PJOTR DE GLOBETROTTER – deel III – naar de indianen

PJOTR WIL ROODHUID WORDEN

Vroeger las hij alles wat hij in handen kon krijgen over cowboys en indianen.
Nu wou hij die verhalen eindelijk zelf meemaken. Hij wou in een tipi wonen.
Hij wou met de indianen
over de prairie draven. Hij wou cowboys met hun kudde opjagen en omcirkelen,
 nadat hij eerst van boven op een berg rooksignalen
had doorgezonden naar zijn stamgenoten.
Hij zou de grootste indianenhoed met veren maken,
 die achter hem zou wapperen in de wind.
En elke avond zou hij de strijdbijl begraven
en met het opperhoofd bij de totempaal de vredespijp roken.
 En wie weet leerde hij wel een mooie squaw kennen,
 zijn Pocahontas, die zijn Petrova zou doen vergeten.
 Hij voelde zichzelf altijd meer indiaan dan cowboy.
 Want hij kon als de beste met paarden om.
 De indianen zouden versteld staan hoe hij met paarden kon praten. En, hij was een betrouwbare messenwerper.

Hij moest nog wel zijn messen wisselen voor bijlen, Tomahawks, zoals de indianen hun bijlen noemden.
 Maar dat zou lukken.
 Misschien zouden de indianen hem wel Tomahawk noemen, of Mustang Pjotr, naar het uitgestorven indiaanse paard.
En hij zou nachtenlang met hen rond de totempaal de zonnedans dansen. Tot de uitputting er op volgde. Pas dan zou hij een van hen zijn. Want als de zonnedans de band tussen natuur, dier en mens versterkt, zou het ook de band tussen de indiaan en Pjotr versterken.

Hij zou beginnen met tegen alle indianen vriendelijk “Ugh” te zeggen. De kans was groot dat de indianen niks terug zegden, want indianen zeggen niet veel, maar erg was dat niet. Hij zou “Ugh” zeggen. En mocht er al eens eentje boos kijken, zou hij doen alsof hij verkouden was
en in feite “kuch, kuch” had gezegd. Maar eerst moest hij zien weg te komen bij die vriendelijke ijshockeyers.
Die hadden ondertussen naast de ijsbaan
 een klein museum voor hem ingericht,
 waar zijn sleden stonden opgesteld en ze ook een piramide in iglo-blokken hadden gebouwd. Er was een kennel voor zijn poolhonden, die iedere dag voor een slede werden gespannen om ze in vorm te houden. Kandidaten voor een ritje met de slee waren er genoeg.

Pjotr had gehoord dat er niet zo ver vandaan indianen woonden.
 Maar hoewel die indianen misschien wel de tofste en meest echte indianen waren die er overbleven, wou hij hen niet eens ontmoeten.

Hij had genoeg kou geleden. Hij wou naar het Zuiden. Pjotr wou naar indianen die in bloot bovenlijf
in de warme zon over de prairie reden.
De dichtstbijzijnde prairies lagen minstens duizend kilometer ver.
Pjotr had er geen idee van dat de indianen waar hij vroeger over gelezen had de Sioux, de Apachen of de Cherokee nog eens duizenden kilometer verder gewoond hadden. Gelukkig rekende een echte globetrotter niet in kilometers. Hij reisde in rechte lijnen over de wereld. Naar het Zuiden, naar het Westen. Zonder landkaart en zeker niet met een stratenplan in de hand.

PJOTR BIJ DE INDIANEN

Hij nam afscheid van zijn poolhonden,
 gaf alle hockeyspelers een flinke schouderklop.
Die voelden dat toch niet met hun beschermstukken. Zoals het een globetrotter past, nam hij alleen
de hoogstnodig bagage mee.
 Geld en een propere onderbroek,
 daar kom je al ver mee, wist hij uit ervaring.
 Dit keer had hij zichzelf ook getrakteerd
 op een gigantische indianenhoed die tot halverwege zijn rug hing en die meer leek op een Italiaanse vlag, met zijn met rood-wit-groen geverfde veren.
Met die hoed op deed hij autostop. Hij had geluk. Een mammoet-truck voor grote afstanden bracht hem bijna tot in indianengebied.

Pjotr verkoos de laatste dagtrip in een gewone pick-up-truck te doen. Hij wou in bloot bovenlijf in de open laadbak zitten. Met zijn verenhoed op. Zo kon de zon zijn vel verbranden en werd hij vanzelf een beetje een roodhuid tegen de tijd
 dat hij bij de echte indianen zou arriveren.
Het eerste dat verbrandde was zijn joekel
 van een neus.
 Maandenlang had die de koudste temperaturen moeten trotseren. En dan nu die felle zon. Na een halve dag leek die niet meer op een neus 
maar op de grootste aardbei die je ooit zag, zo eentje waar je toch niet graag in zou bijten. Zo rood, zo hobbelig, zo vol zwarte puntjes. Met een beetje verbeelding kon je zijn uithangende neusharen zien als 
het groene steeltje van de aardbei.
Pjotr leek helemaal niet op de indiaan die hij hoopte 
te zijn. Hoe hij daar op die laadbak zat, zou je eerder denken aan een carnavalswagen die op een slechte wijze 
met de indianen wou spotten.
 Zo werd hij ook ontvangen in het indianenreservaat
 Wind River van Wyoming.

“Heeft er iemand deze clown besteld?” hoorde hij zeggen.
  Hij deed vlug zijn indianenhoed af
en trok een hemd aan. Dat schuurde over zijn verbrande vel.
Iedereen die hem passeerde bekeek hem
alsof hij in broek had gekakt.
Ze sloten half de ogen en trokken hun neus op.
Hij begon zelf te twijfelen.
 Zo onopvallend mogelijk wreef hij met zijn hand 
over zijn gat en bracht die vlug langs zijn neus.
Dat kan het niet zijn.
 Dacht men dat zijn neus vals was of dat hij een vreselijke ziekte had?
Zij droegen wel gewone kleren,
 maar aan hun gezicht kon je zien 
dat het indianen waren.
 Met hun getaande huid en hun rechte neus.
En daar stond hij met zijn joekel van een neus die,
 zo leek het, nog voor zijn ogen groeide tot een fruitkorf met aardbeien, frambozen, stekelbesjes en lychees.
Hij besefte nu dat het een belachelijk idee was geweest 
van in een souvenirwinkeltje een indianenhoed te kopen. Niemand droeg dat hier. En ja, hij wist nog wel dat je die veren met heldendaden moest verdienen.
Hij had zoveel veren op zijn hoed dat hij wel de grootste held van de wereld moest zijn. Slecht begin, dacht hij.

Er kwam iemand op een moto aangereden
 die hem teken deed van achter op te stappen. 
Zonder dat er een woord gezegd werd raapte Pjotr
 zijn spullen bij elkaar en stapte op de moto.
 Na een korte rit werd hij afgezet bij een mooie blokhut. Big Foot kwam naar buiten om hem te begroeten. Vroeger zou men hem het opperhoofd hebben genoemd, nu was hij een soort burgemeester van het reservaat.

Pjotr had bijna “Ugh” gezegd, hij slikte het woord in met een onhandig gekuch.
 Big Foot stak zijn hand op en zei gewoon “hallo”.

Na het neuze-neuze van de Eskimo’s vond Pjotr dit toch beter.
 Big Foot vroeg hem wat hij hier kwam zoeken. Pjotr vertelde waar hij vandaan kwam en dat hij van toen hij kind was gedroomd had ooit bij de indianen te wonen.
Hij zweeg over de cowboys en de jacht op bizons.

“Laat me jouw verenhoed eens zien”, vroeg Big Foot. Dan toon ik die van mij als opperhoofd
van de Arapaho-stam.
Pjotr de globetrotter werd nog roder dan hij al zag van het verbranden toen hij zijn verenhoed aan Big Foot gaf.
 Die glimlachte en toonde één Arendsveer.
 Die stond voor kracht en moed.
“Wij dragen die niet meer. Tenzij op onze hoed. Maar zoveel veren als jij zie je alleen in films.
 Als je een tijdje bij ons wil wonen zal ik je volgen en zullen we zien of je na verloop van tijd één veertje verdient.”
 “Een veer van een raaf misschien. Die wordt gegeven 
aan iemand die zich creatief of erg slim toont.
 Een veer van een kraai is ook niet mis.
 Dan ben je iemand die in evenwicht is met de natuur,
 die een vooruitziende blik heeft en een bijzonder talent.
 Een veer van een kolibrie of van een lijster wort meestal 
aan onze vrouwen gegeven. Maar ook mannen kunnen uitblinken in liefde en schoonheid en dan krijgen ze een veer van een kolibrie of een bron zijn van vreugde en tevredenheid en daar hoort een veer van een lijster bij.”

Pjotr boog het hoofd voor zoveel wijsheid.
 Toch wou hij weer gulzig antwoorden dat hij alle veren
 wou hebben, maar knikte gewoon.
“Heb jij bepaalde talenten”, vroeg Big Foot.
“Vroeger noemde men mij de paardenfluisteraar”, 
fluisterde hij bijna. “Ik ving wilde paarden en temde ze.
 Ik trad er zelfs mee op, ik kon er mee praten en zij verstonden mij.”
“Dan toch een circusclown”, lachte Big Foot. “Had je dan van die grote clown-schoenen aan? Dan hebben wij toch iets gemeen.
 Ik heet Big Foot omdat ik werkelijk uitzonderlijk grote voeten heb, kijk maar.”

Pjotr durfde bijna niet naar beneden kijken.
“Weet je, wij rijden geen paard meer.
 De jongeren rijden nog het liefst op een crossmotor,
de ouderen met een pick-up-truck.
 Dat is handig. Maar als je wil proberen van paarden 
te vangen ben je hier op de juiste plaats.
 Hier in de Wild River Mountains is er keuze genoeg.
Omdat niemand er nog op jaagt zijn er steeds meer paarden
 die in het wild leven. Misschien kan jij ons terug naar de paarden brengen. Maar dan enkel voor de sport.
 Op de prairie achter bizons of cowboys jagen
 is verleden tijd en van de film. Weet je dat de indianen vroeger meestal te voet gingen?”

Pjotr zag zijn beeld van cowboys en indianen stukje voor stukje afbrokkelen. Hij durfde niet naar de vredespijp en de strijdbijl vragen. Een totem hadden ze misschien nog wel behouden. Dat leek hem een ongevaarlijke vraag.

Big Foot kon zijn gedachten lezen.
‘Kom”, zei hij, “dan toon ik jou onze Totempaal”.
Pjotr schatte de totem vier meter hoog.
Je zag meerdere hoofden op elkaar,
 prachtig uitgesneden in hout
en in felle kleuren geschilderd.
 Het viel Pjotr op dat er bijna identieke kleuren gebruikt werden als in zijn indianenhoed.
 Maar dit was echt.
 Alle hoofden hadden kwade ogen en dikke lippen.
Het bovenste hoofd leek dat van een grote vogel, met rechte breed uitslaande vleugels, waarvan
 de veren werden vastgehouden door slangen. Het was niet duidelijk of dat bovenste hoofd
 een grote neus had of de bek van een vogel.
 Maar omdat ook dit hoofd brede lippen en een brede rij tanden had, dacht Pjotr
dat het toch een gezicht van een mens moest zijn
 en niet van een vogel. Een arend met een mensenkop.

Pjotr wou net iets over die grote neus zeggen
 wanneer Big Foot uitlegde dat een totempaal de geschiedenis van een familie vertelt. Die hoofden zijn die van zijn grootouders en die arend met mensenhoofd bovenaan, wat eigenlijk de dondervogel is, de grootvader van alle indianen, is hijzelf.
 Pjotr maakte een diepe buiging.

PJOTR IN DE LAATSTE TIPI

Pjotr mocht bij de indianen blijven. Er stond nog één tipi
in het hele reservaat. Daar mocht Pjotr in wonen.
 Alle indianen woonden in houten huizen met badkamer
en een ingerichte keuken, terwijl Pjotr het in de tipi
 zonder stromend water moest stellen. Maar dat vond Pjotr helemaal niet erg. Hij was eindelijk bij de indianen.
Hij mocht het hulpje zijn van Big Foot.

Via Big Foot leerde hij de meeste indianen kennen. Hij deed zijn klusjes met de hand, alsof er geen moderne gereedschappen bestonden.
 Eten maakte hij klaar op een vuurtje op de grond.

Pjotr was een zonderling die graag in bloot bovenlijf rondliep terwijl hij met zijn ene hand op zijn gat sloeg
en met de andere op zijn mond gekke geluiden uitstootte. Zo speelde hij indiaantje als kind.
 De ouderen lachten een beetje met hem,
maar de jongeren schoven graag aan voor zijn tipi en luisterden naar zijn verhalen over een wereld
 die zij niet meer kenden.
 Pjotr was blij met hun aandacht en toonde dat met cadeautjes. De speren en pijlen die hij zelf maakte,
 gaf hij weg. De jonge indianen vonden hem cool
 en namen de geschenken mee op hun brommer
 om ze thuis aan de muur te hangen.
 Hoewel hij wist dat roken niet gezond is
 gaf hij hen ook wel eens een vredespijp mee.
 Overal rond de tipi had Pjotr strijdbijlen begraven
die de jongsten dan mochten zoeken.

Pjotr kon moeilijk begrijpen dat het Wilde Westen zoals hij dat uit boeken en films kende,
al meer dan honderd jaar niet meer bestond. Toch wou hij die tradities laten voortleven. Toen hij op een dag vroeg hoe ze die perfecte rookwolkjes maakten als ze berichten uitstuurden, toonde de indiaan aan wie hij de vraag stelde zijn Smartphone.
 Veel makkelijker, beste vriend.

Ondertussen oefende hij stiekem of hij nog wel messen 
kon werpen.
 Vanaf het moment dat hij terug vlot en precies 
zijn doel trof, verving hij de messen door zelfgemaakte bijlen, zoals de indianen die hadden.

Zijn bezoekers hun mond viel open toen hij op een keer een bijl pakte en ermee naar een boom gooide.
 Als hij zag hoe ze geschrokken waren,
 zei hij met grote ogen: “hebben jullie die reuzenvlieg niet zien zitten ?”
Wanneer ze dichterbij gingen kijken en er geen vlieg
 te zien was, reageerde hij met: “alle bizons nog aan toe. Die vlieg is gaan vliegen.”
Niemand had aandacht voor de grote houten roos waarop hij vijf harten had geschilderd.
Wanneer iedereen, nog niet helemaal bekomen 
van de schrik, terug op zijn plaats zat, sprong hij recht
 en gooide vijf bijlen één na één in de harten op de roos. Iedereen gilde, “wat een gek”, maar Pjotr lachte 
terwijl hij beide handen naar boven stak, zoals de indianen doen om te laten zien dat ze niets verbergen.
”Vrienden,” zei hij, “ ik zou geen vlieg kwaad doen,
 maar ik wil alles doen wat ik kan om jullie harten te veroveren.”
Maar om de harten van de stugge indianen te veroveren moest hij toch wat anders bedenken. Eerst vonden ze hem een rare kwiet, dan een gek en nu een gevaarlijke gek.

Big Foot had met hem te doen. Hij zag hoe Pjotr
 zijn stinkende best deed en er toch niet in slaagde een beetje indiaan onder de indianen te worden.
“Zullen we samen naar de wilde paarden gaan kijken in de Wind River Mountains? Misschien moet je werk maken van je echte talent. Als het je lukt
 kan ik je wel helpen een ranch uit te bouwen.”

Het duurde enkele dagen voor ze paarden tegenkwamen. Maar toen het zo ver was, stonden ze ademloos toe te kijken. Van ver zag je een grote stofwolk naderen en dan, nog voor je de paarden goed kon zien, hoorde je de hoeven honderdvoudig trappelen.
Het was of de aarde trilde.
Voor Pjotr klonk dit als muziek in zijn oren.
Het was wonderlijk om zien hoe zo’n grote groep paarden samen, zonder dat er iemand teken deed, gelijktijdig en gelijkmatig schuin en snel de bocht ingingen,
 doordraafden en weer van richting veranderden.
Zoveel paardenkracht die ongeleid en vrij, schuimbekkend
en parelend in het zweet harmonieus hun instincten volgden
 in dit ballet van de prairie.
 Zo snel ze gekomen waren, verdwenen ze terug
 in de verte.
Je zou kunnen denken dat deze wilde paarden bij toeval gegroepeerd ronddraafden.
Nu eens hier, morgen daar.
 Pjotr wist dat ze een vast patroon volgden.
 Dat ze morgen rond hetzelfde uur hier weer zouden passeren. Zonder dat er een baas was, zonder dat er een paard een uurwerk had of de weg had bestudeerd.
Elke dag kon het een ander paard zijn dat het op een lopen zette. Op een bepaald ogenblik hadden ze genoeg van het grazen en moesten ze hun kolossale spieren spannen en draven. Met de wind in hun manen en neusgaten, terwijl de vlokken schuim naarmate ze sneller en langer liepen als wolkjes van hen wegvlogen.

“Ik wil hier kamperen”, zei Pjotr tegen Big Foot. “Helemaal alleen. Ik weet niet voor hoe lang. Ik moet hen bestuderen. En dan zien we wel.”
Hij vond het te gek dat hij aan een indiaans opperhoofd durfde vragen van hem met de pick-up tot aan de rand van het natuurgebied te brengen en dan rechtsomkeer te maken, zodat hij alleen en ongestoord
naar de paarden kon.
Big Foot sprak Pjotr niet tegen, maar leerde hem rooksignalen uitzenden.
“Ik beloof altijd naar de lucht te kijken. Mocht je in problemen komen, zend dan een rooksignaal uit en ik kom je halen.”

PJOTR OOG IN OOG MET EEN PAARDENOOG

 Pjotr was terug alleen. Voor de zoveelste keer 
in zijn leven. Maar deze keer met een duidelijk doel.
 Hij had een paard kunnen lenen. Maar dan
 zou hij snel opgemerkt worden. Nu kon hij rustig
 naar sporen zoeken. En dan geruisloos de groep naderen.
Hij was de bergen ingetrokken. Om van op hoogte
 verder te kijken.
 Toen hij de paarden in de vallei had zien passeren,
 bleef hij toch enkele dagen op zijn berg kamperen.
 Zo kon hij de beweging van de kudde beter volgen.
Ergens onderweg moest er wel een drenkplaats zijn. Daar zou hij contact zoeken.
 Paarden gaan gewoonlijk bij valavond drinken.
 Hij volgde hun spoor en kwam zo aan een meertje
dat eigenlijk een overstromingsgebied was
 van de Wind River.
 Hij zette zijn tentje op, uit het zicht van het meer.
 Tegen het einde van de dag ging hij bij het water zitten.

De zon ging onder en kleurde zijn huid en de rotsen van de Mountain bruinrood.
Hij voelde zich indiaanser dan de indianen.
 Toen hij de eerste keer de paarden in de avondzon door het water zag lopen, was hij ontroerd.
Zij zoeken verkoeling in het hoog opspattende water en wassen het stof van een dag draven van zich af. In een grote boog liepen ze aan hem voorbij alvorens samen te gaan drinken.

Sommige paarden gingen verder het water in. Tot aan hun buik. De anderen bleven staan kijken. Ter plaatse rust. 
Ze namen hun tijd.
 Pjotr bestond niet voor hen.
Na een tijdje verdwenen ze stapvoets. Ze gaan slapen, dacht Pjotr.
 Ik mag hen niet volgen.
Morgen zie ik hen weer aan het water.

Zo gingen de dagen voorbij. Pjotr die onbeweeglijk bij het water zat, de paarden die wat verderop hun bad namen en van het water dronken.
Tot er een witte hengst zich van de groep verwijderde en naar Pjotr toestapte. Pjotr bleef voor zich uitstaren. Hij kon de adem van het paard in zijn nek voelen.
 Dan boog het paard zijn hoofd en duwde met zijn snuit tegen de schouder van Pjotr, alsof het zeggen wou : “schuif ’s op, zeg.

”
Wat moest hij doen? Opschuiven zonder kijken?
 Recht staan? Het paard strelen?
Pjotr wist dat de andere paarden een beetje verder stonden te kijken.
 Vandaag nog niet, dacht hij.
 Wellicht komt het paard morgen terug.
 Of zou dit zijn enige kans zijn geweest.
Wat zal hij morgen doen?
Opnieuw blijven zitten of al rechtstaan, 
zodat het paard ziet hoe groot hij is?
 Mocht hij plots rechtstaan zou het paard zeker schrikken en misschien niet meer terugkomen.
Of niet meer mogen terugkomen, want het was duidelijk dat de groep hun verkenner
vooruit stuurde, maar ondertussen heel nauwkeurig volgde wat er gebeurde. Zij zouden hun verkenner nooit in problemen laten komen. Pjotr wist dat de groep hem in volle sterkte zou aanvallen.

’s Anderendaags stond hij rechtop met de armen gekruist aan de rand van het water.
Hetzelfde witte paard kwam op verkenning.
 Je zag het schrikken.
Oh, wat is dat vreemd dier groot geworden.
 Pjotr hield zijn armen gekruist tegen zijn lichaam.
 Maar hij draaide wel zijn hoofd naar het paard.
Hij stond oog in oog.
 Zonder te bewegen keek hij in het bolle zwarte oog
 van het paard. Hij durfde niet te ademen.
Dit was het mooiste moment van zijn globetrotterreizen.
Hij kon niet alleen de hele wereld zien in het oog
van dat paard, hij had het gevoel dat hij ook de mens 
in het paard kon zien.

Hij was heel vertrouwd met paarden,
 maar nu zag hij echt dat een paard meer weet dan Pjotr
 ooit vermoeden kon.
Nooit nog zou hij zijn eitje-ontbijtje paardenoog noemen. Sunny-side-up, zoals ze hier zeggen is niet alleen vriendelijker, het drijft ook niet de spot met het mooiste dat hij tot nu toe gezien had: een paardenoog.

Hij boog zijn hoofd verder naar het paard.
 Hij kon het ruiken en aanraken.
Achteraf had hij geen idee hoe lang hij
 hoofd tegen kop had gestaan. Minuten wellicht. Alleszins tot de tranen hem over de wangen liepen. Hij aarzelde om tegen het paard te praten.
Hij neuriede zachtjes.
Het paard begon dieper te ademen. Dit leek een liefdesverhaal.
Wist het paard dat hij een mens was? Deed het eigenlijk er toe?

Toen er een paard uit de groep vertrok 
rukte ook zijn paard zich onmiddellijk los.
Pjotr stak zij hand op. Het paard keek niet om.

De kennismaking duurde meer dan een week.
Eerst stonden ze zwijgend bij elkaar.
Dan durfde Pjotr al eens het voorhoofd van het paard voorzichtig te strelen. Nauwelijks aanrakend,
 er op lettend dat zijn hand binnen het gezichtsveld
 van het paard bleef.
Dan kon hij zijn hand langs de hals laten glijden,
 langs de flanken, de gevoelige rug.
Hij praatte met dit paard zoals hij vroeger met zijn paarden in Rusland gepraat had. Zouden alle paarden van de wereld dezelfde taal verstaan?
Paarden moeten vooral een stem vertrouwen.

Het viel Pjotr op dat de andere paarden nieuwsgierig dichterbij gekomen waren.
Maar toen hij zijn hand
 wou uitsteken naar een ander paard, steigerde zijn paard.
Pjotr was van hem. Misschien moest hij proberen of hij op zijn paard mocht zitten?

Het paard schudde en probeerde hem af te gooien, maar stapte toch, tot vreugde van Pjotr,
traag naar de andere paarden toe.
 Met Pjotr onzeker op zijn rug.
Alsof hij wou tonen “kijk, wij zijn vrienden geworden. Mag hij bij ons horen? “
De wilde paarden begonnen te draven.
 Hun verkenner met Pjotr op de rug liep in het midden. Zij sloten de rangen rond Pjotr.
Toen ze sneller begonnen te lopen kon Pjotr zich niet langer aan de manen van het paard vasthouden. Hij werd tegen de grond gesmakt en gelukkig niet vertrappeld door de hoeven van de andere paarden.

De verkenner keerde terug naar hem.
 Alsof hij wou zeggen: “kun je het niet, jongen?”
Ook de andere paarden kwamen rond hem staan en keken hoe hij daar hulpeloos op de grond lag. Was hij hun speeltje, hun mascotte, hun knuffeltje?

Pjotr liet zich leiden door het spel en het ritme
 van de paarden.
Als ik mijn wil opdring is alles voorbij. Ik moet zien dat ik altijd dicht bij de verkenner blijf. Hij heeft mij bij hen toegelaten en voorgesteld.

Pjotr noemde zijn nieuwe vriend ‘Gaol’,
 zoals de indianen de wind noemen.
Hij bleef nu bijna heel de dag bij zijn paarden.
 Hij wist waar ze sliepen, waar ze graasden,
waar ze gingen drinken, de weg die ze aflegden.
 Hij had zijn tentje dichterbij geplaatst.
Hij ging er alleen nog langs om te eten en te rusten,
 want hij was geradbraakt van de dolle ritjes zonder zadel. Hij was er al wel in geslaagd van een dekentje
 op de rug van Gaol te leggen. Een zadel komt later wel.

Stilaan probeerde hij met Gaol de kudde te sturen naar de plaats waar hij met Big Foot had afgesproken.
Wanneer hij dacht dat hij er klaar voor was maakte hij een vuurtje en stuurde rooksignalen uit,
 zoals Big Foot hem geleerd had.
 Hij twijfelde of Big Foot nog altijd naar de lucht zou staren om te zien of Pjotr hulp nodig had.

Toen hij ’s anderendaags met zijn kudde paarden
 over de vlakte rende zag hij plots in de verte
 de pick-up van Big Foot.
De kudde maakte een grote boog waardoor ze in feite verder in de richting van het reservaat rende.
Big Foot had Pjotr herkend en reed luid toeterend achter de kudde aan, die daardoor nog sneller ging lopen.

De indianen in het dorp wisten niet waar ze het hadden toen er na vele jaren opnieuw een kudde wilde paarden aan hen voorbij stormde. En kijk, op een van de paarden zat die gekke Pjotr, die ze al in weken niet meer gezien hadden.
 En Pjotr verdween terug, met de paarden.

Zolang hen niets in de weg werd gelegd bleven
de wilde paarden langs het reservaat stormen.
 Bijna dag na dag.
 Spontaan groeide er een ontmoetingsplaats
 op het punt waar de paarden het dichtst bij de indianenkolonie passeerden.

Indianen zijn niet zoals Eskimo’s die alles met elkaar delen.
 Zij leven meer ieder op zich en zijn zwijgzaam.
 Maar kijk, die gekke Pjotr met zijn paarden bracht de indianen dichter bij elkaar. En dichter bij de natuur.

TAMTAM, DE INDIANENKRANT

Pjotr ging meer dan ooit over de tongen.
 Iedereen kon wel een verhaal over hem vertellen. Of wist er een te verzinnen.
 Pjotr vertelde natuurlijk zelf veel.
 En wat hij vertelde werd doorverteld en aangedikt. En ook ‘Tamtam’, de indianenkrant vulde graag
de verhalen over Pjotr aan.

Iedereen kon je vertellen over zijn tijd bij Eskimo’s. Kende het verhaal van de kleine Pjotr en de wolf. Van de grote Pjotr en de beer. Van zijn geluk en ongeluk met de mooie Petrova.
En toen de gekende verhalen op waren,
 verzon de krant er wel nieuwe.
Vooral de jonge indianen vertelden ze graag verder en dikten ze verder aan.
Pjotr sprak de verhalen niet tegen. Hij had alleen aandacht voor zijn paarden.
Of deed hij alsof hij het niet hoorde en vond hij
 het wel spannend dat hem avonturen werden toeschreven in landen waar hij nooit geweest was?
Op papier werd hij een grotere globetrotter
 dan hij ooit echt geweest was.

Sommige verhalen stuurden hem zelfs naar China.
Hij zou daar met de fiets een groot stuk over de Chinese muur hebben gereden.
Achter zijn fiets hingen verschillende karretjes met bagage, waarop in grote letters “Pjotr de Globetrotter” stond geschreven.
Maar omdat de Chinezen moeilijk de letter ‘R’ kunnen uitspreken, had Pjotr die op zijn spandoek vervangen door een Chinese tijger, in de veronderstelling dat de Chinezen ‘PjotRrraauw’ zouden zeggen. Hij zou de Chinezen wel eens even leren praten.

Natuurlijk kwam er veel volk kijken naar zo’n rare man zonder spleetogen die zo maar over hun Muur kwam rijden. Maar de afbeelding van de Chinese tijger was een fout.

In de muurkranten waren de Chinezen gewaarschuwd voor de komst van een wereldreiziger die zich Pjotr de Globetrotter noemde.
 Natuurlijk las iedereen Pjotl en dat riepen ze dan ook naar hem. Niet om hem te begroeten of hem aan te moedigen, maar omdat ze boos waren dat hij met zijn tijgerafbeelding toch geen reclame kwam maken voor een circus of voor Tijgerbalsem waar de Chinezen wild van waren maar nergens te verkrijgen was.

Op een bepaald moment werd hij ingesloten op de muur.
 De Chinezen die hem tegenhielden riepen op een niet vriendelijke wijze : “Pjotl, Pjotl, Pjotl…”

Pjotr die al zijn hele leven een vriendelijk man was geweest, dacht “met alle Chinezen, maar niet met den deze!” en reed zo hard hij kon op de Chinese muur van mensen in,
luid “rrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr” brullend.

Hij werd bont en blauw geslagen en in de gevangenis gegooid. Hij mocht vrij wanneer al zijn blauwe plekken geel geworden waren. Zo geel als de Chinezen.

In feite was hij in die verzonnen verhalen niet echt een held.
Het begon vaak goed, maar dan wou het publiek hem niet,
 of deed hij iets grondig fout.
De indianenkrant “Tamtam” wou hem ook niet te groot maken, als de verkoop van hun krant groter werd was het al goed genoeg.

Ze schreven een andere keer dat Pjotr ook in Italië gewerkt had en dat hij zo populair was geworden dat de Napolitanen, die er trots op zijn dat zij de pizza hebben uitgevonden, een pizza naar Pjotr noemden. De Pjotr Pizza.

Ze hadden het ook een Noordpool Pizza kunnen noemen,
 want hij werd op smaak gebracht met zwarte besjes, zeewier en stukjes zeehond. De ingrediënten waarmee Pjotr de Eskimo’s leerde barbecueën.
 De pizza Pjotr veroverde beetje bij beetje het Zuiden van Italië. Tot aan het licht kwam dat die lekkere stukjes zeehond niet
uit het hoge Noorden kwamen, maar wel van gewone honden die hun baasje verloren hadden aan zee.
 Zeehond of hond aan zee, wie merkt het verschil, dacht men.

Heel Italië spuwde Pjotr uit. Van Napoli tot Turijn. Met het typische gebaar van de vlakke hand wegschietend van keel tot punt van de kin.
In Spanje werd hij in een volgend verhaal zelfs het land uitgezet. Door de verenigde toreadors die in Pjotr een vervloekte stielbederver zagen.

Omdat Pjotr zo goed met paarden kon praten, werd hem gevraagd of dat ook zou lukken met stieren in de arena. Pjotr was niet bang en wou het wel eens proberen.
Dus op een dag stapte hij de arena in.
Zonder rode doek, zonder banderilla’s die de torero’s
in de stier steken om hem te verwonden en uit te putten. En natuurlijk zonder estoque, een licht gekromd zwaard waarmee de matador de stier tussen de schouderbladen in het hart de doodsteek geeft.

Toen Pjotr in de arena trad zat een halve tribune gevuld met stierenvechters die ‘boe’ riepen. Het publiek dat de rest van de arena vulde, trok er zich niks van aan.
Zij wilden zien wat er zou gebeuren riep en het gebruikelijke ‘Olé’.
De stier aarzelde toen hij in de arena kwam.
 Anders werd hij opgejaagd en met banderilla’s geprikt. Nu stond daar een lange slungel helemaal alleen in het midden van de cirkel.
Hij had niet eens een blinkend kostuum aan en ook geen rode doek bij.
In wat een circus ben ik hier terechtgekomen, 
dacht de stier en hij stapte traag naar Pjotr toe.
 Pjotr stak zijn arm uit, zijn wijs- en middenvinger gespreid. Wanneer de stier op drie meter van hem verwijderd was,
 bracht Pjotr zijn hand met de wijs- en middenvinger 
traag naar zijn eigen ogen en dan keerde zijn hand terug
 naar de stier.
Wil die mij nu vertellen dat hij mij in ’t oog houdt?
Wat voor een pendejo is dat (wat voor een sukkel)?
 Is die man gewoon dom of gek?
Weet die dan niet dat ik hem maar één kopstoot
moet geven om hem voor heel zijn leven in elkaar te plooien? Moedig is hij wel. Maar misschien moeten de anderen nog komen?
Het publiek had opgehouden met ‘Olé’ te roepen. Ook de stierenvechters keken gespannen toe. Zij kenden als geen ander het gevaar.
Pjotr stapte zelf op de stier toe.
Zouden stieren alleen Spaans verstaan of zouden zij,
 zoals paarden, de mens verstaan door de toon waarop hij sprak eerder dan door de woorden die hij gebruikte?
Pjotr keek de stier strak in de ogen en begon met hem te praten zoals hij dat zo dikwijls met paarden had gedaan.
Denkt die nu echt dat ik een paard ben, flitste er
door het hoofd van de stier, maar hij luisterde toch.

Zoals gewoonlijk had men de stier in een donker hok met schuine vloer opgesloten, zodat hij de hele tijd moest trappelen om niet te vallen, terwijl ze met zandzakken op zijn nieren sloegen en elektrische stoten gaven. Het is normaal dat zo’n stier na al die pesterijen razend is en wil aanvallen als hij in het felle licht van de arena wordt losgelaten.
Maar die rustige zachte stem van Pjotr deed hem de ellende van de voorbije uren vergeten. Hij dacht ook niet meer aan de andere stierenvechters die hem nu zouden kunnen verrassen. Hij wou alleen nog luisteren naar de stem van die man voor hem.
Pjotr stond nu tegen de stier en zette zijn hoofd tegen
de kop van de stier. Het publiek joelde om zoveel vermetelheid. Pjotr knielde met één knie op de grond.
Het applaus overstemde het boe-geroep van de stierenvechters. Het zwol nog aan wanneer ook de stier met zijn voorpoten knielde en zo tegen het hoofd van Pjotr bleef zitten.
De burgemeester stak een oranje doek in de lucht,
 zoals gebruikelijk wanneer de stier in leven mag blijven.
In het hotel tegenover de arena was het feest. 
Pjotr had bewezen dat je het publiek ook zonder bloedvergieten spektakel kon bieden.
 Hij zag het al voor zich. Misschien kon hij wel Spanje doortrekken. Van arena naar arena. Wat een triomf.
 Voor hem, maar ook voor de stieren.
 Pjotr was blij en maakte zich op zijn kamer klaar 
om naar het feest te gaan.
Er werd op de deur geklopt. Vier mannen sprongen zonder vragen te stellen binnen en grepen hem vast.
 Hij werd geblinddoekt en in een grote zak gestoken.
 Eens dat hij in een bestelwagen geladen was mocht hij uit de zak. De blinddoek bleef.
Voor ze met hem wegreden moest hij een verklaring ondertekenen, die onmiddellijk naar de kranten en televisie werd gestuurd.
 Er stond te lezen dat hij het publiek bedrogen had.
 Dat hij de stier op voorhand een inspuiting had gegeven
om hem rustig te maken.
 Dat hij maar deed alsof hij met stieren kon praten.
 De verklaring eindigde met dat hij spijt had dat hij het moeilijke en gevaarlijke werk van de stierenvechters op deze manier belachelijk had gemaakt. Hij schaamde zich zo diep,
 stond er nog in, dat hij onmiddellijk het land had verlaten. Voor dat laatste zorgden zijn ontvoerders.
Zij brachten hem naar de kust van Spanje en zetten hem op een boot naar Afrika.

En omdat Pjotr met dit verzonnen verhaal in Afrika was beland, schreef de indianenkrant Tamtam
er nog een Afrikaans verhaal bij.
Een nuchtere lezer zou het onzin vinden, maar de indianen lazen het maar al te graag en geloofden het nog ook.

Pjotr was ergens in het donkere Afrika met zijn fiets
 aan het rijden, toen hij werd aangevallen door twee slangen. Zwarthalscobra’s waren het, die hun gif spuwen.
Desnoods meters ver.
 En ze mikken bovendien naar de ogen.
Pjotr passeert een duo cobra’s die naar hem spuwen.
Pjotr weet niet of ze hem geraakt hebben.
 Hij beschermt zijn ogen en rijdt zo snel hij kan verder.
 De slangen plooien zich in een cirkel alsof ze een wiel zijn
en achtervolgen hem. Het lijkt wel of er naast zijn fiets
 een andere fiets rijdt, of minstens de banden van een andere fiets. Het is te gek om te geloven, maar ook mooi om zien. 
De ene slang die perfect achter de andere rondjes draait 
als een fiets zonder kader. Toen hij hen in ’t oog krijgt, niet hun spuug, maar de rollende slangen,
 begint hij als een zatte man te fietsen. 
De slangen
volgen hem als zijn schaduw en maken dezelfde bochten en rollen naast hem.
Pjotr pakt zijn fietspomp en blaast lucht naar hen. Ze zullen denken dat ik hen ook kan vergiftigen, grijnst hij wanneer ze uit zijn zicht verdwijnen. Maar kijk, daar komen ze langs de andere kant naast hem rollen.
Pjotr steekt zijn fietspomp in de cirkel die ze vormen
en draait met de fietspomp boven zijn hoofd zodat de slangen als hoela hoops rond de fietspomp tollen.
 Al rijdende strekt hij zijn arm. De slangen vliegen
 van de fietspomp af, pardoes tegen een boom
langs de kant.
 Ik zal ze leren mij en mijn fiets te imiteren.
Snel snijdt hij een stukje van hun staart en steekt hun kop er in, alsof ze zichzelf opeten. Hij past hen op de velg van zijn wiel en wanneer de cirkel mooi rond is, naait hij kop en staart aan elkaar.
Het was niet makkelijk, want slangenvel laat zich niet zonder slag of stoot naaien. Maar het resultaat oogt mooi. In feite zijn ze even bruin als fietsbanden met gelijklopende gele streepjes dwars over de band.
Opgepompt zijn ze veel dikker dan gewone fietsbanden, maar dat vindt Pjotr net een voordeel.
 Ik kan dikkere banden gebruiken. Die rijden zachter.
 Pjotr reed fluitend verder. Als ik nu een sissend geluid hoor, heb ik dan een platte band of worden de slangen terug levend? Hij kon lachen met zijn eigen grap.

Het lachen verging hem snel wanneer hij aan de volgende bocht werd tegengehouden. Zijn aanvallers zagen zijn fietsbanden en namen hem met veel kabaal mee naar hun dorp.
“Waar heb jij die banden gehaald?”, vroeg het stamhoofd.
Pjotr wou jokken dat hij zijn fiets zo gekocht had, maar hij wist dat ze hem niet zouden geloven
 en gaf braafjes toe dat hij twee zwarthalscobra’s had gedood.
“U gaat dit niet geloven”, zei hij verder, “maar die slangen hebben naar mij gespuwd. Weet u
 hoe gevaarlijk hun spuug is? Ik had blind
 kunnen zijn, want zij mikken naar de ogen.
 Toen ik dacht dat ik er van af was, deden ze of ze wielen
 van een fiets waren en achtervolgden mij. En toen zei ik boos : als jullie zo graag voor wieltjes spelen, maak ik fietsbanden van jullie en mogen jullie altijd rondjes meedraaien.”

Pjotr was zenuwachtig. Hij zag zichzelf al in een reusachtige kookpot zitten. Als avondmaal voor de hele stam.
 Maar het stamhoofd pakte hem vast 
en kneep hem bijna plat.

“Jij weet niet hoe blij je mij hebt gemaakt.”, sprak hij.
 “Die slangen hebben mijn dochter met hun spuug blind gemaakt. Wij hebben ze nooit kunnen vangen. Iedereen had angst om zelf blind te worden van hun spuug, maar jij hebt voor
ons wraak genomen. Als dank mag je mijn dochter meenemen.”
‘Oh neen’, dacht Pjotr. Ik wil dit niet en dat meisje
waarschijnlijk ook niet.
Pjotr keek rond en zag allemaal glunderende gezichten.

Ik kan niet weigeren, maar ik wil dit niet.
 Denk na, Pjotr, denk na.
En dan zag hij er eentje die niet blij was,
 maar triest naar de grond keek. En ook de dochter zag er niet gelukkig uit. Zij kon hem wel niet zien, maar zag dit duidelijk niet zitten.

“Ik dank u, groot stamhoofd, voor dit grote geschenk, maar ik kan dit onmogelijk aannemen.”
 “Uw dochter is een heel schoon meiske, maar ik denk dat ze liever bij haar geliefde blijft. Ik kan dat begrijpen. Ik heb zelf ook iemand waar ik zielsveel van hou.”

Hij ging hier niet uitleggen dat hij Petrova
 al zovele jaren niet meer gezien had.
Je zag spanning en hoop op het gezicht van de jongen en van de blinde dochter.
Het opperhoofd wist blijkbaar nog van niks. Zijn dochter was zijn oogappel.

Terwijl hij al een hele tijd haar geluk tegen hield.
Je zag het stamhoofd denken en aarzelen.
Hij keek naar zijn dochter, naar haar geliefde, naar Pjotr en schudde zijn hoofd.
Hoe kan ik zijn twijfel wegnemen, dacht Pjotr.
Hij stapte naar voor en sprak: “Als herinnering aan deze heuglijke dag schenk ik u
met plezier mijn fiets 
met de slangenbanden en ik beloof
 dat ik in mijn thuisland een medicijn zal zoeken om de ogen van uw dochter te genezen.”
Het stamhoofd haalde diep adem en riep iets
wat Pjotr onmogelijk kon verstaan.
Een achttal sterke kerels grepen hem vast en tilden hem op.
 Pjotr kneep zijn neus dicht, want hij verwachtte
 dat hij in de reusachtige soepketel zou geworpen worden. Het tegendeel was waar.
 Hij werd op een troon gezet en rondgedragen
in het dorp.
De tamtams roffelden opzwepende
 ritmen en heel de stam danste tot diep in de nacht.
Het stamhoofd zei dat hij zo lang mocht blijven als hij wou.

’s Anderendaags was Pjotr in alle vroegte weg. Zonder fiets.

Het verhaal eindigt met wat er bijna een jaar later gebeurde.
Pjotr keerde terug naar de brousse,
 zocht het meisje op en nam haar mee naar zijn land,
 waar ze met succes aan haar ogen geopereerd werd.
 Haar geliefde uit het dorp mocht mee.
 En toen ze kon zien en helemaal genezen was,
 vloog ze Pjotr om de hals toen die op bezoek kwam.
Ze trok zich even snel terug uit de omhelzing,
want ja, ze kon nu zien.
 Ze was blij dat ze Pjotr had leren kennen,
 maar ze was zeker zo blij dat Pjotr niet
 op het aanbod van haar vader was ingegaan.

Er werd met Pjotr gelachen omdat het meisje, nu ze zien kon, hem te lelijk vond. Maar hij werd ook bewonderd
 omdat hij het blinde meisje genezen had.
En Pjotr zelf, die zei niks.

Hij werkte verder aan de vernieuwing van de ranch waar Big Foot voor gezorgd had.
De ranch was vroeger van bleekgezichten.
 Toen de gronden teruggegeven werden aan de indianen, verlieten ze hun ranch.
 Op de weilanden die erbij hoorden was plaats voor wel honderden stuks vee of paarden.
Door de verhalen in de Tamtam-krant kwamen vele jonge indianen op bezoek en bleven om een handje toe te steken.
 De ranch werd helemaal vernieuwd,
 de omheiningen werden hersteld,
 en zoals het hoort, wit geschilderd.

De kudde wilde paarden was alsmaar groter geworden. Maar Pjotr weigerde van hen in een koraal
 op te sluiten. Hij zorgde voor eten en drinken
en verzorgde ze, maar liet ze vrij.
Hij was blij als ze ’s avonds naar de stal terugkeerden. Hij wou geen paardenfluisteraar meer zijn, hij wou alleen maar hun vriend zijn.
Hij zou veel geld kunnen verdienen
 als hij zou deelnemen aan de vele rodeo’s 
die werden georganiseerd, maar dat weigerde hij.
 Hij was tevreden als hij de jonge indianen terug 
in contact kon brengen met de natuur 
en in dit geval met de paarden.
Vroeger holde hij alleen met Gaol
 tussen de kudde over de vlakte.
 Nu wou hij de jonge indianen in het zadel krijgen
 om deel te nemen aan die dolle ritten over de prairie.
Hij leerde hen paardrijden en vooral leven met paarden.

Big Foot was fier op hem.
De jonge indianen bewonderden hem
 en Pjotr zelf vond dat hij nooit
 gelukkiger was geweest.
 Hij voelde zich indiaan tussen de indianen.  En dat gevoel wou hij nooit meer kwijt.
Natuurlijk miste hij iemand naast hem om zijn geluk mee te delen, maar zo is nu eenmaal het leven van een globetrotter.
 En wie weet, als ik hier een leven opbouw
en voor altijd stop met dat globetrotter-gedoe, lacht het geluk mij misschien dan toch nog dubbel en dik toe?
Petrova was toch ook bij toeval in zijn leven gekomen?

HugoBe

LEES VERDER IN DEEL IV
Geplaatst in PJOTR DE GLOBETROTTER | Een reactie plaatsen

PJOTR DE GLOBETROTTER – deel II – naar de Eskimo’s

PJOTR BIJ DE ESKIMO’S

En zo werden de levens van Pjotr en Petrova
uit elkaar gerukt, nog meer dan ze het zelf wilden. Petrova gaf hem niet echt de schuld
 van wat er gebeurd was, maar toch
 wou ze hem een tijdje niet meer zien.
En Pjotr, die haar nog wel graag had teruggezien, geraakte niet tot bij haar omdat pers en publiek de verloren Petrova voor zich opeisten.
 Pjotr telde niet meer mee.
Zo voelde hij dat toch.
 Maar lang zou hij niet blijven treuren. Misschien moest het wel zo gebeuren zodat hij eindelijk de wijde wereld 
in zou trekken.
 Hij had bewezen dat hij als een reiziger een uitvinder kon zijn voor kleine en grote problemen.

Hij verkocht alles wat hij had
 en vertrok met zijn paard. 
Zo lang hij langs de Oeral trok
werd hij herinnerd aan Petrova.
 Soms noemden de mensen hem Petrova Pjotr. Hij kon het niet horen. “Ik ben toch geen meisje”, zei hij dan. Petrova is een meisjesnaam.
 Hij liet zijn baard groeien.

Hier en daar werkte hij in een smidse,
 maar hij wist dat hij verder moest trekken.
Naar het koude Noorden. Naar de Eskimo’s.
 Dat was een goed plan, niemand kende hem daar. Maar het was een slecht plan omdat hij te weinig
 van de Eskimo’s kende.
Hij moest zijn paard achterlaten.
 Dat arme beestje zakte tot aan zijn buik in de sneeuw en het had ook geen vacht om zich tegen de kou
 te beschermen.

Pjotr trok verder met een hondenslee. Maar zo goed hij met paarden was,
 zo slecht was hij met honden. 
Hij hield niet van honden. En helemaal niet van hun onophoudelijke gehuil.

Poolhonden zijn afgerichte wolven,
 die getraind worden om de slede voort te trekken, maar het blijven wolven.
 Ze hebben weinig eten nodig.
 En dat zoeken ze nog liefst zelf én ze blaffen niet maar huilen nog zoals echte wolven.
 In de witte stilte van het landschap
klinkt dat gehuil dubbel zo luid.

De honden luisterden niet naar Pjotr.
 De Eskimo’s mochten zelfs een dutje doen
 op hun slee. Hun honden brachten hen wel 
naar huis. Zonder morren, zonder lawaai.
 Bij Pjotr leek het of ze onder elkaar ruzie maakten waar ze die vreemde snoeshaan zouden heen brengen. Daarom huilden en jankten ze voortdurend.
 Het was zo erg dat ze soms volledig stopten
 omdat een deel naar links trok en een ander deel naar rechts.

Pjotr was ook een kop groter dan al die Eskimo’s. Dat gaf meer dan eens problemen bij het groeten. Eerst stak hij zijn hand uit zoals hij gewoon was, maar de Eskimo’s geven geen handen. Zij wrijven de neuzen tegen elkaar.
 Hun neus is het enige stukje dat niet is ingepakt. Eskimo’s hebben kleine neusjes,
 zeker in vergelijking met de grote snotkoker van Pjotr. Omdat die door de kou een ijskegel werd, 
kwetste hij de andere wel eens bij een begroeting, door bijvoorbeeld zijn ijsneus in de andere zijn oog
 te steken. De meeste Eskimo’s waren bang
 om hem dag te zeggen.

Gelukkig had Pjotr een grote troef.
 Hij kon als geen ander verhalen vertellen.
Naar verhalen luisteren was toevallig
de favoriete ontspanning van de Eskimo’s.
Hij moest natuurlijk zo snel mogelijk hun Innutut-taal leren.

Hij zou meer dan een jaar bij de Eskimo’s blijven.
Niet alleen voor de taal. Hij wou ook 
één zomer meemaken in het noordpoolgebied.
Dat was de enige periode van het jaar dat ze bessen 
konden plukken en wortelen opgraven, samen met zeewier, hun enige groenten.
De rest van het jaar aten ze zeehonden, walrussen, walvissen en ook kleinere vissen.

In de zomer woonden ze in een tent, gemaakt van dierenhuiden.
 Dat moest Pjotr beter passen.
Want met een iglo lukte het niet zo.
Omdat hij zo groot was,
 moest zijn iglo hoger zijn.
 De Eskimo’s hadden hem geleerd
hoe hij de ijsblokken moest opstapelen.
 Maar om voldoende hoog te bouwen 
moest de onderste cirkel als erg groot zijn, waardoor de iglo zou kunnen instorten.
Hij bouwde als enige dan maar een piramide in ijs. Dat leek hem steviger en dan kon hij
in het midden een keer rechtstaan.
Wanneer de iglo klaar was, gingen de Eskimo’s met een fakkel langs de binnenwand
 om die een beetje te doen smelten.
 Dat smeltwater vroor terug aan en maakte
 de iglo steviger.
Maar ook met dat smelten wou het niet 
zo lukken.
 Doordat zijn iglo in een punt uitliep
smolt die punt onder de warmte van de fakkel telkens bijna helemaal weg.
De Eskimo’s konden hun pret 
niet op wanneer het hoofd van Pjotr weer eens uit de piramide stak.
Wat moesten ze met zo’n vreemde snuiter die twee koppen groter was
 dan zijzelf en alles anders deed.

Dat die grote Pjotr toch van dienst kon zijn, leerden ze op een middag toen ze zoals vroeger aan ’t vissen waren. Gewoon, met een touw aan een stok. Iedereen probeerde om beurt.
De anderen gaven commentaar.
 Er werd gedronken en gelachen.
Niemand had gezien dat een ijsbeer 
met veel honger, tot vlak bij hen was gekomen. Eskimo’s zijn niet snel bang
 omdat ze meestal een wapen bij zich hebben of vuur in de buurt om ijsberen af te schrikken.
Nu hadden ze niets van dat alles 
en konden ze alleen maar dicht bij elkaar kruipen.
Toen de ijsbeer nog maar enkele meter
 van hen verwijderd was
 ging die op zijn achterste poten staan
 en brulde. Op film is dat mooi,
 die witte pels van de beer
 en dan de grote rode tong
 die uit zijn bek komt,
 maar in het echt is dat veel minder leuk.
Wat konden ze doen?
Ze hadden niks bij.
 Ze waren wel met meer,
 maar een beer blijft een beer.
 En die kwam nog dichter.

“Blijf zitten”, zei Pjotr.
 De Eskimo’s leken op een menselijke iglo. Met Pjotr in het midden.
Plots sprong hij recht.
 Hij was zo groot als de beer.
Met zijn wilde haren en zijn lange baard zag hij er heel anders uit dan de doorsnee Eskimo die de beer gewoon was te zien.
En dan brulde Pjotr uit alle kracht.
De Eskimo’s, die zelf piepstemmetjes hebben, wisten niet wat ze hoorden.
Zouden ze niet beter bang zijn van Pjotr
 dan van die beer?

De beer leek er net zo over te denken. Het leek of die in zijn haren krabde 
en nog eens goed keek. Is dit wel echt? Droom ik misschien? Is dit een nieuwe diersoort? Een model dat ik nog niet ken?
Toen Pjotr een derde keer brulde kropen niet alleen de Eskimo’s een beetje van hem weg
maar ook de beer liep weg.
Van die dag af noemden ze hem Pjotr, de berentemmer.

Pjotr was al een populaire naam in Groenland, maar waar onze Pjotr bij de Eskimo’s woonde, werd het volgende jaar iedere nieuwgeboren Eskimo “Pjotr” genoemd, zelfs wanneer het een meisje was.
Hij moest bijna nooit meer zelf voor zijn eten zorgen. Iedere dag werd hij wel bij iemand uitgenodigd. Er werd zelfs ruzie over gemaakt.
Voor hem hoefde dat echt niet, want iedereen kookte hetzelfde.Dat wil zeggen, niemand kookte, maar at alles rauw.

Ook die gewoonte zou Pjotr doorbreken.
 Niet door een wit konijn uit zijn hoed te toveren. Hoewel. Een enkele keer was hij er in geslaagd van een sneeuwkonijn te vangen.
Omdat het diertje te klein was om het met twintig man te delen, had hij het,
 tegen de regels van de Eskimo’s in,
 in zijn eentje opgegeten.
 Vooral omdat hij het beu was van altijd alles rauw te eten.
Zijn vrienden aten grote brokken vlees of vis rauw. Zonder omkijken. Om zich te voeden.

Hij zou hen leren dat eten een feest kan zijn.
 Dat je daar tijd moet voor nemen.
 Niet alleen in het zoeken naar nieuwe bereidingen maar ook in het eten zelf.
 Het was fantastisch dat ze alles wat ze vingen samen deelden. 
Nu moesten ze nog leren samen eten.

Pjotr leerde hen barbecueën.
 Ze wisten uiteraard hoe ze vuur moesten maken.  Met zeehondenvet, dat hadden ze genoeg.
 Maar vuur maak je  om je te verwarmen of om licht
te maken, toch niet om te koken?

Ze waren ervan overtuigd dat Pjotr zijn barbecue door de warmte in het ijs zou wegzakken.
Maar Pjotr plaatste de barbecue op zijn hoogte, zodat hij voldoende ruimte kon laten tussen de diverse ijsblokken die elkaar slechts op enkele punten raakten.

Terwijl ze in spanning rond de barbecue stonden en elkaar lachend aanstootten, maakte Pjotr ondertussen rustig sateetjes met klein gesneden stukjes walvis, walrus en zalmforel
gemengd met groen zeewier en een blokje wortel. Hij legde de sateetjes op de barbecue
 en draaide ze regelmatig rond.

Natuurlijk staken onze Eskimo’s de stokjes te snel in hun mond en verbranden hun bek.
Rauw-eters die ze waren.

Ze waren helemaal in de war
 wanneer Pjotr hen een biefstukje
 van rendier voorschotelde,
met een sterk sausje van zwarte bessen.
 Heel hun leven aten ze vis. 
Nu werden ze compleet van hun sokken geblazen door zo’n mals stukje vlees.

In de ogen van de Eskimo’s groeide Pjotr nog elke dag verder.
Dat had ook een gek praktisch gevolg.
Pjotr was aanbeland bij Eskimo’s van de Adgormiut-stam. Hun naam betekent: “mensen die tegen de wind ingaan”.
 Terwijl deze Eskimo’s bijna al hun verplaatsingen met de hondenslee deden.
 Nu ze Pjotr bij hen hadden 
liepen ze wel tegen de wind in.
Op een rijtje achter hem aan.
 Alsof ze pinguïns waren.
Maar pinguïns zijn allemaal even groot.
 Pjotr liep twee koppen groter op kop 
met zijn grote snotkoker in de wind. Wanneer hij stilstond kwamen ze uit hun rijtje snel rond hem staan. Net zoals de pinguïns. Dus hield Pjotr regelmatig halt.

Hij had ook recht op wat warmte rond hem.
 Hij liet zich dan een beetje zakken
 zodat ook zijn bevroren neus even kon bekomen. Hij dacht er niet meer aan van zijn neus te maken. In zijn zak hield hij een neusdoek die hij dan voor de warmte even op zijn neus legde.

Om zijn zinnen te verzetten was hij beginnen zingen. 
Zoals hij vroeger deed op de avonden van zijn trektochten. Nu kon hij wel niet meer zingen van :
” Oh, de kozakken, laten hun moed niet zakken,
wacht efkens mannen want mijn paard moet…”
want Eskimo’s reden geen paard en wisten 
dus ook niet wat die paarden zo nodig moesten.
Hij had de tekst aangepast.
Nu zong hij van :
stomme kozakken,
hou eens op met  pinten pakken,
straks zullen jullie door het ijs wegzakken,
dan zijn 
jullie echt wel domme labbekakken...”

Pjotr kreeg tranen in de ogen de Eskimo’s voor het eerst met hem meezongen.
Want, Eskimo’s zingen nooit.
 Maar omdat ze alles wat Pjotr deed wilden nadoen, zongen ze mee alsof ze het altijd gedaan hadden.

Een kozakkendans uitvoeren terwijl ze marcheerden was niet mogelijk, maar toch stapten ze achter hem met de armen gekruist terwijl ze achtereenvolgens de linker- en de rechtervoet uitzwaaiden.
Zo geraakten ze nauwelijks vooruit,
 maar dat deerde hen niet want ze hadden nog nooit zo’n pret gehad onderweg.

Pjotr dacht wel eens,
 stel dat we van uit een vliegtuigje gefilmd zouden worden voor een documentaire over Eskimo’s,
wat zouden de kijkers daar van moeten denken.?
En Petrova, mocht ze kijken ?
Zou ze hem herkennen?
Zou ze navraag doen?
Zou ze hem willen terugvinden?
Zou zij in dit witte landschap Sneeuwwitje 
willen zijn die verlangt naar haar prins Pjotr?
Hij schudde met zijn hoofd.
Petrova dat was toen.
 Nu leef ik hier met mijn dwergen van Eskimo’s.
Ik zal wel hun Sneeuwwitje zijn.

Niet veel later leerde hij hen ook
het lied van de zeven dwergen zingen:
Hé ho, hé ho, een Eskimo is zo,
hij gaat maar door,
 ook als het vroor,
zingt hij zich warm in koor…
Hé Ho, hé ho…

Pjotr wist dat hij deze Eskimo’s gelukkig maakte. Hij zou hier altijd kunnen blijven,
maar dit was een geschikt moment 
om hen achter te laten. Werd het niet tijd om aan zichzelf te denken?

PJOTR WIL NAAR DE INDIANEN

Pjotr de Globetrotter begon in zijn hoofd weer lijnen over de wereldbol te trekken.
Hoger dan de Noordpool kon hij niet. Dan maar opzij en naar beneden.
Hij had er geen idee van hoe ver hij moest reizen en over welk terrein, maar het leek hem wel
 de juiste weg naar de indianen.
 Hij sprak er met zijn Eskimo’s over.
Die hielden niet van indianen. Maar ze hielden wel van Pjotr.

Ze waren heel verdrietig nu hij hen ging verlaten, maar ze hielpen hem inpakken
en overladen hem met geschenken en goede raad.
 Hij kreeg een kano mee. En veertien poolhonden. Allemaal Husky’s. Omdat Pjotr die mooi vond. Wij redden ons wel met Leika’s, Alaska Malamuts, Groenland honden kleinere Elandhonden, maakten de Eskimo’s hem wijs. Neem jij maar alle Husky’s.
Ze vertelden er niet bij dat Husky’s de koppigste
 onder de poolhonden waren.

Het afscheidsfeest duurde lang.
Met een barbecue er bovenop.
Alles wat ze van hem geleerd hadden
 wilden ze een laatste keer tonen.
Konden ze op enkele dagen tijd twee koppen groeien dan hadden ze ook dat nog gedaan.

Wanneer Pjotr eindelijk met zijn hondenslee vertrok, deden de Eskimo’s hem al zingend uitgeleide.
Links en rechts van zijn slede dansten ze 
de kozakkendans.
Tot de Husky’s om ter snelst gingen lopen.
Pjotr viel achteruit op zijn slede
 en hoorde zijn Eskimo’s
 van steeds van verder weg zingen: ” wij zijn kozakken,
wij gaan lekker pinten pakken,
Pjotr zal ons niet meer door het ijs zien zakken,
wij gaan terug rauw eten  en dan lekker smakken…”

 PJOTR EN DE POOLHONDEN

Pjotr stond voor de reis van zijn leven. Gelukkig wist hij dat nog niet.
Van de Eskimo’s naar de indianen
 ga je immers niet over één nacht ijs.
Al vlug zou hij ontdekken dat er niet overal ijs was.
 Dat hadden ze hem niet gezegd. Daarom had hij die kano mee gekregen.

Zijn vrienden hadden hem dus ook niet verteld waarom hij zo makkelijk al de Husky’s meegekregen had.
 Husky’s willen vooral vrij zijn, Husky’s lopen makkelijk weg als je ze uit het gareel laat. Pjotr had daar nooit op gelet.
Wanneer de Eskimo’s met hun honden bezig waren
 zat Pjotr meestal sneeuwballen naar hen te gooien. Om hen te plagen en hen van hun werk te houden.
Hij had natuurlijk beter een beetje opgelet. 
Toch waren het geschikte poolhonden. Onvermoeibaar en tegen de grootste kou bestand. Maar met een eigen willetje.
Dat zou hij later op de reis nog ervaren. Maar in het begin leek alles koek en ei.
 De Husky’s liepen en sliepen
 alsof het voor hen een vakantiereisje
 was en dus maakte Pjotr zich geen zorgen. In feite lette hij niet zo op hen. Of toch niet van harte.

Hij had ze namen gegeven die allemaal
 als Husky klonken.
Alleen de beginletter wisselde.
Hij spande hen voor de sleden volgens het alfabet.
Tijdens de eindeloze ritten over de witte vlakte hield hij zich wakker door telkens
 hun namen te herhalen.
 Het waren als nummers, zonder verdere betekenis. Zonder gevoel
voor die honden.
Vooraan liepen Brusky naast Dusky. Dan had je Fusky met Husky, daarachter Kusky met Lusky.
 Dan volgden Nusky met Musky. En Pusky met Rusky.
 Dichter bij hem kwamen Susky met Trusky. En vlak voor hem liepen Xusky en Zusky.

Ze sliepen in het gareel, dicht bij elkaar. Wanneer hij geen tijd had of te moe was
 om vlug een iglo te bouwen of een tent
 op te zetten, ging hij wel eens tussen hen 
in liggen. Met zijn neus dicht en wakend. Maar meestal bouwde hij ’s avonds snel
 een kleine iglo. Groot genoeg om in te slapen. Hij had een systeem gevonden om dit werk te vergemakkelijken. Hij nummerde de ijsblokken met rode verf en maakte er bouwpakketjes van die hij achter de sleden mee deed glijden.
En zoals wij na een werkdag een ijsblokje
in ons drankje doen, stapelde Pjotr na zijn werkdag de ijsblokken volgens de juiste nummers terug op elkaar, en zijn iglo-bedje was gespreid.

Dan moest er voor eten worden gezorgd.
 Het gebeurde vaak dat de poolhonden onderweg,
terwijl ze de sleden voort trokken, een poolhaas vingen, een walrus omsingelden, en zelfs een Kariboe buit maakten. Een Kariboe is een hertachtig rendier
 dat wel veel groter is dan de poolhonden,
 maar die zijn zo snel en sterk samen
 dat ze het rendier al lopend uitputten.
Wanneer het dan struikelt, duikelen ze er 
met veertien op.
Als ze op een rendier jagen zit Pjotr heel die dolle rit
 vol angst en als een gek op zijn honden te roepen, 
terwijl hij zich moet vastklampen om niet uit de slee geslingerd te worden. Hij zou dan alleen achter te blijven. Als een speldenkop aan de Noordpool.

Maar als de honden aan het peuzelen slaan
 is het ook voor Pjotr lunch-time. 
Ze grommen wel een beetje wanneer hij een biefstukje voor hemzelf uit de buit wil snijden.
 Maar hij kan rustig de tijd nemen om een vuurtje te maken en zijn vleeslapje of ribstukje op smaak te brengen.

De honden zijn uitstekende werkers,
 maar als ze gegeten hebben willen ze een dutje doen. Lopen met een volle maag loopt meestal slecht af
 en vermits ze aan elkaar vastgebonden zijn,
 wil de ene Husky de andere Husky niet aandoen
 dat hij in volle ren een extra portie in de snoet gescheten krijgt.

Wordt er onderweg niet gegeten dan moet Pjotr ’s avonds maar wat anders uitvissen.
Als het ijs niet te dik is kapt hij een gat in het ijs en haalt hij een stevig stok boven. Geen vislijn, dat duurt hem te lang.

Hij beveelt zijn honden stil te blijven 
en dan begint hij te zingen.
 Als hij geluk heeft passeert er wel een schooltje vissen die wel eens willen kijken wat dat geluid toch is.
Steekt er eentje zijn kop boven water om het gezang beter te horen, krijgt die van Pjotr
een stevige patat om de oren, zodat die op het ijs vliegt.

Hij maakt er een punt van eerst elk van de veertien honden een visje te serveren alvorens aan zichzelf
te denken.
Hij lust zijn vis nog altijd niet rauw.
 Hij wil een vuurtje maken en zijn visje in een pannetje bakken tot hij het moeiteloos van de graat kan halen zoals de chefs in de grote restaurants.
Hij mag dan wel een globetrotter zijn die alleen reist, nooit zal hij vergeten dat je met goede tafelmanieren overal binnen mag.

Pjotr telt de dagen al lang niet meer. Hoe zou hij dat moeten doen?
Vanaf december blijft het overdag
 zo goed als donker. Er zijn enkel sterren
 en die kleuren het sneeuwlandschap blauw.
Daar is nog makkelijker mee te leven dan met de periode van de middernachtzon. Dan blijft het dag en nacht licht.
 Dat is heel vermoeiend.
Niet alleen voor Pjotr.
 Ook zijn poolhonden kunnen zo 
het Noorden kwijt raken.
Zij zouden dag en nacht blijven lopen. Daarom heeft Pjotr slaapmaskers bedacht
voor zijn honden. Geknipt uit gedroogde huid
 van de klapmuts, een zeehond met een gevlekte pels
 zoals een dalmatiër. Dat gaf het slaapmasker 
een modieus tintje, dacht Pjotr.
Het was een gevecht om die maskers over hun kop te trekken. Poolhonden kennen de geur van zeehonden.
Als Pjotr het masker, waar hij zo aan gewerkt had, te dicht bij hun bek bracht was de kans groot 
dat ze het opaten.
 Leg maar eens uit aan een hond dat hij geen snoepje krijgt maar een masker dat hem beter zal laten slapen.

Honden zijn zoals mensen, wist Pjotr. Of zoals apen. Alle apen apen alle apen na.
 Als je er in slaagt bij twee, drie honden zo’n masker aan te trekken, willen de anderen dat ook.

Musky en Trusky waren de slimmeriken van de groep.
 Zij waren bijvoorbeeld de enigen die hun vacht regelmatig lieten borstelen. Zij kwamen er zelfs om vragen bij Pjotr.
Pjotr begreep dat toch zo.
 Wanneer hij hen passeerde waren zij ook de enigen 
die opsprongen en hem aankeken. Recht in zijn ogen.
Waren zij deze reis beu en was dit hun manier van protesteren? Of was het dat zij bezorgd waren
 en leiding van hem verlangden?
“Hoe moet het verder, grote leider?

Zouden wij niet beter vooraan lopen in de plaats van die Brusky en Dusky, die er toch bij lopen als kippen zonder kop…,”

Soms schrok Pjotr van zijn gedachten. Leefde hij te lang alleen in de sneeuw?
Toch luisterde hij naar die gedachten, alsof ze van een andere persoon kwamen. Dus beloonde hij Musky en Trusky. Zij mochten voortaan voorop lopen.
 Omdat ze voorbeeldig hun slaapmasker droegen.

De dagen die er op volgden kon hij niet vlug genoeg slaapmaskers voor de andere honden maken. Wanneer het slaaptijd werd, begonnen er enkelen zowaar te huilen: “ik eerst, ik eerst…”
Was het voor het slaapmasker te doen
 of wilden ze ook op hun beurt vooraan lopen
 en de weg bepalen? 
Pjotr feliciteerde zichzelf. Zijn slaapmaskers waren een succes.

Of het nu licht of donker was, de honden waren ’s nachts rustiger. Voor het eerst hoorde hij sommigen luid snurken.
’s Morgens waren ze beter uitgeslapen
 en ja, “goedgezind”.

Hij had er extra werk mee, want hij moest nu elke dag 
de volgorde wisselen. Maar de honden waren geduldig. Alsof ze met hun lotje in hun poten afwachten 
of zij het grote lot gewonnen hadden. 
Je voelde een gezonde spanning.
 Een enkele keer was er eentje die jaloers reageerde, 
maar alles bij elkaar vond Pjotr voor het eerst 
dat hij met toffe honden op stap was.
 Hij groeide naar zijn honden toe.
 En wat hij nooit van zichzelf had kunnen denken,
 hij zag sommige liever dan andere.
Musky en Trusky waren zijn vertrouwenshonden geworden waarmee hij kon bespreken hoe het nu verder moest.
 En dan was er Susky.
 Susky was een beetje een plantrekker.
Je zag dat hij niet graag sledehond was. Hij had niet die verbetenheid.
 De andere honden probeerden altijd de collega die naast hen in het gareel liep voor te blijven. Susky niet. Die liet zich soms in het gareel hangen, zodat de anderen hem in feite droegen.
De dag dat hij als laatste voor de slede werd ingespannen greep hij zijn kans.
Heel de tijd keek hij achterom naar Pjotr.
Doordat zijn mondhoeken een beetje optrokken leek het of hij glimlachte.
Hij probeerde zich zelfs 
in zijn gareel te keren om op de slede te kunnen springen.
Pjotr kon het niet meer aanzien en haalde hem 
al rijdend uit het gareel.
Susky sprong op Pjotr 
zijn schoot en wou daar niet meer weg.
Pjotr had er een schoothondje bij
 en een sledehond minder.

Natuurlijk wou Pusky die naast Susky liep ook niet meer verder. Pjotr kon niet anders dan ook Pusky op de slede nemen.
Omdat Susky zijn plaats als schoothondje
 niet meer wou afstaan, kreeg Pusky een vrije rol.
Wanneer er jacht werd gemaakt op een poolhaas
of een Kariboe, kon Pusky, die niet meer in het gareel liep, het rendier de pas afsnijden, in het nauw drijven
 en sneller afmatten.
De andere honden waren akkoord met zijn rol als vrije jager.
Voor Susky hadden ze minder respect.
 Maar die haalde zijn neus op voor de anderen 
en bleef rustig bij Pjotr op de schoot liggen
 of hem overal volgen als zijn persoonlijke lijfwacht.

Dagen en weken gingen voorbij. Alles was hetzelfde.
 Behalve wanneer het Noorderlicht voor spektakel zorgde.
 Hij kon dan niet snel genoeg zijn honden hun slaapmasker aandoen. Anders zouden die gek worden. Want aan het Noorderlicht was geen ontsnappen aan.
 Zo groot als de hemel was leken er groene, blauwe en violetrode gordijnen te spoken. En ook het witte landschap kleurde mee in groen en blauw.

Op school had hij geleerd dat het een samenspel was
van deeltjes die van de zon kwamen en tegen de atmosfeer van de aarde botsten. Een uitzonderlijk natuurverschijnsel waar hij niet bang van moest zijn.
 Integendeel, hij moest blij zijn dat hij dit kon meemaken, want van de miljarden mensen op aarde waren er niet veel die dit te zien kregen. Hij legde zich dan tussen de honden en keek naar het grootste schouwspel ter wereld.
 Hij vond het spijtig dat hij dit niet met iemand anders
kon delen, met Petrova bijvoorbeeld.
 Hij troostte zich met de gedachte dat alleen echte
globetrotters dit meemaken.

Toch verlangde hij steeds meer naar een ander landschap. Naar zonnige oorden, naar bomen en velden met vruchten en ook wel wijdse meren.

Hij was al bijna vergeten dat hij ook hier grote wateroppervlakten kon tegenkomen. Daarvoor hadden 
zijn vrienden Eskimo’s hem een grote kano meegegeven.
Gelukkig bleven de sleden boven water drijven.
 Het leek wel een treintje op het water.
Met de kano als locomotief.
Pjotr wou de honden per slede verdelen.
 Maar de meesten wilden dat niet.
 Die wilden bij hem in de kano. Susky voorop.
 Die deed of hij met Pjotr vergroeid was.
 Musky en Trusky sprongen meteen vooraan in de kano
 alsof zij ook op het water de richting gingen aangeven.

Pjotr maakte kuipzeteltjes op de sleden.
 Maar hoezeer de honden honderden kilometers twee aan twee in het gareel hadden gelopen, naast elkaar in een zetel relaxen zagen ze blijkbaar niet zitten.
 Pjotr had niet genoeg sleden om iedereen zijn eigen zetel
 te geven. Daar stond hij dan.

Met Musky en Trusky als stuurlui klaar in de kano,
 Susky die aan zijn broek plakte en verder
 elf koppige honden, die als ruziënde kinderen 
elkaar de rug toekeerden. En die bij elke toenaderingspoging verder van elkaar weg gingen staan.

Na lang palaveren wou Brusky wel met Lusky in de relaxzetel. En hij kreeg Fusky bij Kusky, maar dan moest er een slede tussen blijven. Rusky en Zusky leken de laatsten te zijn die hij kon overtuigen.
 De anderen kon hij maar niet aan hun verstand
 brengen dat dit hun enige kans was.
“Hé vrienden, wie de boot mist blijft achter, hé.
Er komt geen volgende boot langs, als je dat maar goed weet!”
Pjotr hoorde het zichzelf roepen tegen die honden en hij dacht dat hij een beetje gek
aan ’t worden was.
Kon hij die honden hier zo maar achterlaten?
 Hij was er het hart van in.
 Niet zozeer
omdat hij het dan met vijf honden minder moest rooien, maar omdat hij, als niet honden-liefhebber, zich toch aan die honden was gaan hechten.

Negen honden waren ingescheept en keken naar de vijf op het ijs. Pjotr had geen echte band met zijn honden opgebouwd, moest hij toegeven. En nu was het te laat, want wanneer hij voor de zoveelste keer op een rustige manier wilde uitleggen dat ze beter zouden meegaan, groepeerden de vijf zich en namen afstand van Pjotr.

Ze gromden zacht en staken de kop naar beneden, wat normaal een teken van onderdanigheid is.
Zij wilden Pjotr duidelijk maken dat ze terug een eigen roedel wilden vormen en vrij voor hun eigen eten op jacht gaan.
 Ze konden jammer genoeg niet gewoon naar hem roepen: “och man, rot toch op!”.
 Pjotr begreep er niks van.
En dan, alsof er iemand teken had gegeven, staken ze tegelijk de kop in de lucht
en lieten een ijselijk wolvengehuil horen.
“Hé mannen, jullie moeten nu ook niet overdrijven, hé” probeerde Pjotr nog.
Maar het gehuil werd alleen maar sterker.
Wist Pjotr veel dat ze op die manier contact zochten met andere wolven in de buurt.
Hun gehuil ging tot meer dan vijf kilometer ver.

“Als het zo zit, laat mij jullie dan een knapzak meegeven voor onderweg.” En Pjotr liep naar zijn zelfgemaakte frigo om hen alle vis en vlees te geven die hij nog in voorraad had. Maar bij de eerste stukken vis die hij hen toegooide,
 stoven ze weg, de witte wildernis in.

Pjotr huilde. Susky dacht dat hij Pjotr kon troosten
door zijn tranen te likken. De honden in de kano 
en op de sleden keken beschaamd de andere kant op.
Wanneer de vijf helemaal uit het zicht verdwenen waren,
 bleef Pjotr nog een halve dag aan de rand van het water zitten. In de hoop dat zijn honden zouden terugkeren. Maar het waren Huskies, koppig in de kop en koud als ijs.

Uiteindelijk stapte Pjotr in de kano en vertrok.
 Met krachtige peddelslagen trok hij de karavaan op gang.
 Al snel liet hij zich door de stroming meevoeren.
Susky sprong op zijn schoot. Hij moest de neiging overwinnen om Susky niet in het water te gooien.
 Als je mij nog een keer een likje durft te geven, leg ik je tong op de barbecue en eet ik ze op met een lekkere Madeira-saus. Maar omdat hij hier nooit aan Madeirawijn, Parijse champignons of een halve liter kalfsbouillon kon geraken, liet hij het bij die gedachte.

De stroming zat meestal goed, zodat hij met de steekpeddel alleen moest bijsturen. Gelukkig kwam hij nog veel ijsvlakten tegen, want overnachten in de kano, met die likgrage Susky in de buurt zag hij niet zitten. Hij had al wel eens overnacht op een grote ijsschots, zodat hij een tent kon opzetten tegen de wind.

Als de ijsschots de goede richting uitvoer bleef hij soms meerdere dagen op de ijsschots kamperen. Dat was makkelijker dan met de kano te peddelen.
 Hij had het gevoel dat de overgebleven honden medelijden met hem hadden, want op Susky na, hadden ze sinds het vertrek en afscheid van hun wolf geworden vrienden, geen enkele keer moeilijk gedaan. Misschien waren ze liever met hem op reis dan terug wolf te worden en wild te doen.
Pjotr liet hen toch de vrijheid om te jagen en bemoeide zich niet te veel met hen.

PJOTR KOMT TERUG ONDER DE MENSEN

Dit was het nieuwe gewoon. Met de kano op het water,
 met de sleden op het ijs.
Vis vangen, samen eten met de honden. Een slaapiglo bouwen. De stand van de sterren bestuderen en hopen dat hij de goede richting uitgaat. Dagen, weken na elkaar.

Tot op een dag…
Pjotr had de sleden in een cirkel rond hem geparkeerd.
Hij had geen idee waar hij was. Het was dag en nacht zo goed
als donker.
Hij keek niet meer op, want al wekenlang was er niks anders te zien dan sneeuw en ijs.

Zoals gewoonlijk begon hij een gat in het ijs te kappen.
Tot hij plots een stem boven hem hoorde.
Hij schrok niet eens.
Hij dacht dat het weer zijn verbeelding was.
Maar dan hoorde hij opnieuw en veel luider :
“Hou op met in dat ijs te kappen. Hou op. Onmiddellijk.”
Dit klonk te luid om in zijn verbeelding te zijn.

“Ga weg, hier zit geen vis..” klonk het opnieuw.
Pjotr keek rond, maar zag niks.
Toch stopte hij met kappen en ging enkele meter verder zitten.
Daar begon hij opnieuw in het ijs te kappen
 en weer was daar die stem:
“Ik heb je toch gezegd dat onder dit ijs geen vis zit. Maak dat je hier weg komt.”

Pjotr schrok meer van zijn eigen stem dan van de stem die hij gehoord had toen hij terugriep:
“Zeg, ben jij God misschien, dat jij vanuit de hemel
 zo luid roept…”

Opeens scheen er een enorme lichtbundel naar hem.
“Alle Husky’s, kon hij nog zeggen…” en dan kwam 
het antwoord dat Pjotr buiten westen sloeg.
“Ik ben de eigenaar van deze ijsbaan. Dit is het oefenveld
 van het Black Hawks hockey team. Ga terug naar de wildernis, Eskimo. Straks komt ons team trainen en veeg ik jou met mijn ijsdweilmachine van de baan….”

Toen Pjotr wakker werd stonden er vijf ijshockeyspelers
 met hun geweldige schouders en helmen over hem gebogen. Hij lachte zwakjes en sloot opnieuw de ogen.

Hij was terug in de echte wereld.

Het nieuws haalde de kranten en de tv-journalen.
“Pjotr, de verdwaalde Eskimo die onder de ijsbaan van de Black Hawks vis wou vangen.”
Het publiek was gek van hem. Bij de thuiswedstrijden van de Black Hawks mocht hij met zijn poolhonden een ereronde rijden op de ijspiste.

Iedereen wou hem aanraken of met hem op de foto.
 Men vond hem een wildeman uit een ver verleden.
 Wie reisde nu met een slede de wereld rond? 
Hij werd de mascotte van de Black Hawks en posters
 en ijshockey-shirts met zijn naam op, zelfs namaak piramide-iglo’s vlogen als zoete broodjes de winkel uit.

Pjotr genoot van de belangstelling.
 Het gaf hem de kans om rustig op krachten te komen
na zijn vermoeiende avonturen aan de Noordpool.
Maar van zodra hij zich sterk genoeg voelde, wou hij verder.
Naar warmere streken, naar de indianen.

LEES VERDER IN DEEL III
Geplaatst in PJOTR DE GLOBETROTTER | Een reactie plaatsen

PJOTR DE GLOBETROTTER – deel I: de jeugdjaren bij de Oeral


TOEN PJOTR NOG EEN BROEKIE WAS

Pjotr groeide op in een piepklein dorp 
in een dal van het Oeralgebergte.
Overal waar je keek, keek je tegen de bergen aan. Hier kwam je nooit weg.
En dat is net wat Pjotr wou.
 De wereld intrekken. Avonturen beleven.
Andere mensen leren kennen. 
Achter de bergen.

Op school leerde hij niets over de wereld.
 Daar was geen tijd voor.
In de enige klas van het dorp
 zaten kinderen van alle leeftijden.
 Zij leerden lezen, schrijven, rekenen, zingen 
en andere praktische dingen. Zoals vissen 
en jagen
en een prooi schoonmaken
 zodat die in de pot of pan kon.
De enige leraar van het dorp vertelde soms 
over hun voorouders of over de Tsaren
en over vadertje Staat, maar de kinderen kregen bijvoorbeeld nooit aardrijkskunde.
Dit was hun dorp en daarbuiten was er de wereld, maar daar was geen tijd voor.
Na de weinige lesuren moest er gewerkt worden op het land. Anders hadden ze geen eten.

De meester keek Pjotr dan ook altijd onbegrijpend aan als Pjotr vertelde dat hij globetrotter wou worden.
“Hoe haal je zoiets in je hoofd”, had de leraar een keer gevraagd.
Pjotr vertelde daarop zijn verhaal
 over de Harlem Globetrotters,
 de beste basketters ter wereld
 die hij een keer gezien had op de enige televisie die het dorp rijk was.
Die televisie stond in het uitstalraam van de elektriciteitswinkel en Pjotr was met zijn neus tegen het raam blijven plakken.

Hij zag er niet alleen voor het eerst televisie,
 maar die Harlem Globetrotters waren zwart
en zwarte mensen had hij ook nog nooit gezien. 
Ze waren groot en snel en handig met de bal.
 Ze sprongen bovendien een meter hoger
dan zijn Russische landgenoten die, zo traag
als zoutzakken, niet konden volgen in deze wedstrijd.
De Harlem Globetrotters leken wel
van een andere planeet.
 Ze kwamen uit Amerika. Voor de kleine Pjotr
was dat hetzelfde als een andere planeet.
 De basketters reisden spelenderwijs de wereld rond. Vandaar de naam globetrotters: wereldreizigers.
Van die dag af wist Pjotr wat hij met zijn leven
wou doen.
Hij kon wel niet basketten,
maar de wereld rondreizen,
moest toch ook zonder basket kunnen.

PJOTR GAAT OP STAP

De eerste keer dat hij van huis wegliep was hij nog geen tien.
 Hij had ruzie gemaakt met zijn vader. Meestal liep hij dan naar grootvader, de smid van het dorp.
Pjotr zat graag bij het vuur in de smidse. Zodra het werk op het veld gedaan was.
 Zijn opa vertelde dan van de ruiters
 die met hun paarden langskwamen
voor nieuwe hoeven, en hoe die tegen elkaar konden opscheppen en ruzie maken.
Terwijl ze niks voorstelden,
 in vergelijking met de grote Dzjengis Khan,
die een stuk van de wereld veroverde.
 Stel je voor dat die met zijn leger van
duizenden ruiters langs de smidse zou zijn gekomen. Het hele dorp zou er jaren werk aan gehad hebben.

Pjotr smulde van die verhalen. Meestal toch. Behalve toen opa over de Tataren vertelde die biefstukken onder hun zadel legden
om hun paarden te beschermen. ’s Avonds zagen die biefstukken groen
en waren doordrenkt van paardenzweet.
“Ik heb hier nog een lekker stukje liggen
 van een ruiter die me dat vorige week 
als geschenk gegeven had. Heb je er zin in?”  Pjotr wou kotsend de smidse uit lopen.
“Ik maak maar een grapje,” zei opa.
“Ik heb helemaal geen biefstuk en trouwens, de Tataren aten die zelf ook niet op,
 maar gaven ze aan hun honden.”

Zijn opa werd ziek, zijn papa was meestal zat en Pjotr was het ook zat in zijn dorp.
Niet alleen de meester spotte met de globetrotter fantasieën van Pjotr. Het hele dorp lachte mee.
Jullie wereld is niet groter dan een konijnenkeutel, dacht Pjotr. ik wil de hele wereld zien, zonder einde.

Een plan had hij niet.
Vertrekken was het belangrijkste.
 Hij zou wel zien waar hij uitkwam.
De enige reservekleding die hij had was een extra onderbroek. Die nam hij mee en twee gedroogde haringen, een stuk brood en een blini.
 Meer durfde hij niet mee te nemen.
Toen zijn mama nog leefde, vertelde zij vaak 
hetzelfde grapje, om Pjotr duidelijk te maken
dat er ook in de winkels weinig eten was.
 Het grapje ging als volgt:
“Er komt een man in de winkel en vraagt :
“mag ik vier plakjes Kolbasu-worst.”
 Daarop zegt de mevrouw van de winkel:
“breng mij een Kolbasu-worst
en ik zal er vier plakjes van snijden.”

Hij vertrok in de nacht. Om niet op te vallen.

Maar iedereen sliep vredig.
 In zijn dorp gebeurde nooit iets.
Het dorp was maar enkele straten groot.
 Na enkele minuten stond hij al in de buitenwereld. Toch stapte hij haastig door.
 Er zou maar eens iemand toevallig deze nacht
 ook buiten het dorp moeten zijn.
Hij zag niemand.
De hele dag zou hij geen mens tegenkomen.
Maar dat vond Pjotr niet erg.
 Wanneer ik de wereld wil rondreizen,
moet ik niet na één dag treuren dat ik niemand zie. Trouwens, ik heb niemand nodig. Zeker niet
 van mijn dorp. Ik kan gerust alleen zijn
en ik zal genoeg nieuwe mensen leren kennen.

Hij genoot van zijn vrijheid. Zonder school,
 zonder op het land te moeten werken.
Voor het eerst kon hij in het hoge gras zitten niksen en naar de insecten kijken die langs hem kropen. Hij hoorde dierengeluiden die hij in het dorp nooit had opgemerkt.

’s Middags at hij een blini en een haring.
’s Avonds de tweede haring met het stuk brood. Hij voelde zich al een beetje wereldreiziger 
en feliciteerde zichzelf omdat hij
 lang voor het donker werd
 naar een geschikt plaatsje zocht om te slapen.
Het malse mos leek hem zachter
 dan zijn bedje thuis en wanneer hij die lage struik met enkele takken gebladerte aanvulde
 lag hij gezellig uit de wind.
Hij keek naar de hemel en telde de sterren
 die naar hem knipoogden en fantaseerde
 over de reizen die hij vanaf nu zou maken.
Het eenvoudigste is van altijd rechtdoor te gaan, wist hij. Dan passeer je al vele landen
en wanneer je dan terug op je vertrekpunt komt, ga je in plaats van naar links of rechts,
 naar boven of naar beneden.
En daarna een beetje schuin.
Hij balde een vuist tot een denkbeeldige wereldbol en trok er met zijn andere hand reisroutes over.
Een goed plan is een eenvoudig plan.

Zo viel hij in slaap. Nu ook de nacht echt viel
 werd het frisser in het bos. Hij werd er wakker van
 en besefte dat hij geen dekentje mee had.
 Hij trok dan maar zijn reserve onderbroek over zijn hoofd, met de voor- en achterkant op zijn oren, 
zodat zijn mond, neus en ogen in een beengat staken.
Wanneer ik het mos van de grond kan lostrekken 
zodat het nog bij elkaar blijft dan kan ik mij
 daar misschien in rollen. Het lukte hem wonderwel.
Ik ben Pjotr de globetrotter,
 zei hij zachtjes tegen zichzelf.
 Ik beloof mezelf dat ik altijd een oplossing zal vinden. Want dat is wat een echte wereldreiziger moet doen.

Een wereldreiziger is een uitvinder 
voor grote en kleine dingen. Omdat het moet. Omdat hij alleen op zichzelf kan rekenen.
 En dit is mijn eerste uitvinding:
Pjotr, de eerste levende blini,
de opgerolde pannenkoek
met menselijke vulling.
 Bij die vrolijke gedachte viel hij terug in slaap.
In zijn slaap hoorde hij nog altijd de geluiden van de nacht: de wind in de bomen,
 krakende takken, een brullend everzwijn
 of het burlen van een hert,
 de oehoe van een uil dichtbij.
 Pjotr hoorde het in zijn slaap,
 maar het stoorde hem niet.

Tot hij een gegrom van wel heel dichtbij hoorde. Hij kon het zelfs ruiken en voelen.
Het was een wolf die zo dichtbij
zijn hoofd hing dat hij de warme adem in zijn gezicht voelde. Met daarbij de zekerheid dat wolven nooit hun tanden poetsen.
 Dat laatste dacht hij waarschijnlijk niet,
 want Pjotr had op die leeftijd ook nog nooit een tandenborstel gezien.

Hij hield zijn ogen zo goed als gesloten.
 Op een streepje na, zodat hij onopvallend
 door zijn wimper in het donker kon kijken.
 Je kreeg geen hand tussen de muil van de wolf en de neus van Pjotr. Toch had Pjotr geen angst. Hij probeerde zich in te beelden
 wat de wolf nu zou denken.
 Misschien had die nog nooit een mens gezien. Zeker niet eentje met een propere onderbroek op zijn kop bedekt met een dekentje van mos. Wolven zijn niet slim.
Zelfs wanneer deze wolf 
al eens een mens had gezien, 
zou die Pjotr niet herkennen, zelfs niet ruiken. Het groene mos deed niet aan mensen denken
en die onderbroek, propertjes gewassen, ook niet.

Wat nu, dacht Pjotr.
Wat zou een globetrotter doen in dit geval?
Ik ben niet bang van deze wolf,
maar ik kan hem wel bang maken.
 Deze wolf is alleen maar nieuwsgierig. Zonder vooraf te bewegen,
 met zijn hoofd nog piepend uit het beengat van zijn onderbroek riep hij zo luid 
een kinderstemmetje roepen kan
“BOEH”.
De wolf sprong wel meter hoog
 en vluchtte kajietend weg.
 Pjotr gooide het donsdeken van zich af
 en stak beide armen in de lucht.
 Nooit zal ik nog bang zijn.
 Niet in het donker, niet bij enge geluiden, niet van wilde dieren. En zeker niet van mensen.

Met zijn armen nog omhoog en zijn onderbroek op zijn kop voelde hij pas hoe koud het was.
 Toen dacht hij aan zijn bedje thuis,
 aan de warmte in de smidse
 en vooral ook aan de honger
 die hij voelde knagen in zijn buikje.
Voor morgen en de dagen die zouden volgen
had hij geen eten meer.
 Hij besloot van toch maar terug naar huis te gaan.

Dit was een geweldige ervaring. Maar hij was niet voldoende voorbereid.
Volgende keer neem ik meer kleren mee
en eten en een mes. Een groot scherp mes, dat heb ik nodig.

In het dorp wist iedereen dat hij verdwenen was, maar niemand was hem gaan zoeken.
Er veranderden wel een paar dingen.

De dorpelingen gaven de meester de schuld van Pjotr zijn vertrek.
Hij mocht om te beginnen
 niet meer spotten met Pjotr zijn dromen. Ook moest hij Pjotr landkaarten geven en hem tonen dat wie naast het Oeral-gebergte woont, niet zo makkelijk de wereld in kan trekken. Die bergketen is meer dan tweeduizend
kilometer lang.
Aan de overkant kom je in Azië terecht waar heel andere mensen wonen
die een heel andere taal spreken.
Dit deed Pjotr nog meer dromen. Kan ik dan geen boeken krijgen zodat ik kan leren over verre landen en hoe de mensen daar wonen?

Hij kreeg alle boeken die hij wou.
 Misschien zou hij dan wel braaf in het dorp blijven.

Zijn opa had Pjotr beter begrepen.
 Opa kwam met papa overeen dat Pjotr 
niet meer op het land moest werken,
 maar dat opa hem zou opleiden in de smidse. Wanneer hij hoefijzers kan smeden
 en op de paarden hun poten plaatsen,
 kan hij naar andere dorpen in de streek rijden
 om daar de paarden van nieuwe schoenen te voorzien.
Misschien kan hij wel wilde paarden temmen en verkopen?

Pjotr was in de wolken.
 Hij leerde vuur maken, het ijzer smelten, 
hoefijzers vorm geven, de ijzers op de hoeven
 van de paarden nagelen, bijvijlen waar nodig
 en vooral: hij leerde als geen ander omgaan met paarden. Het duurde niet lang of hij was een uitstekend ruiter
 en, nog belangrijker, hij leerde met paarden praten.


PJOTR DE PAARDENKENNER

Als er tijd over was zat hij over zijn boeken gebogen. Hij leerde over Chinezen in Azië, zwarten in Afrika, indianen in Amerika. Hij prentte alles in zijn hoofd. Zelfs stromen en rivieren, grote steden en bergen. Niemand in het dorp wist meer over de wereld dan hij.
Ook de meester die Pjotr boeken gaf luisterde nu als een kind als Pjotr
 over de wereld buiten hun dorp vertelde.

De mensen kenden hem ondertussen
 als Pjotr de paardenkenner.
Pjotr maakte er zijn kenmerk van.
 Op hoeven die hij smeedde klopte hij vooraan in de tip PPK: “PJOTR PAARDEN KRACHT”.

In een boek over de oude Grieken had hij gelezen dat zij in hun reusachtige tempels
ijzeren ankerpunten met lood overgoten. Daardoor ging het ijzer minder snel roesten.
Hij probeerde het ook met zijn hoefijzers. Wanneer hij ze vorm had gegeven en er zijn PPK had ingehamerd 
goot hij er een laagje kokend lood over.
 De paarden leken wel op zilveren schoentjes te lopen. En het ijzer ging minder snel roesten, vertelde Pjotr er altijd bij.
Iedereen die ervan hoorde wou zijn paarden met hoefijzers van Pjotr laten beslagen.

Zijn opa was er niet echt blij mee.
 Zo’n drukte in zijn smidse 
had hij op zijn oude dag liever niet gehad. Opa wist als geen ander dat een paard eigenlijk geen hoefijzers nodig heeft.
Het geeft een paard meer problemen dan het er voordeel bij heeft.
 Zeker als je de hoeven niet om de vier tot zes weken 
laat onderhouden. Maar ja,
 het is een broodwinning,
wist opa. Hij had het zijn hele leven gedaan
en nu werd Pjotr er zelfs rijk mee.
Pjotr kon in ieder geval genoeg sparen om zijn droom te verwezenlijken.
Ooit zou hij de wereld intrekken, dankzij zijn opa en de paarden.

Pjotr las boeken over verre landen 
maar ook verhalen van Dickens 
over het leven
van de gewone mensen
 in Engeland en van Karl May over cowboys en indianen in Amerika.
Hij hield van de indianen
maar voelde zich eerder cowboy.
Op een keer las hij dat cowboys
door het vele paardrijden rondstapten met O-benen.
Alsof ze nog op hun paard zaten. Het duurde niet lang of hij liep ook 
met O-benen rond
in het dorp.
In gedachten was hij een cowboy.
Tot er iemand vroeg :
”hé, Pjotr heb jij in je broek gekakt?”
Plots had Pjotr geen O-benen meer. Maar dat was de laatste keer
 dat er nog met Pjotr gelachen werd.
Het dorp beschouwde hem 
ook niet meer als Pjotr de dromer.
Iedereen wist dat hij met paarden kon praten,
 dat hij meer van de buitenwereld wist 
dan wie ook en dat hij jonge mensen
 met die buitenwereld liet kennismaken via de reizen die hij voor hen regisseerde.

REIZEN PJOTR

Pjotr was de slimste van allemaal.
 De avontuurlijke tochten die hij
 voor jonge mensen organiseerde langs de oevers van de Kama, gebeurden op zijn paarden met
 de zilverkleurige hoefijzers.
 Iedereen die aan zijn tochten deelnam wou ook het geweldige Pjotr Globetrotter-mes hebben. Toen hij destijds als tienjarige
op avontuur trok,
had Pjotr zich voorgenomen
 dat hij volgende keer een stevig mes moest meenemen.

Nu hij de geheimen van de smederij kende kon hij zijn spectaculaire mes zelf maken.
Het mes leek eerder een klein zwaard. Lang en breed maar zo superfijn en scherp.
Hij kon er zijn baard mee scheren. Wat hij graag en met veel vertoon deed als er toeschouwers
in de buurt waren.
En zoals smeden vroeger hun messen graveerden, schreef Pjotr in het lemmet
van zijn mes :
“Pjotr Globetrotter-mes”.
 Het handvat was op maat en vorm
 van de knoestige vuist van Pjotr.
 Wie een Pjotr Globetrotter-mes in handen hield, liep aan het handje van de grote Pjotr.
Wanneer hij bij de trektochten voorop reed
, stak hij zijn mes als een zwaard hoog in de lucht. Niemand durfde hem na doen.
 Alleen Pjotr mocht dat doen. Dat hoorde zo. Alleen zijn mes mocht in de lucht steken
 en glinsteren in de zon.
 Het leek alsof hij zijn troepen ten aanval voerde, terwijl het niet meer dan een pleziertocht was. Hoewel, eenvoudig waren die tochten ook niet.

Je moest om te beginnen kunnen paardrijden. Je moest bereid zijn in openlucht te slapen, zonder bed, zonder tent. 
Je moest bereid zijn te eten wat in de natuur te vinden was.
Zo was er elke dag wel vis uit de Kama-rivier. Als je hem al kon vangen.
Zoals Pjotr vissen ving was fantastisch
 om zien maar moeilijk na te doen.

Want Pjotr viste ook met zijn mes.
Hij kon roerloos in het water staan 
tot de vissen dachten dat hij een boom was
 die er altijd al gestaan had maar die ze zich even 
niet herinnerden. Een vis heeft een kort geheugen.
En dan kliefde het mes van Pjotr als een bliksem 
door het water, sneller dan een vis ‘blub’ kon zeggen.

Pjotr leerde zijn reizigers ook naar ander voedsel zoeken. Dat was makkelijker.
Op zijn aanwijzen leerden ze kruisbessen
 en appelbessen zoeken. Verder ook vijgen, bospaddenstoelen, eekhoorntjesbrood, hazelnoten, kastanjes, klavertjes, paardenbloemen en madeliefjes. Iedereen liep met een boog rond brandnetels, 
maar Pjotr leerde hen ook witte dovennetel kennen, waarvan de bloemetjes zoet waren als honing.

Overdag vingen ze vis en zochten ze naar vruchten en kruiden. ’s Avonds werd het gevonden voedsel bij een groot vuur klaargemaakt.
Het eten was eenvoudig, de sfeer uitzonderlijk.

Wanneer ze brandnetelsoep maakten, vertelde Pjotr dat alleen de bovenste topjes
van de brandnetel lekker zijn.
In één snelle beweging hakte hij met zijn mes, alsof het een zeis was, de topjes van de netels die in een sierlijke boog recht in de soepketel vlogen. Niemand deed hem dat na.

Wanneer ze wilde kastanjes vonden 
aten ze die als nagerecht. Gepoft in het vuur.
En wie haalde de kastanjes uit het vuur?
 Pjotr haalde kastanje na kastanje uit het vuur
alsof hij pluisjes van zijn hemd plukte.
 Het leek een goocheltruc.
 Met open mond zaten ze er naar te kijken.
Wie overmoedig Pjotr probeerde na te doen, moest snel en gillend zijn hand uit het vuur trekken. “Ik had je gewaarschuwd”, zei Pjotr dan kalm.
 Hoe hij het vuur kon verdragen bleef zijn geheim.

Hij kon zijn reisgezellen de hele avond bezig houden. Hij was een goede verteller en had altijd nog
een trucje achter de hand.
 Zo had hij een toneeltje met zijn paard ingestudeerd. Iedereen zat in een cirkel rond het vuur.
Pjotr stond buiten de cirkel met zijn paard, dat met zijn staart naar het publiek stond. Pjotr vroeg iemand in de kring naar zijn naam en ging dan zijn paard vertellen waar die persoon in de kring zat. Zonder fout stapte het paard iedere keer naar de genoemde persoon.
Het was een amusante vertoning.

Het paard leek wel een verklede mens, zo goed speelde het mee.
 Je zag het paard luisteren, instemmend ja knikken, soms heftig nee schudden
 of  beginnen hinniken.
 Dan speelde Pjotr of hij boos was
en zei bijvoorbeeld :
”neen, Lykos, je mag niet lachen
 met de mensen hun naam.
 Ik heb jou wolf genoemd,
misschien vinden anderen dat ook gek.
Ga nu maar gewoon die persoon zoeken.” Soms deed het paard of het aarzelde en keerde dan terug naar Pjotr als om te zeggen:
“leg dat nog eens uit…”

Op het einde van de avond zongen ze telkens met veel overtuiging het lied van de kozakken. “Ho, de kozakken, laten hun moed niet zakken, wacht eens mannen want mijn paard moet…”
en wat dat paard dan moest werd niet gezongen, maar iedereen wist het maar al te goed dat het rijmde op zakken. Wie het niet begreep zou het seffens wel ruiken.
Voor ze gingen slapen werden de paarden
 in een cirkel gezet als beschermingsmuur. Terwijl de jonge avonturiers in die cirkel sliepen, kregen ze de geur van paardenmest er gratis bij. Die dampen zijn goed voor uw longen,
vertelde Pjotr dan. En iedereen geloofde hem.

Iedereen wou bij hem zijn.
 Iedereen wou bij hem blijven.
Wanneer de tocht na een week al weer voorbij was, wilden sommige jongeren geen plaats maken voor een andere groep.

Om van het probleem af te zijn benoemde Pjotr hen soms tot zijn assistenten.
 In het begin werkte dat goed,
 want de assistenten wisten wat er moest gebeuren en namen
de vervelende taken uit zijn handen,
 zodat hij meer tijd vrij had om de mensen te amuseren.
Het nadeel was dat er op die manier minder plaats over bleef voor nieuwe avonturiers.

Pjotr kon daar mee leven. Voor hem waren die tochten een manier van leven geworden. Vroeger wou hij alleen zijn. Nu vond hij het niet meer erg
 dat er altijd mensen rond hem hingen.
 Hij was vriendelijk voor iedereen,
 maar voor niemand in het bijzonder.
 Ook dat veranderde. Toen Petrova kwam.

PJOTR EN PETROVA

Petrova was niet zo maar een van de vele juffertjes die eens mee op avontuur wilden. Petrova was een beroemdheid. Een absolute topatlete, die over heel de wereld bekend was als een van de beste hoogspringsters van haar tijd.
Wanneer zij stapte leek ze vertraagd te zweven op haar slanke benen waar geen einde aan leek te komen.
 Ze had bovendien een volmaakt
 en gaaf engelengezicht waar je niet kon van wegkijken. Ook omdat ze zelf iedereen aanstaarde met haar grote blauwe ogen die altijd droevig stonden.
 Ook al was ze beroemd en wondermooi, gelukkig zag ze er niet uit.

Ze was dankbaar voor de kansen die ze kreeg en voor het publiek dat overal en altijd voor haar supporterde, maar op de duur voelde ze zich verdrinken in al die aandacht.
 Ze wou vrij zijn.
 Toen ze hoorde vertellen over Pjotr, was ze jaloers.
 Die kan werkelijk gaan en staan waar hij wil. Die kan met zijn paarden rondtrekken langs de flanken van de Oeral,
weg van alles en iedereen.
 Die voelt geen druk om te presteren,
 aan hem werden geen eisen gesteld,
 die kon leven op het ritme van de natuur. Die kon leven zoals hij zelf wou.
Petrova had er geen idee van hoe hard Pjotr hier had voor gewerkt.

Het liet haar niet meer los. Ze moest weg. Niet zoals Pjotr die de wijde wereld in wou. Petrova wou weg van de wereld
die altijd maar meer van haar wou.

Op een dag vluchtte ze haar land uit
 met één doel: Pjotr vinden.
 Hij zou haar redden,
bij hem kon ze onderduiken. Bij hem zou ze de vrijheid vinden
 waar ze zo naar verlangde.
Petrova liet alles achter haar toen ze zich inschreef voor de avonturentocht van Pjotr.

Zij was de eerste deelneemster waar Pjotr zelf aan vroeg of ze zijn assistente wou worden. Niet omdat ze zo mooi was,
niet omdat ze beroemd was, maar omdat zij overal geweest was
waar Pjotr van droomde.
Hij was, echt waar, jaloers op haar.
 Hij mocht nog zo veel lezen over verre landen.
Petrova was er geweest. Als hoogspringster. Op de olympische spelen van Rome,
Tokio, Mexico. Op toernooien in Amerika, Brazilië, Cuba, Australië.
Zo vele plaatsen waar hij had willen gaan, was zij geweest. Altijd voor korte tijd
en vooral in sportstadions, 
maar zij had echt andere mensen leren kennen. Gele, zwarte, bruine, blanke.
 Zij had met hen aan tafel gezeten,
 zij had hun taal gehoord, gezien hoe ze leefden, terwijl Pjotr alleen met de mensen rondom hem en ja, ook met paarden kon praten.
 Hij moest en zou alle mogelijke talen leren. Vanaf nu. Al moest het dan uit een boek.

Hij was natuurlijk niet de enige die stond te springen
 om met Petrova te kunnen praten. Iedereen die mee 
op reis was wou haar horen vertellen. Over wat zij
 had meegemaakt. Hoe het leven was in die verre landen.
Pjotr gaf graag een deel van de avond aan Petrova. Zelf vertelde hij over de natuur en de reis
die ze aan het maken waren.
Petrova vertelde over de reizen die zij als hoogspringster had gemaakt. Pjotr vond het niet erg dat het publiek haar verhalen interessanter vond. Hij vond dat zelf ook.

Pjotr ging helemaal voor de bijl toen zij op een avond
 bij het kozakken-lied opsprong en een perfecte kozakkendans uitvoerde, de armen gekruist, de lange benen op het ritme voor zich uitgooiend terwijl zij bijna in hurkzit zat.
Hij werd zowaar verliefd op Petrova.
Hij wist niet wat hem overkwam.
Lieve Petrova, was alles wat hij kon denken
 en hij stortte zich enthousiast mee in een wilde kozakkendans. Natuurlijk ging hij compleet onderuit.
 Maar Petrova was zo lief van hem recht te trekken 
alsof het afgesproken was.
 Spontaan begon zij een polka-dans met hem.
Het publiek dacht dat het een ingestudeerd nummer was. 
Zij lieten het danskoppel even alleen onder luid applaus ronddansen, maar sprongen dan mee in de dans.

Iedereen dacht al snel dat Petrova en Pjotr ook echt een koppel waren.
Toen ze echt een koppel werden, mocht iedereen het zien.
 Aan hun verliefde blikken,
aan de manier hoe 
ze in hun optreden elkaar de voorrang gaven,
 aan de binnenpretjes die ze hadden
 en duidelijk maakten dat ze meer in hun leven deelden dan hun verhalen en dans bij het kampvuur.

“Pjotr reizen” werden “Pjotr en Petrova reizen” .
De assistenten noemde hen vertederd “PéPé”.
 Ze wisten niet dat PéPé in andere landen
 oud mannetje of opaatje betekende.

Natuurlijk was de wereld benieuwd
 hoe het verder met de mooie Petrova ging.
Zo kwam er wel eens een tv-ploeg op bezoek en verschenen er reportages in binnen- en buitenlandse kranten, maar eigenlijk werd hun rust niet echt verstoord.
De Pjotr en Petrova reizen trokken zo een aantal jaren zorgeloos voorbij.
Het gebeurde nog wel dat hij terugdacht
aan zijn grootse plannen om de wijde wereld
in te trekken.
 Zeker op momenten als Petrova over haar reizen vertelde of wanneer ze door buitenlandse kranten werd geïnterviewd.
 Maar dat ging snel voorbij, want het leven 
was goed en ze waren gelukkig samen.

HET PJOTR CIRCUS

Hun avondshow werd steeds meer uitgebreid. Pjotr had messenwerpen geprobeerd,
 maar hij werd zenuwachtig van het publiek dat voortdurend ‘Oh’ en ‘Ah’ riep omdat ze angst hadden dat hun geliefde Petrova een mes in haar buik, arm of oog zou krijgen.

Hun paardennummer had meer succes.
 Pjotr sprong van zijn rijdende paard en er terug op, Petrova stond recht op de rug van het paard,
 Pjotr liet het paard met zijn poot rekenen
en Petrova sprong ruggelings over het paard heen.
Ze had dat geleerd van Dick Fosbury
 op de olympische spelen van Mexico.
 Die werd kampioen door als eerste ruggelings
 te springen.
 Maar ruggelings over een paard springen
had niemand ooit gezien.

Ze sprong niet alleen over de rug van het paard, maar soms ook over de kop van het paard.
Dat was niet zonder gevaar.
 Als je de lat raakt bij het hoogspringen valt die lat gewoon neer.
 Een paard is geen lat. Een paard is als een muur. Bovendien een muur die kan bewegen.

Natuurlijk was Petrova een hoogspringster met wereldklasse, maar dit was meer circus dan sport.
 Daarbij moest ze rekenen op de hulp van Pjotr. Die moest het paard 
rustig houden. Dat deed hij door met het paard
 te praten. Met zijn hoofd tegen de kop van het paard. Het paard mocht niet schrikken en bewegen wanneer Petrova kwam aangelopen.
Alles moest perfect zijn.
Soms nam ze haar aanloop
en in plaats van te springen liep ze gewoon aan het paard voorbij.
 De mensen dachten dan dat ze een grapje maakte.
Of ze liep aan om over de kop te springen
 en dook toch opnieuw over de rug.
Het publiek besefte hoe moeilijk het was 
en hield de adem in tot Petrova gesprongen had om dan los te barsten in het luidste en langste applaus van de avond.
Petrova werd in haar sportcarrière door tienduizenden toegejuicht. Hier bij het kampvuur zat niet eens veertig man.
 Misschien deed ze wel zo’n gevaarlijke sprong omdat ze hongerde naar dat geweldige applaus van vroeger?

Wie die spanning avond na avond van nabij meemaakte wist dat er ooit iets zou mislopen. En die avond kwam er inderdaad.

Het was die dag een heel warm geweest.
 De warmte had iedereen meer dan gewoonlijk vermoeid. Ook de paarden.
 Ook Pjotr en Petrova.
Voorlopig verliep alles goed.
 Er werd minder gegeten
 en met de warmte meer gedronken.
Het kozakken-lied werd wel gezongen
 maar de dans werd overgeslagen 
en ook de Polka was korter dan anders.
 Maar verder ging alles zijn gewone gangetje. Misschien was de concentratie minder?

Petrova had al in handenstand
 op de rug van het paard gestaan
 terwijl het in rondjes liep.
Pjotr had het paard bij de teugels genomen
 en het naar zich toegetrokken.
Het paard luisterde zoals gewoonlijk naar Pjotr, die zijn hoofd tegen de kop van het paard hield.

Petrova begreep dat ze haar sprong kon voorbereiden. Maar toen ze over de rug van het paard sprong,
 had het paard niet helemaal stil gestaan.
Zo kon ze niet over de kop van het paard springen.
Maar Petrova had er alle vertrouwen in dat Pjotr het paard op het goede moment toch compleet stil zou krijgen.

Ze zag hoe Pjotr met het paard praatte.
 Ze zag hem lachen. Het paard gaf nog kleine knikjes.
 Pjotr keek naar haar. Ze mocht aanlopen.
Het publiek voelde Petrova als een verfrissende werveling door de warme lucht passeren.
Ze keken haar na wanneer ze zich keerde
 en afstootte.
Petrova ging de lucht in, leek voldoende hoogte
 te maken ondanks de afstoot in het mulle zand.
Nu mocht er niks mislopen.
 Eens de sprong ingezet kun je er niks meer aan veranderen. De springer moet zeker zijn van zijn sprong en blind vertrouwen
dat hij zijn doel bereikt.
Maar zijn doel was niet een lat overschrijden, maar een paard. Zo stevig als een muur.
Een muur die bovendien kon bewegen…

Niemand kon zeggen wat er precies gebeurde.
Sprong Petrova te laag?
Schrok het paard en bewoog?
Had Pjotr het dan toch niet goed in de hand?
De klap was hard toen Petrova met de snelheid
 van haar sprong tegen de hals van het paard smakte. Het paard viel en stampvoette.

Pjotr lag er half onder,
 Petrova rolde er over en bleef bewusteloos liggen.
Het publiek gilde en liep alle richtingen uit.
De chaos was compleet.
Een student geneeskunde ontfermde zich over Petrova.
Haar nek lag in een vreemde hoek, maar gebroken was die niet, want toe ze bij bewustzijn kwam kon ze hem met veel pijn lichtjes bewegen.
 Haar sleutelbeen en schouderblad leken wel gebroken.
Ze kon haar benen niet bewegen. Was zij verlamd? Had ze ook haar ruggengraat gebroken?

Ze zaten daar in de bossen, de nacht viel. Draagbare telefoon bestond nog niet.
Het dichtstbijzijnde dorp lag wel
 een volledige dag stappen vandaan.
Petrova op een paard laden was uitgesloten.
Een draagberrie achter een paard aanslepen zoals in cowboyfilms was op dit terrein niet mogelijk.
Met doeken werd Petrova zo goed mogelijk
 ingebonden. Zo was haar nek toch beveiligd.
Vervolgens werd ze voorzichtig op een draagberrie gelegd die snel gemaakt was met dunne stammetjes
 van berkenbomen die je hier overal kon vinden.

Het feest was omgeslagen in een drama.

Toch werd er niet geaarzeld en stilzwijgend en eendrachtig werd de lange tocht aangevat, alsof ze er jaren voor getraind hadden.
Er waren genoeg mannen die om beurt de berrie konden dragen. En zij die niet droegen begeleiden de berrie te paard.
 Ze maakten de weg zo goed mogelijk vrij en zorgden met hun fakkels dat de dragers genoeg licht hadden.

Als je niet wist wat er aan vooraf gegaan was,
 zou je betoverd kunnen worden door deze sprookjesachtige stille tocht door het bos.
 De dragers en ruiters waren wel geen kabouters,
maar op zijn minst was Petrova op de draagberrie
 ook met haar pijn en ingewikkeld in doeken
 mooier dan sneeuwwitje.
Het licht van de dansende fakkels scheen
 op de ernstige gezichten en vergrootte de schaduwen tegen de achtergrond van het berkenbos.

Er werd een ruiter vooruit gestuurd. Misschien kon er dan hulp tegemoet komen vanuit het hospitaal. Liefst een dokter
 die kon vaststellen wat Petrova
 al dan niet gebroken had.
En verplegenden met echte draagberries.

Het was al ochtend wanneer Petrova 
in het kleine dorpshospitaal onderzocht 
kon worden.
Van het moment dat ze wisten wie hun patiënt was, contacteerden ze een groter hospitaal. Uit angst zelf iets fout te doen.
Pjotr die de reis mee had gemaakt en er helemaal niet zo erg aan toe was, werd niet eens onderzocht of bekeken.

LEES VERDER IN DEEL II
Geplaatst in PJOTR DE GLOBETROTTER | Een reactie plaatsen

NIEMANDSLAND

Na regen komt zonneschijn. En omgekeerd. Dat is maar goed. Elke dag in de tuin in het zwembadje spelen gaat ook vervelen. Spellen vervelen nooit. Hoewel Gloria zich blauw
kan ergeren aan ‘Mens erger je niet’. Zeker als zij verliest.
Fons niet. Dat is een echte speelvogel. Spelen is voor hem belangrijker dan winnen.
Hij speelt zelfs graag met de kaarten.
Otto wil ook mee kaarten. Hoewel hij met zijn drie jaar moeiteloos tot tien en verder telt, herkent hij de getallen nog niet zo. Of hij doet alsof.
Gloria die altijd met een ander spel wil beginnen, wou Pim Pam Pet spelen.
“Gloria, het is Pim Pam Pot”, zei Otto.
Die antwoordde geduldig en een beetje belerend. “Neen, Otto, het is Pim Pam Pet. Wanneer je zes wordt ga je naar het eerste studiejaar en dan leer je alle woordjes lezen, ook Pim Pam Pet.”
“Het is Pim Pam Pot”, sloeg Otto terug. “Kijk maar” en hij gaat met zijn vingertje
over de laatste twee lettertekens en zegt “dat is een O en een T, zoals in mijn naam.
Ik heb twee keer een O en twee keer een T. “
Overal waar hij zijn letters ziet wil hij laten zien dat hij ze kent: “kijk, mijn letters.”
Ik vermoed dat hij met Pim Pam Pot Gloria wou plagen.
Fons, de oudste van de drie, dacht er ook zo over en zat achter zijn hand te lachen.

Ik schrijf oudste van de drie en maak een onvoorstelbare telfout.

Fons, mijn oudste kleinkind dat twee weken na mijn zestigste verjaardag geboren werd,
is ondertussen de oudste van vijf.
Otto (het derde kleinkind, maar Italiaans voor acht) heeft sinds een half jaar een broertje dat hij vooraf zelf de naam ‘Lemby’ gaf, maar mama en papa vonden Titus toch beter klinken. Titus is net als Otto een keizer. Een Romeinse keizer, terwijl Otto een Duitse keizer was.
En dan is er het vijfde. Niet van Beethoven, maar van mijn oudste zoon.
Omdat het een meisje is, is zij La quinta, met een mooie naam Nona, wat dan weer
‘De negende’ betekent.  maar betekenisvoller bekend als ‘ode aan de vreugde’.
Onze vijfde, mag dan wel de negende heten, zij is in de eerste plaats het eerste van mijn eerste. Hoe kun je nog meer ‘van tel zijn’?
Titus en Nona zijn bovenal mooi en lief en levendig. Daar kan ik niet veel aan toevoegen. Nu ze nog maar enkele maanden oud zijn kun je alleen maar vertederd toekijken hoe wonderlijk ze week na week groeien en bewegen en dingen bijleren. Geluk ligt in die kleine dingen. Later spelen ze beslist ook mee in mijn verhaaltjes tussen feiten en fictie.

Zoals Otto, die met zijn drie jaar Bingo, maar ook Memory op verbluffende wijze speelt. In die spellen kan hij in competitie met Fons en Gloria. Hij licht de kaartjes wel snel op zodat hij alleen kan  zien wat er op staat. Je moet niet naar school gegaan zijn om tactisch te kunnen denken. Als de andere twee reclameren, doet hij sluw “wàt?”, met beide handen opzij alsof hij het evangelie leest.
Natuurlijk hebben kinderen met drie jaar al een geweldig werkend geheugen. Wellicht gaat er veel verloren hoe meer ze in hun geheugen opslaan, maar hier en nu weten ze het wel.

Zijn knuffel ‘Piet Konijn’ is helemaal versleten. Maar zoals elk kind wil hij er geen afscheid van nemen. Zo’n twee maanden geleden, toen hij bij ons logeerde, vroeg ik hem of hij terug voor een konijn zou kiezen, mocht hij een nieuwe knuffel kiezen. Of hij ondertussen een ander lievelingsdier had.
“Ik wil een olifant”, had hij gezegd.
“Als knuffel bedoel je toch?”, had ik voor de zekerheid gevraagd. Een echte olifant, zelfs een kleine baby-olifant kan bij jou niet in de kamer. En die zijn niet zo proper, dacht ik er voor mezelf bij.
Ik beloofde van met hem naar de Zoo te gaan en daar een olifant-knuffel te kopen. Deze week herinnerde hij mij er aan. Niet gewoon van “Opi, jij had toch gezegd dat we naar de Zoo zouden gaan om een olifant knuffel te kopen?” Neen. Hij zei slim met een beteuterde blik :”Opi, mijn konijn is nu echt versleten. Ik zou nu graag een olifant als knuffel hebben.” ’s Avonds viel mijn frank: die lieve schat heeft mij subtiel bij mijn oren getrokken.
Morgen zie ik hem terug. De olifant-knuffel ligt klaar. Niet uit de ZOO wel van ‘in den olifant’. Daar zijn ze zachter en beter.

“Wie speelt er mee ‘processierups?”
Gloria had de vraag nog maar gesteld of ik kreeg al jeuk.
“Wij hebben dat op scoutskamp gespeeld. Iemand begint als processierups en die moet dan andere kindjes vangen die mee processierups worden en dan mee andere kindjes vangen tot iedereen processierups is geworden.”
“Gloria, dat lijkt me wel een aanstekelijke spelletje, maar wij zijn hier met vier in de keuken of met vijf als oma haar borduurwerkje opzij legt…”
Heel even keek ze beteuterd, maar dat duurde niet lang want ze had al een ander idee. Zij is een bron van inspiratie, zolang zij maar de touwtjes in handen kan houden.
“Wie kent er een land dat geen echt land is?”, vroeg ze.
Fons die dat raadspelletje misschien ook op scoutskamp had gespeeld, speelde er onmiddellijk op in. “Luilekkerland” flapte hij er uit.
“Neen, Fons. Dat telt niet. Dat is een sprookjesland.”
“Maar je vroeg toch een land, dat geen echt land is. Wel, een sprookje is niet echt,
dus ik heb het juist. En…Plopsaland”.
Fons begon rond de tafel te lopen terwijl hij de kabouterdans deed.
Ik weet zeker dat Otto dat nooit eerder gezien had. Hij is fan van Bob de Bouwer,
van brandweerman Sam en van Paw Patrol, niettemin danste hij mee met Fons.
Fons die het eigenlijk ook niet kende, zong:  ‘draai een keer in het rond,
stamp met de voeten op de grond, luister niet naar dat gesemmel, want dat komt van
Gloria Kwebbel”
Otto begreep niet wat Fons zong maar zong toch duchtig zijn versie mee.

De eerste vuisten gingen in de lucht en niet voor het ritme van de dans.
Oma die op de bank zat te borduren en gevecht en gehuil voelde komen,
gooide er vlug ‘Borduria’ tussen. Mijn land is ‘Borduria’
Fons stopte zijn kabouterdans. Hij vond grappig wat oma zei.
Omdat zij zat te borduren vond ze Borduria uit.
“Borduria bestaat niet oma”, zei Fons lachend.
“Toch wel, in de avonturen van Kuifje. Wij hadden die thuis allemaal.”

“Wie heeft er al gehoord van ‘Niemandsland’”, probeerde ik.
Ik zag aan hun gezichten dat ze ook aan mij wilden zeggen :”dat bestaat toch niet”,
maar ze keken me vragend aan, wachtend op verdere uitleg.

Niemandsland is het stuk land tussen twee grenzen. Dat is dus niet van het ene land en ook niet van het andere. Het lijkt of de landen die normaal aan elkaar zouden grenzen hun lijn verkeerd getrokken hebben. Of slordig. Dat ze wel op hetzelfde punt vertrokken, maar met hun hoofd naar de grond gericht, kijkend naar de verfborstel in hun hand, in hun land, zei ik bijna, steeds verder van elkaar wegliepen.
Omdat je zo’n grens tussen twee landen niet op een dag kunt trekken, deden ze ’s anderendaags verder op het punt waar ze ’s avonds gestopt waren.
Waar was hun collega van het andere land naar toe? Oh, die zal al vertrokken zijn.
Of zou die luie lijntjestrekker nog in zijn bed liggen? Met rugpijn wellicht.
Deze wakkere lijntjestrekker kromde de rug en trok verder. Zo gebeurde het dat er soms kilometers land tussen de twee grenzen in lagen. Niemandsland. Het land waar de smokkelaars op adem konden komen.
Weten jullie wat smokkelen is? Ze knikten. Op school hadden ze al geleerd van mensensmokkelaars.
Nu zijn er in Europa geen grenzen meer, maar vroeger had je zelfs een grens tussen ons land en Nederland. Aan de grens stond een man van de douane. Dat was geen soldaat, maar zijn uniform leek wel van het leger. Bruingroen. Aan zijn riem  droeg hij een bruin lederen tasje. Met een revolver,  dachten wij. Om ons gerust te stellen zei mijn papa dat er niks in dat tasje zat, dat hun revolver in het bureau achter slot zat.
De douaneman vroeg altijd aan iedereen: “iets aan te geven?”
Daarmee wou hij weten of wij iets de grens over wilden brengen waarvoor betaald moet worden. “Drank, sigaretten, boter?”
Mijn papa zou nooit smokkelen, dat wisten we, maar toch wij zaten op de achterbank met een rode kop te zweten. Zeker als die man ook nog vroeg: “doe die koffer eens open.”
Stel je voor dat mijn Nederlandse neven daar voor de grap iets ingestoken hadden. Een konijn, een kostuum, Karel I. Dat waren sigaartjes die ze net over de grens maakten. Een kostuum had ook gekund, want mijn oom was kleermaker.

Mijn mama keek de hele tijd achterom naar mij. Ik vreesde altijd dat zij op de vraag ‘iets aan te geven’ zou antwoorden: “ja, die tweede van links, dat is eigenlijk een Hollander, die kan ook zonder ophouden tetteren.” Maar ik zweeg als vermoord. Soms was ik toch al bijna dood. Met zes op de achterbank, kon  je nauwelijks ademen.

Wij smokkelden dus niet, hoe spannend het mij ook leek. Maar veel mensen smokkelden wel. Voor de spanning, voor het spel. Ze verstopten dan flessen jenever onder de baby in de kinderwagen, of onder de grotere kinderen, die daarmee op een opvallend verhoog zaten. Als je de afdekdoek zou wegnemen zag je kistjes sigaren, flessen drank en ook verse haring. Geen boter want dat was niet proper.
Hoewel boter interessant was voor het prijsverschil. Nederland is een land van molens en koeien. Er waren er die een pakje boter onder hun hoed de grens over smokkelden. Vroeger droegen alle mannen nog een hoed. Als het dan warm was en je moest lang aanschuiven kon het gebeuren dat de boter op je hoofd begon te smelten. Uit die tijd komt de uitdrukking: ”hij heeft boter op zijn hoofd”, waarmee men wou zeggen: die mag doen alsof er niks aan de hand is maar hij speelt vals en dat zal wel uitkomen. Boter smelt.

“Ik zou wel in Niemandsland willen wonen”, zei Gloria. “Als het toch van niemand is
dan kan het net zo goed van mij zijn.”
“Wie gaat jou water leveren en elektriciteit. En hoe krijg jij ooit een brief. Welke postbode komt daar naar toe? ‘Aan Gloria, achter het grote bos in Niemandsland.”
Fons zag Niemandsland niet zitten.
“Och, ik zet een brievenbus net over de grens en ga winkelen in het goedkoopste
van de twee landen.”

“Waarom probeer je geen landen uit te beelden”, zei oma.
“Ja, doen we. Dat wou ik al de hele tijd doen”, zei Gloria. “Mag ik beginnen?”
Zij dacht na. Iedereen wachtte.
“Ik weet het, ik weet het.”
Ze stapte zelfzeker naar de muur.
“Je mag niks zeggen, hé Gloria.” Fons wou het vooral voor hem zelf spannend maken.
Ze trok een denkbeeldige lijn hoog boven haar hoofd. Dan schoof ze met haar hand traag naar beneden, om met gestrekte vinger het laagste punt aan te wijzen.

“Is dat een land, dat is de muur…”
Met pret in haar ogen en haar mond in een streep, knikte ze en herhaalde de uitbeelding. Hoog, lager, lager en dààr.
“Ja natuurlijk”, zei Fons “Nederland” “Is het juist?”
“Het is Nederland. Ik weet er nog een, mag ik nog ‘s.”
“Het is eigenlijk mijn beurt”, zei Fons, maar Gloria was al opnieuw aan het uitbeelden.
Ze wees naar de groene zetel.

De zetel is voor hen al jaren een trampoline. Het leder verslijt, maar de veren blijven perfect dienst doen. Soms veren ze bij het springen zo hoog op dat ze met hun voeten aan de hoofdsteun geraken. En natuurlijk doen ze niet liever dan op de rugleuning staan. Met z’n drieën om dan samen op de zitting te springen. Ze weten dat het mag en leven er zich al jaren op uit. De zetel geeft geen krimp.

“Zetelland” zei Fons.
“Dat bestaat niet”, reageerde Gloria meteen.
“Het moet toch een land zijn dat geen echt land is?”
“Ja, maar zetelland, daar heeft niemand van gehoord. Bobbejaanland is ook geen echt land, maar iedereen kent dat wel. Je moet het kunnen raden.”

Het duurde. Otto wou al iets anders gaan doen. Dit was geen spelletje voor hem. Hij kende Borgerhout en Berchem, maar waren dat landen?
En toch. Voor Fons de uitbeelding van Gloria kon raden, kwam Otto de kamer terug binnen en zei :”Legoland”, om onmiddellijk terug te gaan naar de andere kamer waar hij met Lego was beginnen spelen.
“Wow, Otto”, zei Fons bewonderend “ga jij mij helpen?”, maar Otto keerde terug naar zijn Lego.
“Fons ik geef je nog een extra tip.” Gloria wees opnieuw naar de groene zetel en haalde dan uit de kleurpotlodendoos een groen potlood.
“Groenland”, riep Fons opgelucht.
“Nu is het aan mij”, en hij dook in die groene zetel en sloot zijn ogen.
Otto die de duik van Fons had gezien nam ook een aanloop en dook bovenop Fons.
Die schrok even want hij was aan zijn uitbeelding begonnen, met gesloten ogen.
“Fons, doe jij nog mee”, zei Gloria die nog niet doorhad dat Fons al bezig was uit te beelden.
Nog met zijn ogen toe trok hij een angstig gezicht en begon heen en weer te schudden. Otto schudde mee. En dan trok hij een rustig blij gezicht.
Gloria stond er op te kijken en zuchtte.
“Ik denk dat hij aan ’t dromen is”, fluisterde oma zachtjes.
“Dromenland” riep Gloria toen.
“Juist. Maar ik mag er ook twee.”
Fons wachtte niet op antwoord en ging op zijn knieën zitten. Hij sloot weer zijn ogen
en vouwde zijn handen tot gebed. Omdat er niet direct een reactie kwam duidde hij
met zijn hand op zijn rug alsof daar vleugels zaten.
Opnieuw stak oma een handje toe.
“Gloria, jullie zijn er deze zomer met vakantie geweest.”
“Oh ja, Engeland, maar dat is dan engel-and, daar is een ‘l’ te kort.”
“Ja, zeg Gloria, het is maar een spel, hé. En je zegt toch Engeland en niet engel-and?”

Het was tijd voor een ijsje. Ze smulden in stilte. Je zag dat ze over nog straffere uitbeeldingen nadachten.
“Ik weet nog een heel grappige”, begon Fons nog voor de anderen hun ijsje op hadden.
Hij vond het zelf zo goed dat hij er niet kon mee wachten. Hij trok een keukenschuif open en haalde er een koekenpan uit. Daar stapte hij heftig ‘ja’ knikkend mee naar Gloria en Otto.
“Japan” riep hij zelf glunderend.
“Met daarjuist Engel-and te splitsen kwam ik op Ja-pan.”
En welk land is dit dan ? Gloria trok met haar vingers haar ogen in spleetjes.
“China, maar dat is na-apen”, waarop Otto een aapje nadeed.
“Apenland” riepen Fons en Gloria samen.

“Opa weet jij nog een land?”
Ik fluisterde Turkmenistan in haar oor.
“Opààà” zei ze kwaad en ze trok haar wenkbrauwen bijna tot onder haar ogen.
“Dat was een grapje, Gloria” zei ik vlug. “Luister, hier komt de echte tip.”
Ik fluisterde weer in haar oor. Nu trokken haar wenkbrauwen op en haar smile
ging van oor tot oor.
Ze deed een kip na op haar erf. Kop naar beneden, graantje meepikken en dan zich makkelijk zetten. Veertjes op zijn plaats. Een beetje met de poep schudden en dan
pakte ze iets van onder haar poep. “Kakaland” lachte Otto. Gloria heeft haar kak gepakt.
“Ottoooo”, zei oma, maar verder ging er geen aandacht naar want Fons stak zijn vinger op alsof hij in de klas was, zo tevreden was hij dat hij het gevonden had.
“Een eiland!” “Juist!”
Het gaf hem een idee. “Otto, wil jij ook iets uitbeelden?”
Omdat het van Fons kwam, wou hij toch maar meedoen. Maar wat moest hij met landen. Hij vond zichzelf grenzeloos.
Nadat Fons Otto iets in zijn oor gefluisterd had, kroop Otto op de rugleuning van de groene zetel. Hij hield een hand voor zijn oog. Daarna deed hij alsof hij met een éénoog-verrekijker over de horizon tuurde, zoals hij al dikwijls gedaan had. Wanneer de zetel zijn piratenschip was en de bovenrand van de rugleuning het kraaiennest.
Toen sprong hij van de zetel en liep naar de hoek van de kamer waar zijn piratenvlag opgerold stond. Iedereen wist al welk land hij aan het uitbeelden was, maar liet hem met plezier zijn toneeltje verder opvoeren. Hij klom terug naar zijn kraaiennest, ditmaal minder vlot, want hij had nu ook een houten been, een papegaai op zijn schouder, nog steeds maar één oog en een echte piratenvlag bij zich die groter was dan hijzelf.
Daar stond hij. De piraat. Hij wees naar Gloria voor het eiland-gedeelte.
“Zou het ‘pirateneiland’ kunnen zijn” zei Fons voorzichtig terwijl hij zelf het woord
in Otto zijn oor had gefluisterd. Otto sprong van de zetel en omhelsde Fons alsof hij hem in twintig jaar niet gezien had.
Wij lachten. Otto glunderde. Hij had toch maar mooi aan dat stomme landenspel meegedaan. En dan verdween hij weer.

Oma was aan het opruimen om seffens de tafel te dekken.
Plots stond Otto daar terug. Hij was naar boven in de kasten gaan rommelen.
Daar stond hij voor ons met zijn armen gekruist en een air van “haha, jullie denken
dat ik jullie spelletje niet doorheb…”
Niemand van ons kon een woord uitbrengen. Verbluft dat we waren om zoveel genialiteit. Bevreesd ook dat we zouden stikken van het lachen.
Op zijn voorhoofd had hij met zo’n blokje dat ze voor de interlands uitdeelden, de Belgische driekleur geschilderd.
Voldaan keek hij naar ieder naar ons. Moest hij het  woord “schaakmat” kennen zou hij het misschien nu gebruikt hebben. In de plaats zei hij “perfect”, zoals hij alleen dat kan zeggen.

Hugopa
5 augustus 2019

 

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Bidon collé

“Wat is een ‘bidon collé’, opa? “ De tv-commentator had net ‘bidon collé’ geroepen alsof er een bom ging ontploffen. “Bidon collé’, en dan nog over zo’n afstand… dat mag niet, hé. Ik ben benieuwd wat de jury daar van gaat zeggen.”

Het was niet mijn bedoeling van samen naar de Tour te kijken. Alleen eventjes het verloop van de rit bekijken en dan de tv uit. Maar onze lieve vrienden willen toch alles weten. Ook al is het van de koers.

“Wel”, begon ik, “bidon collé” is Frans voor een drinkbus die plakt, maar eigenlijk wil het ‘vals spelen’ zeggen. Daarom riep de commentator het zo luid.
Bergop fietsen is heel zwaar. Omdat de renners niet helemaal uitgeput zouden raken, moeten ze de hele tijd eten en drinken.  Dat wordt hun langs de weg aangegeven in een zakje, de musette. En je hebt ook al gezien dat ze drinkflessen krijgen van op de motor of van uit de volgwagen van hun ploeg. En daar wordt al eens vals gespeeld.
De renner doet of hij de bidon niet kan aannemen. De chauffeur in de auto wil de drinkfles ook niet laten vallen en duwt op die manier de renner even vooruit. Soms  geeft die chauffeur dan nog ‘s extra gas waardoor de renner snel vooruit schiet op de berg zonder dat hij er moet voor trappen. Dat is een ‘bidon collé’. En dat mag niet.

De kans is klein dat ze het niet met opzet deden. Dat er iets gebeurde dat die drinkfles deed kleven zodat noch de chauffeur noch de renner ze los kon laten. Ik denk dat dat alleen mogelijk is als ze daar en dan op dat moment net boven een magnetisch veld reden. Ja, dan kunnen ze er niet aan doen. Maar ik twijfel dat dit hier het geval was.

Over heel de wereld zijn er wel magnetische velden, maar hoe toevallig zou het zijn op die plaats, op die berg in de Tour?

Een magneet ken je. Vroeger noemden we dat ‘plakijzers’. Omdat ze alleen op ijzer plakken. Je hebt zeker al geprobeerd een magneetje op hout of op plastiek te plakken. Dat gaat niet. Kijk naar jullie tekeningen die we met kleine magneetjes ophangen aan de chauffage en niet op de muur ernaast of op het raam. Waarom lukt het alleen op de chauffage? Omdat de chauffage van ijzer is.
Een magneetveld kun je niet zien. Het is als een onzichtbare muur die uit de aarde komt en waar alle ijzer blijft aan plakken.

Jullie kennen ook al een kompas. Een kompas werkt op de magnetische velden van de aarde. Zo kunnen we zien waar het Noorden ligt. Een kompas is belangrijk voor de schepen om hun weg te zoeken.
Duiven en vele andere vogels, maar ook dolfijnen, schildpadden, haaien en walvissen vinden hun weg over soms duizenden kilometers door de magnetische velden.

Ik heb ooit al eens verteld van de Bermuda-driehoek waar schepen en vliegtuigen in de oceaan verdwenen. Men zegt dat daar scheuren zijn in de bodem en daardoor het grootste magneet in de aarde al wat ijzer is naar beneden trekt.

Piratenschepen waren nog van hout, maar hun kanonnen en kogels waren van ijzer.
Uit logboeken van een kapitein weten we dat  in die Bermuda-driehoek die kanonnen plots naar voor schoten en hun kanonballen gewoon in zee knalden. De kapitein werd bijna gek toen hij zag dat ook de kanonnen zelf een na een in zee verdwenen.
Gelukkig had hij maar zo’n fijn haakje aan zijn pols om zijn snor te krullen of hij zou ook in het water zijn verdwenen. Toch voelde hij hoe zijn haak bijna van zijn hand gerukt werd. “Maak dat we hier wegkomen”, brulde hij naar zijn matrozen.
Het was de eerste melding ooit van de Bermuda-driehoek.

Toen er later schepen van metaal gemaakt werden verdween het ene schip na het andere de dieperik in.
“Blijf daar weg”, was de enige raad die men kon geven.

Makkelijk was dat niet, want aan de voet van Amerika, boven Cuba, Haïti en Jamaïca werd er veel gevaren. Men wist alleen dat het magneetkompas daar plots niet meer werkte. En dat er gassen uit de bodem naar boven stegen waardoor de schepen niet meer door het water gedragen werden en zonken in een water dat wit werd als melk. Die gassen stegen hoger in de lucht waardoor de vliegtuigen niet alleen geen kompas meer hadden om hun weg te zoeken, maar ook niet meer konden zien waar ze vlogen.

Juan de Bermudez was de eerste man die op de Bermuda eilanden woonde. Hij had er een winkeltje waar hij korte broeken tot boven de knie verkocht.
In zijn dagboek schreef hij dat de bodem altijd in beweging was en dat er volgens hem een gigantische soort walvis, hij noemde hem de oceaanbodemwachter, altijd heen en weer schoof over de bodem om de grootste gaten af te dekken.

Met zijn broeken zou Bermudez beroemd worden, maar wat hij over de oceaanbodem vertelde zullen we maar stilletjes vergeten.

Jullie zullen nog wel leren dat de aardkorst onder de oceanen in grote stukken verdeeld is, stukken van soms meer dan een miljoen kilometer groot. Tektonische platen noemen we dat, en die zijn altijd in beweging en wringen tegen elkaar en schuren over elkaar.  Er kunnen aardbevingen onder zee door ontstaan, waardoor de oceanen nog grotere golven tonen tot nu en dan een tsunami.

Die oceaanbodenwachter zal zo’n kleine plaat tussen de grote platen geweest zijn, die eeuwig over de spleten en spelonken in de kilometers diepe bodem van de oceaan heen en weer schoof, misschien vastgehouden door dat grote ‘plakijzer’  in de aardbodem.

Op die oceaanbodenwachter kleefden tal van schepen en vliegtuigen die in de loop der tijden op geheimzinnige wijze in het water verdwenen. Met al die versieringen van vliegtuigen en schepen beeld ik het mij in als de grootste kerstboom op aarde, diep gelegen op de bodem van de Atlantische oceaan. Zeker als de lichtjes bleven branden.

Magnetische velden moeten niet altijd zo spectaculair zijn. Maar ze kunnen wel alles wat met computers gestuurd wordt,  tot vliegtuigen toe,  flink in de war sturen en helemaal ontregelen. En het vervelende is dat we ze niet kunnen zien. Tot ze plots een bidon collé veroorzaken.

We hebben allemaal al wel eens meegemaakt dat de haartjes op onze arm rechtop gaan staan of dat het haar op ons hoofd in pieken naar alle kanten gaat staan. Of dat we iemand aanraken en ‘aauw’ een elektrisch schokje voelen dat zelfs een knetterend geluid maakt. We zijn dan elektrisch geladen door de magnetische velden. De eerste keer schrik je, maar dan weten we wat dat is en doen daar niet flauw meer over.

Maar vroeger hadden de mensen daar allemaal nog niet van gehoord en hadden ze van alles bang en vertelden verhalen om elkaar nog meer bang te maken.

Zo is er een verhaal, waarschijnlijk  over magnetische velden, maar vooral over een soort monster, half mens half vis, dat meestal ‘stinkende Ferre’ werd genoemd, maar ook soms ‘rotte zeeduivel’. Dat waren geen lieve namen, maar het moet een afschuwelijk beest geweest zijn. Of beesten, want niemand had er een idee van of er maar zo eentje was of dat de aarde erdoor overspoeld werd.
Misschien kwamen ze wel uit de Bermuda-driehoek en waren aan land gekomen om als ijzervreters het teveel aan ijzer dat tegen de magnetische velden plakte op te ruimen.
Ze waren uit de zee aan land gekomen en steeds verder veranderd, zoals wij zelf ook ooit  simpele vissen waren die aan land kwamen. Ooit bevond het leven zich trouwens uitsluitend in zee.

Maar terug naar onze stinkende Ferre. Uit beschrijvingen weten we dat hij moeilijk kon lopen. Waarschijnlijk waren zijn staartvinnen nog niet voldoende tot voeten omgevormd. Wat hem wel erg op een mens deed lijken was zijn neus. Die stond tussen zijn ogen, die visachtig ver naar buiten stonden, maar zijn neus was buitengewoon groot én… stond onderste boven.
Boven zijn ogen en die neus waren erg vooruitstekende schubben. Waarschijnlijk om te verhinderen dat er van alles in zijn neus zou vallen. Zijn vinnen links en rechts waren al vroeg vervormd tot armpjes met grijphanden en als hij zijn neus vastpakte leek het of hij rustig een pijpje stond te roken.

Ridders die met hem in contact waren geweest waren er van overtuigd dat zijn neus onderste boven stond zodat hij zijn eigen adem niet zou ruiken. Want die stonk ongelooflijk. Niet zo maar een beetje, maar de ergste stank die men zich kon inbeelden. Ferre was een ijzervreterke eerste klas. Wij denken dat het Franse ridders waren die de naam Ferre gaven, want Fer is Frans voor ijzer.

Onze stinkende Ferre leefde van ijzer. En om dat te kunnen verteren moest zijn maag de meest afgrijselijke sappen aanmaken.  Als Ferre een boerke liet, vielen de echte boeren achterover. Zijn stinkende adem was zichtbaar als een bruingroene walm.
Wij kunnen ons nu afvragen of die ijzervreterkes ooit aan het grote magneet van de aarde in de Bermudadriehoek waren ontsnapt. Of dat zij deel waren van een groot plan om overal ter wereld het teveel aan ijzer dat aan de magnetische velden kleefden op te ruimen.

De ridders van vroeger hadden er geen idee van. Ze waren als de dood voor die vismens met een ondersteboven neus onder een gigantische vooruitstekende wenkbrauw.

Hoewel ze veel groter waren dan Ferre, waren ze in paniek wanneer ze oog in oog kwamen te staan met stinkende Ferre. Omdat ze van hun collega-ridders gehoord hadden dat dit vreemde schepsel graag een ridderke in harnas tussen zijn boterham legde.
IJzer: njam, njam, lekker, lekker.

Je kon als ridder rustig een wandelingetje met je paard aan het maken zijn en plots op die vreselijke vis met zijn stinkende adem botsen. Het leek of die uit het niets kwam of dat die in de aardspleten verborgen zat.
Eén wolkje was genoeg om je paard te laten flauwvallen. Paarden hebben een veel sterkere reukzin dan de mens.

Eens van hun paard gevallen liepen die ridders in hun ijzeren maliënkolder er als houten klazen bij. Ferre stapte dreigend op hen af en blies met zijn bruingroene adem in hun gezicht terwijl hij een hoog snerpend geluid maakte, ‘Riiihi, riiihi, riihi’.

Ferre wist waar de magnetische velden uit de aarde opstegen. Met zijn stinkende adem dreef hij die lekkere ijzeren mannetjes daar naar toe. En als zij met hun harnas onbeweeglijk tegen de magneetwand hingen, begon ons stinkertje grinnikend met wilde ogen hun harnas op te vreten. Aan de ridders zelf raakte hij niet. Hij was ten slotte een ijzervreter. Alleen hun ijzeren polsbandjes at hij niet op. Daarmee bleven de arme ridders aan de magneetwand hangen. Huilend in hun middeleeuwse niet zo ridderlijke onderbroek.

Daar moest ik allemaal aan denken toen ik overwoog of er nog een andere reden dan vals spelen zou zijn voor een ‘bidon collé’ met ‘ijzerhoudende’ sportdrank.

 

Hugopa
1 augustus 2019

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

DE VERDWENEN SNEEUWLEEUW

Ze hadden de leeuw niet eens gezien. Nochtans was die groter dan een echte leeuw.
Hij stond in de inkomhal. Zonder achtergrond, zonder witte kader. Helemaal vrij bij de buitendeur. Maar Fodie, Glodie en Otti hadden in het stripmuseum alleen aandacht voor de stripfiguren waarin ze zich wilden verkleden.

Voor Fodie was het makkelijk. Net voor de vakantie had hij voor het eerst zelf zijn haar geknipt. Hij had gelezen hoe Jommeke dat deed. Met een slakom op zijn kop. Het haar dat er onderuit stak knipte hij af. Zo simpel was dat. Ook de kleding was simpel.
Een zwarte korte broek, een wit hemdje en een blauw truitje zonder mouwen met V-hals.

Glodie wou zich verkleden als professor Zonnebloem. Met een kale pruik, een snor met puntbaardje en een brilletje leek ze al op Tournesol nog voor ze de lange groene jas en hoed had aan getrokken.

Otti twijfelde. Fodie en Glodie vonden hem perfect als Urbanus, met die te grote broek
en het rennerspetje, maar Otti zag zichzelf meer als kapitein Haddock, hoewel die rolkraagtrui te veel aan zijn keel pikte. Dan toch Urbanus?
“We zullen vragen of ze bij jou een stoppelbaard schminken.”
Gelukkig kende Otti de echte Urbanus niet, dus luisterde hij voor één keer naar de goede raad die Glodie hem altijd wil geven. Iedereen zei dat hij er zo grappig uitzag, dus kon hij er zelf ook mee lachen. Lol moet je zelf tappen, wisten zij al heel jong.

‘s Anderendaags hoorden ze dat er een leeuw was ontsnapt uit het stripmuseum. Een leeuw van karton, waar stond die dan? Die hebben wij niet gezien.
“Zou de leeuwentemmer van Suske en Wiske er nu achteraan gaan?
Misschien was het wel de Lion King die in de cinema naar zijn nieuwe film wou gaan kijken? Wie weet is het een Vlaamse Leeuw die het hier helemaal beu is?”
“Dan gaan ze die ’s nachts niet vinden, want het is een zwarte.”
Otti hoorde Fodie en Glodie bezig.
Hij kende al die leeuwen niet. Toch gooide hij zich in het gesprek met de opmerking
dat zwarte leeuwen niet bestaan.
“Toch wel, een Vlaamse leeuw is altijd een zwarte”, antwoordde Fodie, niet beseffend
hoe slim zijn antwoord was. “Ja, maar waarom zwart?”
Glodie ging het eens uitleggen.
“Weet je, Otti, bij ons wonen geen leeuwen, die wonen in Afrika, waar de mensen zwart zijn, en toen ze bij ons een leeuw op onze vlag wilden zetten, hebben ze hem zwart gemaakt om aan te tonen dat die eigenlijk van Afrika komt…”
“Ja, dat zal zo zijn…”, zei Fodie spottend. “Als jij het dan allemaal toch zo goed weet, Glodie, vertel dan eens hoe het kan dat een getekende leeuw uit een stripverhaal kan ontsnappen?”
“Misschien hebben dieven hem gestolen?” kwam Otti vlug tussenbeide.
“Dat kan natuurlijk”, zei Glodie. Ik geloof ook niet dat er een leeuw ontsnapt is. Je weet toch dat er iedere zomer van alles te doen is op het strand. Die zogezegde ontsnapte leeuw is volgens mij zo een stunt, een spel is voor kinderen…. “
“Jaja, wie vindt het eerst de papieren tijger, de getekende leeuw, de schat van Bramaputra…”

Via de luidsprekers op de dijk werden de vakantiegangers gevraagd van uit te kijken naar een papieren leeuw van anderhalve meter hoog en bijna drie meter lang. Ze werden aangeraden van hem niet te aaien of te voederen, en hem vooral niet proberen te vangen. En ’s nachts binnen te blijven. Leeuwen slapen in de dag, maar trekken ’s nachts op jacht.
“Dat is niet juist”, zegt Glodie, en ze begint te zingen van “a-wimoweh, a-wimoweh…
in het dorpje, het kleine dorpje daar slaapt de leeuw vannacht…” Zie je wel, niet alle leeuwen gaan op jacht in de nacht.”
Ze moeten er samen om lachen, maar dan gaat Glodie een beetje zenuwachtig verder…
“Maar stel eens even dat het waar is, kan die leeuw dan te voet tot bij ons geraken?”
“Wij zijn met de auto naar het stripmuseum gereden, maar ja, als die leeuw absoluut naar hier wil komen kan hij makkelijk de kusttram nemen…”, plaagde Fodie.

Toen het donker werd en lang nadat ze gingen slapen probeerden ze elk om beurt de anderen te overtroeven en doen schrikken met hun leeuwengebrul. Maar wanneer oma even langs buiten aan hun raam ging krassen gilden ze met drie luider dan ze tevoren de leeuw hadden proberen na te doen.

’s Anderendaags waren ze de leeuw vergeten en speelden ze het spel dat ze altijd speelden op het strand. Dat wil zeggen, ze graven een zo diep mogelijke put en proberen dan de zee daar in te laten weglopen, zodat ze eindelijk te voet naar Engeland kunnen stappen.
Toen dat weer eens niet lukte waren ze bereid van een eind over het strand naar de hoge duinen te wandelen.

Ze kwamen verklede politiemannen tegen in uniformen van vroeger met een grote snor zoals de detectives Jansen en Janssen bij Kuifje. En in plaats van een vergrootglas hadden die allemaal een grote vlakgom bij…
“Zie je wel dat het een spel is”, zei Fodie. “Gisteren maken ze de mensen een beetje bang en nu doen ze onnozel met grote vlakgommen.”
Gaan ze die leeuw weggommen, zodat de mensen op het strand hem niet kunnen zien?”

Boven hen kwam een helikopter cirkelen. Er hing iemand half naar buiten die de duinen afspeurde.
“Ga hier weg”, riep Otti naar de helikopter. “Ga de dieven pakken”,
“of ga pintjes pakken” riep Fodie er lachend achteraan.
“Kindjes pakken?”, wat zeg jij nu, Fodie.” “Pintjes, Godie, pintjes, geen kindjes.”
Het was alsof de piloot hen kon horen, want de heli draaide weg en verdween uit zicht.

Fodie, Glodie en Otti liepen de duinen op en sprongen en rolden terug naar het strand.
“Oma wil jij onze schop bijhouden, oma wil jij onze sandalen bijhouden, oma mogen wij onze T-shirt uitdoen?”
Oma liep als een lastezeltje onderaan de duinen over het strand, want ze had ook nog drinken, koekjes en fruit mee in de rugzak, een opvouwtentje, emmertjes, twee vliegers, een bal en nu ook hun schoenen, schoppen en kleding.
Ze keek naar omhoog en zag de koters ravotten. Met een gerust gemoed zette ze zich neer en tuurde naar de zee.
Ze had er geen idee van wat er boven op de duintop tussen de blauwe lucht, het groene helmgras en fijne duinenzand gebeurde.

Want boven haar, tussen het helmgras, vlakbij het duinenpad stond de ontsnapte leeuw. Zomaar. Vlak voor de neus van de kinderen. Veel groter dan hen.
Natuurlijk schrokken ze wel, maar bang waren ze niet. Want die leeuw stond daar maar. Van papier of karton. Zonder te bewegen.

Otti bleef toch maar achter Fodie en Glodie staan, terwijl hij een stokje naar de leeuw gooide.
De leeuw zijn bek ging open, maar je hoorde niks. Er kwamen, net zoals in een stripboek, grote letters uit zijn muil, groen met een zwart randje. ‘GRAUW’ kon je lezen.
“Kijk, mijn letter”, was het eerste dat Glodie zei.
“Natuurlijk”, zei Fodie, altijd als iemand probeert te brullen gebruikt die jouw letter. “GRRR”, reageerde Glodie.
”Stel je voor dat hij jouw letter zou gebruiken, dan zou hij “FLAUW” brullen.”
Daar kon Fodie niet mee lachen. Hij stapte weg. Glodie liep achter hem aan.
“Hé, laat mij niet alleen bij de leeuw”, riep Otti hen achterna. “Kom terug…”

Fodie kwam terug en liep voorbij Otti tot vlak bij de leeuw.
“Waarom doet men daar zo druk over, dit is een papieren leeuw, die doet toch niks?”
Uit zijn Vespa-tasje dat Fodie altijd bij zich droeg, nam Fodie een viltstift. Hij ging tot bij de leeuw en schreef op zijn vel : ’dit is geen vos’. En hij schreef er de Franse vertaling bij: ‘ceci n’est pas une pipe’. Dat had hij ergens op een affiche gelezen.
Mag ik ook iets schrijven vroeg Glodie en ze schreef: “de leeuw van Vlaanderen”.
Otti die nog niet kon schrijven, wou vlaggetjes aan zijn staart tekenen.
“Dat kan niet”, zei Glody, “want de leeuw is uit zijn achtergrond ontsnapt en dan kun je naast zijn lijf niets bijtekenen.“ Otti zette er dan maar een paar snorharen bij.

“Moeten wij nu naar de politie?
”Ja, waarom dan?”, zei Otti ook nu.
“Als je iets gevonden hebt, breng je dat best naar de politie”, zei Glodie.
“Waarom mag die leeuw niet aan zee blijven? Wij hebben hem gevonden, dus wij mogen toch kiezen wat er mee gebeurt?”
“Kunnen wij hem niet verstoppen?” vroeg Otti…
“Oma heeft in de rugzak kleurboeken mee en de doos met kleurstiften. Daar zitten ook tintenkillers bij. Misschien kunnen we zijn kleur wegwissen, dan valt hij al minder op?” Twee tintenkillers zaten er in de doos. Om die grote leeuw weg te wissen hadden ze er misschien wel honderd nodig. Otti veegde de snorharen weg die hij te veel getekend had.

Ik heb een idee”, zei Fodie. “Als we nu eens proberen van de kleur weg te krabben?
Die leeuw is niet gedrukt op karton, maar op een grote zelfklever die dan op het karton gekleefd wordt. Die moeten we er toch kunnen afkrabben? Oma doet dat ook altijd met etiketten op flesjes. Zij heeft er de nagels voor. De kunst is van gelijkmatig te trekken, zegt ze altijd.”

Met drie zetten ze zich aan het werk.
“Laat ons oma roepen, die krabt die leeuw zo weg…”
“Neen, we moeten het zelf doen. Eens we de rand los hebben kunnen we met drie gelijkmatig trekken”

Het was een groot werk. Soms passeerden er wandelaars. Ze hadden afgesproken dat ze dan met zand naar elkaar zouden beginnen gooien, dan zouden die wandelaars wel met een grote boog rond hen heen lopen.

Beetje bij beetje trokken ze de leeuw los van zijn karton. De grote zelfklever plakte onmiddellijk vol zand en flapperde in de wind.
“Laat ons er touwtjes aan maken, dan kunnen we hem in de lucht laten als een reusachtige vlieger…” Ze wisten dat oma altijd een reserveset touw bij had, voor wanneer er iets met de vlieger zou mislopen.
“We maken een touwtje vast aan de vier hoeken en eentje extra aan zijn kop. Na een paar meter brengen we ze samen aan één touw dat we dan van op de grond besturen. Wanneer de leeuw hoog genoeg is in de lucht, houden we hem daar een tijdje vast, zodat iedereen op het strand kan zien waar de ontsnapte leeuw uithangt en dan… dan laten we hem los, en verdwijnt hij in de wolken of vliegt hij in zee. In ieder geval verdwijnt hij voorgoed. “

Ze waren ver van het drukke strand, maar toen ze de leeuw in de lucht gekregen hadden hoorden ze tot in de duinen de mensen joelen.

Nog nooit hadden ze zo een pret gehad bij het vliegeren. En deze vlieger hadden ze helemaal zelf gemaakt.
“Otti jij mag zeggen wanneer we hem loslaten”.
Otti glunderde. Hij zette één voet op een zandbergje, hield zoals gewoonlijk zijn linkerhand in zijn zij en riep dan naar Fodie en Glodie: “piraten, zijn jullie er klaar voor?” Die brulden terug “ ja kapitein, alles klaar voor de start.”
“Maar neen, ik moet ‘start’ zeggen, oké?”
“Oké!” en toen hij “start” riep, juichten ze alle drie alsof ze net een raket naar de maan hadden gestuurd.

Daar stond de leeuw nu, kleurloos, alleen nog in wit karton. “Kijk, dat is een sneeuwleeuw” zei Otti. Wanneer het nu zou sneeuwen en alles wit werd
dan zou je de sneeuwleeuw niet meer zien.”
“En dan wij staan hier in de sneeuw in ons zwembroek”, lachte Glodie.
“Glodie, Fodie en ik dragen een zwembroek. Meisjes dragen een badpak of een bikini”, verbeterde Otti haar weer.

“We moeten hem camoufleren”, zei Fodie.
“Wat is dat camoufleren”, vroeg Otti.
“Dat is onopvallend maken, verdoezelen, laten opgaan in de achtergrond. Weet je, soldaten hebben altijd een camouflagepak aan van bruin, licht en donker groen.
Als zij dan in de natuur zijn kun je hen bijna niet zien..”
“Het is het makkelijkst wanneer we hem daar laten staan en dat wij duingras op zijn buik schilderen met daarboven blauwe lucht en we geven hem zandkleurige poten.
” “Goed idee, Fodie, dan moeten we morgen onze verfdoos meebrengen, maar wat doen we dan ondertussen met onze sneeuwleeuw?”

“Laten we hem platleggen en met zand bedekken. Ik ga aan opa vragen of hij naar het huisje wil rijden voor onze verfdoos en alle borstels die we hebben, liefst de grootste
en een extra emmertje water. Ik zal zeggen dat we een verrassing voor hem maken die hij pas achteraf mag zien, dan doet hij dat wel voor ons.”

Opa had nog extra verfjes gekocht. Niet de kleuren die ze nodig hadden, maar dat kon hij niet weten. Opa en oma waren heel benieuwd wat Fodie, Glodie en Otti met verfjes moesten in de duinen, maar beloofden van niet te komen kijken vooraleer hen geroepen werd dat de verrassing klaar was.

Otti schilderde het zand, Fodie en Glodie het gras en de lucht. Otti was als eerste klaar en leidde vervolgens de werken. Hij had een hoger gelegen duin gevonden van waar hij zowel het gras in de achtergrond kon zien als de schilderwerken van Fodie en Glodie op de sneeuwleeuw. Het was mooi weer dus was de lucht strak blauw.
“Glodie waarom schilder jij nu witte wolken, die zijn er toch niet?”
“Nog niet, Otti, maar die komen er wel en zo bespaar ik op de blauwe verf.”
Beetje bij beetje verdween de sneeuwleeuw in de achtergrond, omdat hij er bijna hetzelfde uitzag.

Fodi tekende hun schilderij met “Foglotti” Het leek een kakje op de voorgrond.

Ze renden de duin af “Opa, oma, kom kijken, kom kijken, de verrassing is af…”
Toen opa en oma eindelijk bovenaan de duin geraakt waren zagen ze…niks.
Toch niks speciaals. Alleen een mooi duinenzicht en drie gniffelde kinderen.
“Wel waar is de verrassing nu?”, vroeg opa.
“Dààr opa” zei Otti. “Kijk dan”
“Moet ik die duin opklimmen voor een kakje?”
“Maar dat is geen kakje, daar staat Foglotti geschilderd” , zei oma die betere ogen had.

Ze vertelden met drie het hele verhaal.
“Die leeuw in de lucht, dat waren wij dus en de sneeuwleeuw die overbleef hebben we met onze verf laten opgaan in de natuur.”
“Dat is fantastisch”, zei oma.
“Dat is een verrassing, zeg. En een verrassing die altijd opnieuw zal verrassen. Ook volgend jaar zullen hier wandelaars verbaasd opkijken als zij tegen jullie geschilderde leeuw aanlopen”, zei opa, terwijl hij zelf tegen de natte verf aanliep.
Zijn gezicht was blauw en met zijn witte baard leek hij wel baardsmurf.”
“Maar Opi-smurfi toch”, zei Otti.

21 juli 2019
Hugopa

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

HET RABARBERBOMENBOS

Het was niet echt een bos en het waren niet echt bomen. Maar als je er naar keek
door een gaatje tussen je wijsvinger en je duim, leken deze rozerode stengels en grasgroene bladeren op een sprookjesbos uit een tekenfilm.

Otto die altijd graag verstoppertje speelt, had zich onder de rabarberbladen
voor Fons en Gloria weggestoken. Lang zou hij daar niet blijven zitten.
Volgens Otto begonnen de rabarberstengels plots te trillen en fluisterden met fijne piepstemmetjes “rabarberrabarberrabarberrabarberrabarberrabarber…”

“Ik ben hier”, had hij al vlug geroepen, in de hoop dat Fons en Gloria hem snel zouden vinden. Toen zijn vriendjes maar niet afkwamen, wou hij zelf uit zijn schuilplaats kruipen, maar…dat lukte niet. Dat rare rabarberbomenbos leek hem te volgen. Hup, hup, hup, met hun bladeren schouder aan schouder terwijl ze steeds luider “rabarberrabarber…” fezelden.
“Nee, nee, nee”, zei Otto boos terwijl  hij zijn wijsvingertje vermanend op en neer bewoog. “Jullie mogen niet mee, jullie moeten hier blijven. Opa zal boos zijn wanneer hij straks zijn rabarber niet terug vindt.”
De rabarbers leken te lachen “rarararara…”. Hun buikjes schudden niet van het lachen, want rabarbers hebben geen buikje. Maar ook geen mond en toch hoorde hij stemmetjes.

“Fons en Gloria, ik ben hier in het rabarberbomenbos.”
Gloria stak haar hoofd onder de rabarberbladeren.
Het eerste wat ze zei was: “Otto, niet van die bladeren eten, hoor, want die zijn giftig.” “Gloria, zei Otto zonder haar aan te kijken, “ga jij eens opzij, zie jij niet dat ik hier weg wil…”
Toen dook Fons onder de bladeren het bos in.
“Wow, Otto, laat ons hier ons kamp van maken.”
“Zien jullie niet dat dit rabarberbomenbos mij gevolgd is? Het staat toch in de schaduw van het kippenhok en nu staat het hierrr!!!”, en hij wees met beide opengespreide handen naar de grond.
“Cool”, zei Fons, “een kamp dat kan bewegen, dan is dat onze caravan.”
“Ja, een caravan die kan praten, Fons… Daarjuist fluisterden ze de hele tijd: “rabarberrabarberrabarberrabarberrabarber…”

“Mama zegt dat rabarber toneeltaal is”, wist Gloria.
“Vroeger toen ze een film opnamen konden ze nog niet meteen het geluid toevoegen.
Dat deden ze achteraf. Bij het filmen moesten de acteurs dan “rabarberrabarberrabarber” zeggen.
Als ze een vraag stelden was het rabarberrabarber? Als ze boos moesten zijn “rabarberrabarber!!!” of heel boos “rabah!”.
“Mama maakt jou toch alles wijs, Gloria.
Of probeer jij nu ons iets wijs te maken? Jij zegt dat maar omdat we hier bij het rabarberbomenbos staan. Eigenlijk zeg jij gewoon ‘blablabla’.”

Gloria keek met haar ogen in de lucht en zuchtte :”bla-bla-bla-ba-na-na.”

Er wordt van alles verteld over rabarber. Vroeger was er in ons land
een groot rabarberbomenbos, wel tien voetbalvelden groot. Op een nacht
is heel dat bos afgebrand. Zo ver je kon zien lag er ’s morgens alleen nog warme rabarberconfituur op de grond. Jammer genoeg mocht je die niet in potjes doen
om op te eten, want ook de groene bladeren waren mee opgebrand en de brandweer
moest er schuim over spuiten omdat de confituur door de bladeren giftig was.
Er werd verteld dat de kleine rabarberkes lucifers verzamelden.
Vroeger waren de lucifers zo rozerood als rabarber en die kleine rabarberkes
namen die lucifers voor hun popjes. Bijna elke rabaraberstengel had minstens
één lucifer bij zich. Op een warme zomerdag moeten die lucifers in brand zijn
gevlogen en als een lopend vuurtje door dat grote rabarberbomenbos zijn geraasd.
Niemand kon het bewijzen maar sindsdien zijn luciferstokjes wit.

“Gaan jullie maar in jullie rabarbercaravan, ik rij niet mee, misschien is dat rabarberbomenbos wel in brand gevlogen omdat het onder zijn grote bladeren
te warm was geworden…?”
“Gloria toch”, lachte Fons. “Kom maar mee in dit bos. Met die grote bladeren
is het hieronder juist lekker koel.”

Op dezelfde manier zoals zij in huis een kamp bouwden, deden ze het ook hier in het rabarberbomenbos. Alles sleurden ze naar buiten, twee fleece-dekentjes, een stuurwiel,
de krukken van oma, het klavier van een oude computer, een mandoline met nog twee snaren, een Batman-masker, vier vliegenmeppers, fietshandschoentjes van opa vroeger, een clownshoed en een kepie van het Russische leger.

Otto zat vooraan, hij stak de twee krukken naar buiten, Fons zat achteraan en tokkelde
op het computerklavier.
Hij gaf piloot Otto korte bevelen in een taal die alleen zij verstonden. Dan liet Otto de krukken los om aan het Mini-stuur te draaien terwijl hij met veel speeksel het geluid van een sportwagen imiteerde.

Voorlopig bleef Gloria buiten het bos staan. Hoewel zij had gezegd dat ze niet mee
wou doen, leek ze te wachten tot de jongens hun ingebeelde dolle rit hadden afgewerkt
en haar in hun kamp toelieten. Er was plaats genoeg voor drie. Rabarber wordt met zijn grote bladeren ver van elkaar geplant.
Van het moment dat Gloria in het rabarberbomenbos kroop, begon zij de kamers in te delen. Daar was de keuken, daar de slaapkamer, ze dacht aan een toilet en een badkamer. De jongens lieten haar begaan, tot ze fleecedekentjes en andere spullen naar haar kant begon te trekken. “Als jij er een appartement van wil maken, moet je dat ook maar kuisen. Wij gaan buiten koersen.” Zo ging het vaak, maar als Gloria niet te veel haar eigen spel opdrong, speelden ze weinig later weer mooi met drie samen.

’s Avonds vertelde Otto aan papa dat de rabarbers hem achtervolgd hadden toen hij van hen wou vluchten omdat ze met piepstemmetjes “rabarberrabarberrabarber” fluisterden. Papa keek met een glimlach naar mama en antwoordde aan Otto: “Als er nu groenten zijn die met hun diepe wortels echt niet weg kunnen zijn het wel onze vrienden de rabarbers.” “Papa, rabarber is fruit, geen groente…”, verbeterde Otto zijn papa.
Fons deed teken naar Otto dat hij zijn mondje moest afsluiten en het sleuteltje weggooien. Gloria deed hetzelfde. Otto lachte naar Fons en deed dezelfde beweging om zijn mondje op slot te doen, nadat hij nog vlug “neen, Gloria, jij niet”, had gezegd.

Toen ze de andere dag terug naar hun kamp onder de rabarberbladeren gingen zagen ze dat de letters op het klavier alleen maar rabarberrabarberrabarber schreven.
Fons, Gloria en Otto keken naar elkaar. Ze lachten zenuwachtig.
“Euh? wat is dat?”, zei Otto die nog niet kon lezen, maar wel zag dat daar allemaal dezelfde lettertjes stonden en hij zag ook de verbazing bij Fons en Gloria.
“Opa heeft dat gedaan, om ons bang te maken”, wist Gloria.
“Neen”, zei Fons fel. “Opa zou nooit iets doen om ons bang te maken. En moest hij dat  toch gedaan hebben, zou hij er een grapje tussen gestoken hebben.”

Otto begreep het even niet zo goed en zei: “Fons, ik ben bang…”
“Dat moet niet”, probeerde Fons hem gerust te stellen. “We zullen direct weten
wie dit gedaan heeft.” En hij begon de rabarberstengels een voor een aan te spreken :
”wie heeft dat gedaan? Was jij het? Heb jij het gedaan?” Hij hing met zijn neus tegen de stengels. “Versta je me niet? Moet ik rabarbertaal spreken?” En hij begon met piepstem “rabarberrabarberrabarber” te zeggen.

Toen gebeurde er iets dat ze helemaal niet verwacht hadden. De rabarbers begonnen te trillen en alle stengels uit het rabarberbos begonnen luider en luider allemaal samen in hetzelfde ritme “rararararara” te mompelen, steeds luider en luider tot ze riepen “rarara-ra-bàrber!”

Otto en Gloria waren al uit het rabarberbomenbos verdwenen. Alleen Fons lag op zijn buik tussen de rabarberstengels met grote ogen te kijken. Hij was niet bang. Rabarberstengels zijn om op te eten. Je kookt ze tot moes en doet er suiker bij. Wat moet ik daar nu bang voor zijn? Hij gaf een kusje aan de rabarbers die het dichtst bij zijn gezicht stonden. “Kleine lieve rabakes” zei hij met zijn grappige snoet “rabbikke, rabbikke, rabbikke… Oh, wat zijn jullie mooie…”.

En toen gingen de bladeren naar twee kanten open en klapten terug tegen elkaar, zoals mensen in de handen klappen.
“Otto, Gloria, kom terug…Wij zijn vrienden geworden!”
“Het rabarberbomenbos is van ons”, zei Gloria. Otto liet zich op Fons vallen. Gloria deed dat dan ook maar. “Auw!” riep Fons nu, “Gloria dat doet pijn.”

Vanaf die dag zaten ze altijd in de tuin. In hun rabarberbomenbos.
Ze vertelden niks aan mama en papa, ook niet aan oma en opa. Dit was hun geheim.
Ze konden hun speelgoed gerust in het rabarberbomenbos laten liggen. Het lag er droog en het was hun thuis, hun kamp.

De rabarbers herkenden hen, want hoewel ze niets anders dan rabarber konden zeggen, lieten ze goed verstaan dat ze het verschil tussen Fons, Gloria en Otto kenden.
Voor Fons juichten ze “rabarber, rabarber”, met Otto moesten ze altijd lachen “rarara bababa” en Gloria begroeten ze met een bewonderend “rabaaarbeur”.

Fons praatte de hele tijd met de stengels alsof het kameraadjes waren zoals zijn vriendjes op school. “Wanneer gaan we nog eens door de tuin rijden, hé rabbekes, zoals jullie de eerste keer met Otto deden. We zullen het aan niemand zeggen. Het blijft onder ons. Jullie zijn onze rabarbercaravan. Hé, mijn schattekes van rabbarberkes?”
En toen de jongens weer eens in hun fantasie aan het autocrossen waren, zette het rabarberbomenbos zich plots in beweging.
“Joehoe! Wij zijn weg.”
“Brrrrssss” deed Otto en zijn speeksel vloog in alle richtingen. Gloria zat achterin en hield zich vast aan twee stevige stengels.

Het werd een mooie zomer. Zij hadden geen speelgoed nodig. Ze hadden nu hun rabarber-racecar tegelijkertijd hun rabarbercaravan. Op het einde van de dag zette Otto het rabarberbomenbos terug in zijn garage naast het kippenhok, zodat niemand hun geheim zou ontdekken.

Mama moest moeite doen om hen mee op uitstap te krijgen. Enkel wanneer ze naar het zwembad mochten kwamen ze uit de tuin.
Toen ze thuis kwamen stond oma hen op te wachten.
“Was het leuk in het zwembad? Jullie zullen wel een klein hongertje hebben zeker?
Kijk eens wat ik voor jullie heb, lekkere rabarbertaart….”
“Neen, omààà”, gilden Fons, Gloria en Otto terwijl ze deur uit stormden de tuin in.
“Wat mankeren die kinderen nou”, schudde oma met haar hoofd, “dan trakteer ik al eens met rabarbertaart van bij de bakker…”

Hugopa
10 juli 2019

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

OTTO III – “Ja, maar waarom dan?”

Het had een beeld uit een film kunnen zijn. Zo’n cultfilm die je alleen op Canvas ziet. Met een koortsige Otto, helemaal alleen in zijn klasje. Voor hem op de tafel stond een bekertje water. Daarnaast zijn herfstwerkje, een compositie met droge bladeren. Het hoge plafond maakte hem nog kleiner.

Otto’s wangen leken met rood poeder bijgekleurd. Dat was niet zo erg. Zo zag hij er nog schattiger uit dan anders. Maar hij bewoog niet. Gewoonlijk komt hij met open armen aangelopen. Nu zei hij met een zucht ‘Opa’, alsof hij eindelijk nog ’s bezoek kreeg. In zijn cel.
Ook thuis op de bank beweegt hij niet. Hij heeft al zijn energie nodig in de strijd tegen de beestjes. Gelaten laat hij zijn lichaam koorts maken. Hij is enkel strijdtoneel. De virusjes kunnen niet tegen de warmte. Hij zal wel rusten tot het gevecht voorbij is.

“Heb je keelpijn, wil je wat drinken?” Hij beantwoordt de vragen door met zijn hoofd te schudden. Minimalistisch. Nauwelijks zichtbaar. “Laat me gerust”, zegt hij zonder woorden. Nu en dan opent hij zijn ogen en kijkt me aan. Ik weet niet of dit betekent : ben je hier nog? Of dat hij verwacht dat ik hem informeer over de strijd tegen de virussen? Maar dan zakt zijn koorts met twee graden en schuift hij van de bank: “Kom opa, we gaan met de Lego spelen.”

Gelukkig is hij nu ziek en niet over veertien dagen wanneer hij zijn derde verjaardag viert of over een maand wanneer hij grote broer wordt. Ik denk dat hij weet dat het beter zo is. Hij is zo flink.

Ook al torenen mama en papa hoog boven hem uit, toch lijkt het soms dat hij de grootste is, wanneer zij samen door de gang op weg naar huis stappen. In zijn Adamo-jasje, dat met zijn grote kraag niet veel plaats laat voor zijn schoudertjes, lijkt hij al het gewicht van het gezin te moeten torsen. Wij-krijgen-een-kindje.
Wij drie samen. Mama draagt het in haar buik. Papa timmert nieuwe kasten doorheen het huis en ik doe het denkwerk.
“Samen spelen is delen”, zegt hij zonder directe aanleiding. Hij is zich mentaal aan het voorbereiden, want in de praktijk is van dat delen nog niet veel te merken.

Mensen vergeten wel eens dat de wereld zijn ordening heeft en alles zijn plaats. Otto is nog met de indeling bezig. Voorlopig is alles nog van hem. Vraag dat maar aan Fons en Gloria. Hoewel Fons toch figuurlijk zijn grote broer is.  Wanneer ik uit het Sinterklaas-boek voorlees, nestelt hij zich op Fons zijn schoot. Zitten ze aan de computer, dan kruipt hij mee op de stoel van Fons terwijl hij zonder opzij te kijken aan Gloria zegt: “Gloria hier is geen plaats voor jou.” Gelukkig wil hij op andere dagen haar hand niet lossen.

Otto is voortdurend met schikkingen bezig, de lijstjes in zijn hoofd aan het herzien. Soms mag ik het gevoel hebben dat ik kort na mama en papa op het lijstje sta. Maar als Fons erbij is moet ik sowieso een stapje terug. Mijn vrouw en Gloria staan samen op hetzelfde trapje. Maar net zoals hij Gloria soms op haar plaats zet, stuurt hij mijn vrouw ook wel eens naar af. Het doet me denken aan de sketch van Koot en Bie  ‘Hou je erbuiten Kor’, de manier hoe hij ‘Oma in de keuken’ zegt. Het klinkt laatdunkend, maar het tegendeel is waar. Otto eet graag en oma kan lekker koken, dus hoort zij in de keuken te staan. Daar wil hij haar knuffelen en haar lief ‘kleine omi’ noemen.

Volwassenen durven nog nauwelijks in de oude rollenpatronen denken, maar kinderen draaien daar hun hand niet voor om.
Ik vind het fascinerend hoe onze kleine vriend over de dingen denkt en in vakjes opdeelt. Je mag er hem natuurlijk niet op vastpinnen, want dan lijkt het bijvoorbeeld dat ‘grote oma’ de hele tijd voor hem moet bidden? Grote oma hoort voor Otto bij de kerk, zoals kleine oma bij de keuken hoort. “Daar is de kerk van grote oma”, zegt Otto altijd wanneer we er een met de auto passeren. Berchem-kerk of de Peperbus van Borgerhout.

Van op de achterbank in zijn kinderstoel houdt hij alles in ‘t oog. De gele kranen van Bob de Bouwer, niet de rode, niet de witte, enkel de gele. Zeg ook niet: ‘Kunnen wij het maken? ‘JA’ en of!’, want het is ‘NOU’ en of! Zoals het Fons en Gloria is en niet Gloria en Fons of Ides en Wies en niet Wies en Ides. Fran en Aron en niet Aron en Fran. Zo, en niet anders zit de wereld in elkaar volgens ons liefste puntje precies.
Ik zit wel aan het stuur, maar hij zal me vertellen wanneer het groen is of wanneer er nog fietsers aankomen. Ook wanneer ik moet schakelen.
Met Fons en Gloria in de auto zingen we vaak samen. Wanneer ik met Otto in de auto begin te zingen, zegt hij: “Opa, je moet thuis zingen, niet in de auto. In de auto moet je sturen en schakelen.”  Vorige week waren we op zijn speelkamer met de autootjes aan het spelen en ik begon weer te zingen. “Hier niet opa. Op je kamer mag je zingen en hij pakt me bij de hand en leidt me twee kamers verder. In de deuropening van mijn slaapkamer laat hij mijn hand los terwijl hij  zegt “ hier mag je zingen.”
Maar wanneer ik daarstraks in zijn klasje een Sinterklaas-verhaal kwam voorlezen waarin hij de hoofdrol speelt, gloeit hij weer van trots en mag ik er gerust enkele liedjes bij zingen. Wanneer een klasgenootje mijn hand pakt schiet hij naar voor en neemt mijn hand af. Dit is zijn opa.

Hij kan die strenge regeltjes en structuren koppelen aan een niet te voorspellen fantasie. Mijn oude Nokia heeft een gepast formaat voor zijn handjes. Daarmee banjert hij door de kamer –  in de ene hand de Nokia de andere hand op zijn rug – en houdt hele gesprekken met mama en papa. Je zou zweren dat er aan de andere kant van de lijn inderdaad iemand tegen hem spreekt. De pauzes en antwoorden zijn uit het leven gegrepen.

Otto zijn knuffel is Pieter Konijn een pluchen langoor die mee naar zijn klasje mag en aan wiens armen hij zijn tutjes rijgt. Als hij moe is steekt hij zo’n tutje in zijn mond en hangt het konijn half voor zijn gezicht half voor zijn lijfje.

Ik gebruik zijn konijn als alter-ego om gesprekjes met hem te voeren. Bijvoorbeeld, wanneer hij geen middagdutje wil doen zegt Pieter Konijn: “Otto ik ben zo moe, ga je mee naar het torenkamertje een dutje doen?” Als hij “neen, nu niet” zegt, probeer ik nog een beetje verder met klagen, maar niet te lang want dan vliegt Pieter Konijn in de hoek. Dat ik dat konijn bij zijn nekvel vasthou en niet verberg dat ik met een fijn stemmetje spreek, daar gaat hij aan voorbij.

Op een keer was hij met de iPad een puzzel aan ’t maken van een leeuw. Ik speel Pieter Konijn en volg het gepuzzel. “Otto, wat is dat?”
‘Dat zal je seffens wel zien, konijntje…’ “Dat is toch geen leeuw, zeker?”
“Jawel, dat is een leeuw.”
“Maar, maar, ik ben bang van leeuwen…”
“Verstop je maar achter mijn rug”, en hij pakt mijn hand die Pieter Konijn vasthoudt en duwt die achter zijn rug. “Zo, nu moet je niet meer bang zijn” en hij speelt rustig verder op de iPad.
Voor mij zijn het leuke toneeltjes. Voor hem is het een voortzetting van het leven.
Vorige week knipte ik van een grote omslag de bovenste hoeken af en zette de omslag op m’n kop. Meer was er voor hem niet nodig om in mij de Sint te zien.
Met mijn diepste stem zei ik, Jan Decleir-gewijs: “Ben jij braaf geweest, mijn lieve jongen? Zeg eens, hoe heet jij ook weer?”
Ik was het, hij zag het, maar toch speelde hij mee.
“Ik ben Otto en dit is Pieter Konijn. Kijk, ik heb een boekje. Ik zal u laten zien wat ik graag wil hebben.”
“Ik heb gehoord dat jij een broertje krijgt. Ga jij daar goed voor zorgen?”
“Ja, Sinterklaas. Lemby mag in mijn bedje liggen en hij krijgt een van mijn tutjes. En ik zal mama of papa wakker maken als hij honger heeft of kaka heeft gedaan.”
“Zeg, als jouw broertje in jouw bedje mag liggen, waar ga jij dan slapen? “
“Ik ga tussen mama en papa liggen.”

Lemby is een werknaam, bedacht door Otto. Maar sinds er in het kleuterklasje een Lenny zit moet het Lenny zijn. Waag het niet van nog Lemby te zeggen.

Het is zo mooi hoe hij mee zwanger is, hoe hij die bolle buik van mama in zijn kleine handjes neemt en dan tegen zijn broertje praat. In zijn verbeelding ziet hij Lemby zitten, denk ik. Het houdt hem dagelijks bezig. Hij zou er ook willen zitten. Hij zei het laatst tegen mama : “Mama, wanneer Lemby geboren is, mag ik dan nog eens in jouw buik zitten?”

Otto zal dan net drie geworden zijn. Ik kan begrijpen dat hij wel eens weg wil van de drukte, weg van de last op zijn schouders, weg van de verantwoordelijkheid om schattig, grappig en leuk te zijn voor iedereen. Hij is een ongelooflijk kind, dat iedereen wil zien, dat iedereen wil horen, waar iedereen wil bij zijn. Otto hier, Otto daar. Kijk ’s, zeg ‘s, oooh. In feite leeft hij heel de tijd onder een vergrootglas.

Wat een geluk dat er binnenkort een broertje is dat met een deel van de aandacht zal gaan lopen. Uiteraard zal dat bij het begin wel wennen zijn, misschien soms wringen, maar Otto is te lief en liefhebbend om daar lang problemen mee te hebben.

De kans is groot dat hij al in de kraamkliniek, familie, vrienden en zelfs onbekenden sommeert van elkaar de hand te geven en een kringetje te vormen om dan samen  “Kumbaya, my Lord, Kumbaya” te zingen. Ik heb geen idee waar hij het vandaan heeft, maar heb het al enkele keren mogen meemaken. Otto die mensen samenbrengt en zelf vol overgave en het luidst “Kumbaya, my Lòòrd” zingt. Ik hoop dat ik dat beeld tot het einde van mijn dagen mag blijven herinneren.

Alle kinderen zijn schattig, maar niet alle kinderen zijn kleine wetenschappers. Otto is tegelijkertijd het jongetje met de traan – het bekendste onbekende schilderij –  als ‘ de denker’ van Rodin.
“Opa, daar is een groen lichtje in jouw bril..”
“Dat is misschien de weerschijn van die lamp op de kast?”
Hij springt van de bank en gaat dat lichtje uitdoen. Hij komt terug, kijkt vorsend naar mijn bril.
“Ja, dat komt van de lamp.”

Het lijkt poepsimpel, het is het ook, maar een kind dat op die manier explorerend onderzoek doet, tot een conclusie komt en die vlot formuleert is niet alledaags.

Hij beheerst perfect de methodiek van de onderzoeksvragen. En dat mag over de triviaalste onderwerpen gaan. De echte onderzoeker vindt niks te min. Die kan in ’t rond kijken en zich afvragen waarom die muur crème en die andere taupe geschilderd is.

Zijn papa was dertien toen die absoluut naar de landing van de‘Pathfinder’ wou kijken.
Ik zei iets van ‘wat een Science Fiction-brol’ en zette de tv op een andere post.
Nu probeer ik die historische fout goed te maken in de gesprekken met de zoon van mijn zoon, mijn kleinzoon Otto. Elke seconde dat hij bij ons is krijgt hij mijn volle aandacht.
Wij tateren zonder ophouden ook al verschillen we 65 jaar min vier dagen.
Het is zo mooi om zien en horen dat ik soms naar mijn vrouw wil roepen : “kom dit filmen, kom dit filmen.” Maar dat zou de magie van het gesprek verstoren.
Wanneer ik hem tot tranen toe laat lachen ben ik zijn ‘gekke opi’.Maar hebben we een ‘waarom-gesprek’, zal ik altijd serieus en op een voor hem bevattelijk manier antwoorden. Je ziet Otto dan een fractie nadenken, eventueel de reeds beschikbare gegevens in zijn hoofdje herschikken en dan de draad van het gesprek weer opnemen met diezelfde vraag: “Ja, maar waaròm dan?”
“Wel, omdat…” Na mijn antwoord is er weer een korte verwerkingsfase. Klikklak, hoor je net niet. Misschien is er een innerlijke ‘oké, dat wist ik al’ of een ‘tiens, tiens’, dat moet ik even juist klasseren voor later. En dan gaat hij weer verder met  “Ja, maar waaròm dan?”

Er zijn sessies geweest waar na twintig bijvragen al de ladekasten in mijn hersenen open stonden. Doe maar eens de oefening, van iets simpel beginnen en iemand telkens ‘ja, waarom dan’ laten vragen.

Ik ben blij dat er in een of ander hoekje in mijn hoofd nog altijd een overschotje grijze materie te vinden is dat koel genoeg is om te denken: “Zie mij, zie hem, zie ons bezig.”

Gelukkiger kun je niet zijn.

Hugopa, 1 december 2018

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

De zeemeermin van Oostende

Sinds we kleinkinderen hebben huren we voor hen een huisje in de Haan.
Iedere avond improviseer ik voor hen een verhaaltje voor het slapengaan.
Wat ik mij herinner schrijf ik achteraf neer. Dit is zo’n verhaaltje.
Dit jaar improviseerde ik ook over de zeemeermin van Oostende en over
Bruno Broodje en Sarah Snijmes.

Dikke Peere was een visser. Zoals zijn vader en zijn grootvader. Als kind mocht hij al mee de zee op. Hij voelde zich beter op het water dan op het land. Hij wou meer dan een zeeman worden. Hij wou zeemeerman zijn en dan een zeemeermin vinden. Samen zouden ze in een kleurrijk koraalrif gaan wonen, in een zee waar het zonlicht tot op de bodem schijnt.

Iedere morgen in de badkamer stak hij zijn hoofd onder water. Om te oefenen.
Hij kon ook al heel vroeg zwemmen. Zijn papa zei wel eens: “onze Peter is eigenlijk
een vis.”

Dikke Peere heette eigenlijk Peter, zoals iedereen. Maar op zee moet je een bijnaam. Nochtans was Dikke Peere helemaal niet dik. Hij was zelfs graatmager. En daar was hij
fier op. Hij kon de stuurcabine niet passeren zonder zich te spiegelen in de glazen wand. Om deze fiere gieter te plagen noemden zijn collega’s op de boot hem ‘onze dikke’. En daarna ‘Dikke Peere’.
De visser die hem de bijnaam gaf werd zelf  ‘Bloemkool’ genoemd. Omdat zijn oren
op de wolkjes van bloemkolen leken en omdat het zoute zeewater witte kringetjes op zijn rode wangen legden. De baas van het schip noemden ze altijd ‘Baas’ en niet Hugo, zoals hij echt heette. De vierde visser aan boord noemden ze “de Slome”, omdat hij altijd zo traag over het dek waggelde als een dronken man in vertraging.

Dikke Peere dronk water. Geen zout zeewater maar zoet water dat ze in flessen meehadden. Daar kon hij niet dronken van worden. De anderen deden of ze ook water dronken, maar dronken jenever. Dat zag er zo helder uit als water, maar in werkelijkheid was het sterke alcohol, waar je het warm van kreeg en snel dronken van werd. Alsof de mannetjes in de controlekamer in je hoofd in slaap vallen. De bewegingen werden ongecontroleerd, ze grepen overal naast. Je kon het ook horen aan hun praten. Oostends
is voor iedereen buiten Oostende moeilijk te verstaan, maar met de jenever in hun kop
was het taaltje van de vissers alleen verstaanbaar voor henzelf. Aan dek kon je natuurlijk moeilijk uitgebreid een praatje maken. Er moest gewerkt worden en altijd woei er op volle zee wel een windje dat alles deed klapperen en trillen van ‘fieuw-fieuw-fieuw’ tot ‘tsjoj-tsjok’ en ‘quotsch-quotsch’ tot een onregelmatige ‘Bwok’.
Bij een kalme zee speelde de golven niet mee, anders kreeg je er om de drie seconden nog eens het geluid van ‘spleussssssch’, de douche op het dek bij. De vissers riepen niet meer dan ‘awi-ha, heddegieder, moh vent, awei… tsjaikes’ naar elkaar, maar dat leek te volstaan. Meer woorden hadden ze niet nodig.

Dikke Peere was veel jonger dan de andere vissers. Eigenlijk zou hij aan land van zijn jeugd moeten genieten. Uitgaan met vrienden, zot doen. Een lief zoeken. Maar hij leefde op zee tussen oudere vissers die hem dikwijls plaagden.

Zij wisten dat Dikke Peere geen lief had en dan maar op zijn computer alles opzocht over zeemeerminnen. Hij geloofde er echt in. Soms sprak hij in gedachten met Neptunus, de god van de zee. “Alsjeblief, Neptunus, als jij de baas bent van de zee en iedereen kent die er woont, stuur dan eens een van jouw zeemeerminnen naar mij. Je kunt mij vinden op de Noordzee, in de buurt van Oostende.”

Hij kende de verhalen over zeemeerminnen die met hun gezang zeemannen lokten om hen dan mee te nemen in de diepste zeeën. Dat maakte hem wel een beetje bang. Maar als je de beschrijvingen van zeemeerminnen in de dagboeken van Columbus las, zou je onmiddellijk op zoek willen gaan naar die wonderlijke wezens. Columbus beschreef ze zo levendig alsof ze bij hem in bad zaten. Hij geraakte niet uitverteld over hun mooie rozige roze huid, hun op en top vrouwelijke vormen, hun lange haren, hun ogen waarmee ze jou aanstaren, hun vissenmond, hun onderlijf met goudrode schubben en fluwelen vissenstaart. Als je ze zo in detail kunt beschrijven moet je ze wel gezien hebben.
En als ze toen bestonden, waarom zouden ze niet nog altijd bestaan? Onder water leef je wellicht langer. En moet je niet in bad of je haartjes wassen. Onder water heb je geen luchtvervuiling of geen auto’s die je omver rijden. Je kon Dikke Peere veel wijsmaken, maar niet dat er géén zeemeerminnen bestaan. Als je er in blijft geloven zal je ooit beloond worden en de mooiste zeemeerminnen zien, had hij ooit gelezen. En daar klampte hij zich aan vast.

De vissers plaagden Dikke Peere met zijn geloof in meerminnen. Liefst nog wanneer hij lag te slapen. Dan maakten ze hem wakker : “kom kijken, Peere, daar zwemmen zeker tien zeemeerminnen links van de boot, echt waar.” En dan bleken het zeekoeien te zijn die tussen de golven de kop op staken. Of ze waren zogezegd net weg. Maar telkens haastte Peere zich aan dek. Het moest maar eens waar zijn.

Zijn favoriete film was “Splash” waarin een zeemeermin aan land komt leven. Als zijn maten lachend zegden dat het maar film was, werd Peere boos. “Je ziet toch ook dat die zeemeermin half mens en half vis is. Zij heeft geen benen maar een staart. Dat kunnen ze toch niet nadoen, dat is echt…” “Jaja Peere, en Batman die door de lucht vliegt is ook echt.” Op de duur was het niet meer leuk van hem te plagen en lieten ze hem gerust. De ene is zot van voetbal, de andere van zeemeerminnen.

Tot op een dag…

De zee was rustig, net zoals de vissen die lui baantjes trokken of zelfs op de rug dreven met de ogen dicht, recht in de netten van de vissers. Ook de vissers zouden met dit mooie weer liever op een terrasje zitten niksen.

Al vroeg in de middag haalden ze hun netten op. Het water droop als een stortbui in zee en de vissen spartelden tegen, in de hoop tussen de mazen van het net terug in het water te kunnen duiken. Maar het gewoel in de netten was heviger dan normaal. Midden die kleinere vissen leek een mens zich vrij te woelen. Een mens? Een levende mens? Hoe kan die nu zo ver in zee onder water zwemmen? Ze zagen een blote rug en lange haren en spartelende armen, maar waren de benen? Waren die verborgen achter een andere grote vis?

De vissers stonden als standbeelden aan het dek genageld. Sprakeloos. Na enkele seconden brulde Bloemkool zo luid hij kon: “Peere”.
Peere was de eerste die bewoog. Hij kneep zich in de wang en gaf vervolgens de anderen een klap in hun gezicht. Als ik niet droom en dit echt is zullen mijn vrienden me wel een klap teruggeven.
Alleen Bloemkool deed dat. Met zijn vuist. Op de neus van Peere, die nu zeker wist dat hij wakker was.
“Dat-is-een-zeemeermin”, stamelde Slome.
“Sorry jongens, die moet zo snel mogelijk terug in zee”, zei baas nuchter.
“Nee!”, schreeuwde Peere en hij ging met zijn armen breed open voor het net staan, om de meermin te beschermen.
“Luister Peere, we moeten nu vooral kalm blijven. Hoe ongelooflijk dit is voor ons allemaal. Wij hebben altijd gelachen met jouw zeemeerminnen, maar je hebt altijd gelijk gehad. Dat moeten we nu kunnen toegeven. We hebben een echte zeemeermin gevangen. Ze bestaan dus, maar nu we het bewijs gezien hebben moet deze vis zo snel mogelijk terug in zee.”

“Dat is geen vis, dat is mijn zeemeermin. En daar jullie hebben niks aan te zeggen. Neptunes heeft die naar mij gestuurd en ik wil ze houden. Help ze liever mee uit dat net.”
Toen hij haar aanraakte schrok hij ervan hoe koud ze aanvoelde. “Snel, vul die kuip met warm water, mijn meerminnetje heeft het koud.”

Slome die nog altijd op dezelfde plek stond als daarjuist, zei nu tegen Peere: “Dacht je nu echt dat die onder water een kraantje hebben voor warm water? Zo’n mengkraan, voor de juiste temperatuur?”

“Niet onnozel doen, Slome” zei baas. “Onze Peere heeft juist de schok van zijn leven gehad, zijn droom is uitgekomen. Laat hem nu even bekomen.”

Maar nadat ze de meermin in een kuip hadden gelegd en Peere vertederd de meermin stond te bewonderen en woorden tekort kwam om haar grote bolle ogen en haar open mond te beschrijven, sprak Baas toch andere taal.
“Peere, gij moet nu ook niet onnozel beginnen doen, hé. Dit is een heel speciale vis, maar niettemin een vis en vissen hebben vissenogen. Dacht je dat die de ogen van een lief klein konijntje zouden hebben? En heb je al gehoord van een vis op het droge? Wel, dat is iemand die zich niet op zijn plaats voelt. Onze meermin is wellicht in paniek, want dit kent ze niet en daarom staat die mond zo open…”

Uit die mond kwam plots een scherp oorverdovend geluid.

“Gelukkig hoor je dat onder water niet zo luid. Ik denk dat het een noodkreet is. In de film kunnen vissen praten zoals mensen, in het echt klinkt het zo.”

“Ik wil mijn meermin mee naar huis”, sprak Peere zelfzeker. “ Mijn ouders zijn met vakantie. Meermin kan voorlopig bij ons thuis in bad logeren.”

Baas sloot de ogen om niet afgeleid te worden, zuchtte eens diep en zei dan : “akkoord, we gaan het proberen, maar op één voorwaarde: ‘mondje dicht!’. Tegen iedereen. We zullen haar aan land smokkelen, maar dat is niet definitief. Dat kan niet. We moeten heel goed nadenken hoe het verder moet met haar. En ik hoop dat we juist zullen handelen. Ik begrijp dat dit een sprookje is voor jou, Peere. Maar voor ons en voor heel de wereld is dit complete waanzin, de ontdekking van een levende zeemeermin is alsof er plots een marsmannetje in je tuin staat. Ik wil er niet aan denken wat er gaat gebeuren wanneer iemand buiten ons vier het te weten komt. Binnen het uur is zo’n nieuws de hele wereld rond en krijgen we iedereen op ons dak. En wat erger is: over heel de wereld zal er jacht gemaakt worden op zeemeerminnen. En dat zou jij toch zeker niet willen?”

Ze bleven op zee tot het donker was en voeren dan pas de haven in.
Peere week geen seconde van de kuip waarin de meermin lag.
Zonder verpinken bleef hij naar haar staren.
Gek genoeg lag de meermin in het water onophoudelijk naar Peere te kijken.
Ook vissen kunnen totaal van hun sokken zijn. Misschien bleef ze kijken omdat ze maar drie seconden iets kan onthouden en daardoor telkens opnieuw schrok en bleef kijken.

In zijn hoofd kon Peere moeilijk fantasie van werkelijkheid scheiden. Zo wou hij telkens de meermin recht zetten om haar boven water te laten ademen. “Maar zij blijft de hele tijd onder water” zei hij verontschuldigend tegen zijn maten. “Dat is wat vissen doen” antwoordde Bloemkool koel.

Peere zijn ouders woonden niet ver van de kade. De verhuis van de meermin verliep vlot en ongemerkt. Maar het was een oplossing voor één nacht. In de eerste plaats omdat het ligbad veel te klein was, de meermin kon niet eens helemaal onder water liggen, maar vooral omdat Peere niet wist wanneer zijn ouders terug zouden zijn.

Het waren net zo’n rare mensen als hun zoon. Sinds zijn vader met pensioen was, wandelde die iedere zomer naar Blankenberge. Dat lag vlakbij en het stikte daar van toeristen uit Antwerpen. Hij ging dan op drukbezette terrassen tussen hen in zitten en begon dan luidop te roepen: “met hiel Antwaarpe, mor nie me mai”.
Er werd natuurlijk geschrokken en verbaasd opgekeken, maar ook gelachen, want iedere Antwerpenaar herkende zijn zwaar Oostends accent. Maar meer dan eens riep de cafébaas er de politie bij. ‘Ordeverstoring’ was de aanklacht. Peere kende de fratsen van zijn vader. Hij wist dat zijn ouders op elk moment naar huis gestuurd konden worden.

“Dan moeten we maar naar het zwembad van de burgemeester”, zei bloemkool.
“Hoezo? Onze burgemeester woont toch op een appartement?”
“Ik bedoel de toekomstige burgemeester. Die woont in een villa met zwembad. Ik ken hem goed. Hij is nu met vakantie en heeft mij de sleutels gegeven. Ik moet het zwembad proper houden en een oogje in ’t zeil.”
“Maar waarom verhuizen we haar dan al niet deze nacht naar het zwembad?”

Peere zag dat niet zitten, hij had zijn zeemeermin graag één nacht bij hem gehad.


“Laat ons afspreken dat we om beurten ’s nachts bij het zwembad zullen waken?” kwam Baas met de oplossing.
De tuin van de burgemeester had hoge muren. Niemand kon zien dat ’s nachts de lichten op de bodem van het zwembad bleven branden.

Peere had de eerste dag al een mand vis mee. Zijn meermin moest toch eten ?
Hij liet ook een plastieken berghok uit de tuin van de burgemeester tot op de bodem van het zwembad zakken. Thuis op de zeebodem heeft zij zeker ook een soort huisje waar ze kan rusten en schuilen.
“Niet overdrijven, hé vriend” zei Baas, “de burgemeester weet van niks en dat wil ik zo houden. Zorg maar dat je alles mooi opruimt wanneer we hier weggaan.”

Als het hun beurt was lieten Slome en Bloemkool het licht uit en sliepen heel de nacht in een slaapzak onder het afdak. Baas kwam zelfs de tuin niet in. Hij waakte in zijn auto voor de deur van het huis.

Maar Dikke Peere kon er niet genoeg van krijgen. De eerste nacht had hij zijn zwembril mee om beter naar zijn vriendinnetje te kijken. De volgende nacht had hij zijn zwempak aangetrokken. Hij ging in het water. Hij wou niet denken aan de toekomst. Alleen nu telde. En nu wou hij in het water zijn bij zijn meermin. Er was toch niemand die hem kon zien. Niemand die hem kon tegenhouden. Hij zou deze droom tot het einde beleven.

De meermin verschool zich in het huisje op de bodem. Peere zwom er langs en keerde terug naar boven om lucht te happen. Na enkele keren kwam ze toch nieuwsgierig kijken. Eerst schuchter. Dan iets vrijmoediger en vervolgens zwom ze hem een stukje achterna om weer snel in haar schuilplaats te verdwijnen. Na verloop van tijd leken ze samen rondjes te zwemmen. Het ging steeds meer op een waterballet lijken. Alsof ze ervoor getraind hadden. Hij aan het wateroppervlak om lucht te happen, zij hooguit een meter onder hem. Ze waren net geliefden, al wist minstens een van de twee niet wat dat betekende.
Hij dacht nergens aan en ging volledig op in deze wondere momenten met haar.
Zo lang had hij nog nooit gezwommen, maar hij dacht er niet aan van uit het water te gaan. Hij dreef op zijn rug, om te rusten. Ik moet opletten dat ik zo niet in slaap val, zei hij tegen zichzelf.
De meermin kwam vlak onder hem zwemmen alsof ze een bedje voor hem wou maken.
Hij voelde zich gedragen door haar. Hij sloot zijn ogen en genoot. Hij zweefde als het ware in de zevende hemel. Gelukkiger dan dit zal ik nooit worden.
Langzaam draaide hij zich om. Hij wou haar kussen, knuffelen, in zijn armen sluiten.
De zeemeermin schrok niet. Integendeel. Ze kronkelde zich met haar staart rond hem en nam Peere stevig in haar armen. Peere liet begaan. Zij trok hem mee naar de bodem,
naar haar schuilplaats.

Daar zouden zijn maten hem ’s anderendaags uiteindelijk vinden. Nog steeds in haar armen. Zijn lippen waren blauw, maar er speelde een gelukzalige glimlach om zijn mond.

“Peere, Peere, Peere toch. Ik had het jou nog zo gezegd”, zei Baas met gebroken stem. “Peere, hou afstand. Ik weet waar je mee bezig bent, maar laat je niet meeslepen in jouw romantische fantasieën. Word toch niet verliefd op een vis… Neem desnoods een hond.”

“ Mannen, we moeten er voor zorgen dat dit op een werkongeval lijkt. Niemand mag ooit te weten komen wat wij hier nu gezien hebben. Dit is ons verhaal: bij het binnenhalen van de netten moet hij een balk tegen zijn hoofd gekregen hebben en overboord gevallen zijn. Van de klap moet hij even bewusteloos geweest zijn, want hij was een uitstekende zwemmer. Hij verdween in de golven. En wanneer hij terug aan de oppervlakte kwam, een eind van onze boot, was hij al dood.”

Enkele dagen later vertrokken ze met de as van Peere in een urne en met de zeemeermin in een kuip voor een laatste reis naar de Caraïben. “Waarom gaan we niet met onze vissersboot op vakantie. Naar de Caraïben, bijvoorbeeld?”, had Peere ooit gezegd. “Dat kan onze boot niet aan”, had Baas gezegd.
Maar nu waren ze toch op weg. Als eerbetoon aan hun jongste scheepsmaat. Het zou ook de laatste tocht met de boot zijn. Ze waren zo aangeslagen door het verlies van hun vriend dat niemand van hen nog op zee wou werken. Dat hadden ze samen besloten.

In de buurt van Haïti zochten ze een mooi koraalrif. Het water was helder, de zee was stil, het rif en de vissen die er in rond zwommen kleurrijker dan elders.

Als soldaten in houding stonden Baas, Bloemkool en Slome aan dek. Ze hielden een minuut stilte. Dan lieten ze de zeemeermin samen met de urne voorzichtig in het water glijden. Door het heldere water konden ze de meermin een heel eind volgen. Ze zagen hoe ze de urne in haar armen hield en meenam steeds verder het rif in.

“Zorg goed voor onze Peere”, zei Slome zachtjes huilend.
Baas legde zijn hand troostend op Slome zijn schouder. Bloemkool deed hetzelfde aan
de andere kant. “Misschien leven zeemeerminnen voor altijd”, zei hij zachtjes. “Samen met onze Peere.”
“Ze is hier in ieder geval beter af dan in onze koude bruine Noordzee”, zei Baas tot besluit.

Ze bleven nog een tijdje in Puerto Rico. Tot ze hun boot verkocht hadden.
Ze schreven een kaartje naar de toekomstig burgemeester van Oostende.
“Excellentie, wij zijn hier in de Caraïben om afscheid te nemen van onze scheepsmaat Peere. U zult al wel gehoord hebben van zijn werkongeval op zee. Ook wij waren verbaasd dat uw zwembad plots vol met vis zat. We hebben ook gehoord dat het een betaling in natura was voor de vele hand- en spandiensten die u verleent aan de vismijn. Maar u vindt overal kwatongen. Er was ook sprot bij en kabeljauw en schol en schelvis. In ieder geval, met het oog op de verkiezingen zit er genoeg vis in uw zwembad om heel Oostende op een barbecue uit te nodigen. Wij zullen er helaas niet bij kunnen zijn. Groeten uit Puerto Rico.”

De drie scheepsmaten hadden geen zin meer in grote vissen.
Terug in België ging Bloemkool zich bezig houden met kleine garnalen.
Hij werd garnaalvisser in Duinkerke.
Zoals vroeger viste Slome ook nu achter het net. Hij verzamelde de schelpen die door het net werden omwoeld. Met veel geduld klasseerde hij ze in grote bakken. De blauwgrijze geribbelde, de beige geribbelde, de witte met gebogen streepjes, de volledig witte. Wanneer hij er daar genoeg van had, wist hij die te verkopen aan Shell die ze aan klanten aanbood in haar benzinestations over heel Europa. In elke schelp stond een kleine S gedrukt. Van Shell, maar ook van Slome.
Baas trok naar de stad, gooide het over een hele andere boeg en begon met een kledingmerk dat hij zijn eigen naam gaf: ‘Hugo Boss’.

HugoBe – sept. 2018

 

 

 

Geplaatst in Fantasie, Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

De Haan is geen kiekenkot

Het stond in grote letters op de eerste pagina van de Zeek(r)ant: “ De Haan is geen kiekenkot!” De uitspraak kwam van mijnheer Bieroman, burgemeester van de kustgemeente De Haan.
Hij wou de hanen weg. Terwijl bijna iedereen in De Haan een haan in huis had.
Een beeldje op de schouw of een ijzeren exemplaar in de tuin.
Het was altijd zo geweest. Bij een gemeente als De Haan hoort een haan en geen zwaan.

De burgemeester zelf had enkele zomers geleden kunstenaars uitgenodigd hanen van wel twee meter hoog te beschilderden. Die werden hier en daar in de gemeente tentoongesteld. Het kwam op televisie en iedereen wou die hanen zien. De hanen-wandeling was vooral voor kinderen een leuke zoektocht. Wie ontdekt eerst de volgende haan?

Twaalf hanen moest je zoeken. De gemeente had ze zo geplaatst dat de zoektocht slim langs ijsjes-kraampjes liep, langs de paardenmolen, langs de gocarts, langs de vele terrasje voor grote en kleine dorst.

Juwelier Jansens was de eerste handelaar die van de wandeling profiteerde. Hij noemde zijn winkel voortaan ‘het Goudhaantje’ en liet een prachtige gouden haan in zijn gevel inwerken. De gemeente hertekende de wandeling en sprak nu van dertien hanen.

Misschien hadden ze dat beter niet gedaan, want het bracht de handelaars op ideeën.
Al snel werd het hanen-park uitgebreid met minder kunstvolle hanen.
Een verhuurder van gocarts plaatste een haan in wereldtrui voor zijn deur.
‘Fietsen Ludo, de fiets van de kampioen’, stond op de trui.
Daarop liet de winkel aan de overkant wel tien hanen plaatsen met één haan die voor de andere uitliep. “Altijd haantje de voorste met fietsen André” stond er bij.
En dan was er de horlogemaker die een haan liet plaatsen die om de drie minuten kraaide. Vele wandelaars schrokken zich een hoedje.
Nog meer schrikken was het bij de beenhouwer, die een gepluimde haan zonder kop voor zijn winkel zette. Dat men eigenlijk van een kip zonder kop spreekt, stoorde hem niet. Wie kent nu nog het onderscheid tussen een haan en een kip?
Paaseieren bij de bakker kwamen plots van een Paashaan.
Zelfs dakwerken Dekkers plaatste een haan onder een afdakje op de stoep.
Op het reclamebord stond: ‘een gezonde haan moet droog staan’.
Als toerist moest je een weg zoeken tussen een bos van hanen.

De burgemeester Bieroman had genoeg van dit haantjesgedrag.
‘Te veel is altijd verkeerd. We moeten met nieuwe ideeën komen.’
Marieke, de jongste deelnemer aan de vergadering, had op dit moment gewacht.

‘Misschien is het tijd om iets te doen rond de meeuwen van De Haan?’
‘De meeuwen van De Haan? Wat is dat nu voor iets? Wij hebben geen meeuwen,
de meeuwen zijn van de natuur, niet van de gemeente. Meeuwen vliegen vrij rond
of had je dat nog niet gezien?’
“Klopt, maar u zegt zelf dat we iets anders moeten zoeken. Zoals de Bremer stads-muzikanten of de rattenvanger van Hamelen. Een verhaal is belangrijker dan een beeld. En met de meeuwen van De Haan hebben we een verhaal.’
‘Ik ken dat verhaal niet’, zei burgemeester Bieroman.
‘Dat is jammer’, zei Marieke. ‘Wanneer u het volk vertegenwoordigt zou u moeten weten wat het volk denkt. U was nog met die hanen bezig, maar iedereen had het over die meeuwen. In de scholen werd er over verteld, gidsen spraken er over met de toeristen.
Op de duur kenden zelfs buitenlanders de drie meeuwen van De Haan. Behalve u natuurlijk. Is het u niet opgevallen dat er drie meeuwen zitten op het piratenschip
voor de kinderen? ”

‘Is het u niet opgevallen, juffrouw Marieke, dat er maar twee op staan?’, zei burgemeester Bieroman. ‘Ik heb er eentje laten wegnemen. Omdat die precies op een leeuw leek. Een leeuw met vleugels. Belachelijk.’
‘En ik dacht dat die er af was gevallen en in herstelling was,’ zei Marieke. ‘Maar u hebt dus onze leeuwmeeuw laten wegnemen. Hoe is dat mogelijk? Iedereen kent ondertussen de leeuwmeeuw, de geeuwmeeuw en de Zeeuwse mosselmeeuw, maar u burgemeester weet van niks.’
Er werd gelachen in de zaal. Voor één keer had de burgemeester geen antwoord klaar.
‘Zal ik u eens een lesje geven?’
Er werd opnieuw gelachen. Marieke was niet alleen de jongste in de zaal maar ook nog eens de kleinste. Een kindje vergeleken met de burgemeester, die met zijn ronde buik soms meneer ‘Bierbuik’ werd genoemd in plaats van Bieroman.
De burgemeester zuchtte diep en keek ongeïnteresseerd naar het plafond.

Marieke nam het woord en was niet van plan van dat vlug af te geven.
‘Het waren de redders die als eersten de leeuwmeeuw opmerkten. Ze gaven hem ook die naam. Iedere morgen zagen ze de leeuwmeeuw ongeveer op dezelfde plek in de golven duiken en daarna met een natte kop over het strand huppelen. Met zijn vleugelveren wreef hij de donsveertjes op zijn kop naar voren. Om te vermijden dat de veertjes onmiddellijk door de wind weer naar achteren zouden geblazen worden, wreef hij zijn kop in het zand. Opnieuw zette hij de donsveertjes naar voren en bleef zo in de zon zitten. Om het zand in zijn veertjes te laten drogen. Het leek een heel klein beetje op de manen van een leeuw.
Op het einde van zijn zonnebad pikte hij met zijn snavel een beetje zand op. Zijn bek ging open en in zijn verbeelding klonk hij met dat zand in zijn bek ‘wraauw!!!’, zoals een leeuw. In het echt klonk het zoals gewoonlijk piepend ‘wiew, wiew, wiew’. Maar hij had zijn naam gemaakt. Niet alleen bij de redders, ook bij zijn collega’s meeuwen, want je zag hem altijd aan kop van het peloton vliegen. Als koning van de meeuwen.

Helemaal achteraan vloog meestal de geeuwmeeuw. Als hij het peloton al kon volgen. Niemand wist waarom, maar deze meeuw vloog bijna altijd met zijn bek wagenwijd open. Moest hij zijn stembanden laten afkoelen, was hij de vliegenvanger van de groep, had hij gewoon een grote bek waar iedereen van weg vluchtte?
Met die open bek pakte hij natuurlijk veel wind en kon hij niet volgen. Maar er was meer aan de hand. Meer dan eens had men hem tegen een paal, tegen een strandhuisje, ja zelfs tegen een hoge golf zien vliegen. ‘Die zit te slapen’, had iemand een keer opgemerkt. En daarmee was zijn naam de ‘geeuwmeeuw’ geboren.

De Zeeuwse mosselmeeuw is de derde meeuw van De Haan. Misschien komt hij oorspronkelijk uit Zeeland, maar hier is hij thuis, dat is duidelijk. Het is een echte mosseldief, die de terrassen afschuimt. Hij pikt geen frietjes mee of een reepje pannenkoek, hij is alleen zot van mosselen. Die kun je toch genoeg op het strand vinden, zou je denken? Jazeker, maar onze mosselmeeuw heeft ze graag gekookt. In eigen nat, in witte wijn, in tomatensaus. Het is hem gelijk, als ze maar gekookt zijn, dan gaan ze open en kan je zo de mossel pikken. En omdat hij geen mosselpot en een kookfornuis heeft zit hij geduldig te wachten aan de rand van het terras om zijn mosseltje mee te pikken. Een enkele keer zal hij om een mossel bedelen. Bij kinderen lukt dat meestal wel. Die hebben snel meer aandacht voor de frietjes dan voor de mosselen. Gooi je hem één mossel toe, blijft hij met smekende blik vragen voor méér. Hij is wellicht de bekendste meeuw omdat hij contact zoekt met de mensen.
Als hij grote honger heeft eet hij natuurlijk ook ongekookte mosselen, recht van het strand. Maar graag doet hij dat niet want hij slikt dan toch stukjes schelp mee in.
Hij is de enige meeuw aan heel de kust die na het kakken zijn gat afkuist. Schurend over het zand probeert hij de niet verteerde stukjes schelp van zijn poepje te wrijven. Hij piept niet zoals de andere meeuwen ‘wiew, wiew, wiew’ , maar ‘aauw, aauw, aauw’.

‘Asjeblief, Marieke! Is dat het verhaal waarmee je onze gemeente wil bekendmaken bij de toeristen?’ riep Bieroman.

‘Jazeker,’ antwoordde Marieke, ’het verhaal is al bij velen bekend. En het is een leuk verhaal. Het zou een fabeltje kunnen zijn, het zou echt gebeurd kunnen zijn. De mensen houden daarvan. En het kost niks. Je moet maar eens op het strand gaan zitten aan de waterlijn en je oren goed openhouden. Je hoort mensen tegen elkaar bezig: ‘zou dat nu die geeuwmeeuw zijn ? Kijk ’s hoe die zijn bek openhoudt’. Wanneer een meeuw in de zon zit vinden de mensen het een leeuwmeeuw. Ook zonder gecoiffeerde manen.

En op de terrassen zie je steeds meer mossel-eters mosselen naar voorbijvliegende meeuwen gooien. Zij denken dat ze kenners zijn. Ik heb het zelf meegemaakt dat zo’n meeuw een toegeworpen mossel in de vlucht met zijn bek opving. Er steeg een applaus op van het terras alsof Thibaut Courtois een wereldsave had gemaakt en ons land daarmee de beker had geschonken.
Ik vind dat die derde meeuw zo snel mogelijk terug op het piratenschip moet geplaatst worden. En het schip moet een opvallende naamplaat hebben: ‘Meeuwenschreeuw’ bijvoorbeeld. Met daaronder de Engelse, Duitse en Franse vertaling: “Gulls cry, Möwe schreien, Cri de mouette” en een verwijzing naar de website van de gemeente, waar ze naar het verhaal van de meeuwen kunnen surfen. De meeuwen moeten ook groter.’

‘Ja, maak er maar hanen van’, gooide iemand er vlug tussen.

‘Lach maar, vergeet niet dat iedere morgen bij de ochtendbeelden om de zovele minuten het schip van De Haan op televisie te zien is. Daarom moeten die meeuwen groter en de naam moet op het scherm leesbaar zijn. Er zullen zeker kijkers zijn die zich afvragen ‘wat doen die reuze meeuwen op dat schip?’ ‘De kans is groot dat hun volgende uitstapje naar De Haan gaat, en dan is het aan ons om hen zo te verwennen dat ze voor hun volgende vakantie De Haan kiezen.’

‘Droom maar voort’, zei de burgemeester.

‘Wacht, ik heb nog niet gedaan. Op al ons briefpapier, op de auto’s van de gemeente, op het gemeentehuis zelf, komt een wapenschild met drie meeuwen. Mysterie alom! Wat betekenen die drie meeuwen? Is dat de luchtmacht van de hanen? Zijn wij een gemeente van duivenmelkers? Komen de eerste meeuwen van hier? U ziet het. Allemaal spannende vragen die de mensen zullen bezig houden en ons geen euro kosten.
En we koppelen daar ieder jaar een wedstrijd aan:’ Wie kent de juiste namen van de meeuwen van De Haan?’
Iedereen die minstens drie nachten in De Haan verblijft mag deelnemen.
En er is maar één prijs. Een verblijf van veertien dagen in De Haan. Met alles er op
en er aan. Tot gocarts en ijsjes toe. Voor het hotel denk ik aan Beau Séjour, hier naast het gemeentehuis, dat spreekt tot de verbeelding, vooral van kinderen en we kunnen het wel regelen dat het voortaan ‘het Meeuwenhof’ heet.
Opnieuw spanning: ‘Zullen we de meeuwen daar zien, zit de leeuwmeeuw bijvoorbeeld aan de receptie, ligt er een geeuwmeeuw op de slaapkamer, werkt de mosselmeeuw in de keuken? ‘

‘Wil er eens iemand een glas water halen voor Marieke, ik denk dat haar hoofd oververhit is’, zei de burgemeester. Maar de andere raadsleden kozen partij voor Marieke.
‘Zij komt met een uitstekend idee en dat moeten we een kans geven.’
Er werd gestemd. Iedereen was voor, alleen de burgemeester was tegen.

‘Ik heb alles genoteerd’, zei de secretaris, ‘we kunnen er morgen al mee beginnen.
Ik vind dat Marieke zelf het verhaal voor de website moet schrijven en ik heb nog wel het adres van de mensen die de meeuwen hebben gemaakt voor het schip. Ze moeten ze groter maken en je moet kunnen zien wie de leeuwmeeuw is, wie de geeuwmeeuw en wie de Zeeuwse mosselmeeuw.’
‘Ja, en die zit dan op zijn gat, zeker?’ probeerde burgemeester Bieroman nog, maar er was niemand die nog naar hem luisterde.

Een jaar later waren de grote hanen van De Haan vergeten. Op het piratenschip stonden drie grote meeuwen. Eentje met manen rond zijn kop, eentje met de bek wijd open en de derde, tja, die zat op zijn gat met zijn vleugels gespreid voorwaarts om zijn evenwicht te behouden.

Zo stonden ze ook op het nieuwe wapenschild van De Haan afgebeeld. Er werd meer over gepraat dan over de hanen. Omdat er een verhaal aan vast hing.

En de wedstrijd werd een succes. De gemeente ontving honderden formulieren. Vaak ingevuld door kinderen, met tekeningen op de koop toe.
De leeuwmeeuw en de geeuwmeeuw had iedereen juist, maar bij de derde naam vergaten velen van de ‘Zeeuwse’ toe te voegen. De meesten schreven gewoon de ‘mosselmeeuw’. De jury moest streng zijn en zij die de ‘Zeeuwse’ vergaten vielen uit.
Het lot zou beslissen. Wie kreeg een verblijf van veertien dagen in De Haan aangeboden met alles er op en er aan?
Marieke mocht als bedenker van de wedstrijd de winnaar aanduiden.

Het was een mooie zomeravond op het terras van La Potinière. Er werd muziek gespeeld en gedanst. Wanneer de trekking werd aangekondigd stroomden de toeristen toe. De drummer roffelde op zijn floor tom. Om de spanning op te drijven.
Marieke haalde een formulier uit de grote witte berg papier en las plechtig voor:
“ de winnaar van een veertiendaags verblijf in onze gemeente… Oh, ik lees hier twee namen, en wat een mooie tekeningen… Het piratenschip, de leeuwmeeuw, de geeuwmeeuw, de Zeeuwse mosselmeeuw. Alle drie juist. Maar u wil weten wie er gewonnen heeft, dames en heren ? Ik ga u niet langer in spanning houden, de winnaar is: ‘Foris en Gorila!’

Applaus in het park, maar ook verbazing, iedereen wou de winnaars met die gekke namen zien. ‘Willen Foris en Gorila naar het podium komen? Zijn jullie hier?’
Er kwam niemand. Een paar snotneuzen deden of zij een gorilla waren.
‘In ieder geval proficiat, Foris en Gorila, uw prijs ligt klaar op het gemeentehuis.’

Foris en Gorila waren nog kinderen. Zij lagen op dit uur al lang in bed. Ook al was het vakantie. Zij hadden stiekem een formulier ingevuld. Hun ouders wisten van niks. Wanneer wij winnen gaan wij zelf die prijs afhalen. Wij verdienen van te winnen, want wij weten wat het betekent wanneer de naam niet helemaal juist is.

Mama had nochtans erg leuke namen voor hen bedacht: Fons voor het eerste kindje.
Hij was de mooiste baby van de wereld. De vreugde van de jonge ouders was groot.
Daar moest op gedronken worden. Het was feest. Papa ging zijn zoon laten inschrijven, samen met twee behoorlijk zatte nonkels. In de drukte verstond de ambtenaar de naam niet. ‘Schrijf het even op’ had die gezegd. Zwanzend met broer en schoonbroer had papa ‘Fons’ geschreven. De ambtenaar maakte van de ‘n’ een ‘r’ en een ‘i’. En zo schreef hij het in de boeken. In plaats van Fons moest het kindje ‘Foris’ heten, want het stond zo opgeschreven.
Mama was boos. ‘Hoe is dat nu mogelijk? Kun jij nu niet gewoon ‘Fons’ zeggen?
En schrijven lukt ook al niet. Weet je wat? Als we nog eens een kindje hebben, neem dan voor alle zekerheid letterkoekjes mee,’ had ze gezegd.

Toen een meisje geboren werd, nam papa de letters ‘Gloria’ in letterkoekjes mee naar het gemeentehuis. Nu kunnen ze niks fout doen, dacht papa.
Het was dezelfde ambtenaar van vorige keer. Met een brede glimlach legde papa de letterkoekjes in de juiste volgorde voor de neus van de man achter het loket. ‘Je mag ze opeten nadat je mijn dochter foutloos in de boeken hebt opgeschreven.’
De man keek papa aan en veegde de koekjes op zijn bureau. Papa was er gerust in.

Toen papa zijn trouwboekje terugkreeg stond daar ‘Gorila’ in plaats van ‘Gloria’.
‘Ben je nu gek geworden, ben jij werkelijk zo dom of doe jij dit met opzet?’ riep papa,
‘wie heet er nu in godsnaam Gorila?’
‘Uw dochter’ antwoordde de man met een geniepig lachje.
‘Maak daar nu en wel onmiddellijk ‘Gloria’ van.’
‘Te laat’, zei de man, ‘wat in de boeken staat mogen we niet veranderen.’

Foris en Gorila. Het waren wel namen die niemand vlug vergat.
Van het moment dat Foris kon schrijven voegde hij een ‘l’ aan zijn naam toe.
‘Floris’ was tenminste een echte naam. Gorila weigerde van een ‘l’ toe te voegen.
Dan stond ze helemaal voor aap. Nu, met één ‘l’ had het nog iets van een roepnaam: ‘Goriiiila!’

’s Anderendaags ging Foris naar de bakker. Daar lag het krantje van De Haan.
Daarin las hij :’Wie zijn Foris en Gorila? Zij winnen de meeuwenwedstrijd.’
‘Gorila, Gorila’, wij hebben gewonnen. We mogen onze prijs gaan afhalen op het gemeentehuis. ‘Joepie, poepie, snoepie’ juichte Gorila.
‘Niks zeggen, Gorila, mondje dicht. Het moet een verrassing blijven voor mama en papa. Weet je wat, we vragen of we straks met een gocart mogen rijden, dan zijn we vlak bij het gemeentehuis. En dan kunnen we misschien eventjes weg…’

Het was een goed plan. Toen mama en papa in de winkel stonden om de gocarts te betalen, liepen Foris en Gorila weg. Mama en papa zullen wel in paniek zijn als ze ons niet vinden, maar we haasten ons terug en wanneer ze ons cadeau zien, zullen ze wel niet boos zijn.’

‘Kunnen jullie bewijzen dat jullie echt Foris en Gorila zijn’, vroeg de vrouw in het gemeentehuis.
‘Ik heb nog geen identiteitskaart’ zei Foris, ‘maar is dit ook goed?’ en hij toonde zijn abonnement van de Zoo. Daar stond zijn foto op en zijn naam. Gorila deed hetzelfde. Zij deed altijd hetzelfde als haar broer.
‘Proficiat’ zei de vrouw. ‘Hier kan ik het wel mee doen. En waar zijn jullie ouders?’
‘Die zijn nog even boodschappen doen, maar zij komen zo dadelijk. Wij mochten al de prijs komen afhalen, omdat we gisterenavond niet naar het park mochten. Wij hebben tenslotte het formulier ingevuld. Dus hebben wij in feite gewonnen.’
‘Zo is het,’ zei de vrouw zonder verdere vragen te stellen en overhandigde hen de sleutels van de kamer in het hotel en een pak bonnetjes: voor gratis maaltijden in de restaurants van De Haan, voor gratis gocarts, voor gratis ijsjes. Dit was geen droom, dit was super-de-super echt. Gorila gilde zo luid dat iedereen in het gemeentehuis naar het loket kwam kijken.

‘Gaan we eerst een ijsje eten?’ vroeg ze aan Foris. ‘Nee nee, we gaan zo vlug mogelijk terug naar mama en papa, maar weet je wat, het hotel is hier vlak naast, misschien kunnen we wel even naar onze kamer gaan kijken. We hebben toch al de sleutel.’
Ze liepen voorbij de receptie alsof ze hier al weken logeerden.

Het was een kamer als in een film, met een enorm groot bed met gordijnen en een baldakijn, zo’n dak boven het bed.
Foris liet zich in het bed vallen, Gorila ging de badkamer verkennen, op zoek naar zeepjes en parfumflesjes.
In de tweede slaapkamer, was een schattig deurtje. Er hing en spreuk boven: ‘if you can dream it, you can do it’. Ik ken dat, dacht Foris, ik heb dat al eens gelezen bij een Disney-film.
Het deurtje klemde een beetje wanneer hij het probeerde te openen. Achter de deur was het donker, maar hoe klein het deurtje ook was, hier in deze ruimte kon hij het plafond niet eens zien. Er leken grote planten te staan. ‘Dit is precies de jungle,’ zei Foris tegen Gorila. Ze zagen twee rode ogen in het donker. Die ogen bewogen en toe ze wegdraaiden zagen ze dat ze van een gorilla waren. Toen hij wegliep zagen ze een hoofdletter ‘L’ op zijn rug, zoals je dikwijls op auto’s ziet van mensen die nog niet goed met een auto kunnen rijden. ‘Dat is een echte gorilla Foris, hij heeft een ‘L’ meer.’ Gorila wist niet of ze fluisterde of gilde.

‘Waar is de deur’ riep Foris, terwijl hij Gorila bij de arm nam.
Maar ze zagen geen deur meer. Rondom rond hen was er alleen jungle.
‘We moeten hier weg’ zei Foris, ‘hadden we maar een jeep of zo, te voet lukt het ons nooit.’ Geen drie tellen later zaten ze beiden in een jeep.
‘Gas geven Foris, geen vragen stellen, maak dat we hier weg zijn.’
‘Ik doe mijn best, ik ben geen Cheetah, Gorila.’
‘Maar ik wel,’ hoorden ze van op de achterbank. ‘Ik ben blij dat ik jou eens kan bedanken omdat je altijd zo over mij stoeft’, zei de cheetah met zijn kop tegen Foris zijn oor.
‘Wat is dat hier allemaal’, gilde Foris.
‘Wat is dat, wat is dat? Dat ben ik, jouw favoriete cheetah. Zeg eens Foris, heb jij wel een rijbewijs? Mag jij wel met een auto rijden, want ik zie hier een “L” hangen.’
‘Ik ben nog maar acht jaar, wat zou ik een rijbewijs hebben en trouwens waarom zou ik antwoorden, cheetahs kunnen toch niet praten’.
‘Flauwerik’ zei de cheetah, ‘als je niet met mij wil praten, dan ben ik weg,’ en hij sprong over Foris en Gorila op de motorkap en verder voor hen uit. Terwijl hij voor de jeep liep deed hij alsof hij een revolver uit zijn pels haalde en op drie poten lopend draaide hij zich om en richtte de revolver op hen. ‘Pang’ riep hij en verdween.

Foris moest op de rem voor een aanstormende olifant en stoof de woestijn in. Zo ver ze konden zien was er zand.
‘Dit is me te gek’, zei Foris, ‘ik wil niet meer rijden. Gorila jij mag sturen. In de woestijn kun je niet op een tegenligger botsen of door het rood rijden.’
Gorila zat nog maar pas achter het stuur of daar stond midden in de woestijn een verkeerslicht, op rood. Gorila stopte. Het licht bleef op rood staan. En bleef maar op rood staan.
‘Rij toch door, Gorila, seffens smelten we hier nog weg.’
Dit is wel jouw schuld, hé Foris, jij altijd met je gekke avonturen’ zei Gorila. ‘Als ik mocht kiezen, dan lag ik nu met een lekker drankje aan de rand van een zwembad ergens in het zuiden van Frankrijk.’
‘Een vers geperst appelsiensapje met ijs voor de jonge dame en een Almdudler, recht uit de Alpen, voor de jonge heer.’
Foris en Gorila lagen in een zetel bij een prachtig zwembad. Langs de ene kant zag je in de verte de bergen en als je de moeite nam van recht te staan kon je aan de andere kant de zon in de zee zien.

‘Ik snap hier niks van. Ik ga nu zwemmen voor ik uit deze droom wakker word. Tot straks.’ Met een sierlijke boog dook Foris als een dolfijn in het water. Hij zwom weg zonder omkijken. Achter hem vroor het water dicht en danste Gorila als een sneeuwprinses over het ijs.

Foris bleef zwemmen, het water werd wilder, maar hij zwom door. Hij had het gevoel dat hij tot in Engeland kon zwemmen.
En inderdaad, daar waren de krijtrotsen. Hoe moest hij daar op klimmen?
Gelukkig zag hij een deurtje aan de voet van de rotsen. ‘Exit’ stond er op. Met een krijtje had iemand er ‘BR’ voor geschreven. ‘BRexit’, dat kende Foris van op school. De Engelsen die uit Europa willen.

Met moeite kreeg hij de deur open, maar hij had het gevoel dat hij door elkaar geschud werd. ‘Foris, ben jij nu op die korte tijd in slaap gevallen?’ Gorila had hem wakker geschud. ‘Kom, we moeten terug naar mama en papa.’

Die stonden nog altijd op de stoep voor de gocart-winkel. Met een half boos en een half blij gezicht. Dat was natuurlijk geen gezicht. Maar toen ze hoorden wat hun kinderen gewonnen hadden, waren ze helemaal niet meer boos.
‘Het is een fantastisch hotel, papa, we zijn al eens gaan kijken. Jullie hebben een kamer met een hemelbed. Ik ben er even in gaan liggen en ben onmiddellijk in slaap gevallen.
En je moet niet meer koken, want we kunnen elke dag gratis op restaurant gaan en gratis gocarten of met de fiets gaan rijden. Het is een cadeau, ook voor jullie…’

‘Dat is fantastisch,’ zei papa nu, ‘maar je begrijpt toch dat wij heel ongerust zijn geweest.
Ik zeg het honderd keer. Blijf bij ons in de buurt. Loop niet alleen weg. Maar ja, Foris, als ik iets zeg gaat dat bij jou het ene oor in en het andere uit…’ ‘Daarvoor hebben we toch twee oren’ zei Foris, ‘en maar één neus. Als het ons de neus uitkomt dan kunnen we die snuiten. Onze oren kunnen we niet snuiten.’
‘Neen, maar onze oren kunnen wel tuiten,’ zei Gorila, die graag het laatste woord had.

‘Wat worden ze toch groot’, zei mama wegdromend, ‘waar is de tijd dat we met hen op zoek gingen naar de hanen van De Haan…’ Tot ze er een kiekenkot van maakten’ zei Foris, die de titel uit de Zeek(r)ant onthouden had.

 

Hugopa, 1-10-2018

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen