We stelden ons weinig vragen en beleefden onze tienertijd van dag na dag.

Elke dag was zoals de dag tevoren. Er gebeurde werkelijk niks. Wij gingen niet zwemmen, wij gingen niet op uitstap, deden niet aan sport, er was nooit een schoolfeest of iets anders om de buurt en de ouders bij de school te betrekken.
School leek zowel voor de leerkrachten als voor de leerlingen een bezigheidstherapie. Je deed gewoon het ‘middelbaar’ om later als bediende te gaan werken. Wie echt wou studeren met universiteit in het verlengde, ging naar het college.

Sint Fredegandus, bij ons mocht de Sint er nog bij, richtte zich op de praktijk. Met steno- dactylo voor de jongens die graag secretaresse wilden worden. Met de doorschrijfmethode voor de droogstoppels die ambitie hadden als hulpboekhouder. We kregen ook handelscorrespondentie en talen, maar om zelf te mogen schrijven of het woord te voeren moest je naar een echte school gaan. Wij zaten in een tunnel en wisten niet beter. We dachten dat Sint Fredegandus er zo eentje was.

Was er een programma, waren er richtlijnen? Op papier waarschijnlijk wel. In de praktijk leek het of er alleen een samenraapsel leerkrachten was dat zijn boterham kwam verdienen. Zonder bezieling, zonder dat er iemand controle uitoefende, zonder dat er samenspraak was. Het leek een toevallige samenloop van omstandigheden die men naar andere vergelijkbare projecten ‘school’ noemde. Het klinkt hard, maar wie er bij was oordeelt misschien nog strenger.

Kamiel Diddens was toen directeur. Eens per week kwam hij de rapporten uitdelen. Hij was de ‘capo’ in casa nostra-traditie. We hielden de adem in wanneer hij met half gesloten ogen sprak. Als hij slechte punten voor ‘beleefdheid’ becommentarieerde met: dat is d-o-m: “slum” durfde niemand zeggen: ‘dat heb je al honderd keer gezegd.’
Dat je een nul had voor wiskunde, taal of, God betere het, godsdienst was niet belangrijk. Beleefdheid, daar ging het om.

Nochtans kon Kamiel Diddens wel meer zeggen dan dat. Dat weet ik omdat hij regelmatig bij ons thuis kwam eten. Hij, met broeder Nest en de schildpad. Wij noemden die oude broeder ‘de schildpad’ omdat hij geen woord zei en hij een kop had, en vooral een verrimpelde nek, die op die van een schildpad leek. Het was een inspecteur op rust, die in het Starrenhof in Kapellen woonde en om onduidelijke redenen werd meegenomen. Was het omdat het Kamiel zijn beurt was om op hem te letten? Of omdat ze met drie elkaar beter in ’t oog konden houden? Als de schildpad er niet bij was, schoof broeder Armand mee aan als zwijgende derde.

Ouders meegerekend waren we met tien. Maar dat liep gesmeerd. We hadden ervaring. Ook de pastoor en zijn onderpastoors schoven nu en dan aan. Niet voor een flauwe pannenkoek of een boterham met choco. Zij kwamen altijd op vrijdag. Wanneer mijn moeder visjes had gebakken. Wij aten dan zelf wat vroeger, zodat de tafel tijdig kon gedekt worden voor de gasten. De broeders zaten dan braaf met drie op een rij. De capo, die met half gesloten ogen zelf ook niet veel zei. Naast hem de zwijgende mee-eter en dan broeder Nestor, die zijn dankbaarheid soms wou tonen door iets vrolijks te vertellen. Dat vermoed ik, omdat hij vooraf begon te lachen en daardoor niet aan zijn verhaal kwam, omdat hij steevast door broeder Kamiel de mond werd gesnoerd. Hij bracht dan maar geraniums mee voor mijn moeder.

vooraan: broeder Nestor – broeder Berchmans -broeder Kamiel – broeder Albert achteraan: x – broeder Eusebius – x – broeder Armand en broeder Kristiaan

Ik was acht of negen jaar, maar die vrijdagavonden zijn mij bijgebleven. Met een gevoel van medeleven voor broeder Nestor. D-o-m-me Kamiel! Waarom kon hij die broeder niet laten zijn wie hij was? Het was tenslotte toch ook een ‘bestuurder’, als prefect van Sint Fredegandus? Als mens was hij niet meer gesloten dan zijn directeur Kamiel. Bij hem had je nog het gevoel dat hij uit dat harnas wou breken, dat hij hunkerde naar vriendschap en gezelligheid. Maar je kon hem zo moeilijk verstaan. Niet alleen omdat zijn ‘Vlaanders’ zo vreemd klonk, maar ook omdat hetgeen hij zei nog vreemder was.

Hij gaf godsdienst uit Jezuskes tijd. Geneuzel los van de realiteit. Er werden ook nooit vragen gesteld. Het uur ging voorbij terwijl wij turfden hoe vaak hij ‘nietwaar’ zei. Dat klonk het duidelijkst en besloot ongeveer elke zin.

Mijn medeleven van toen ik hem thuis tafelend leerde kennen kwam terug wanneer ik zag hoe hij het mikpunt van de school was. Vooral in de winter toen het nog sneeuwde en iedereen het einde van de speeltijd afwachtte om de prefect met sneeuwballen te bekogelen. Ongelooflijk hoe hij dat onderging. Tien minuten speeltijd stond hij onder de punt van het afdak van het fietsenhok. Slapend zo leek het, berustend in ieder geval. En dan ging de bel en vlogen de sneeuwballen naar hem. En alsof het afgesproken was mikte een regiment jongens naar de sneeuwpartij op de punt van het afdak, zodat die ‘en masse’ op de arme man zou vallen.

Hij moet eenzaam zijn geweest. Met wie kon hij spreken? Hij was de prefect, maar iedereen onder hem deed zijn zin en negeerde hem. Zijn dichtste vrienden waren zijn geraniums, die hij kort voor hij naar de les kwam nog eens ging onderstoppen. Dat zag je aan de zwarte randen onder zijn nagels.

Op een dag zei hij tegen mij in het passeren: “hoe is ’t nog met uw pa. Doe hem de groeten.” Ik was zo geschrokken dat ik niet in staat was iets terug te zeggen. Stel dat ik had geantwoord: ‘Mijn mama is heel blij met de geraniums’, ik denk dat het hem jarenlang plezier zou hebben gedaan.

Wie helemaal geen respect had voor de prefect was de ‘overlever’ broeder Kristiaan Delvigne. Zelfs als prille twintiger (°okt. 38) schopte hij al wild om zich heen. Zou hij het aan zijn brutaliteit te danken hebben dat hij als tachtiger nog altijd voorzitter is van alles wat met Scheppers te maken heeft? Zouden ze bij Scheppers bang zijn geweest van blaffende honden? Ook als die niet bijten?

In de tien jaar dat ik hem gekend heb, had hij in ieder geval geen mededogen. Met niemand. Hij gaf ons Frans. Maar de helft van de les was hij aan het afgeven op de ‘negers’ in Congo, waar hij als ‘broekie’ in witte pij les had gegeven. Hoe vaak heeft hij ons niet vergeleken met die aartsluiaards die gene klop uitvoerden? ‘Leg je hen uit hoe ze een poortje moeten schilderen, zitten ze uren later nog met hun verfborstel in de hand te kijken zonder dat ze iets geverfd hebben.’
Of hij schuimbekte over zijn collega Frans, De Lille, die vast benoemd was en daardoor niet weggestuurd kon worden. ‘Wacht maar wanneer ik het voor het zeggen zal hebben…’ Aan overtuiging, dan toch in zijn eigen kunnen, zou het hem nooit ontbreken. Wie hem een ‘gezellige’ dikkerd noemde, sprak maar voor de helft de waarheid.

Bij hem hadden we kunnen turven hoe vaak hij in de tijd van een lesuur iemand ‘espèce de cornichon’ noemde. Ik heb er decennia lang een afkeer voor cornichons aan overgehouden. Die krokodillen zonder kop brachten mij altijd broeder Kristiaan in herinnering. En mijn goesting was weg. Tot mijn vrouw op een keer zei: ‘het kan best zijn dat hij ‘espèce de cornichon’ zei, maar in gedachten zal hij het in Brussel veelgebruikte “espèce de cochon” bedoeld hebben.
Zou je dat nu nog kunnen, zowat iedereen uitmaken voor ‘stuk varken’? Hoe zouden de mondige moslimleerlingen daar op reageren?

Kristiaan Delvigne was niet de enige broeder die het celibataire leven heel persoonlijk interpreteerde. Maar waar de anderen de firma Scheppers verlieten, zou hij zonder omzien zijn weg banen naar de top. Tot hij daar zat. Als de keizer zonder kleren.

In het prachtige Meeuwenhof leefden nog meer broeders.
Zouden ze dat gebouw tot de grond hebben afgebroken om de schande met jonge knapen uit te wissen? Nu hoor je dat sommige jongens van toen het na vijftig jaar nog altijd niet uit hun geheugen hebben kunnen wissen.
Toen werd er niet over gesproken. Maar ook nauwelijks op gereageerd. Er werd gelachen met enkele jongens die wel meisjes leken en misschien daarom regelmatig bij ‘broederke’ op zijn kamer werden geroepen. Wij wisten niet beter dan het verknipte mouwvegers waren. In die onnozele jaren was het geen onderwerp. Zelfs niet wanneer het ‘broederke’ in kwestie van Deurne naar Alsemberg werd overgeplaatst, en later naar Wetteren. Wij waren al blij dat we van die aansteller met zijn Napoleon-complex verlost waren.

De eerder genoemde broeder Armand riep niemand naar zijn kamer, maar wou altijd mee in de bank komen zitten. Om joviaal te doen? Uit broederschap?
Broeder Berchmans stond soms een kwartier naast jou met een hand op je schouder. Wat vervelend was, zker als je een test blind-typen deed en die hand je bewegingen belemmerde. Misschien wou hij er gewoon zeker van zijn dat je niet spiekte?

Broeder Emiliaan hield zijn handen heel de tijd in bidsprinkhaan-houding voor zich. In stem en beweging was hij de meest vrouwelijke. Toen de andere broeders een kostuum begonnen te dragen, bleef hij trouw aan zijn zwart kleed. Hij straalde alleen als hij in mooie met goud bestikte kazuivels de mis mocht opdragen. Hij had verder gestudeerd en was ook priester. Maar stond hij voor de klas, dan zag je aan hem dat het leven lijden was. Ik herinner mij dat hij naar buiten vluchtte als het hem te veel werd. Zeker die keer toen er iemand tijdens zijn les een stinkbom aangestoken had. Hij deed de deur achter zich op slot en liet ons in de stank zitten.

Alle broeders hadden een voornaam als artiestennaam. Nestor, Kamiel, Kristiaan, Armand, Hendrik, Emiliaan. Alleen broeder Berchmans werd aangesproken met zijn familienaam. Ze noemden hem ook ‘de Pin’, nooit broeder Pin. Dus dat zal wel een bijnaam zijn geweest.
Hij was in die tijd de oudste van de bende, maar ondanks zijn tachtig jaar de meest wereldse. Bij mooi weer was hij te vinden op het Galgenweel waar hij zeilles gaf. Daarnaast begon hij met een accordeon-orkest, ‘de Meeuwkens”, waarmee ze parochiefeesten in de buurt opvrolijkten.
Hij reed met een lichte brommer. Wat al uitzonderlijk was voor een broeder in de jaren zestig. Maar daarbij droeg hij nog ’s een helm. Wat helemaal nog niet verplicht was, maar het beeld wel origineel completeerde.

Je moest al gek zijn om broeder te willen worden. Van velen onder hen dachten wij toen dat ze het ook in mindere of meerdere mate waren. Van broeder Eusebius waren we nogal zeker. Die mens mankeerde iets in zijn hoofd. Hij was heel handig met hout en tekende meer dan behoorlijk. Vandaar dat hij tekenles mocht geven. Dat wil zeggen, dat wij een uur mochten tekenen. Lesgeven was er niet bij. Nog meer dan bij Emiliaan kon je merken dat het niet zijn keuze was. Hij liep onophoudelijk rond in de klas. Getormenteerd. Als een leeuw in een kooi. Zuchtend en blazend. Vandaar zijn bijnaam: ‘soupape’. Ventiel was nog niet in zwang.

Dan leunde hij achteraan in de klas met zijn hoofd tegen iemand aan om te zeggen: ‘die zievereir daar peist dat ik het niet gezien heb, hé. Wacht maar! Twee strafpunten, joeng.’ Om vervolgens vooraan in de klas hetzelfde te gaan zeggen over iemand achteraan in de klas.
Om zijn woede te kalmeren gooide hij met krijtjes. Niet zo goed als ‘den Teen’ een leraar wiskunde die, als ik mij goed herinner, Denissen heette. Die smeet zijn krijtjes als kogels.

Baert, Plasmans en Vissers gooiden met bordvegers. Als het tegen je lijf was zag je trui helemaal wit van het krijt, kreeg je zo’n bordveger tegen je hoofd deed dat behoorlijk pijn. Met meneer Baert heb ik het ooit voorgehad. Maar in plaats van in elkaar te kronkelen, bleef ik hem recht in de ogen aankijken. Daar werd die zo razend van dat de aders op zijn kale, rood aanlopende kop bijna sprongen. “Bandet! Buiten.” Ik heet helemaal niet zo, maar hij noemde me zo omdat hij in het begin van het jaar mijn naam fout gelezen had als ‘Bandet’. Ik bleef zitten tot het speeksel uit zijn razende mond mij bijna raakte. Dan stond ik treiterig traag op uit mijn bank. Hij kwam achter mij aan om mij een trap onder mijn broek te geven. Vooraleer hij mij kon raken pakte ik, zonder omkijken, zijn voet vast en trok door. Tot grote hilariteit van mijn medeleerlingen lag meneer Baert tussen de banken op de grond.
Toen directeur Kamiel mij op zaterdag vroeg waarom ik punten van beleefdheid had gekregen, legde ik het voorval uit. Voor een keer zei hij niet d-o-m: slum, maar wuifde met zijn hand om aan te geven dat ik mocht gaan zitten.

Wij waren zo braaf en toch waren er zo veel leerkrachten die voortdurend over hun toeren waren. Of niet opgeleid of geschikt voor het beroep.
Als kind vond ik het normaal dat je de mensen tegen wie je sprak aankeek. Blijkbaar werd dat de leraren niet aangeleerd. Meneer Vissers stond daar vaak als een vis op het droge naar lucht te happen en keek alleen met toegeknepen ogen in de klas als hij aanlegde met zijn bordveger om diegene die hem stoorde uit te schakelen met een welgemikte worp. De enige momenten dat hij enigszins relax was en zelfs kon lachen was als hij vertelde over zijn legerdienst.

Ook meneer Plasmans keek ons nooit aan. Bij hem hadden we misschien wel geruisloos de klas uit kunnen sluipen. Hij gaf ons geschiedenis. Wanneer hij na een uur de klas uitstapte deed iedereen zijn schrijfarm pijn. Hij begon op het linker bord, pende dat vol, terwijl hij aan zichzelf dicteerde wat hij schreef, dan pende hij het middelste bord vol, vervolgde op het rechterpaneel, klapte dat om en ging verder. Wanneer hij in vorm was en alle borden volgeschreven waren, veegde hij een eerste bord af. Zonder omzien naar de klas. Wie niet kon volgen had pech.

Meneer Gevers keek ook altijd boven onze hoofden naar het plafond, maar dat kwam omdat hij seksuele voorlichting gaf. En dat deed hij heel anders dan de onwetende broeder Emiliaan. Deze man sprak uit de praktijk. Hij gaf ons bijvoorbeeld de raad, voor wanneer we later getrouwd zouden zijn, van altijd een pot vaseline op het nachtkastje te zetten. Ik was met de klap wakker. Vaseline ? Dat gebruikt mijn vader om af te schminken als hij toneel speelt. Omdat het een amateurgezelschap was, ging die pot vaseline vrolijk van hand tot hand.

Meneer Gevers was behoorlijk cool ondanks de hete onderwerpen die hij behandelde. Op een keer sprak hij over het celibaat. Een oudere leerling, die elk jaar voor een meerjarenplan koos, durfde op te merken: “trek die mannen hun broek uit en ge zult zien dat ze een spel hebben zoals iedereen…” Onverstoord antwoordde meneer Gevers: “ik stel voor dat iedereen naar zijn eigen broek kijkt?” Het was meteen b(r)oeken toe.

Meneer Moens, gemeenzaam ‘de Smos’ genoemd, was nog zo’n plafondkijker, hoewel hij meetkunde gaf. Hij was ook geen man om voor een klas te staan en liep altijd rood aan wanneer je hem uit zijn evenwicht bracht. Door bijvoorbeeld zijn driestappenplan : “gegeven – te bewijzen – bewijs” overhoop te halen. Het volstond zijn vertrekpunt : “we weten dat…” te betwisten met een: “maar leg eens uit, hoe weten we dat?” . Keer op keer liep hij er niet alleen in, maar ook in vast. Wat een ellende om altijd weer de hele meetkunde van het begin te moeten uitleggen. Hij werd er doodongelukkig van, terwijl wij achter zijn rug gniffelden met hoe hij zijn linkerhand zo frivool in zijn zij hield en hoe zich met zijn andere hand vastklampte aan een krijtje dat maar schreef en tekende om het niet gevraagde te bewijzen. Tot hij er zelf niet meer wijs uit raakte.

Hij woonde bij ons in de buurt. Ik wist dat hij getrouwd was, maar er waren genoeg die vonden dat hij niet alleen een zacht eitje, maar ook een mietje was.
Dat dachten we ook van meneer Sips. Meer dan tien jaar voor de Village people beroemd werden, droeg hij een leren gilet en een typische Village-people-snor. Hij reed in knalrode Anglia en van zijn wiegend loopje kon je zeeziek worden. Van hem wisten we alleen dat hij Russisch studeerde, omdat hij er zo over stoefte. Ik herinner me ook dat hij bij examens van achter een krant, waar hij een kijkgat in had gemaakt, surveilleerde. Hij werd dan wel eens l’oeil de Moscou genoemd.

Het toeval wil dat ik hem twee jaar geleden samen met andere oud-leerlingen tussen pot en pint heb ontmoet. Hij was het tegendeel geworden van een communistische spion. Hij ging er prat op dat hij nog regelmatig Duitse strijdliederen zong. En dat ze toen wel raad wisten met dat bruin gespuis. Toen ik hem zei: “wij waren ooit wel leerlingen van jou, maar eigenlijk ken je ons toch niet? Ik heb langs moeders kant joodse voorouders en ben redelijk geschokt door wat jij hier uitkraamt..”, antwoordde hij, zonder blikken of blozen: “dan ben jij het bewijs dat ze met de gaskamers hun werk niet grondig genoeg gedaan hebben!” Daarmee vergeleken verbleken de negers van broeder Kristiaan.

En wij die dachten dat Sips en Smos als Sipje en Sopje van de andere kant waren. Van de leraar die wel zo was, beseften we het niet. Omdat dat uit niets leek. Hij leek iemand uit de film. Ik zat er in de les naar te kijken hoe er nooit één haartje verkeerd zat in zijn kapsel. Beter dan bij Cary Grant. Ook zijn kleding was klasse. Mijn peter was kleermaker, net als de leraar zijn broer overigens. Ik wist dat de kwaliteit in afwerking van een kostuum onder meer af te lezen is aan de manier hoe revers op de kopzijde met de hand gepikeerd worden. Zijn model regenjas met korte kraag zag je alleen in de film en ik weet nog hoe zijn winterjas er uit zag. Die kocht hij zeker in Parijs.
Ik denk niet dat hij een auto had. Hij kwam met de tram en te voet. En zijn pas was ook haast filmisch. Met bekwame spoed, sportief en mannelijk. Dat men hem Fifi noemde, deed bij mij geen lichtje branden. Mijn oudste broer werkte in een elektro-groothandel en die sprak altijd over Hifi, High Fidelity, dat was nieuw en wie mee wou zijn nam het in de mond, dus leek het mij logisch dat Fifi naar analogie stond voor Fine fidelity. Omdat meneer De Lathouwer zacht praatte. Daarom zette hij zich altijd nonchalant op een vrije bank, te midden van ons. Om dichterbij te zijn en zijn stem niet te moeten verheffen.

Hij is nu in de tachtig en altijd een verfijnd en discreet man gebleven. Altijd vriendelijk en empatisch in de omgang, hoewel we dat woord toen nog niet kenden. Ik herinner hem als een warme mens. Zo verschillend van zijn collega’s die elke morgen boterhammen met zuurpruimen aten.
Hij had esthetica moeten geven. In de plaats van Theo Salden, die vesten droeg in de meest waanzinnige kleuren. Okergeel, olijfgroen en zilvergrijs.
Omdat hij die vest te lang bleef dragen sloeg die zilverdraad groen uit. Esthetica was voor hem een verplicht nummer. Van daar dat we op een heel jaar maar vijf pagina’s in ons schriftje volgeschreven hadden. Zijn vak was boekhouden. Zijn hobby basket. In de les combineerde hij die twee. Als hij het over activa en passiva had voerde hij met een onzichtbare bal aan zijn grote handen dribbelbewegingen uit. Omdat ik de hele tijd naar die drukke handen zat te kijken luisterde ik nauwelijks naar wat hij zei en begreep ik niks van boekhouden.

Ik moet het nog over een andere man uit de film hebben. Onze leraar Engels en Duits. Voor mij was hij Elliot Ness. Niet van de film the Untouchables, maar Robert Stack van het gelijknamige feuilleton uit de jaren zestig. Niet dat meneer Cuppens op Stack leek, maar de manier hoe hij voor de klas stond, ook wel in onberispelijk streepjes kostuum, deed mij aan Robert Stack denken. Met zijn boek in de ene hand en zijn sigaret in de andere. Die sigaret hield hij niet tussen de V-vorm van zijn vingers, maar met duim, wijs- en middenvinger bracht hij het – niet brandende -topje van zijn sigaret behoedzaam naam zijn lippen. Als hij dan inhaleerde trok hij één oog dicht. Niemand waagde het een kik te geven of te hoesten van de rook die hij uitblies.

Wij hadden ook een leraar muziek, meneer Vandeputte. Hij had ooit de prijs van Rome gewonnen. Nochtans zag hij er helemaal niet sportief uit. Ik heb nog een schriftje Muziek uit die tijd. Ik was van goede wil, de eerste pagina had ik versierd met muzieknoten en instrumenten redelijk knullig in kleurtjes getekend. En dan… drie pagina’s muziek, voor een heel jaar. Niet meer, gelukkig ook niet minder.
Op zekere dag werd hij door een grotere leerling bij zijn revers tegen het bord geplakt. Meneer Cuppens die in de klas ernaast aan het lesgeven was, stormde binnen en plakte die leerling niet tegen het bord, maar tegen de muur. Boenk, boenk, boenk. Of meer dan drie keer.
Van de zes jaar leerkrachten staat hij op nummer één. Als ze mij vragen “wat heb je geleerd op Sint Fredegandus”, zal ik spontaan zeggen “Engels en Duits bij Cuppens” en daarnaast met tien vingers typen.
Onderaan staat de eerde genoemde “lul”, officiële naam De Lille. Die man was echt niet in staat van les te geven. Die was zo zenuwachtig, had zoveel schrik dat hij beloofde van geen les te geven als de klas zich koest hield. Ik zat ook in die klas maar vond dat ‘knudde’. De ‘lul’ begon dan in het Antwerps over ‘den Beerschot’ te zeveren. Zijn favoriete club. Broeder Kristiaan sakkerde daar vaak over, maar hij had gelijk.

Sint Fredegandus in de jaren zestig. Het was iets, maar vooral leek het op niks.
Hoe kun je het nu inbeelden dat de turnles, bij gebrek aan turnzaal vervangen werd door lessen wegcode? Toch kwam die turnleraar, ik denk dat hij Frans heette, elke keer in polder- sportbroek en wit T-shirt naar de klas. Daarover droeg hij een geklede groene vest. Ik denk dat hij kikte op het feit dat hij in een klaslokaal stond. In andere scholen geraakte hij daar waarschijnlijk nooit. Hij was dan ook strenger dan de andere leraars. Om de verkeerssituaties te illustreren, moesten wij dan prentjes uit een drukwerk van Via Secura knippen en in ons schriftje kleven. In die tijd had je nog geen lopende ‘Velpon’. Populair waren potjes zoals voor filmrolletjes, waarin een schupje zat waarmee een soort geplette rijst-kleefstof op het blad kon worden aangebracht. Maar omdat je daar niet mooi kon mee aflijnen, kleefde de pagina’s van mijn schriftje aan elkaar. De leraar ‘turnen’ gooide mijn schriftje in de uiterste hoek van de klas. Ik kreeg een rode nul voor turnen omdat ik pech had met mijn schriftje ‘wegcode’. Gekker kon het niet worden.

In het hoger middelbaar kregen we nog nauwelijks Frans, maar wel Franse correspon-dentie. Van nog zo iemand die ons wou laten boeten. Die trok al punten af, als je een komma vergat. ‘Une virgule’, zei hij dan, want om ons te laten voelen dat wij de Frans taal verprutsten, sprak hij geen woord Nederlands. Deze meneer heette Nau, maar iedereen noemde hem Flikka. Wanneer er tijdens de vasten ’s morgens in de kapel van het klooster drie man en een paardenkop zaten, wist iedereen dat meneer Nau naar de mis was geweest.

En dan kom je in de echte wereld en merk je wat je met die zes jaar Sint Fredegandus kunt aanvangen.
Mijn eerste ‘sprekende’ vakantiejob deed ik bij de Wijngaardnatie. Naast het verifiëren van laadbrieven voor hun schepen, moest ik ook nu en dan de telefoon aannemen.
De baas was over de middag gaan lunchen met zijn secretaresse. Iemand aan de telefoon wou hem dringend spreken. In mijn beste schoolfrans wou ik uitleggen dat hij over een kwartiertje zeker terug zou zijn. In plaats van te zeggen ‘il rentre dans un quart d’heure’, zei ik, bloednerveus maar toch mooi: “il rentre dans un coeur d’art.”

Hugo Bernolet – Maart 2018
Geplaatst in Nostalgie | Een reactie plaatsen

Met mijn vergrootglas over mijn klas

Fons had de griep. Hij miste zijn vriendjes van 2A in Rumoldus. Ik schreef hem dit verhaal over zijn klasgenootjes. Einde van de week was hij genezen en mocht ik het in de klas komen voorlezen…

 Fons is ziek. Hij is in de greep van de griep. Zijn temperatuur klimt boven de veertig.
Hij hoest als een hondje dat bang heeft in het donker. Hij kan niet naar school. Gloria wel. Mama is naar de unief. Papa blijft thuis werken. Hij zit beneden aan zijn computer. Fons kan hem zien door zijn vergrootglas.

Zijn vergrootglas is een afgekeurde lens voor de sterrenkijker van zijn overgrootvader. Bij het slijpen waren er krasjes in gekomen. Sindsdien ligt ze ongebruikt in een kistje met rood fluweel.
De lens zelf vond dat niet erg. Waarom zou ik opgesloten moeten zitten in een sterrenkijker, dacht de lens. Nu ben ik vrij. En als er ooit toch iemand door mijn krasjes wil kijken, zal ik die belonen met de beelden die hij of zij graag zou willen zien.

Fons was de eerste die de tovenarij ontdekte. Hij sprak er echter met niemand over. Hij mocht die lens niet alleen uit zijn kistje halen.
Hoe kan die nu breken, dacht Fons. Die lens is zeker vijf centimeter dik.
Omdat ze zo groot was als een taart voor 12 personen, was ze natuurlijk erg zwaar om op te tillen.
Het was altijd een karwei om de lens bovenop een oude lampenkap te tillen. Maar dan was zijn vergrootglas klaar. De hoogte van de lampenkap was net goed om hetgeen hij wou zien scherp te stellen en het licht dat door de lampenkap viel kleurde de beelden mooier dan echt.

Vandaag kijkt hij naar papa. Die zit met een koptelefoon op aan zijn computer.
Met de ene hand tikt hij op de toetsen van zijn computer. Met de andere hand speelt hij in verbeelding mee met de jazz waar hij naar luistert. Papa luistert graag naar jazz. Altijd via de koptelefoon. Ook wanneer hij piano speelt luistert hij naar zichzelf via de koptelefoon. We weten niet of hij goed kan spelen, want wij kunnen het niet horen. We zien alleen zijn vingers. En die gaan niet boogiewoogie, altijd hetzelfde, op en neer. Zijn vingers springen naar alle kanten alsof de toetsen in brand staan. Plingplong krakkeboem reutemetazz-jazz.

Bij jazz kies je zelf wat je doet. In de muziek, maar ook in taal. Ik schrijf bijvoorbeeld vrind met alleen een ‘i’, kint met een ‘t’ en iullie met een ‘i’ in plaats van een ‘j’. Dat is jazz.
Ik denk dat de juf dat niet zo erg vindt, want zij schrijft haar naam Barbra niet zoals alle andere Barbara’s hun naam schrijven. Barbera zou nog mooier zijn. Met een ‘e’ betekent het ‘vreemdeling’, in het buitenland geboren. Zoals sommige kinderen van mijn klas.

Mijn klas, na één dag mis ik al mijn klas, mijn vrienden en vriendinnen en natuurlijk juf Barbra.
Kan ik haar zien onder mijn vergrootglas? Ja, daar is ze. Ik zie haar praten, maar ik hoor ze niet. Ik weet hoe zacht ze praat. Het lijkt wel of ze watten in haar keel heeft.
Zo anders dan de juf van vorig jaar. Ook een heel goede juf, die voor ons het prachtige ‘spektakel’ maakte, maar met een stem als alle klokken van Rome samen.
Ik zag juf Ria ook eens onder mijn vergrootglas. Er was een voetbalwedstrijd bezig. Op een bepaald moment blijven alle spelers staan en kijken dezelfde kant uit. Ook de supporters kijken die kant uit. De scheidsrechter loopt naar de rand van het veld en trekt een rode kaart. Niet voor een speler op het veld, maar voor iemand uit de tribune. En dan zie ik juf Ria die wordt weggeleid door twee mannen met een rode armband om. Ik kan niet horen wat ze roept, maar iedereen in het stadion wél en daarom moet ze buiten.

Mijn vergrootglas is fantastisch, maar het zou nog leuker zijn moest er ook geluid bij zijn. Nu kijk ik precies naar een stomme film. Toen ik nog niet wist wat dat was, zat ik eens op een zaterdagmiddag naar een film te kijken. Mijn papa passeerde en zei “dàt is nu echt een stomme film…”
“Please papa, mag ik toch verder kijken? Dat is Charlie Chaplin. Ik vind die leuk.”
“Ja, zei papa, kijk maar verder, maar weet dat dit een voorbeeld is van een stomme film.” Papa zag dat ik bijna begon te wenen en dan legde hij uit dat een ‘stomme film’ niet meer dan een film zonder geluid is. Om toch muziek bij de beelden te hebben, zat er vroeger in de cinema een pianospeler naast het podium. Ik denk dat die jazz speelde.

Mijn vergrootglas maakt veel goed. Zeker wanneer ik, zoals nu, ziek ben.
Wanneer ik mij concentreer kan ik door mijn vergrootglas zien wat ik wil. Mijn juf denkt soms dat ik mij niet kan concentreren, dat ik zit te dromen en naar buiten uit het raam kijk. Ik kan haar natuurlijk niet vertellen dat ik dan aan het oefenen ben om door mijn vergrootglas te kijken. Als ik mij concentreer zie ik door het raam ook van alles.

Eens kijken wat mijn vrienden nu aan het doen zijn.
Zie ik dat goed? Gaat mijn klasje voetballen? Zou dat komen omdat ik terugdacht aan juf Ria die met haar groot lawijt uit het voetbalstadion werd geleid? Of zou het zijn dat we sinds kort een nieuwe jongen in de klas hebben die Davoet heet. Davoet doet aan voetbal denken. Of zou het komen door mijn koorts?
Het lijkt een echte wedstrijd. Op een groen veld, met twee ploegen van elf.
In de blauwe ploeg staan onder meer Tibe, Robbe, Zakaria, Laura, en Rayan naast Julia, Jessica, Quincy, Dina, Achi en Jessica. Zoveel brildragers bij elkaar. Hun trainer is Anthony, nog een brildrager. Zou die mikken op een brilscore (0-0). Dat zou hen wel passen. Zal ik ze de mollen noemen?
Goed. Dan noem ik de andere ploeg de Russen. Ze spelen in het rood. Met Mats en Lucia in de spits. Met verder Nikita, die kapitein is, Kayla, Jules, Gaston, Eline, Ebe, Lisse, Jasper en Alan. Hun trainer is Nikolas.
Het is een wedstrijd van Rus-mol-dus. Met de Russen tegen de mollen. Juf Barbra is scheidsrechter.

Ik zie Juf Barbra op haar vingers fluiten. Dat mag, maar kan iedereen haar horen.
Ik in iedere geval niet. En de spelers blijkbaar ook niet.
Hallo jongens, komt er nog wat van?
Ebe en Zacharia staan praten met Mats, alsof er nog niet gefloten is.
Ook Julia en Laura staan te giechelen. Zoals altijd met hun vriendin Lisse.
Meisjes, Lisse speelt bij de andere ploeg. Zij is nu even jullie tegenstander.
Gelukkig is er Jasper. Hij heeft het begrepen en brengt, rustig als altijd, het spel op gang. Via Gaston en Kayla komt de bal bij Mats, maar die zit nog niet in de wedstrijd. Komaan, Mats praat verder tijdens de rust.
Alan heeft wel er zin in. Hij trekt spurtjes langs de flank. Hij is de beslist de snelste, maar alleen ik zie dat. Wanneer krijgt hij de bal aangespeeld?

Eindelijk, de eerste goeie aanval wordt opgezet. Hij vertrekt bij Jasper, die heeft Alan gezien. Alan perst er weer een spurtje uit en legt mooi naar het midden. Nikita controleert de bal en snelt naar het strafschopgebied. Daar staat Quincy. Oh Oh, Nikita botst in volle snelheid tegen Quincy. Juf Barbra fluit voor een obstructiefout. Maar dat is niet juist. Quincy heeft niks fout gedaan. Hij heeft nog geen voet verzet. Hij speelt nooit voetbal.
Toch gaat juf Barbra in haar achterzak en haalt er een gele kaart uit én meteen een rode. Maar wat doet ze nu? Ze trekt ook nog oranje en blauw.
Neen toch? Ze trekt de foute regenboog van K3. Waar zijn we mee bezig, zeg.
Lisse, Laura en Julia vinden dat natuurlijk leuk en beginnen spontaan alle kleuren
van de regenboog te dansen.Vrienden, hebben wij nog een wedstrijd? Wat zou ik nu graag op het veld staan.

En dan breekt de zon door, zoals dat vaak gebeurt na een regenboog. De stralen weerkaatsen op de armbandjes en de diadeem van Jessica. Ik kan niks meer zien in mijn vergrootglas. Verblind moet ik terug in mijn bed. Rustig mijn koorts meten. Toch even wachten daarmee. Ik zou van opwinding de koortsmeter stuk bijten.

Wanneer ik kort geslapen heb en de koorts is afgenomen, is de wedstrijd nog altijd bezig.
Ik ben net op tijd om wellicht de beslissende aanval van de wedstrijd te zien.
Alan heeft van de flank de bal prachtig tot bij Mats gebracht, die met een lange dribbel
de nog steeds stilstaande Quincy voorbij gaat, vervolgens ook zowel Achi, Rayan als Robbe zot dribbelt om dan loepzuiver de bal op het hoofd van Jules te leggen. Die slaagt er in de bal voor de voeten van Lucia te koppen.
Tibe schiet op het goede moment wakker en komt uit zijn doel op Lucia af gelopen. Maar Lucia omspeelt moeiteloos Tibe, die er bij gaat liggen.
Nu moet Lucia scoren, het doel is leeg. Maar lief als zij is, laat zij deze open doelkans aan Jules en speelt zonder te kijken de bal in zijn richting.
Wat jammer. Jules is niet gevolgd. Hij is de andere kant op gelopen.
Hoe is dat nu mogelijk? Ik denk dat alle Russen nu hun haar uittrekken.
Jules, Jules, Jules toch. Wanneer een andere speler geblesseerd is, dan is die gekwetst. Aan zijn been of zo. Wanneer Jules geblesseerd is, hangt zijn bles weer voor zijn ogen en ziet hij niks meer. Mats had de bal nog zo mooi op het hoofd van Jules geschilderd en Jules had knap doorgekopt naar Lucia, maar daardoor kwam zijn bles voor zijn ogen en liep hij de verkeerde kant uit. Wat een gemiste kans.
Ik mag roepen zoveel ik wil, ze horen mij toch niet.

Uiteindelijk mogen de Russen toch nog juichen.
De mollen verdedigen zo goed ze kunnen om de brilscore op het bord te houden.
Hun speelhelft ligt ondertussen bezaaid met molshopen. Maar de Russen blijven komen. Onder aanvoering van Nikita voeren zij de druk op. Slag om slinger slalommen ze tussen de molshopen door.
Het is mijn goede vriend Ebe die tot zijn eigen verbazing scoort. De mollen hadden zo hun handen vol met verdedigen dat ze niet gezien hadden dat hun doelwachter Tibe het net van de doelpalen had genomen om er een hangmat van te maken. Daar lag hij ondertussen lekker in te slapen. Onder de hangmat door vloog de bal binnen.
Juf Barbra fluit de wedstrijd af. Ik druip af naar mijn bed.

In de late namiddag komt mama thuis van haar werk. Ze komt kijken hoe het met mij is.
In paniek loopt ze naar beneden. We moeten met Fons naar de dokter. Hij gloeit van de koorts en volgens mij is hij aan het ijlen. Hij roept de hele tijd in zijn slaap : ”De Russen komen, de Russen komen…!”

“Dat komt er van,” zegt papa. “Het is goed dat ze die kinderen meer willen laten lezen, daar niks van, maar waarom moeten ze die angstaanjagende titels uit de kranten lezen. Een leuk verhaaltje is toch zo veel beter…”

Hugo Bernolet – 13 maart 2018
Foto 1: Fons 3 jaar 4 maanden – Foto 2: klas 2A Rumoldus tijdens voorleesmoment
Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Het geheim van het knisperkonijn

Celestein het knisperkonijn was nog een echt konijn toen Joria het in het park vond.
Het lag verkleumd onder de sneeuw toen een wolkje sterrennevel er overheen streek.
Door de warmte van de sterrennevel droogde de sneeuw naar binnen op en zou voor
altijd blijven knisperen.
Joria moest het konijn laten liggen van haar mama. Toch nam zij het de volgende dag
mee naar huis. Onder haar jas, tegen haar hartje. Toen mama Joria uit haar jasje hielp
en het konijn ontdekte, leek het helemaal niet meer op het konijn dat ze in het park
gezien hadden. De sterrennevel had het konijn omgetoverd.

De sterretjes wilden het konijn helpen omdat de familie konijn nooit lief was geweest
voor Celestein. En al de dag erna werd het konijn in het park gevonden door een erg lief meisje. Joria heette ze en ze wou het konijntje absoluut redden. Hoewel haar mama dat helemaal niet zag zitten.
Het meisje pakte Celestein op en Celestein werd meteen verliefd. Wat deed het deugd
door iemand geknuffeld te worden. Dit had hij nooit eerder meegemaakt. Voor de meesten was Celestein een vies konijn met een vuile pels. Maar dat lief meisje keek daar gewoon aan voorbij. Zij liet zich ook niet afschrikken door de reactie van haar mama of van haar broer Fox. Hoe fantastisch zou het zijn van altijd bij zo’n lief meisje te mogen blijven?
Lieve sterretjes, vroeg het konijn, als ik een wens mag doen, als jullie voor mij willen toveren, maak het dan mogelijk dat ik bij haar kan blijven. En de sterrennevel deed zijn werk.

Toen mama het konijn van onder Joria haar jas haalde, was Celestein veranderd van een echt konijn in een zacht pluchen speelgoedkonijn. Weg was de bruine harige pels. Het konijn was helemaal wit, met hier en daar een lijntje roze. Aan de binnenkant van de oortjes, aan de kussentjes van de pootjes. Het konijn paste helemaal bij het meisje. Joria droeg die dag haar roze kleedje dat aan de randen afgelijnd was met een wit biesje. Dezelfde kleuren als het konijn, maar dan omgekeerd.

Niemand was meer verbaasd dan het meisje zelf. Want zij had het konijntje in het park onder haar jas gestoken en zij wist dat het een bruine, niet zo propere pels had. Dit is een toverkonijn galmde door het hoofd van Joria. Dit mag ik nooit loslaten. Dit konijn gaat mijn leven veranderen. Niemand anders heeft dit.

Joria hield Celestein altijd bij de hand. Ze praatte er mee alsof het een mens was. Het konijn maakte haar sterk. Maar owee als ze het even niet vond. Dan was ze echt in paniek. Ook wanneer iemand zei dat het toch maar een gewone vod was. Die bliksemde ze neer met haar ogen, zoals alleen zij dat kon. Er was de wereld van iedereen en er was de wereld van Joria en haar konijn.

Als ze ging slapen bewoog ze de stof van het konijn de hele tijd tussen haar vingers. Ze hield van het knispergeluid. Zo knisperde ze zichzelf meestal in slaap. Zelfs wanneer ze sliep lieten haar vingers zonder ophouden het konijn knisperen. Het gaf haar een goed gevoel.
Zij bleef haar konijn gewoon ‘konijn’ noemen. De naam Celestein was een idee van mama. Haar mama die met de beste bedoeling konijn in de wasmachine had gestoken.
Maar wat een drama. Konijn knisperde niet meer. Het was properder nu, zoals mama wou, maar het leek inderdaad niet meer dan een gewone lap stof geworden. Alle leven was weg uit het konijn.

Joria was ontroostbaar. Avond na avond huilde ze zich in slaap. En toen haar tranen op waren werd ze boos op mama. Zo boos was ze nog nooit geweest. Haar konijn betekende alles voor haar. En dat had mama nu maar eventjes kapot gemaakt.
Waarom kunnen kindjes mama’s en papa’s niet straffen als die iets fout doen? Zij straffen ons zoveel zij willen. Dat is niet eerlijk.
Joria had het gedurfd van dat vlakaf aan mama te zeggen. Mama was geschrokken, maar wou nu niet te zeer tegen Joria ingaan. ‘Kindjes moeten naar mama’s luisteren, omdat mama’s ouder zijn en hun kindjes op die manier leren leven’, zei mama daarop.
‘Dan moet jij toch naar jouw mama luisteren, die is ouder dan jij. Of moet dat niet meer? Van wanneer moet dat dan niet meer? ‘
‘Maar kindje toch, oma is oud, en op een bepaald moment weten oude mensen het niet meer zo goed’, zuchtte mama, en ze wist op voorhand dat haar dochter hier geen vrede mee zou nemen.
“Oma is te lief ja, om aan jouw oren te trekken. Oma zal waarschijnlijk zeggen: Mama doet haar best. Wel, ik doe ook mijn best. Maar je kunt je best doen en toch fouten maken. Zoals met mijn konijn.”

Mama zag wel dat Joria boos bleef omdat zij haar konijn gewassen had. Maar wat kon ze er nu aan doen?
Fox was de eerste die naar een oplossing zocht. Op een avond wachtte hij tot Joria in slaap was gevallen. Voorzichtig nam hij Celestein uit haar hand en ging er mee naar de keuken. Daar stopte hij het pluchen konijn in het diepvriesvak van de koelkast. Misschien zou het knisperen terugkomen door een nachtje in de kou?

Die ochtend was hij Celestein vergeten. Ze moesten snel naar school. ’s Avonds haalde hij het konijn uit het diepvriesvak. Het was een stijve plank geworden. Je zou er mee kunnen pingpongen. Zonder dat Joria het merkte stopte hij Celestein in het opwarmkastje van de chauffage.
Toen ze gegeten hadden zocht Joria naar haar knuffel. “Oh, Joria, ik vond dat Celestein vanmorgen zo koud had en ik heb hem in het kastje van de chauffage gestopt…Sorry dat ik dat niet gezegd heb, maar we moesten ons haastenvoor school…” Fox trok een afwachtend gezicht. Misschien zou Joria nu ook boos op hem worden. Het tegendeel was waar.
Ze liep naar de radiator, deed het deurtje open en haalde er Celestein uit, die geen stijf plankje meer was maar toch nog koud aanvoelde. “Dankjewel, Fox”, zei Joria met stralende oogjes, en tegen konijn: “je was toch niet bang, hé, toen Fox jou in het kastje van de chauffage stopte? Fox heeft goed voor jou gezorgd. Maar je hebt nog altijd koud. Kom maar bij mij, misschien ben je toch nog mijn toverkonijn?”

Fox straalde, mama had tranen in haar ogen. Hoe kon ze het goed maken bij Joria?

Ze had al wel eens gehoord van knisperfolie. Als ze die nu ergens zou kunnen vinden, zou ze die misschien in het konijn kunnen innaaien. Zou dat een verschil kunnen maken?

Ze durfde er niet aan denken dat dit pluchen speelkonijn ooit het zieke konijn uit het park was geweest. Als dat echt waar is zitten er misschien nog de darmpjes van het konijn en zijn hartje en al de rest nog in wanneer ik het openknip om er knisperfolie in te steken? Of duizenden wormpjes die alle ingewanden ondertussen hebben opgepeuzeld? Mama rilde bij de gedachte. Neen, daar durfde zij niet aan beginnen. Misschien dat oma het wel wil proberen?

Natuurlijk wou oma haar kindje helpen bij het helpen van haar kindje. Ze moest zelfs niet op zoek naar knisperfolie, ze had gewoon een lege zak chips meegebracht. Die knipte ze op maat van het konijn, maakte hem met losse steekjes hier en daar vast en naaide er een nieuw laagje witte stof over. Daarna borduurde ze de oogjes van het konijn iets groter zwart.
“Op die manier zou ik het ook kunnen”, zei mama toen oma het knisperkonijn teruggaf. “Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan”, lachte oma. “Och, je moet niet altijd alles tot op het laatste draadje willen uitpluizen” knipoogde oma naar mama.

Die avond lag Celestein zoals gewoonlijk naast het hoofdkussen op Joria te wachten.
Toen Joria konijn vastpakte en konijn zoals vanouds knisperde, leek het wel of Joria door de bliksem getroffen werd. Ze werd spierwit en daarna rood van opwinding.
“Je knispert!” riep Joria. “Konijntje, konijntje, konijntje je knispert terug! Fox! Konijn kan terug knisperen… En kijk die ogen. Kijk es hoe groot die naar mij kijken. Dag zoeteke, ben je terug? Oh, wat heb ik jou gemist. Mama, mama kom vlug, Celestein is terug.”

Mama kwam de trap op gehold. Fox mocht konijn als eerste even in zijn handen houden.
“Ik vind dat Celestein naar chips ruikt”, zei Fox.
“Foòòx” zei Joria verveeld.
“Maar dat is net goed, Joria”, zei Fox snel. “Dat betekent dat Celestein echt terug is en dat hij zich nog meer dan vroeger aan jou wil aanpassen. Hij weet hoe graag jij chips eet.”

“Zo is het maar”, zei mama, die tevreden de kamer in keek.
“Maar mama beloof mij dat je konijn nooit meer in de wasmachine zult steken.”
“Beloofd”, zei mama en ze spuwde tussen haar vingers zoals de Stampertjes dat deden in de film van Pluk en de Pettenflet. “Bah, mama, wat doe je nu weer? Dat was recht in mijn gezicht. En jouw speek stinkt”, zei Fox die daarmee een mooi verhaal minder mooi beëindigde.

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Joria en het knisperkonijn

In de vakantie vertelde ik de kinderen voor de vuist weg over Pjotr de globetrotter. Omdat ze er steeds meer van wilden horen, schreef ik voor hen een avonturenboekje over Pjotr. Toen ik er weer uit voorgelezen had zei Gloria:”Opa ik vind die avonturen ook wel leuk, maar wanneer schrijf je eens iets voor mij alleen?”
Ik beloofde over haar knuffel te schrijven. Dat werd een ‘knisperkonijn’.

Celestein was een flodderkonijn. Het magerste konijn dat je kon indenken.
Als je het zag liggen zou je denken dat iemand een stofvod vergeten had. Een stofvod met lange oren. Zijn oren waren langer dan die van andere konijntjes. Het leek of alleen zijn oren groeiden. Omdat hij zo klein was, sleepten zijn oren achter hem aan. En hij kon al zo moeilijk lopen. Overal en altijd was hij de laatste. Zeker ook als het eten verdeeld werd. Al keek hij zo uitgehongerd en droevig, niemand dacht er aan met hem delen.
In de drukte vergaten ook mama en papa hem vaak. Terwijl zijn broertjes en zusjes mooi rond en gezond opgroeiden bleef Celestein plat als een vaatdoek. Het leek of hij er niet bij hoorde.
Hij woog zo licht dat de broertjes en zusjes hem wel eens van de ene naar de andere gooien. Niet als een bal maar als een frisbee, een platte pannenkoek. Celestein sloot dan zijn oogjes en gaf geen kik. Hij kon zich toch niet verweren. Hij had de kracht er niet toe en er was niemand die het voor hem opnam. Laat maar waaien die plagerijen. Terwijl waaien in de wind niks voor hem was, want dan vloog hij gewoon weg. Joelend liepen de anderen hem achterna. Tot hij in de takken van de bomen bleef hangen. Dan keerden ze hun rug en zochten een ander spel. Terwijl Celestein daar bleef hangen. Alleen een forse rukwind kon hem terug op de begane grond brengen. In plaats van zijn broertjes en zusjes te berispen, lachte papa er mee en noemde Celestein een wegwerpkonijn.

Op een dag had het gesneeuwd. Ook dat was erg voor Celestein. Want meestal moest hij buiten slapen. Omdat alle plaatsjes in het warme nest al bezet waren.
Die dag lag hij half buiten, half in de ingang van het nest. Zo bleven zijn pootjes en een deel van zijn rugje droog en een beetje warm. Zijn lange oren lagen helemaal buiten als skilatten in de sneeuw. Niemand die er op lette. Niemand die kon zien hoe tegen de ochtend een wolkje sterrennevel over Celestein neerdwarrelde. Zonder te verbranden droogden zijn oren zo snel op dat het laagje sneeuw geen tijd had om te smelten.
De sneeuw was naar binnen getrokken en opgedroogd. Het knisperende geluid dat je hoort als je door de sneeuw loopt zou voor altijd bij Celestein blijven.

De familie konijn wist nu helemaal niet meer wat ze met Celestein moest aanvangen. “Celestein is een knisperkonijn. Hij zal ons altijd met zijn knispergeluid verraden. Leeft hij eigenlijk nog wel? Hij ligt daar maar stilletjes te zijn, tot hij beweegt of je hem aanraakt. Dan is het knisper, knisper, knisper.”
De familie konijn liet Celestein liggen en huppelde verder alsof Celestein nooit had bestaan.

Celestein stond er nu helemaal alleen voor. En alleen kon hij het niet redden. Als er niet vlug een oplossing kwam zou hij voor altijd tussen de gevallen bladeren verdwijnen.

Op een dag passeerde Joria langs het weggetje waar hij lag. Ze was amper vier, maar kende wel honderd liedjes die ze de hele dag door zong. Haar broer, die enkele jaartjes ouder was, zong vaak mee maar kreeg het op zijn heupen als Joria altijd maar hetzelfde zong. Omdat hij niet luider dan haar kon zingen, begon hij er iets heel anders doorheen te zingen. Om Joria te dwarsbomen. Ze waren wel de beste vrienden, maar soms konden zij zo uit het niets tegen elkaar opvliegen. Zelfs als ze goed aan het spelen waren. Het volstond dat de ene de andere op de zenuwen werkte. Maar de uitbarstingen duurden nooit lang. Ze konden elkaar niet missen.
Haar broer heette Fox. En om daar geen twijfel over te laten bestaan, droeg hij dag en nacht een muts die zijn oma voor hem gebreid had en waarop wel tien vossensnuitjes stonden.
Toen Joria Celestein vond en wou oprapen was hij de eerste die riep dat zij dat moest laten liggen. “Dat is een dood konijn, Joria, dat zit vol van bacteriën.”
“Maar kijk ’s hoe mager en wat een lange oren.”
“Waarom denk je dat het zo mager is, Joria? Omdat het ziek is natuurlijk.”
Mama was er bij gekomen en gilde “Joria, gooi dat weg. Onmiddellijk.”
Joria bleef staan, met haar blik naar de grond gericht. Dat deed ze altijd als ze berispt werd. Minutenlang soms.

Mama wou het konijn niet zelf aanraken en zei opnieuw : “ doe dat weg Joria. Nù!”
“Maar ik voel dat het nog leeft. Laat ons ermee naar de dierenarts gaan.”

Mama nam Joria bij de arm waarin ze het konijn droeg en schudde met die arm in de hoop dat Joria Celestein zou lossen. Dat deed Joria natuurlijk niet. Zij trok zich integendeel los en stapte weg van mama en Fox.
“Joria, waar ga je naar toe?”
“Ik ga het konijn in veiligheid brengen.” Mama keek haar na. Joria verdween achter een dikke boom langs de weg. Toen ze terug tevoorschijn kwam had ze geen konijn meer in haar hand.
“Ik weet wel, liefje”, zei mama “dat jij dat konijntje wou redden, maar het was ziek of misschien al dood en dus niet te redden. Jij zou er zelf ziek van kunnen worden.”
“Zie je wel, Joria. Ik had het gezegd, hé”, zei Fox. Joria gaf Fox een duw.

Ze gingen naar huis. Over het konijn werd niet meer gesproken.

’s Anderendaags wou Joria na school terugkeren langs het park. “Heel even maar, Fox. Ik wil zien of het konijn nog leeft.”
Celestein lag nog altijd op de plaats waar Joria hem verborgen had. Ze raapte hem op en hield hem tegen haar wang. “Joria!”, riep Fox, maar Joria luisterde niet. “Dit konijn is ons geheim, Fox. Ik wil het redden.” Fox draaide met zijn ogen en ging op de weg staan alsof hij de wacht moest houden.

Joria had inpakpapier meegenomen. Zo van dat heel zachte witte, waarin kostbare dingen worden gewikkeld. Ze legde Celestein er in en plooide het papier toe. Daarna stak ze het onder haar jas, tegen haar hart. Misschien gaat het hartje van het konijn terug kloppen samen met mijn hartslag, dacht Joria.

Ze kwamen thuis. Mama stond hen op te wachten in de deuropening.
“Dag liefjes, hoe was jullie dag op school?” Fox vertelde over de nieuwe woordjes die ze geleerd hadden en over de maaltafel van drie die ze moesten instuderen.
Joria was zo bezig het woord van Fox af te pakken en haar verhaal te doen, dat ze niet eens merkte dat mama haar jas openritste en er een pakje op de grond viel. “Wat heb je daar?”, vroeg mama, zonder ook maar een seconde aan het konijn in het park te denken.
Joria veranderde enkele seconden in een standbeeld. ‘Ontdekt’, was het enige wat ze kon denken.

Onder haar jas droeg ze een roze truitje dat afgelijnd was met een witte boord. Het witte lijntje herhaalde zich ook bij de zakjes. Roze en wit. Zo zag het konijn er nu ook uit. De rug was wit, het buikje roze. Ook de grote oren waren wit en de binnenkant roze.
Joria keek met grote ogen naar het konijn. Wat was er gebeurd? Hoe kon dit zijn? Celestein had de kleuren van haar truitje aangenomen. Zomaar. En niet alleen de kleuren, maar ook de zachte stof. Joria kon niet antwoorden. Ze bracht alleen maar haar beide handjes naar haar mond. Hoe zou zij kunnen weten dat de sterrennevel die Celestein had betoverd er voor had gezorgd dat Celestein, die altijd alleen was, zich zou aanpassen aan wie lief voor hem was.

“Van wie heb je dat gekregen”, vroeg mama.
“Euh, … van de juf”, antwoordde Joria en daarbij trok ze zo groot mogelijke ogen, opdat die niet zouden knipperen en mama daar uit zou afleiden dat ze zomaar iets vertelde.
“Ben jij dan kindje van de dag?”
“Ik ben kindje van de dag, kindje van de week, kindje van het jaar”, lachte Joria.
“Kindje, kindje, kindje, kindje laat windje”, plaagde Fox. “Wanneer ga jij een groot meisje worden, Joria?”
Joria bekeek hem niet, maar deed of ze met een pistool naar Fox schoot. “Pieuw!”
“Kindje laat weer een windje”, reageerde Fox.
Joria haalde de schouders op. Zij had geen zin in Fox zijn vossenstreken. Nu moest ze mama een goed antwoord geven.

“Ik heb aan de juf verteld dat wij gisteren in het park zo’n mager konijntje gezien hadden met heel lange oren. De juf zei dat jij gelijk had, dat het misschien wel vol microben zou zitten, maar dan liet ze mij dit langoorkonijn zien dat al jaren in de kast van de klas lag. Wanneer je belooft van er goed voor te zorgen, mag jij langoor mee naar huis nemen. En ik heb gezegd dat ik daar heel goed voor ging zorgen.”

“Het is een mooi konijn”, zei mama. “En ik ben er zeker van dat jij er goed zult voor zorgen. Hoe lief van de juf dat zij jou zo’n mooi cadeau geeft. Je moet misschien morgen iets meenemen voor de juf…”
“Nee, dat is echt niet nodig, want de juf heeft me gezegd dat dit ons geheimpje is en ze gaf daarbij een knipoog.”

Toen mama de volgende dag de aandacht van de juf probeerde te vatten en naar haar knipoogde, vond de juf dat blijkbaar niet leuk, want ze stapte weg zodat mama haar niet meer kon zien.

 

Vanaf die dag waren Joria en haar knisperkonijn onafscheidelijk. Ze had tientallen poppen en knuffels. In alle formaten en kleuren. Poppen met een poppenhuis en een kast vol kleertjes. Beertjes die zacht waren als een kussen en dus onmisbaar als ze ging slapen. Maar voortaan mochten die alleen nog aan het voeteneinde.

Alleen haar knisperkonijn mocht nog bij haar zijn. Dicht bij haar, mee onder het dekbed. Zelfs wanneer ze in diepe slaap was liet ze Celestein tussen duim en wijsvinger knisperen. De enkele keer dat ze ’s nachts huilde was wanneer ze in haar slaap haar konijn uit bed had laten vallen. Zag je Joria dan zag je Celestijn haar konijn aan haar hand of onmiddellijk in de buurt.
Soms dacht ze wel na of ze haar konijn ooit zou kunnen missen. Ze kon toch niet als ze groter werd en misschien prinses in zo’n mooi stralend kleed met pareltjes en glitters nog altijd zo’n speelgoedkonijn in haar hand houden? Het wit konijn was nu al bruinig grijs geworden.

“Hoe ga jij je konijn noemen”, vroeg mama op een dag.
“Gewoon ‘konijn’, dat is toch goed? Meer moet dat toch niet zijn?”
“Ik zou het Fluwijn het knisperkonijn noemen”, riep Fox.
“Fo-ôx!” Jij hebt daar niks aan te zeggen. Het is mijn konijn.
“En Celestein?”, kwam mama tussenbeide. Dat rijmt ook op konijn.
Joria zuchtte. “Oké dan”, zei ze, maar ze bleef Celestijn verder “mijn konijn” noemen.

Soms sprak Joria konijnentaal met Celestein. Niemand kon haar dan verstaan behalve haar konijn. Althans zo leek het er toch op. Niemand kon de antwoorden van Celestein horen, maar je zag Joria luisteren en dan weer verder praten alsof ze zei:” ja, je hebt gelijk, maar vind je ook niet dat…” Alsof het een echt gesprek was tussen twee personen. Op die manier vertelde Joria alles aan haar konijn.
Fox en mama luisterden soms op afstand met verbazing mee.

Op een keer toen mama zich betrapt voelde dat ze aan het luistervinken was zei ze lachend: “ niet roddelen, hé Joria”. Onmiddellijk antwoordde Joria: “Roddelen? Denkt u dat ik zou roddelen? Dat doe ik echt waar nooit. Als ik over Fox vertel is het allemaal waar wat ik zeg.”
“Dan is het in orde”, zei mamma, waarmee ze hoopte dit onderwerp te kunnen afsluiten.
“Maar ik wil wel ’s weten wat jij over mij aan dat konijn vertelt”, reageerde Fox nu.
“Och Fox, dat weet je goed genoeg. Jij hebt mij gisteren pijn gedaan”.
“Dat is niet waar, wij waren aan het spelen en jij bent gevallen.”
“Maar jij wou mij niet loslaten en daarom ben ik gevallen.”
“Hoe kan ik weten dat jij geen leugens aan dat konijn vertelt? En daarbij, dat konijn heeft daar toch geen zaken mee. Zelfs al was het een echt konijn, maar dit is gewoon een lap stof, een vod.”
En toen vloog Joria Fox naar de keel. Je mag haar plagen, maar niet met haar konijn. Voor haar is Celestein echt. Een beste speelkameraad, die naar je luistert en waar je al je geheimen aan kunt vertellen. Ook wanneer je wel eens verdrietig bent en het gevoel hebt dat je er met niemand over kunt praten, dan is er altijd Celestein.

Het was dan ook een ramp voor Joria toen mama Celestein in de wastrommel had gegooid.

Joria was thuisgekomen van school, had naar Celestein gezocht, mama had haar verteld dat die in de was zat en Joria werd bijna gek. “Mama, alstublieft, zet die machine stil. Celestein gaat dood.”
“Maar Joria toch, doe nou eens gewoon. Jouw konijn moest toch wel eens ooit in de was? Dat is toch niet zo erg? We zullen haar direct in de droogtrommel steken…”
“Neen, mama, niet doen.” Joria bleef het hele wasprogramma huilend voor de wasmachine zitten. Nu en dan zag ze Celestein passeren. “Hij roept om hulp”, zei Joria. “Konijnen kunnen niet zwemmen en hij wordt misselijk van al dat draaien.”
Mama werd er zenuwachtig van. “Kom, kom, meisje, niet overdrijven, hé. Dit is toch maar een pluchen vod waar jij weliswaar aan gehecht bent, maar toch…”

“Neen, mama. Celestein is het konijn uit het park dat ik van jou niet mocht redden. Omdat ik er zo lief voor was heeft het zich omgetoverd tot een pluchen konijn in dezelfde kleuren als het kleedje dat ik die dag aan had…”

“Joria hou op met die onzin. Je hebt me zelf verteld dat jij dit konijn als troost van de juf gekregen had.”
“Dat heb ik verzonnen, mama, omdat jij mij anders niet zou geloven.”

Mama wist niet meer wat ze moest zeggen. Dit kan het konijn uit het park niet zijn. In het park zagen we een stervend, maar echt konijn. Dit is een speelgoedje.

Joria was ontroostbaar. Toen Celestein uit de droogtrommel kwam was hij zo proper als een vers gewassen onderbroek of washandje. Hij was niet echt opgewold, maar hij knisperde niet meer. Alle leven was er uit verdwenen. Joria had een lap stof in haar handen. De betovering was weggewassen.

Celestein was niet meer. Omdat mama er niet in geloofde.

Met wie moest Joria nu praten als ze verdriet had?

Joria voelde zich verlaten. Het zou nog jaren duren vooraleer ze een vriendje had. Gelukkig was er nog Fox om samen mee op te groeien.

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Het motto van Otto

Otto zit op mijn schoot te gloeien van koorts. Als een hartverwarmend kacheltje. Met oogjes die blinken, een neusje dat loopt en schoudertjes die hangen. De held lijkt geveld. Meestal is hij lief en levendig. Een spring in ’t veld, geheid in vijfde versnelling want slow motion is voor sissies.

Alles geven!’, zou het motto van Otto kunnen zijn. ‘Tadààà!’ Tot de tank leeg is.
Als hij in zijn bedje wordt gelegd zal hij nog zeggen: ”Otto wil niet slapen…”, maar ligt hij neer, met de beentjes opgetrokken en zijn poepje in de lucht is hij vertrokken. Hij heeft alles gegeven.
Wat een wonder, zegt men vaak van een mooi en bijzonder kind. Otto is meer dan een lief, schattig, grappig en intelligent wonder. Hij is de gelukkige zoon van mijn zoon.

Ik schrijf ‘gelukkige’, omdat ik zelden een kind zo dartel en opgewekt door de dagen heb zien huppelen.

‘Lopen’ roept hij en vertrekt met zijn armpjes hoog opgetrokken voor enkele rondjes rond de tafel. Om dan als een jong veulen van blijdschap in alle richtingen rond te springen of van zottigheid zo snel een pirouette te draaien dat hij even van de grond raakt en uit evenwicht neerploft. Otto schrijft ‘Levenslust’ telkens weer met een hoofdletter.

Hij schakelt, zo mogelijk, nog een versnelling hoger als op donderdag Fons en Gloria van school komen. Het lijkt wel of hij hen in jaren niet gezien heeft, zo staat hij te dansen als ze binnenkomen in de hal. “Kom Fons, springen” roept hij en dan springen ze minutenlang met z’n drietjes in de zetel. Dat hoort bij de begroeting. Als Fons even later rustig naar een filmpje op de computer wil kijken valt hij hem in de nek “ik ben een leeuw brrrauwww”. Blijft de reactie uit, dan klopt hij hem op zijn rug “Fonsje, wakker worden.” De liefde is groot en wederzijds. De knuffels zo mooi en talrijk.

Fons en Gloria komen dan van school, maar Otto heeft er ook al een hele dag activiteit opzitten.
Als hij ’s morgens binnenkomt trekt hij zijn jasje uit, gooit het met zijn muts in de jassenkast en stoomt de gang door roepend : ”kom opa, spelen.” Met een bal, met de Lego, met de knikkerbaan. “Kom opa, binnen” en dan moet ik bij hem in zijn tentje kruipen. Als ik dan voorovergebogen zittend net binnen kan, met mijn benen buiten de tent, trekt hij mijn benen naar binnen en legt ze desnoods in een knoop. Ik probeer zo te blijven zitten in de hoop dat ik geen krampen in mijn kuiten krijg. Maar daar moet ik niet op wachten, want daar klinkt al: “ Opa buiten” en hij duwt me buiten. Nog voor ik ben recht gekropen is het terug van “Opa, binnen, Opa kom binnen”. Ik geniet ervan ook al zou hij het tien keer herhalen.

Later zit hij aan tafel in zijn Tripp trapp-stoel op zijn eten te wachten. “Opa hier zitten”.
Ik zet me naast hem en dan zegt hij “Opâa… De “O” houdt hij kort, de “a” lang in een klim naar boven. “Ja, Otto”, zeg ik dan. Hij kijkt naar mij met die bolle donkere ogen en opnieuw “Opâa…. “Ja, Otto”, “Opâa….
Ik voel me uitverkoren. Gelukkig. Zoals hij. Zeker wanneer hij dan zijn kleine handje op mijn schouder legt. Ik denk dat deze mantra ook voor hem meer betekent. Het is een bevestigend ritueel, oog in oog. Wij zijn vrienden.

Otto is pas twee. Maar hij praat alsof hij vier is. Dat heb je met een kind dat ‘krokodil’ zei als een van zijn eerste woordjes. Hij heeft met het plakboek van Nijntje woordjes geleerd. Krokodil, kikker, boom, vliegtuig, sneeuwman en Nijntje uiteraard. Eerst kan hij ze aanduiden, dan leert hij ze ook benoemen. En als hij dan een vliegtuig hoort passeren legt hij de link, gaat zijn vingertje naar de juiste plakker en zegt hij ‘vliegtuig’. Nijntje is de eerste van zijn vele helden. Hij lijkt dan ook thuis te komen als hij met zijn ouders naar de Nijntje-tentoonstelling gaat. Iedereen houdt afstand of wordt op afstand gehouden. Otto gaat gewoon in het bad van Nijntje zitten en doet of alle decorstukken zijn meubels thuis zijn.

Hij heeft niet alleen een uitgebreide woordenschat, hij ziet ook verbanden. Het kanon van het piratenschip van Lego, drie centimeter groot, linkt hij moeiteloos aan het kanon van de majoor uit de film ‘Pluk van de Pettenflet’. Het is zijn favoriete verhaal. Hij identificeert zich met Pluk. Hij moet ook een pet op andersom en de Explorer van Fisher Price is zijn takel. Een van de beertjes is het kleine eekhoorntje met hoogtevrees dat gered moet worden door Pluk met zijn takel en door Otto met zijn Explorer.
Laatst zag hij een duif op de tuinmuur. “Dolly, Dolly, kom hier. Pas op voor het venster.” Dolly is in het verhaal van de Pettenflet een vogel die zijn vlucht niet kan afremmen en door het raam vliegt of tegen de struiken.

Ik geniet elke seconde van de manier hoe hij loopt, van wat hij zegt, van hoe hij het zegt.
Je kunt niet alles noteren en vastleggen. Je kunt alleen maar blij zijn dat je het levend kunt meemaken. En in de herhaling wanneer mijn vrouw en ik ’s anderendaags vertellen wat we gehoord en gezien hebben en wat we ervan herinneren.

Gisteren zei hij mij bijvoorbeeld in het voorbijgaan : “Ik heb ruzie gemaakt met oma.” Je kunt dat tafereel moeilijk beschrijven hoe hij voorbij stapt en à propos met zijn blik schuin naar boven naar mij zoiets zegt. Oma had ‘neen Otto’ gezegd en hij had ‘neen oma, dat mag je niet zeggen’ geantwoord, terwijl hij tegen haar been tikte. Naar zijn gevoel hadden ze dus een discussie. ‘Ik heb ruzie gemaakt met oma’, was een perfecte zin om dat gevoel uit te drukken.
Hij heeft dat zinnetje opgepikt in de crèche, waar ze de kindjes elke dag op het hart drukken geen ruzie te maken. De crèche weerspiegelt Antwerpen, met bijna evenveel nationaliteiten. Hij moet er zijn mannetje staan. En dat doet Otto met verve. Denk ik.

Hij loopt een beetje rood aan van opwinding als hij mij aan de deur van het klasje ziet. “Opa!” roept hij en springt in mijn armen. Van uit de hoogte wuift hij naar de achterblijvertjes: “dag kindjes” en denkt “so long suckers”. Ik ben veilig bij opa, en vooral ik ben hier weg.

Enkele weken geleden moest ik Fons en Gloria van school halen en daarna Otto van de crèche. Het was voor hem een verrassing dat zijn beste vrienden er bij waren. Otto was zoals steeds door het dolle heen. In triomf stapte hij door de gangen naar zijn kastje met zijn jasje. Met een arm omhoog riep hij: “ik ben Otto! Dit zijn Fons en Gloria, ik ben Otto! Dit zijn Fons en Gloria…” alsof hij iedereen wou waarschuwen: let op ik heb mijn lijfwachten mee.

Kinderen weten meer dan wij kunnen vermoeden. Voor taal echt in zinnen doorbreekt, zie je soms hun denkproces achter een raak gemikt woord. Hij was anderhalf jaar oud toen hij demonstreerde dat hij doorhad dat er nog auto’s waren zoals die van papa (Volvo), van opa (Mercedes), van andere opa (Volkswagen), van Amelie (Renault). De sleutel waren de logo’s. Dit lijkt misschien voor de hand te liggen, maar hoeveel is er niet dat ons ontgaat? We vonden het een jaar geleden grappig als Otto streng met zijn vingertje in alle richtingen wees en daarbij iets onverstaanbaars brabbelde. Tot hij het beu zal geweest zijn dat wij niet naar zijn wens reageerden en zijn wijzen in alle richtingen beëindigde met de hint: “boer”. Bleek hij al de hele tijd de boer uit ‘Shaun the sheep’ te imiteren. Die ontdekking was een Eureka-moment. Otto die met zijn vingertje naar hier en ginder wijst en daarbij, zoals de boer, “woda, wo, da, bie, helà” brabbelt en dan plots die perfect uitgesproken “boer” daarachter. Toen ik hem vroeg “Otto, bedoel je de boer van Shaun the sheep”, reageerde hij opgelucht “Mèèèh”.
We verschillen 65 jaar en we verstaan elkaar. En hij weet dat.

In de film van “Shaun the sheep” komt een melodietje dat a-capella geneuried wordt door de schapen. Het is schitterend hoe Otto dat melodietje probeert te neuriën en mij dan aanstoot om de melodie voor hem te vervolledigen. Hij weet dat ik mee ben in zijn gedachtewereld. Ik zou er bij kunnen huilen, flauwerik die ik ben. Otto doet daar niet flauw over. Hij rekent er op dat ik zijn gedachten aanvul. Wij tegen de rest.
En hij zegt dat ook letterlijk. Zoals gisteren. We hadden samen chocolademelk gedronken. Ik zit tussen Fons en Otto in, en lach met de chocolademelksnor van Fons. Die trekt gespeeld een boos gezicht naar mij en steekt zijn vuist op. Otto ziet dat en pakt mij met zijn twee armpjes in bescherming en zegt streng tegen Fons: “Dit is mijn opa.”

Wat blijft er van hangen wanneer hij groter wordt, vraag ik mij af?
Fons, die vijf jaar ouder is, noemt mij nog dikwijls zijn beste vriend. Ik hoop dat het met Otto niet anders is. Wat de toekomst ook brengt.

Voorlopig wil hij vooral ‘werkeman’ zijn. Niet alleen wijst hij in boeken of op straat werkemannen aan. Hij wil vooral zijn papa volgen die, hoe briljant ook in zijn job van ontwerper en productontwikkelaar, voor Otto vooral de man is die een geweldig huis steen na steen ombouwt met een precisie en veelzijdig vakmanschap dat weinigen hem zullen nadoen.

Naast ‘werkeman’ is Otto dezer dagen vooral ook ‘sleutelman’. Hij moet de sleutels van de auto in handen hebben, hij opent deuren van kasten en kamers met de sleutel en wanneer hij het huis binnenkomt wil hij geen seconde verloren laten gaan om de voordeur langs de binnenkant te sluiten. Hij is de sleutelman. Met zijn ontluikende talenten en gedreven door zijn “MOTTO VAN OTTO” komt hij later beslist op een sleutelpositie terecht.

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody bouwen een kamp

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik maakte voor hele en aantal verhaaltjes voor bij het slapengaan.

Er hingen strandhanddoeken op het droogrek dat uitzonderlijk in de strijkkamer stond. Meer was er niet nodig voor Fodi. “Ik ga een kamp bouwen”, zei hij met grote zekerheid.
“Ik ga ook een kamp bouwen” zei Glody. Glody, die twee jaar jonger is dan Fodi, heeft toevallig altijd dezelfde ideeën en plannen, maar altijd nadat Fodi ze heeft uitgesproken.

Fodi ging de kamers rond en verzamelde wat hij kon gebruiken voor zijn kamp. Een wekker, twee kussens van het bed, een tennisraket, een fleece uit de zetel, een zaklamp en twee oude stoelen. Een van de stoelen legde hij neer, op die manier was het zowel een auto als een keuken. De andere stoel moest rechtop blijven om de strandhanddoeken van het droogrek verder te laten reiken.
“Maar dan heb ik niks om een kamp te bouwen”, begon Glody.
“Maar Glody dit is òns huisje. Kijk, hier is de kamer, en daar is de keuken, en hierboven is de slaapkamer.”
“Dat is te klein, ik wil daar niet liggen.”
“Ik ga daar wel liggen” en Fodi kroop op de zitting van de stoel onder de badhanddoeken minder dan een voetbal hoog boven zijn hoofd. Hij lag zo plat als een kat en ronkte een beetje. Hij zat helemaal in het verhaal.

“Ik wil een ander kamp bouwen” en Glody kroop vanonder de doeken en het droogrek uit. “Pas op”, riep Fodi, “je stapt in de zee en daarin zwemt een grote walvis en gevaarlijke haaien”.
“Och, dat is het tapijt, ik speel niet meer mee…”, reageerde Glody, maar toe ze wou weggaan sloop Fodi uit zijn slaapplaats als een lenige kat rond het droogrek en werd zo een haai die gek werd van de honger en die met zijn scherpe tanden zo’n klein meisje als Glody misschien wel in één hap kon opeten. Glody had haar rug gedraaid als de haai zo groot als de kamer werd en met een vreselijke “wraaauw” op haar toesprong. Glody schrok een halve meter hoog en gilde nog luider dan de haai had gebruld.
“Niet bijten, niet bijten” riep ze en vluchtte zo snel ze kon in het huisje onder het droogrek.

De haai was terug Fodi geworden en kalmeerde Glody met goede raad. Kijk, hier buiten het huisje ligt een roeispaan, hij nam de tennisraket, en als de haai te dichterbij komt sla je maar met de roeispaan op zijn kop.

Glody sloeg met de tennisraket op Fodi zijn hoofd. “Weg haaitje, weg”
“Maar Glody stop nu toch, auw, dat doet pijn!”
“Jij bent een haai en haaien moeten weg”
“Glody dit is niet leuk en kijk je hebt ons huisje kapot gemaakt”.

Fodi moest het alleen terug opbouwen, maar dit keer volgde Glody wel haar fantasie.

Ze zat te koken in de keuken van het kamp. En met de beker van de tandenborstels, bereidde ze koffie en tomatensoep met frietjes, terwijl ze haar ingebeelde dochtertje streng toesprak. “Neen, je krijgt geen dessertje zolang je tomatensoep met frietjes niet op zijn. Papa, kom ‘ns, waar ben jij, kijk es zij wil weer niet eten”.

Fodi nam de tandenborstels in zijn mond en zei “hmm, lekkere frietjes”, Niet alleen van de frietjes snoepen, papa. Proef eens van de soep. Is ze niet te warm voor onze baby. “Juist goed” zei papa Fodi. Even was er rust in het huishouden. Tot Fodi de zaklamp nam. Die had hij nog niet gebruikt. Hij scheen er Glody mee in de ogen. “Doe dat niet”.
“Haha, jij kunt mij niet zien” lachte Fodi en hij deed lustig verder.
“Stop ermee.. Ik wil de zaklamp”
“Neen, die is voor mij…”
Glody zette haar tanden op elkaar. Fodi wist dat zij dan wellicht ten aanval trok. Ze greep Fodi bij de arm en zetten er flink haar nagels in.
“Jij mag niet meer in mijn kamp”, zei Fodi.

Op dat moment kwam mama de kamer binnen. “Fodi, Glody, waar zitten jullie. Ik zoek jullie overal…”
Fodi scheen nog altijd met de zaklamp in Glody haar ogen, Glody had haar nagels nog altijd in Fodi zijn arm, maar tegelijkertijd brachten ze hun andere arm naar hun mond, om hun gegiechel tegen te houden. Hun ruzie was voorbij. Van uit hun kamp kampten ze samen tegen mama. Ze zagen haar voeten en benen onder de handdoeken uit naast het droogrek staan.

“Ik denk dat ze hier in de buurt zijn. Wat een rommel hebben ze toch weer gemaakt. Ik zal eerst eens die handdoeken opplooien…”

“Mama, dit is ons huisje..” riepen ze allebei. “En je staat in een zee met gevaarlijke haaien!”
Mama deed een stap opzij, alsof een hongerige haai op weg naar zijn prooi geen metertje verder kon zwemmen. “wraaauw” brulden ze beiden.
Mama was een beentje kleiner.

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody en het visje dat niet kon zwemmen

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik schreef voor hen een aantal verhaaltjes voor bij het slapengaan.

“Zie je dat goudvisje daar, het hangt recht naar beneden in het water en zijn mondje gaat open en toe”, zei Glody.
“Oh ja, het spijt me”, zei de man van de dierenwinkel. Ik had dat visje al eerder moeten wegdoen. Soms gebeurt het dat visjes niet kunnen zwemmen.”
“Dat kan niet”, zei Fodi fel. “Visjes wonen in het water en kunnen dus zwemmen, vogels wonen in de lucht en kunnen dus vliegen.”
“Maar als ze nu een vleugel gebroken hebben” zei Glody terwijl ze haar handjes zijwaarts in de lucht stak en in het rond trippelde, de ene arm waaierde uit de andere hield ze strak tegen zich aan.
“Vogels kunnen nog altijd op de grond rondtrippelen, maar visjes kunnen alleen zwemmen.”
“Ik wil dat visje, papa. Mag ik dat visje, ik kan het genezen”.

“Ik zou dat niet doen, meneer”, zei de verkoper.

Glody en nu ook Fodi keken hun papa aan met hun hoofdje schuin en een beetje trieste ogen.
“Alsjeblieft, papa…. Mag het?”
“Doe toch maar dat visje dat niet kan zwemmen”, zei papa.

De verkoper viste het met een netje op en stak het in een plastieken zakje dat gevuld was met water.

“Hij kijkt naar mij” zei Glody blij. “Ik ga hem Goudy noemen, dan weet iedereen dat het ‘t visje van Glody is.” “En van gouden Fodi”, vulde Fodi aan.

Thuis bleef Goudy in zijn bokaal hulpeloos rechtop in het water hangen. “Dat houdt ie nooit vol”, wist Fodi. “Ik heb een idee om hem te helpen” “Weet je nog, als er een pakje van de post komt zitten er in het doosje ter bescherming zo witte zacht stukjes. We hebben die in de keuken eens allemaal in de lucht gegooid en we zeiden dan dat het sneeuwde”.

Er stond nog een doos vol in de kelder. Een voor een bekeken ze de witte stukjes. Het ene was te groot, het andere te lang, en vooral… de meesten waren volledig gesloten. Fodi wist dat ze op het water bleven drijven, maar om zeker te zijn deed hij nog even de proef. Een voor een visten ze de stukjes er uit. Pas een van de laatste stukjes die hij uit het water viste was perfect, mooi rond, met een gat in het midden ter grootte van de hals van de goudvis. Dit kan een zwemband zijn voor Goudy. “Mag ik die eerst in goud spuiten”, vroeg Glody. “Laat ons eerst maar Goudy redden. En als dat met deze zwemband lukt kunnen we nog altijd aan opa vragen of hij die spuitbus met gouden verf meebrengt.”

Het was niet makkelijk om dat ringetje, als een kleine zwemband rond het goudvisje te trekken.
Zijn vinnen mochten niet beschadigd worden. Dan moet het maar langs zijn kopje. Het zwembandje spande een beetje, maar bleef daardoor goed op zijn plaats zitten.
“Misschien is zijn staart te zwaar, want hij blijft nog altijd rechtop in het water hangen”.
“Misschien, maar ik zie hem niet meer naar lucht happen. Ik denk dat hij zich goed voelt zo. We hebben hem gered, Glody. Maar ik heb nog een idee. Weet je nog die bloemenwinkel waar we eens een ballon kregen die maanden later nog altijd tegen het plafond hing?
Als we die nu eens leeg laten lopen tot er nog maar een klein ballonnetje overblijft en dat binden we dan aan zijn staart…”

Goudy straalde met zijn zwembandje en ballonnetje. Op woensdag kwamen de vriendjes kijken.

De papa van een van de kindjes werkte bij de krant. En zo kwamen Fodi, Goudy en Glody met foto in de krant. “Goudy het visje dat niet kon zwemmen. Met naast hem Fodi en Glody die hem gered hadden, zodat hij nu zoals elk visje kon leren zwemmen”.

Weken gingen voorbij en Goudy zwom rondjes in zijn bokaal, geholpen door het ballonnetje en het zwembandje. “Heeft hij nog niet genoeg geoefend, straks gaat hij het nooit leren”, zei Glody en met de hulp van Fodi deden ze het zwembandje uit. Ze legden het aan de kant voor als het toch nog zou mislopen. Maar Goudy zwom verder. Hij trok zelfs een spurtje in het water.

“Als hij ook zonder ballonnetje kan zwemmen kunnen we hem in de beek in het park zetten, dan leert hij vriendjes kennen en jagen en alles ontdekken wat er onder water leeft en misschien vindt hij een vriendinnetje?”

Ze namen een netje mee om Goudy terug uit het water te vissen mocht het niet lukken met het zwemmen.

“Dit moet lukken”, zei Glody, want dit is ander water dan in het bokaaltje. “Dit is levend water, dit is de natuur” zei Fodi “en zo is het goed.”

Ze lieten hem vrij daar waar het beekje zo smal was dat Fodi er over kon springen. Dan konden ze Goudy volgen. “Hij zwemt, hij zwemt..!” riepen Glody en Fodi samen. Er passeerden wandelaars achter hen en die zeiden tegen elkaar: “wat doen die druk over een visje dat zwemt, zeg.” Zij wisten niet dat Fodi en Glody dit visje, hun Goudy, het visje dat niet kon zwemmen, hadden gered.

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody spelen toneel

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik schreef voor hen een aaltal verhaaltjes voor bij het slapengaan.

Glody was nog heel jong toen ze al prinses wou worden. Zoals jongetjes brandweerman of voetballer. Alleen, een jongetje dat in een voetbaltruitje speelt, daar kijkt niemand van op, maar Glody wou zelfs als prinses gekleed naar school gaan.

Dat ze aan tafel een schort aan moest om haar prinsessenkleed niet vuil te maken nam ze er meestal graag bij. Maar over het algemeen vond ze dat zij niet moest luisteren maar dat er naar een prinses geluisterd moet worden.
Fodi speelt ook graag Power Ranger, Ninjah of een geheime soldaat die alle truukjes van de Power Rangers kan toepassen, maar hij weet dat het een spel is.
“Als je een echte prinses bent, is jouw papa een koning. En ik weet dat dit niet waar is, want wij hebben dezelfde papa.”
“Dat weet ik, maar ik ga wel met een prins trouwen…”
“En waar ga je die dan vinden? In de Prinsenstraat misschien…?” Telkens als Fodi gelijk had en zij niet meer wist wat antwoorden, danste ze even rond met haar hand sierlijk in de lucht en haar kleed zwierig volgend in haar beweging.
“Oh, Fodi, jij hebt mij een goed idee gegeven met die Prinsenstraat…
“Wat, ga je echt jouw droomprins daar zoeken?”
“Neen, nu nog niet, ik ben nog een kind, maar ik wil een toneeltje spelen met straatnamen. Ik noem een straat en jij zegt er iets geks bij…”
“Maar daar moeten we toch geen toneeltje voor spelen?”
“Jawel, want ik ben dan een prinses en jij een oud mannetje. Toe, Fodi, speel mee met mij. Weet je, in mijn verkleedvaliesje heb ik nog valse snorren zitten en dan mag jij zo’n snor op kleven. “

Dat vond Fodi wel leuk. Hij nam een pijp van het rekje van papa en ook zijn zomerhoedje en met de oude uilenbril van mama op zijn neus was hij gereed.
“Jij zit daar dan op een bankje in de zon jouw pijp te roken en ik kom als prinses voorbij en ik stel jou een vraag en jij antwoord dan iets leuks…” Glody zei altijd hoe het moest en dat was dan hoe zij het graag wou.

“Meneer, mag ik iets vragen? Ik zoek hier in de buurt de Palingstraat.”
“Maar madammeke, ik zou toch niet met die glazen schoentjes en dat lang kleed in de Palingstraat durven gaan. Weet je, er kruipen honderden lange palingen uit de riolen en met een auto kun je die platrijden, maar als je te voet bent en glazen schoentjes aan hebt en vooral met dat lang kleed, daar zijn ze gek van, zeker als het roos is, want weet je roos is de lievelingskleur van slangen.”

“Meneer, luister eens goed: ik ben niet zo maar een madammeke, maar een prinses en prinsessen dragen nu eenmaal roze of blauwe lange klederen en het zijn jouw zaken niet maar ik moet naar de Palingstraat want ik heb daar familie…”
“Ja, de koning zeker… Woont die in een groen huis, want paling in ’t groen is erg lekker.”
“Meneer, dat is niet grappig. Weet je dan misschien de Beekstraat, daar heb ik ook familie.”
“Ja, in de Beekstraat ga je geen palingen vinden, want met die weer staat de beek helemaal droog. En maar goed ook want prinsessen kunnen niet zwemmen met hun prinsessenkleed.”
“Meneer, ik vind jou heel onbeleefd. Moet ik jou misschien met mijn mattenklopper tsjoekedetsjoek billenkoek op je broek geven?”
“Billenkoek op mijn broek? Van jou, kakkebroek. Weet je, Ik doe niet meer mee.. Ga maar naar de Prinsenstraat, Prinsesje kakkebroek, prinsesje in den hoek..

En Fodi, die heel snel kan lopen, springt op en loopt weg. Pak me dan, als je kan” roept hij. Natuurlijk kan Glody niet volgen in haar lang kleed en op haar glazen muiltjes.
Om haar te plagen blijft Fodi telkens even staan en als Glody hem dan bijna kan grijpen, zingt Fodi: “Prinses, zeverbes, zever in een tutterfles… Prinses, zeverbes, zever in een tutterfles…” Glody wordt er moe van, maar ze wil niet opgeven, daarvoor is ze te kwaad.
De volgende keer dat ze tot bij hem in de buurt komt, zwaait ze plots met haar mattenklopper naar Fodi, die schrikt, doet zijn handen voor zijn ogen en in die beweging struikelt hij en valt op de grond. Glody zet de mattenklopper op zijn keel en met haar andere hand grijpt ze naar Fodi zijn gezicht en terwijl ze grijnzend zegt :” Geef mijn snor terug”, trekt ze aan de snor van Fodi.

“Auw, dat doet pijn.” Zit de snor te vast gekleefd of is zijn echte snor beginnen groeien omdat hij zo lang naar die prinsessenverhaaltjes moest luisteren.

Tja, hoe kon dat, Fodi had een echte snor gekregen. Nu was hij de jongste snorremans ter wereld.

“Ik moet die snor terug. Die is van mij”, zei Glody boos. “Toch niet, kijk maar ze is gegroeid, ze komt uit mijn gezicht…”

Op de radio zong iemand “Hé, prins het is tijd dat jij je scheert.”

“Al die prinsen en prinsessen, ik wil het niet meer horen” en hij drukte zijn handen op zijn oren.

“Kinderen”, riep mama “komen jullie eten?” Fodi was al wat hij gezegd had over prinsessen meteen vergeten. “Wat gaan we eten, mama”, riep Fodi terug.

“Ik heb voor jullie patatjes met prinsessenbonen”.

“Aaaah” klonk het luid door de gang.

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody vieren feest

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik schreef voor hen een aantal verhalen voor bij het slapengaan.

“Neen”, zegt Fodi, “jij bent al jarig geweest”. “Ja, dat weet ik wel, maar na mij is papa jarig en dan mama en dan jij, en dan ben ik toch terug jarig?”. “Maar Glody, dat duurt nog een jaar”. “Tussen Sinterklaas en Kerstmis is het mijn beurt. Kijk, ik heb met mama de uitnodigingen verstuurd voor mijn feestje”.
“Mama heeft gezegd dat ik ook vriendjes mag vragen op jouw feestje”.
“Glody, hou nu toch eens op. Ik ben volgende week jarig. Jij niet. Als mama heeft beloofd dat jij ook iemand mag uitnodigen, oké dan, maar het blijft mijn feestje en ik alleen krijg kadootjes”.
“Ik vraag alleen Aline, dat is mijn beste vriendin”.
“Ja, ik heb het vorige week gezien. Aline liep met haar mama aan de overkant van de straat en jij riep ‘Aline, Aline’ en zonder te kijken antwoordde ze: “Ja, zeg, ik heb je al wel gezien, hoor”.
“En jouw vriendjes dan, jullie vechten altijd en doen elkaar pijn”.
“Och Glody, dat is niet vechten, wij zijn jongens en wij spelen soms een beetje wild. Maar dat is maar tikkertje op de speelplaats en dan lijken wij als wilde paarden achter elkaar aan te lopen. Over heel de speelplaats, behalve op het klimrek, daar ben je veilig en mag men jou niet tikken. Ik durf van het klimrek springen en over heel de speelplaats lopen zonder dat men mij kan aantikken.” “En als je ons dan toch zo wild vindt, waarom wil jij dan altijd met ons meespelen?”
“Ik mag dat toch? Er spelen ook meisjes van jouw klas mee.”
“Ja, maar die zijn ouder dan ik. Weet je, als jij telkens opnieuw wil verjaren dan zal jij vlug zo oud zijn als mama.”
“Als ik zo oud ben als mama en ik heb een baby, dan mag die al de kindjes van de wereld uitnodigen…”
“Dan zal je wel een heel groot huis moeten hebben en heel veel tijd om voor iedereen cake te bakken.”
“Aline komt mij dan helpen.”

“Op mijn verjaardag gaan we eerst een tocht met opdrachten doen in het park. Als het te koud is daarvoor blijven we thuis spelen en eten we verjaardagstaart en drinken chocolademelk.”
“Mag ik dan meespelen?”
“Ja, ik heb een goed idee. Jij verstopt je in huis met Aline en wij komen jullie zoeken.”
“Oh, ik weet al waar ik mij ga verstoppen…”
“Dat mag je nog niet zeggen, Glody, dat moet een verrassing zijn.”

De dag van het feestje vriest het, dus blijven Fodie en zijn vriendjes in huis spelen.

Zes zijn er gekomen. En daarbij Aline en Glody. Nog nooit heeft er iemand zo luid “happy birthday” gezongen als deze zes vriendjes. Papa bleef in de keuken. Daar was hij dichter bij de deur als de buren zouden komen reclameren. Glody en Aline vluchtten naar boven. Mama sneed de taart terwijl ze met iemand telefoneerde. Ze belt met de politie!!! dacht Fodie en hij probeerde zijn vrienden te kalmeren. “Jongens, jongens, we zijn hier niet op de speelplaats van de school. Dit is mijn huis en van mama en papa”.

Ze hoorden hem niet. Ze liepen net als op school als wilden achter elkaar aan. Met rode koppen, roepend en aan elkaars truien trekkend. Daarstraks hadden ze elkaar zelfs met Lego bekogeld. Zoiets had Fodi nog op geen enkel feestje meegemaakt.
Hij was naar papa in de keuken gegaan. Als er iemand de televisie kapot gooit, weet papa dat ik het niet gedaan heb.

“Daar komt huilen van”, had papa gezegd. Nog geen minuut later was het zo ver. Arno brulde en huilde. “Neen, neen, niet doen. Help, dat doet pijn…”
Fodie stormde de woonkamer in. Arno was zijn beste vriend. Die moest hij beschermen, want die was niet zo flink en droeg een brilletje. De vijf andere vriendjes hadden Arno in het tapijt gerold en zaten op hem neer te springen.
“Arno is een pannenkoek, Arno is een pannenkoek” zong Juul.
Fodie vocht om hen van het tapijt te krijgen, tot de strafste van de vijf een restje taart van de tafel nam, en het met de crème in Fodie zijn gezicht duwde terwijl hij riep “Fodie is een crèmekoek, Fodie is een crèmekoek…”. Fodie zag niet meer waar hij liep met die crème in zijn ogen.
Mama hielp Fodie, papa rolde Arno uit het tapijt en Glody die de hele tijd met Aline boven kokeneten had gespeeld, nadat ze zich eerst verstopt hadden en niemand hen was komen zoeken, stond nu bovenaan de trap en gilde zoals alleen zij dat kon. Mama en papa moesten zelfs niks zeggen. Door het gegil van Glody waren alle vriendjes in paniek naar de voordeur gelopen. Glody liep achter hen aan. “Dit is het verjaardagsfeestje van mijn broer. Wat voor vrienden zijn jullie? Snotapen zijn jullie, ja. Grote snotapen. Zo groot dat zelfs een reus jullie niet kan snuiten.
De dag erna kwamen Fodie en Glody samen van school. “Hebben jouw vriendjes nog iets gezegd”, vroeg Glody aan Fodie.

“Ja, dat ze er spijt van hadden en dat het niet zo bedoeld was, ze deden zo gek omdat ze zich zo goed amuseerden”.
“Is dat alles”, vroeg Glody.
“Ze hebben ook allemaal gezegd dat ik hun beste vriend ben en… dat ze erg geschrokken waren van jou…”
“Dat is goed” zei Glody voldaan. “maar weet je, ik ben jouw echte beste vriend, Fodie”.
“Dat is zo”, Glody, ik ben blij dat jij er was op mijn feestje en ik ben altijd blij dat jij er bent”.
“Daarom ben ik jouw liefste zusje” zei ze fijntjes. “Maar jij bent ook de liefste broer van heel de wereld, Fodietje”

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodi en Glody in de wind

Fodi en Glody zijn Fons en Gloria. Ik schreef voor hen een aantal verhalen voor bij het slapengaan. Komt nog niet in de verhalen voor: hun neefje OTTO. Daarom hier een foto van hen drie:

FONS, OTTO & GLORIA – najaar 2017

Het was zondag. Fodi en Glody wandelden met mama en papa in het park. De wind blies de herfstbladeren in de lucht. “Durf jij mee door die vliegende bladeren lopen”, vroeg Fodi? “Ik weet het niet”, zei Glody. Ik heb schrik dat die bladeren ons meenemen”.“Maar Glody, hoe kan dat nou. Zo’n blaadje weegt toch veel minder dan wij. Kijk de wind maakt een tunnel van blaadjes.”
Fodi en Glody liepen de blaadjestunnel in. “Niet te ver lopen kinderen”, riep mama nog.
Ze hoorden mama niet en verdwenen in een wirwar van herfstkleuren tollend in de wind.“Ik ben een beetje bang”, zei Glody. “Hou mijn hand vast, dan kan er niks gebeuren”, trooste Fodi. “Kijk ginder zijn geen blaadjes meer en schijnt de zon”.
Ze kwamen in een deel van het park dat ze nooit eerder gezien hadden. Er waren alleen maar weilanden en bossen zo ver je kon kijken en er was geen straat meer te bespeuren. In de verte herkenden ze wel het kasteel van hun park. “Laten we daar de weg naar huis vragen.”
Er stond een soldaat op wacht. Toen ze dichterbij kwamen sloeg de soldaat op de vlucht.Niet alleen de soldaten waren bang voor de rare wezentjes die er aan kwamen. Ook de andere bewoners van het kasteel troepten samen. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Glody droeg haar T-shirt van de Minions en Fodi droeg er een met de Power Rangers op.
Maar ook van hun kant vonden Fodi en Glody de kasteelbewoners een beetje raar. Zij leken wel veel ouder dan zijzelf maar er was niemand bij die echt groter was dan hen.
Omdat er niemand iets zei, begon Fodi voorzichtig met een “Hallo, ik ben Fodi en dit is mijn zusje Glody. Wij wonen aan de andere kant van het park, maar eigenlijk zijn wij verdwaald, kunnen jullie ons helpen.”
Een soldaat werd vooruit geduwd om hen van dichtbij te bekijken. Het leek wel een hond die hen kwam besnuffelen. Hij tikte Fodi aan om te zien of die wel echt was en knikte naar de anderen. De groep ging uit elkaar en de kleinste van allemaal met een baard en lange verwarde haren stak zijn arm op en zei iets dat erg leek op “kom”.
Wanneer Fodi en Glody tussen die rare mensjes stapten leek het of die allemaal hun neus vooruit staken om aan hen te ruiken. “Vinden die nu dat wij stinken”, zei Glody stil tegen Fodi, “ik denk dat wij de enigen zijn die deze week in bad zijn geweest.”
“Ik ben Sterkske” zei dat mannetje met het lange haar. Dit is mijn kasteel, het Sterkskeshof”.
Fodi en Glody dachten toch dat hij dat gezegd had, want Sterkske bewoog zijn mond bijna niet als hij sprak.
Omdat hij maar zo groot was als zijzelf durfde Glody te zeggen: “je moet je mond verder opendoen als je spreekt, anders verstaat niemand jou”.
“Oooh” klonk uit alle monden. Het volk deed nog een stap verder achteruit. Wat durft dat meisje tegen onze baas zeggen. Maar Glody was vertrokken en niet meer te stoppen. “Zeg, weten jullie de weg naar de Leeuwlantstraat, want daar wonen wij en wij waren met onze mama en papa aan het wandelen en toen waaide de wind en liepen wij door een tunnel van bladeren, zoals je soms in films ziet en dan waren de bladeren weg en zagen we het Sterkshof dat we kennen van als we met de auto naar oma en opa rijden langs het park en toen zagen we jullie en…”
”Stop” zei Fodi, zie je niet dat die mensjes bang zijn en niet begrijpen wat je zegt. Maar Glody deed lustig verder…“Boempatat, chocolat, sleutelgat, protje, krotje, snotje…” lachte ze. Ik zeg zo maar wat om hen nog meer bang te maken.
“Mijn zusje maakt een grapje”, zei Fodi. Misschien hebben jullie telefoon in het kasteel, dan kunnen we mama en papa bellen en dan komen zij ons halen en dan zijn jullie vlug van ons af…

“Haal Nestor”, riep het mannetje “die zal hen beter verstaan, want die kan boeken lezen…” Tja, het was moeilijk om elkaar te verstaan. Zij spraken wel dezelfde taal als Fodi en Glody, maar op een heel onduidelijke manier, waarschijnlijk spraken ze zo heel lang geleden… Gelukkig zeiden ze niet veel. Zeker geen lange zinnen, alleen maar losse woorden, dat maakte het makkelijker.

Het was donker geworden. Tijd voor bedje. Maar ze stonden nog buiten. “ik wil naar mama”, begon Glody zachtjes te jammeren,” ik wil melk en nog eventjes tv kijken…” ”Rustig maar”, zei haar grote broer, het komt wel allemaal goed. Misschien mogen we wel in het kasteel slapen, dat hebben we nog nooit gedaan. En dan zien we morgen wel.

Fodi en Glody mochten in het kasteel slapen. Niet in een lekker bedje zoals thuis, maar in een stinkende houten bak. De geur kwam van de dierenvellen die als deken gebruikt werden. Glody had zoals altijd naar haar konijn gevraagd. Dat had ze beter niet gedaan, want in plaats van haar zacht, lekker ruikend pluchen konijntje gooide iemand een groot grijs levend konijn in Glody haar beddenbak. Gillend sprong ze uit bed. Fodi durfde niet lachen, want hij was ook erg geschrokken. Uiteindelijk vielen ze toch in slaap. Omdat ze zo moe waren.

De volgende dag kwam niemand hen wekken. Ze slopen dan zelf maar de kamer uit, op zoek naar de badkamer, maar die was er niet.
“Ik heb honger”, zei Fodi, maar er was nu geen mama of papa om hen boterhammetjes te smeren of Corn flakes te geven. Toch roken ze eten en gingen op zoek.
Sterkske, de kleine kasteelheer zat aan een grote houten tafel met een stuk vlees in zijn hand dat groter was dan zijn hand zelf. Toen hij hen zag gooide hij het vlees grommend naar hen toe. Het leek wel geroosterd op een vuur, maar zag er toch niet smakelijk uit.
“Ik wil melk”, zei Glody “en Pindakaas”.
Toen zagen ze dat er ook een mooie vrouw in de kamer stond. Die hadden ze gisteren niet gezien. Ze droeg een lang licht blauw kleed. “Hé, ik heb ook zo’n prinsessenkleed”, zei Glody blij. Heb jij dat ook in de shopping gekocht? De vrouw glimlachte en zei stilletjes “noem mij maar Alisa” en nam Glodie bij de hand en ging er mee naar buiten. Daar stond een koe en de vrouw deed teken naar een knecht om die koe te melken. De melk spoot dampend in een grijze beker zoals oma er eentje op de kast had staan. Omdat die mevrouw Glody heel lief hielp bij het drinken durfde ze wel te proeven. Maar ze deed toch maar haar ogen toe. Terwijl ze eigenlijk haar neus wou toe doen, maar dat lukte niet zo goed, want dan kon ze niet ademen terwijl ze dronk.
Fodi probeerde ondertussen het vlees. Het was wild everzwijn. Zouden ze hier geen kippen hebben, dacht hij. Dan kan ik morgen een ei bakken. Ik denk dat zij dat nog nooit gezien hebben.
Hij vroeg aan Sterkske of hij de keuken mocht zien. Sterkske was blij dat hij Fodi verstaan had en nam hem mee. Dàt had hij daarstraks geroken. Er was iemand, de kok waarschijnlijk, brood aan het bakken. Bijna zoals thuis. “Hmmh, dat ruikt lekker”, zei Fodi. “Mag ik een stuk?” en hij nam het zonder een antwoord af te wachten. Als ik daarbij nog een eitje kan vinden is alvast mijn hongerprobleem opgelost. Hij nam nog een groot stuk brood. Voor straks en voor Glody.

Misschien mag ik wel mee gaan jagen. Het leek of Sterkske Fodi zijn gedachten kon lezen. “Kom” zei hij weer en nam Fodi mee de trappen af naar een kelderkamer waar allemaal wapens stonden. Een kanon met grote ijzeren bollen. En grote en kleinere zwaarden, dolken en hakbijlen. Die kan ik niet eens optillen, dacht Fodi. Sterkske drukte hem een boog in de handen. En een rugtas met pijlen. Door een kleine deur stonden ze plots op het binnenplein. Aan de overkant stond een roos, zoals Fodi die kende uit de tekenfilms. Ze gingen hem echt waar leren schieten met pijl en boog.

“Joehoe”. Boven op een balkon stond Glody naast Alisa en Glody had nu net hetzelfde blauwe kleed aan, alleen was het veel te groot. Maar Glody was er wel blij mee. “Wanneer ik straks mee ga jagen zal ik de weg naar ons huis proberen terug te vinden, dat kan niet ver van hier zijn, alleen zijn al onze straten verdwenen”.
“Fodi, ik denk dat wij moeten wachten tot de wind weer een tunnel van bladeren maakt, waardoor wij terug naar onze tijd kunnen vluchten”, zei Glody die er al goed over nagedacht had. “Maar eerst wil ik mee gaan jagen”, zei Fodi. Misschien leren ze me ook wel paardrijden.

“Ik wil ook nog wel een dagje bij Alisa blijven. Die lacht met alles wat ik zeg. Hoewel ik denk dat ze mij niet begrijpt. Ik versta ook niet alles wat zij zegt. Toen ik daarstraks vroeg of ze geen tandpasta had en een tandenborstel, keek ze eerst heel raar en moest dan hard lachen. Ik denk dat zij nog nooit haar tanden heeft gepoetst, want die zien bruin, bijna zwart en ze stinkt wel een beetje uit haar mond. Maar ze heeft mij een kistje laten zien met parels en goudstukken. Ik wou er al een paar nemen want misschien zijn het er wel van chocolade. Vanmorgen heb ik alleen maar melk gedronken, recht van de koe”.
“Ik heb brood voor jou, Glody. Ik ben in de keuken geweest en als ik een kip kan vinden die eieren heeft, kunnen we een eitje bakken of misschien pannenkoeken proberen te maken, want ik heb ook bloem zien staan. Morgen pannenkoeken, neen, morgen naar huis. Glody, we zullen wel zien, morgen…

Van zodra hij wakker werd ging Fodie op zoek naar een kip. Hij had geluk. In de stal bij de koe liepen kippen rond en in het hooi vond hij wel drie eieren. Een knecht had de koe gemolken en Fodie nam ook melk mee naar de keuken. De kok had het vuur aangemaakt en Fodi vroeg hem een pan. Thuis had hij al vaak een ei gebroken. Iedereen in de keuken stond verbaasd te kijken wanneer Fodi een mooi wit-geel spiegelei lukte. Zij hadden nog nooit eieren gegeten. Zij lieten de eieren altijd uitbroeden tot nieuwe kuikens. Fodi en Glody lieten hun eitje en brood lekker smaken. De kok wou het ook wel ’s proberen. En het duurde niet lang of iedereen ging op zoek naar eieren.

“Weet je wat ook lekker is” zei Glody tegen Alisa “een boterhammetje met kaas en confituur” of met préparé en ketchup en dan een vleesbroodje als dessertje…” Alisa draaide met haar ogen. Zij en de andere kasteelbewoners vonden dat meisje toch wel heel raar, misschien was het wel een heks. Zo verschillend van haar broertje, die zou een van ons kunnen zijn. Hoewel, wat die met eieren doet. Het lijkt ook wel toverij.

Het was natuurlijk allemaal moeilijk te begrijpen voor de kasteelbewoners. Zeker wanneer Fodi over de Power Rangers begon en dat hij een horloge had waarmee hij zichzelf in een dinosaurus kon veranderen of onzichtbaar kon maken.

In plaats van mee te gaan jagen of met Alisa ballet te dansen werden Fodi en Glody in de torenkamer opgesloten. Hoe zouden ze nu terug thuis geraken? Wie kon hen helpen? Al de mensen die ze gezien hadden waren bang van hen. Glody begon zachtjes te huilen.” Ik dacht dat Alisa mijn vriend was”, snikte ze. “Misschien is dat wel zo, dat weten we toch niet? Laat ons dan proberen Alisa te roepen. Jij hebt toch veel aan haar verteld, zij vond jou toch zo leuk. Ik weet zeker dat zij ons mist en benieuwd is hoe het met ons gaat. Zij heeft ons toch niet opgesloten…”
“Alisa, Alisààà…” Kom roep met me mee Glody. “Alisa, Alisàà!!!” De tijd ging voorbij. De avond viel. Nu en dan riepen ze nog ‘s “Alisa, Alisa…”

Er werd een sleutel in het slot gestoken. De deur ging open, het was Alisa met een beker melk voor elk en wat vruchten, rode besjes, pruimen, vijgen en kleine appeltjes. Fodi en Glody bekeken het fruit niet eens en sprongen op Alisa toe. Ze sloegen hun armen om haar heen en lieten haar niet meer los. “Alisa, lieve Alisa, help ons alstublieft, wij zijn niet van hier, dat had je al gemerkt. Wij moeten terug naar onze thuis. Ons mama en onze papa zullen zich afvragen waar wij zijn. Waarom ga je niet met ons mee? Wij wonen ook in een groot huis. Daar is nog plaats voor jou. En dan kijken wij samen naar de televisie en spelen we samen met de iPad en ons mama zal jou op haar fiets leren rijden, en wij hebben ook een sprookjesbos en de shopping, zoiets heb je nog nooit gezien…”

Alisa lachte zenuwachtig en keek naar de deur achter haar. Was ze niet alleen, had er iemand haar gevolgd?
“Zul je dan elke dag een wit-geel eitje voor mij toveren, vroeg ze aan Fodi en mag ik dan jouw tandpasta, vroeg ze aan Glody.
“Jij mag alles”, zei Fodi. En je moet niet bang zijn, want eigenlijk wonen wij heel dicht bij elkaar, maar in een andere tijd. En als je het te druk vindt bij ons keer je gewoon terug naar jouw kasteel. Weet je dat dat er nog altijd staat? De ophaalbrug is nu vastgemaakt en werkmannen hebben het dak vernieuwd en er stopt nu een autobus voor de deur…”Autobus” zei Alisa lachend, daarna legde Alisa haar vinger op haar mond. “Ssst” en ze deed teken van haar te volgen. Ze nam de fakkel van de muur en in het licht van het vuur gingen ze hand in hand de trappen af.
Ze had een plan. Op het binnenplein stond een kar met vier grote vaten. De vaten waren leeg. Fodi en Glody moesten zich elk in een vat verstoppen. Eens het deksel er op riep Alisa een van de knechten. Ze konden niet verstaan wat Alisa tegen de knecht riep, maar ze voelden dat de kar in beweging kwam. De lege vaten moesten naar de brouwer die de vaten opnieuw met bier vult. Gelukkig was er een gat in de vaten, anders zouden Fodi en Glody al vlug een beetje zat worden van de biergeur.
Na een tijdje rijden werd er gestopt en tikte iemand op het vat. Fodi en Glody durfden niet bewegen. Dan deed Alisa maar zelf het deksel open. “Kom” zei ze . Ze had de knecht even naar zijn moeder laten gaan die op een boerderij buiten het kasteel woonde.
“We kunnen schuilen in het bos” “en dan wachten we tot de wind nog eens een tunnel van bladeren bij elkaar blaast” zei Fodi blij. “Ja, stel je voor, zo is het vorige keer ook gegaan…”
“Oh, Glody”, Fodi gaf zijn zusje een dikke knuffel. “jij bent mijn liefste zusje”.

“Windje, windje kom maar…” zong Glody en Fodi liet lachend een scheet. Alle angsten waren plots ver weg en door het dolle heen bootsten ze met hun mond de luidste scheten na. De echte wind had er zin in gekregen want hij begon ook te blazen en te blazen en de blaadjes gingen de lucht in en draaiden rond in cirkels steeds groter, steeds meer. “De blaadjestunnel is terug” joelden Fodi en Glody en ze trokken Alisa met hen mee de zotte wind in.
“In de Leeuwlantstraat, in de Leeuwlantstraat” zongen ze tegen de wind in. Glody begon te gillen, zoals alleen zij dat kon. Nu gilde ook Alisa, want ze werden bijna omver gereden door een groepje fietsers. Alisa had zoiets nog nooit gezien, maar Fodi en Glody wisten dat ze thuis waren. Terug in hun tijd. Daar was de speeltuin al en de nieuwe weg naar de grote poort.

“Mama, papa, wij hebben op het kasteel gewoond. Kijk dit is Alisa van het kasteel, zij kan niet praten zoals wij en ze heeft nog nooit haar tanden gepoetst, maar wij hebben beloofd dat ze bij ons mag wonen zolang ze maar wil en dat ze altijd naar haar kasteel terug kan”.
“Allez, kom, mama heeft viskens gebakken” zei papa.
“Ik weet niet of Alisa dat lekker zal vinden”, zei Glody”.
“Glody, dat bedoelt papa niet. Mama kookt toch niet, papa zegt dat zomaar, eigenlijk wil hij zeggen “jaja, allez, kom, laten we voort maken. Eigenlijk niks dus.
“Niet waar”, zei Glody. “Wel waar”, zei Fodi. “Peuh, peuh, peuh. Al wat je zegt ben je zelf, reageerde Glody, “met jouw broek in de helft…” en daarmee had Fodi het laatste woord.

 

 

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen