OTTO III – “Ja, maar waarom dan?”

Het had een beeld uit een film kunnen zijn. Zo’n cultfilm die je alleen op Canvas ziet. Met een koortsige Otto, helemaal alleen in zijn klasje. Voor hem op de tafel stond een bekertje water. Daarnaast zijn herfstwerkje, een compositie met droge bladeren. Het hoge plafond maakte hem nog kleiner.

Otto’s wangen leken met rood poeder bijgekleurd. Dat was niet zo erg. Zo zag hij er nog schattiger uit dan anders. Maar hij bewoog niet. Gewoonlijk komt hij met open armen aangelopen. Nu zei hij met een zucht ‘Opa’, alsof hij eindelijk nog ’s bezoek kreeg. In zijn cel.
Ook thuis op de bank beweegt hij niet. Hij heeft al zijn energie nodig in de strijd tegen de beestjes. Gelaten laat hij zijn lichaam koorts maken. Hij is enkel strijdtoneel. De virusjes kunnen niet tegen de warmte. Hij zal wel rusten tot het gevecht voorbij is.

“Heb je keelpijn, wil je wat drinken?” Hij beantwoordt de vragen door met zijn hoofd te schudden. Minimalistisch. Nauwelijks zichtbaar. “Laat me gerust”, zegt hij zonder woorden. Nu en dan opent hij zijn ogen en kijkt me aan. Ik weet niet of dit betekent : ben je hier nog? Of dat hij verwacht dat ik hem informeer over de strijd tegen de virussen? Maar dan zakt zijn koorts met twee graden en schuift hij van de bank: “Kom opa, we gaan met de Lego spelen.”

Gelukkig is hij nu ziek en niet over veertien dagen wanneer hij zijn derde verjaardag viert of over een maand wanneer hij grote broer wordt. Ik denk dat hij weet dat het beter zo is. Hij is zo flink.

Ook al torenen mama en papa hoog boven hem uit, toch lijkt het soms dat hij de grootste is, wanneer zij samen door de gang op weg naar huis stappen. In zijn Adamo-jasje, dat met zijn grote kraag niet veel plaats laat voor zijn schoudertjes, lijkt hij al het gewicht van het gezin te moeten torsen. Wij-krijgen-een-kindje.
Wij drie samen. Mama draagt het in haar buik. Papa timmert nieuwe kasten doorheen het huis en ik doe het denkwerk.
“Samen spelen is delen”, zegt hij zonder directe aanleiding. Hij is zich mentaal aan het voorbereiden, want in de praktijk is van dat delen nog niet veel te merken.

Mensen vergeten wel eens dat de wereld zijn ordening heeft en alles zijn plaats. Otto is nog met de indeling bezig. Voorlopig is alles nog van hem. Vraag dat maar aan Fons en Gloria. Hoewel Fons toch figuurlijk zijn grote broer is.  Wanneer ik uit het Sinterklaas-boek voorlees, nestelt hij zich op Fons zijn schoot. Zitten ze aan de computer, dan kruipt hij mee op de stoel van Fons terwijl hij zonder opzij te kijken aan Gloria zegt: “Gloria hier is geen plaats voor jou.” Gelukkig wil hij op andere dagen haar hand niet lossen.

Otto is voortdurend met schikkingen bezig, de lijstjes in zijn hoofd aan het herzien. Soms mag ik het gevoel hebben dat ik kort na mama en papa op het lijstje sta. Maar als Fons erbij is moet ik sowieso een stapje terug. Mijn vrouw en Gloria staan samen op hetzelfde trapje. Maar net zoals hij Gloria soms op haar plaats zet, stuurt hij mijn vrouw ook wel eens naar af. Het doet me denken aan de sketch van Koot en Bie  ‘Hou je erbuiten Kor’, de manier hoe hij ‘Oma in de keuken’ zegt. Het klinkt laatdunkend, maar het tegendeel is waar. Otto eet graag en oma kan lekker koken, dus hoort zij in de keuken te staan. Daar wil hij haar knuffelen en haar lief ‘kleine omi’ noemen.

Volwassenen durven nog nauwelijks in de oude rollenpatronen denken, maar kinderen draaien daar hun hand niet voor om.
Ik vind het fascinerend hoe onze kleine vriend over de dingen denkt en in vakjes opdeelt. Je mag er hem natuurlijk niet op vastpinnen, want dan lijkt het bijvoorbeeld dat ‘grote oma’ de hele tijd voor hem moet bidden? Grote oma hoort voor Otto bij de kerk, zoals kleine oma bij de keuken hoort. “Daar is de kerk van grote oma”, zegt Otto altijd wanneer we er een met de auto passeren. Berchem-kerk of de Peperbus van Borgerhout.

Van op de achterbank in zijn kinderstoel houdt hij alles in ‘t oog. De gele kranen van Bob de Bouwer, niet de rode, niet de witte, enkel de gele. Zeg ook niet: ‘Kunnen wij het maken? ‘JA’ en of!’, want het is ‘NOU’ en of! Zoals het Fons en Gloria is en niet Gloria en Fons of Ides en Wies en niet Wies en Ides. Fran en Aron en niet Aron en Fran. Zo, en niet anders zit de wereld in elkaar volgens ons liefste puntje precies.
Ik zit wel aan het stuur, maar hij zal me vertellen wanneer het groen is of wanneer er nog fietsers aankomen. Ook wanneer ik moet schakelen.
Met Fons en Gloria in de auto zingen we vaak samen. Wanneer ik met Otto in de auto begin te zingen, zegt hij: “Opa, je moet thuis zingen, niet in de auto. In de auto moet je sturen en schakelen.”  Vorige week waren we op zijn speelkamer met de autootjes aan het spelen en ik begon weer te zingen. “Hier niet opa. Op je kamer mag je zingen en hij pakt me bij de hand en leidt me twee kamers verder. In de deuropening van mijn slaapkamer laat hij mijn hand los terwijl hij  zegt “ hier mag je zingen.”
Maar wanneer ik daarstraks in zijn klasje een Sinterklaas-verhaal kwam voorlezen waarin hij de hoofdrol speelt, gloeit hij weer van trots en mag ik er gerust enkele liedjes bij zingen. Wanneer een klasgenootje mijn hand pakt schiet hij naar voor en neemt mijn hand af. Dit is zijn opa.

Hij kan die strenge regeltjes en structuren koppelen aan een niet te voorspellen fantasie. Mijn oude Nokia heeft een gepast formaat voor zijn handjes. Daarmee banjert hij door de kamer –  in de ene hand de Nokia de andere hand op zijn rug – en houdt hele gesprekken met mama en papa. Je zou zweren dat er aan de andere kant van de lijn inderdaad iemand tegen hem spreekt. De pauzes en antwoorden zijn uit het leven gegrepen.

Otto zijn knuffel is Pieter Konijn een pluchen langoor die mee naar zijn klasje mag en aan wiens armen hij zijn tutjes rijgt. Als hij moe is steekt hij zo’n tutje in zijn mond en hangt het konijn half voor zijn gezicht half voor zijn lijfje.

Ik gebruik zijn konijn als alter-ego om gesprekjes met hem te voeren. Bijvoorbeeld, wanneer hij geen middagdutje wil doen zegt Pieter Konijn: “Otto ik ben zo moe, ga je mee naar het torenkamertje een dutje doen?” Als hij “neen, nu niet” zegt, probeer ik nog een beetje verder met klagen, maar niet te lang want dan vliegt Pieter Konijn in de hoek. Dat ik dat konijn bij zijn nekvel vasthou en niet verberg dat ik met een fijn stemmetje spreek, daar gaat hij aan voorbij.

Op een keer was hij met de iPad een puzzel aan ’t maken van een leeuw. Ik speel Pieter Konijn en volg het gepuzzel. “Otto, wat is dat?”
‘Dat zal je seffens wel zien, konijntje…’ “Dat is toch geen leeuw, zeker?”
“Jawel, dat is een leeuw.”
“Maar, maar, ik ben bang van leeuwen…”
“Verstop je maar achter mijn rug”, en hij pakt mijn hand die Pieter Konijn vasthoudt en duwt die achter zijn rug. “Zo, nu moet je niet meer bang zijn” en hij speelt rustig verder op de iPad.
Voor mij zijn het leuke toneeltjes. Voor hem is het een voortzetting van het leven.
Vorige week knipte ik van een grote omslag de bovenste hoeken af en zette de omslag op m’n kop. Meer was er voor hem niet nodig om in mij de Sint te zien.
Met mijn diepste stem zei ik, Jan Decleir-gewijs: “Ben jij braaf geweest, mijn lieve jongen? Zeg eens, hoe heet jij ook weer?”
Ik was het, hij zag het, maar toch speelde hij mee.
“Ik ben Otto en dit is Pieter Konijn. Kijk, ik heb een boekje. Ik zal u laten zien wat ik graag wil hebben.”
“Ik heb gehoord dat jij een broertje krijgt. Ga jij daar goed voor zorgen?”
“Ja, Sinterklaas. Lemby mag in mijn bedje liggen en hij krijgt een van mijn tutjes. En ik zal mama of papa wakker maken als hij honger heeft of kaka heeft gedaan.”
“Zeg, als jouw broertje in jouw bedje mag liggen, waar ga jij dan slapen? “
“Ik ga tussen mama en papa liggen.”

Lemby is een werknaam, bedacht door Otto. Maar sinds er in het kleuterklasje een Lenny zit moet het Lenny zijn. Waag het niet van nog Lemby te zeggen.

Het is zo mooi hoe hij mee zwanger is, hoe hij die bolle buik van mama in zijn kleine handjes neemt en dan tegen zijn broertje praat. In zijn verbeelding ziet hij Lemby zitten, denk ik. Het houdt hem dagelijks bezig. Hij zou er ook willen zitten. Hij zei het laatst tegen mama : “Mama, wanneer Lemby geboren is, mag ik dan nog eens in jouw buik zitten?”

Otto zal dan net drie geworden zijn. Ik kan begrijpen dat hij wel eens weg wil van de drukte, weg van de last op zijn schouders, weg van de verantwoordelijkheid om schattig, grappig en leuk te zijn voor iedereen. Hij is een ongelooflijk kind, dat iedereen wil zien, dat iedereen wil horen, waar iedereen wil bij zijn. Otto hier, Otto daar. Kijk ’s, zeg ‘s, oooh. In feite leeft hij heel de tijd onder een vergrootglas.

Wat een geluk dat er binnenkort een broertje is dat met een deel van de aandacht zal gaan lopen. Uiteraard zal dat bij het begin wel wennen zijn, misschien soms wringen, maar Otto is te lief en liefhebbend om daar lang problemen mee te hebben.

De kans is groot dat hij al in de kraamkliniek, familie, vrienden en zelfs onbekenden sommeert van elkaar de hand te geven en een kringetje te vormen om dan samen  “Kumbaya, my Lord, Kumbaya” te zingen. Ik heb geen idee waar hij het vandaan heeft, maar heb het al enkele keren mogen meemaken. Otto die mensen samenbrengt en zelf vol overgave en het luidst “Kumbaya, my Lòòrd” zingt. Ik hoop dat ik dat beeld tot het einde van mijn dagen mag blijven herinneren.

Alle kinderen zijn schattig, maar niet alle kinderen zijn kleine wetenschappers. Otto is tegelijkertijd het jongetje met de traan – het bekendste onbekende schilderij –  als ‘ de denker’ van Rodin.
“Opa, daar is een groen lichtje in jouw bril..”
“Dat is misschien de weerschijn van die lamp op de kast?”
Hij springt van de bank en gaat dat lichtje uitdoen. Hij komt terug, kijkt vorsend naar mijn bril.
“Ja, dat komt van de lamp.”

Het lijkt poepsimpel, het is het ook, maar een kind dat op die manier explorerend onderzoek doet, tot een conclusie komt en die vlot formuleert is niet alledaags.

Hij beheerst perfect de methodiek van de onderzoeksvragen. En dat mag over de triviaalste onderwerpen gaan. De echte onderzoeker vindt niks te min. Die kan in ’t rond kijken en zich afvragen waarom die muur crème en die andere taupe geschilderd is.

Zijn papa was dertien toen die absoluut naar de landing van de‘Pathfinder’ wou kijken.
Ik zei iets van ‘wat een Science Fiction-brol’ en zette de tv op een andere post.
Nu probeer ik die historische fout goed te maken in de gesprekken met de zoon van mijn zoon, mijn kleinzoon Otto. Elke seconde dat hij bij ons is krijgt hij mijn volle aandacht.
Wij tateren zonder ophouden ook al verschillen we 65 jaar min vier dagen.
Het is zo mooi om zien en horen dat ik soms naar mijn vrouw wil roepen : “kom dit filmen, kom dit filmen.” Maar dat zou de magie van het gesprek verstoren.
Wanneer ik hem tot tranen toe laat lachen ben ik zijn ‘gekke opi’.Maar hebben we een ‘waarom-gesprek’, zal ik altijd serieus en op een voor hem bevattelijk manier antwoorden. Je ziet Otto dan een fractie nadenken, eventueel de reeds beschikbare gegevens in zijn hoofdje herschikken en dan de draad van het gesprek weer opnemen met diezelfde vraag: “Ja, maar waaròm dan?”
“Wel, omdat…” Na mijn antwoord is er weer een korte verwerkingsfase. Klikklak, hoor je net niet. Misschien is er een innerlijke ‘oké, dat wist ik al’ of een ‘tiens, tiens’, dat moet ik even juist klasseren voor later. En dan gaat hij weer verder met  “Ja, maar waaròm dan?”

Er zijn sessies geweest waar na twintig bijvragen al de ladekasten in mijn hersenen open stonden. Doe maar eens de oefening, van iets simpel beginnen en iemand telkens ‘ja, waarom dan’ laten vragen.

Ik ben blij dat er in een of ander hoekje in mijn hoofd nog altijd een overschotje grijze materie te vinden is dat koel genoeg is om te denken: “Zie mij, zie hem, zie ons bezig.”

Gelukkiger kun je niet zijn.

Hugopa, 1 december 2018

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

De zeemeermin van Oostende

Sinds we kleinkinderen hebben huren we voor hen een huisje in de Haan.
Iedere avond improviseer ik voor hen een verhaaltje voor het slapengaan.
Wat ik mij herinner schrijf ik achteraf neer. Dit is er een van.
Dit jaar improviseerde ik ook over de zeemeermin van Oostende en over
Bruno Broodje en Sarah Snijmes.

Dikke Peere was een visser. Zoals zijn vader en zijn grootvader. Als kind mocht hij al mee de zee op. Hij voelde zich beter op het water dan op het land. Hij wou meer dan een zeeman worden. Hij wou zeemeerman zijn en dan een zeemeermin vinden. Samen zouden ze in een kleurrijk koraalrif gaan wonen, in een zee waar het zonlicht tot op de bodem schijnt.

Iedere morgen in de badkamer stak hij zijn hoofd onder water. Om te oefenen. Hij kon ook al heel vroeg zwemmen. Zijn papa zei wel eens: “onze Peter is eigenlijk een vis.”

Dikke Peere heette eigenlijk Peter, zoals iedereen. Maar op zee moet je een bijnaam. Nochtans was Dikke Peere helemaal niet dik. Hij was zelfs graatmager. En daar was hij fier op. Hij kon de stuurcabine niet passeren zonder zich te spiegelen in de glazen wand. Om deze fiere gieter te plagen noemden zijn collega’s op de boot hem ‘onze dikke’. En daarna ‘Dikke Peere’.
De visser die hem de bijnaam gaf werd zelf ‘Bloemkool’ genoemd. Omdat zijn oren op de wolkjes van bloemkolen leken en omdat het zoute zeewater witte kringetjes op zijn rode wangen legden. De baas van het schip noemden ze altijd ‘Baas’ en niet Hugo, zoals hij echt heette. De vierde visser aan boord noemden ze “de Slome”, omdat hij altijd zo traag over het dek waggelde als een dronken man in vertraging.

Dikke Peere dronk water. Geen zout zeewater maar zoet water dat ze in flessen meehadden. Daar kon hij niet dronken van worden. De anderen deden of ze ook water dronken, maar dronken jenever. Dat zag er zo helder uit als water, maar in werkelijkheid was het sterke alcohol, waar je het warm van kreeg en snel dronken van werd. Alsof de mannetjes in de controlekamer in je hoofd in slaap vallen. De bewegingen werden ongecontroleerd ze grepen overal naast. Je kon het ook horen aan hun praten. Oostends is voor iedereen buiten Oostende moeilijk te verstaan, maar met de jenever in hun kop was het taaltje van de vissers alleen verstaanbaar voor henzelf. Aan dek kon je natuurlijk moeilijk uitgebreid een praatje maken. Er moest gewerkt worden en altijd woei er op volle zee wel een windje dat alles deed klapperen en trillen van ‘fieuw-fieuw-fieuw’ tot ‘tsjoj-tsjok’ en ‘quotsch-quotsch’ tot een onregelmatige ‘Bwok’. Bij een kalme zee speelde de golven niet mee, anders kreeg je er om de drie seconden nog eens het geluid van ‘spleussssssch’, de douche op het dek bij. De vissers riepen niet meer dan ‘awi-ha, heddegieder, moh vent, awei… tsjaikes’ naar elkaar, maar dat leek te volstaan. Meer woorden hadden ze niet nodig.

Dikke Peere was veel jonger dan de andere vissers. Eigenlijk zou hij aan land van zijn jeugd moeten genieten. Uitgaan met vrienden, zot doen. Een lief zoeken. Maar hij leefde op zee tussen oudere vissers die hem dikwijls plaagden.

Zij wisten dat Dikke Peere geen lief had en dan maar op zijn computer alles opzocht over zeemeerminnen. Hij geloofde er echt in. Soms sprak hij in gedachten met Neptunus, de god van de zee. “Alsjeblief, Neptunus, als jij de baas bent van de zee en iedereen kent die er woont, stuur dan eens een van jouw zeemeerminnen naar mij. Je kunt mij vinden op de Noordzee, in de buurt van Oostende.”

Hij kende de verhalen over zeemeerminnen die met hun gezang zeemannen lokten om hen dan mee te nemen in de diepste zeeën. Dat maakte hem wel een beetje bang. Maar als je de beschrijvingen van zeemeerminnen in de dagboeken van Columbus las, zou je onmiddellijk op zoek willen gaan naar die wonderlijke wezens. Columbus beschreef ze zo levendig alsof ze bij hem in bad zaten. Hij geraakte niet uitverteld over hun mooie rozige roze huid, hun op en top vrouwelijke vormen, hun lange haren, hun ogen waarmee ze jou aanstaren, hun vissenmond, hun onderlijf met goudrode schubben en fluwelen vissenstaart. Als je ze zo in detail kunt beschrijven moet je ze wel gezien hebben. En als ze toen bestonden, waarom zouden ze niet nog altijd bestaan? Onder water leef je wellicht langer. En moet je niet in bad of je haartjes wassen. Onder water heb je geen luchtvervuiling of geen auto’s die je omver rijden. Je kon Dikke Peere veel wijsmaken, maar niet dat er géén zeemeerminnen bestaan. Als je er in blijft geloven zal je ooit beloond worden en de mooiste zeemeerminnen zien, had hij ooit gelezen. En daar klampte hij zich aan vast.

De vissers plaagden Dikke Peere met zijn geloof in meerminnen. Liefst nog wanneer hij lag te slapen. Dan maakten ze hem wakker : “kom kijken, Peere, daar zwemmen zeker tien zeemeerminnen links van de boot, echt waar.” En dan bleken het zeekoeien te zijn die tussen de golven de kop op staken. Of ze waren zogezegd net weg. Maar telkens haastte Peere zich aan dek. Het moest maar eens waar zijn.

Zijn favoriete film was “Splash” waarin een zeemeermin aan land komt leven. Als zijn maten lachend zegden dat het maar film was, werd Peere boos. “Je ziet toch ook dat die zeemeermin half mens en half vis is. Zij heeft geen benen maar een staart. Dat kunnen ze toch niet nadoen, dat is echt…” “Jaja Peere, en Batman die door de lucht vliegt is ook echt.” Op de duur was het niet meer leuk van hem te plagen en lieten ze hem gerust. De ene is zot van voetbal, de andere van zeemeerminnen.

Tot op een dag…

De zee was rustig, net zoals de vissen die lui baantjes trokken of zelfs op de rug dreven met de ogen dicht, recht in de netten van de vissers. Ook de vissers zouden met dit mooie weer liever op een terrasje zitten niksen.

Al vroeg in de middag haalden ze hun netten op. Het water droop als een stortbui in zee en de vissen spartelden tegen, in de hoop tussen de mazen van het net terug in het water te kunnen duiken. Maar het gewoel in de netten was heviger dan normaal. Midden die kleinere vissen leek een mens zich vrij te woelen. Een mens? Een levende mens? Hoe kan die nu zo ver in zee onder water zwemmen? Ze zagen een blote rug en lange haren en spartelende armen, maar waren de benen? Waren die verborgen achter een andere grote vis?

De vissers stonden als standbeelden aan het dek genageld. Sprakeloos. Na enkele seconden brulde Bloemkool zo luid hij kon: “Peere”.
Peere was de eerste die bewoog. Hij kneep zich in de wang en gaf vervolgens de anderen een klap in hun gezicht. Als ik niet droom en dit echt is zullen mijn vrienden me wel een klap teruggeven.
Alleen Bloemkool deed dat. Met zijn vuist. Op de neus van Peere, die nu zeker wist dat hij wakker was.
“Dat-is-een-zeemeermin”, stamelde Slome.
“Sorry jongens, die moet zo snel mogelijk terug in zee”, zei baas nuchter.
“Nee!”, schreeuwde Peere en hij ging met zijn armen breed open voor het net staan, om de meermin te beschermen.
“Luister Peere, we moeten nu vooral kalm blijven. Hoe ongelooflijk dit voor ons allemaal is. Wij hebben altijd gelachen met jouw zeemeerminnen, maar je hebt altijd gelijk gehad. Dat moeten we nu wel toegeven. We hebben een echte zeemeermin gevangen. Ze bestaan dus, maar nu we het bewijs gezien hebben moet deze vis zo snel mogelijk terug in zee.”

“Dat is geen vis, dat is mijn zeemeermin. En daar jullie hebben niks aan te zeggen. Neptunes heeft die naar mij gestuurd en ik wil ze bijhouden. Help ze liever mee uit dat net.”
Toen hij haar aanraakte schrok hij ervan hoe koud ze aanvoelde. “Snel, vul die kuip met warm water, mijn meerminnetje heeft het koud.”

Slome die nog altijd op dezelfde plek stond als daarjuist, zei nu tegen Peere: “Dacht je nu echt dat die onder water een kraantje hebben voor warm water? Zo’n mengkraan, voor de juiste temperatuur.

“Niet onnozel doen, Slome” zei baas. “Onze Peere heeft juist de schok van zijn leven gehad, zijn droom is uitgekomen. Laat hem nu even bekomen.”

Maar nadat ze de meermin in een kuip hadden gelegd en Peere vertederd de meermin stond te bewonderen en woorden tekort kwam om haar grote bolle ogen en haar open mond te beschrijven, sprak Baas toch andere taal. “Peere, gij moet nu ook niet onnozel beginnen doen, hé. Dit is een heel speciale vis, maar niettemin een vis en vissen hebben vissenogen. Dacht je dat die de ogen van een lief klein konijntje zouden hebben? En heb je al gehoord van een vis op het droge? Wel, dat is iemand die zich niet op zijn plaats voelt. Onze meermin is wellicht in paniek, want dit kent ze niet en daarom staat die mond zo open…”

Uit die mond kwam plots een scherp oorverdovend geluid.

“Gelukkig hoor je dat onder water niet zo luid. Ik denk dat het een noodkreet is. In de film kunnen vissen praten zoals mensen, in het echt klinkt het zo.”

“Ik wil mijn meermin mee naar huis”, sprak Peere zelfzeker. “Voordat jullie mijn meermin toch terug in het water gooien. Dat wil ik niet. Mijn ouders zijn met vakantie. Meermin kan voorlopig bij ons thuis in bad logeren.”

Baas sloot de ogen om niet afgeleid te worden, zuchtte eens diep en zei dan : “akkoord, we gaan het proberen, maar op één voorwaarde: ‘mondje dicht!’. Tegen iedereen. We zullen haar aan land smokkelen, maar dat is niet definitief. Dat kan niet. We moeten heel goed nadenken hoe het verder moet met haar. En ik hoop dat we juist zullen handelen.

Ik begrijp dat dit een sprookje is voor jou, Peere. Maar voor ons en voor heel de wereld is dit complete waanzin, de ontdekking van een levende zeemeermin is alsof er plots een marsmannetje in je tuin staat. Ik wil er niet aan denken wat er gaat gebeuren wanneer iemand buiten ons vier het te weten komt. Binnen het uur is zo’n nieuws de hele wereld rond en krijgen we iedereen op ons dak. En wat erger is: over heel de wereld zal er jacht gemaakt worden op zeemeerminnen. En dat zou jij toch zeker niet willen?”

Ze bleven op zee tot het donker was en voeren dan pas de haven in. Peere week geen seconde van de kuip waarin de meermin lag. Zonder verpinken bleef hij naar haar staren. Gek genoeg lag de meermin in het water onophoudelijk naar Peere te kijken. Ook vissen kunnen totaal van hun sokken zijn. Misschien bleef ze kijken omdat ze maar drie seconden iets kan onthouden en daardoor telkens opnieuw schrok en bleef kijken.

In zijn hoofd kon Peere moeilijk fantasie van werkelijkheid scheiden. Zo wou hij telkens de meermin recht zetten om haar boven water te laten ademen. “Maar zij blijft de hele tijd onder water” zei hij verontschuldigend tegen zijn maten. “Dat is wat vissen doen” antwoordde Bloemkool koel.

Peere zijn ouders woonden niet ver van de kade. De verhuis van de meermin verliep vlot en ongemerkt. Maar het was een oplossing voor één nacht. In de eerste plaats omdat het ligbad veel te klein was, de meermin kon niet eens helemaal onder water liggen, maar vooral omdat Peere niet wist wanneer zijn ouders terug zouden zijn.

Het waren net zo’n rare mensen als hun zoon. Sinds zijn vader met pensioen was, wandelde die iedere zomer naar Blankenberge. Dat lag vlakbij en het stikte daar van toeristen uit Antwerpen. Hij ging dan op drukbezette terrassen tussen hen in zitten en begon dan luidop te roepen: “met hiel Antwaarpe, mor nie me mai”. Er werd natuurlijk geschrokken en verbaasd opgekeken, maar ook gelachen, want iedere Antwerpenaar herkende zijn zwaar Oostends accent. Maar meer dan eens riep de cafébaas er de politie bij. ‘Ordeverstoring’ was de aanklacht. Peere kende de fratsen van zijn vader. Hij wist dat zijn ouders op elk moment naar huis gestuurd konden worden.

“Dan moeten we maar naar het zwembad van de burgemeester”, zei bloemkool.
“Hoezo? Onze burgemeester woont toch op een appartement?”
“Ik bedoel de toekomstige burgemeester. Die woont in een villa met zwembad. Ik ken hem goed. Hij is nu met vakantie en heeft mij de sleutels gegeven. Ik moet het zwembad proper houden en een oogje in ’t zeil.”
“Maar waarom verhuizen we haar dan al niet deze nacht naar het zwembad?”

Peere zag dat niet zitten, hij had zijn zeemeermin graag één nacht bij hem gehad.

“Laat ons afspreken dat we om beurten ’s nachts bij het zwembad zullen waken?” kwam Baas met de oplossing.

De tuin van de burgemeester had hoge muren. Niemand kon zien dat ’s nachts de lichten op de bodem van het zwembad bleven branden.

Peere had de eerste dag al een mand vis mee. Zijn meermin moest toch eten ? Hij liet ook een plastieken berghok uit de tuin van de burgemeester tot op de bodem van het zwembad zakken. Thuis op de zeebodem heeft zij zeker ook een soort huisje waar ze kan rusten en schuilen.

“Niet overdrijven, hé vriend” zei Baas, “de burgemeester weet van niks en dat wil ik zo houden. Zorg maar dat je alles mooi opruimt wanneer we hier weggaan.”

Als het hun beurt was lieten Slome en Bloemkool het licht uit en sliepen heel de nacht in een slaapzak onder het afdak. Baas kwam zelfs de tuin niet in. Hij waakte in zijn auto voor de deur van het huis.

Maar Dikke Peere kon er niet genoeg van krijgen. De eerste nacht had hij zijn zwembril mee om beter naar zijn vriendinnetje te kijken. De volgende nacht had hij zijn zwempak aangetrokken. Hij ging in het water. Hij wou niet denken aan de toekomst. Alleen nu telde. En nu wou hij in het water zijn bij zijn meermin. Er was toch niemand die hem kon zien. Niemand die hem kon tegenhouden. Hij zou deze droom tot het einde beleven.

De meermin verschool zich in het huisje op de bodem. Peere zwom er langs en keerde terug naar boven om lucht te happen. Na enkele keren kwam ze toch nieuwsgierig kijken. Eerst schuchter. Dan iets vrijmoediger en vervolgens zwom ze hem een stukje achterna om weer snel in haar schuilplaats te verdwijnen. Na verloop van tijd leken ze samen rondjes te zwemmen. Het ging steeds meer op een waterballet lijken. Alsof ze ervoor getraind hadden. Hij aan het wateroppervlak om lucht te happen, zij hooguit een meter onder hem. Ze waren net geliefden, al wist minstens een van de twee niet wat dat betekende. Hij dacht nergens aan en ging volledig op in deze wondere momenten met haar.
Zo lang had hij nog nooit gezwommen, maar hij dacht er niet aan van uit het water te gaan. Hij dreef op zijn rug, om te rusten. Ik moet opletten dat ik zo niet in slaap val, zei hij tegen zichzelf.
De meermin kwam vlak onder hem zwemmen alsof ze een bedje voor hem wou maken. Hij voelde zich gedragen door haar. Hij sloot zijn ogen en genoot. Hij zweefde als het ware in de zevende hemel. Gelukkiger dan dit zal ik nooit worden.
Langzaam draaide hij zich om. Hij wou haar kussen, knuffelen, in zijn armen sluiten. De zeemeermin schrok niet. Integendeel. Ze kronkelde zich met haar staart rond hem en nam Peere stevig in haar armen. Peere liet begaan. Zij trok hem mee naar de bodem, naar haar schuilplaats.

Daar zouden zijn maten hem ’s anderendaags uiteindelijk vinden. Nog steeds in haar armen. Zijn lippen waren blauw, maar er speelde een gelukzalige glimlach om zijn mond.

“Peere, Peere, Peere toch. Ik had het jou nog zo gezegd”, zei Baas met gebroken stem. “Peere, hou afstand. Ik weet waar je mee bezig bent, maar laat je niet meeslepen in jouw romantische fantasieën. Word toch niet verliefd op een vis… Neem desnoods een hond.”

“ Mannen, we moeten er voor zorgen dat dit op een werkongeval lijkt. Niemand mag ooit te weten komen wat wij hier nu gezien hebben. Dit is ons verhaal: bij het binnenhalen van de netten moet hij een balk tegen zijn hoofd gekregen hebben en overboord gevallen zijn. Van de klap moet hij even bewusteloos geweest zijn, want hij was een uitstekende zwemmer. Hij verdween in de golven. En wanneer hij terug aan de oppervlakte kwam, een eind van onze boot, was hij al dood.”

Enkele dagen later vertrokken ze met de as van Peere in een urne en met de zeemeermin in een kuip voor een laatste reis naar de Caraïben. “Waarom gaan we niet met onze vissersboot op vakantie. Naar de Caraïben, bijvoorbeeld?”, had Peere ooit gezegd. “Dat kan onze boot niet aan”, had Baas gezegd. En daarmee werd het idee begraven.

Maar nu waren ze toch op weg. Als eerbetoon aan hun jongste scheepsmaat. Het zou ook de laatste tocht met de boot zijn. Ze waren zo aangeslagen door het verlies van hun vriend dat niemand van hen nog voor het werk de zee op wou. Dat hadden ze samen besloten.

In de buurt van Haïti zochten ze een mooi koraalrif. Het water was helder, de zee was stil, het rif en de vissen die er in rond zwommen kleurrijker dan nergens anders.

Als soldaten in houding stonden Baas, Bloemkool en Slome aan dek. Ze hielden een minuut stilte. Dan lieten ze de zeemeermin samen met de urne voorzichtig in het water glijden. Door het heldere water konden ze de meermin een heel eind volgen. Ze zagen hoe ze de urne in haar armen hield en meenam steeds verder het rif in.

“Zorg goed voor onze Peere”, zei Slome zachtjes huilend. Baas legde zijn hand troostend op Slome zijn schouder. Bloemkool deed hetzelfde aan de andere kant. “Misschien leven zeemeerminnen voor altijd”, zei hij zachtjes. “Samen met onze Peere.”
“Ze is hier in ieder geval beter af dan in onze koude bruine Noordzee”, zei Baas tot besluit.

Ze bleven nog een tijdje in Puerto Rico. Tot ze hun boot verkocht hadden.
Ze schreven een kaartje naar de toekomstig burgemeester van Oostende. “Excellentie, wij zijn hier in de Caraïben om afscheid te nemen van onze scheepsmaat Peere. U zult al wel gehoord hebben van zijn werkongeval op zee. Ook wij waren verbaasd dat uw zwembad plots vol zat met vis. We hebben ook gehoord dat het een betaling in natura was voor de vele hand- en spandiensten die u verleent aan de vismijn. Maar u vindt overal kwatongen. Er was ook sprot bij en kabeljauw en schol en schelvis. In ieder geval, met het oog op de vierkiezingen zit er genoeg vis in uw zwembad om heel Oostende op een barbecue uit te nodigen. Wij zullen er helaas niet bij kunnen zijn. Groeten uit Puerto Rico.”

De drie scheepsmaten hadden geen zin meer in grote vissen.
Terug in België ging Bloemkool zich bezig houden met kleine garnalen.
Hij werd garnaalvisser in Duinkerke. Zoals vroeger viste ook Slome nu achter het net. Hij verzamelde de schelpen die door het net werden omwoeld. Met veel geduld klasseerde hij ze in grote bakken. De blauwgrijze geribbelde, de beige geribbelde, de witte met gebogen streepjes, de volledig witte. Wanneer hij er daar genoeg van had, wist hij die te verkopen aan Shell die ze aan klanten aanbood in haar benzinestations over heel Europa. In elke schelp stond een kleine S gedrukt. Van Shell, maar ook van Slome.
Baas trok naar de stad, gooide het over een hele andere boeg en begon met een kledingmerk dat hij naar zijn eigen naam ‘Hugo Boss’ noemde.

 

HugoBe – sept. 2018

 

 

 

Geplaatst in Fantasie, Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

De Haan is geen kiekenkot

Het stond in grote letters op de eerste pagina van de Zeek(r)ant: “ De Haan is geen kiekenkot!” De uitspraak kwam van mijnheer Bieroman, burgemeester van de kustgemeente De Haan.
Hij wou de hanen weg. Terwijl bijna iedereen in De Haan een haan in huis had.
Een beeldje op de schouw of een groter ijzeren exemplaar in de tuin.
Het was altijd zo geweest. Bij een gemeente als De Haan hoort een haan en geen zwaan.

De burgemeester zelf had enkele zomers geleden kunstenaars uitgenodigd hanen van wel twee meter hoog te beschilderden. Die werden hier en daar in de gemeente tentoongesteld. Het kwam in het nieuws op televisie en iedereen wou die hanen zien. De hanenwandeling was vooral voor kinderen een leuke zoektocht. Wie ontdekt eerst de volgende haan?

Twaalf hanen moest je zoeken. De gemeente had ze zo geplaatst dat de zoektocht slim langs ijsjeskraampjes liep, langs de paardenmolen, langs de go-carts, langs de vele terrasje voor grote en kleine dorst.

Juwelier Jansens was de eerste handelaar die van de wandeling profiteerde. Hij noemde zijn winkel voortaan ‘het Goudhaantje’ en liet een prachtige gouden haan in zijn gevel inwerken. De gemeente hertekende de wandeling en sprak nu van dertien hanen.

Misschien hadden ze dat beter niet gedaan, want het bracht de handelaars op ideeën. Al snel werd het hanenpark uitgebreid met minder kunstvolle hanen.
Een verhuurder van go-carts plaatste een haan in wereldtrui voor zijn deur.
‘Fietsen Ludo, de fiets van de kampioen’, stond op de trui.
Daarop liet de winkel aan de overkant wel tien hanen plaatsen met één haan die voor de andere uitliep. “Altijd haantje de voorste met fietsen André” stond er bij.
En dan was er de horlogemaker die een haan liet plaatsen die om de drie minuten kraaide. Vele wandelaars schrokken zich een hoedje.
Nog meer schrikken was het bij de beenhouwer, die een gepluimde haan zonder kop voor zijn winkel zette. Dat men eigenlijk van een kip zonder kop spreekt, stoorde hem niet. Wie kent nu nog het onderscheid tussen een haan en een kip?
Paaseieren bij de bakker kwamen plots van een Paashaan. Zelfs dakwerken Dekkers plaatste een haan onder een afdakje op de stoep. Op het reclamebord stond: ‘een gezonde haan moet droog staan’.
Als toerist moest je een weg zoeken tussen een bos van hanen.

De burgemeester Bieroman had genoeg van dit haantjesgedrag. ‘Te veel is altijd verkeerd. We moeten met nieuwe ideeën komen.’
Marieke, de jongste deelnemer aan de vergadering, had op dit moment gewacht.

‘Misschien is het tijd om iets te doen rond de meeuwen van De Haan?’
‘De meeuwen van De Haan? Wat is dat nu voor iets? Wij hebben geen meeuwen, de meeuwen zijn van de natuur, niet van de gemeente. Meeuwen vliegen vrij rond of had je dat nog niet gezien?’
“Klopt, maar u zegt zelf dat we iets anders moeten zoeken. Zoals de Bremer stadsmuzikanten of de rattenvanger van Hamelen. Een verhaal is belangrijker dan een beeld. En met de meeuwen van De Haan hebben we een verhaal.’
‘Ik ken dat verhaal niet’, zei burgemeester Bieroman.
‘Dat is jammer’, zei Marieke. ‘Wanneer u het volk vertegenwoordigt zou u moeten weten wat het volk denkt. U was nog met die hanen bezig, maar iedereen had het over die meeuwen. In de scholen werd er over verteld, gidsen spraken er over met de toeristen. Op de duur kenden zelfs buitenlanders de drie meeuwen van De Haan. Behalve u natuurlijk. Is het u niet opgevallen dat er drie meeuwen zitten op het piratenschip voor de kinderen? ”

‘Is het u niet opgevallen, juffrouw Marieke, dat er maar twee op staan?’, zei burgemeester Bieroman. ‘Ik heb er eentje laten wegnemen. Omdat die precies op een leeuw leek. Een leeuw met vleugels. Belachelijk.’

‘En ik dacht dat die er af was gevallen en in herstelling was,’ zei Marieke. ‘Maar u hebt dus onze leeuwmeeuw laten wegnemen. Hoe is dat mogelijk? Iedereen kent ondertussen de leeuwmeeuw, de geeuwmeeuw en de Zeeuwse mosselmeeuw, maar u burgemeester weet van niks.’
Er werd gelachen in de zaal. Voor één keer had de burgemeester geen antwoord klaar.
‘Zal ik u eens een lesje geven?’
Er werd opnieuw gelachen. Marieke was niet alleen de jongste in de zaal maar ook nog eens de kleinste. Een kindje vergeleken met de burgemeester, die met zijn ronde buik soms meneer ‘Bierbuik’ werd genoemd in plaats van Bieroman.
De burgemeester zuchtte diep en keek ongeïnteresseerd naar het plafond.

Marieke nam het woord en was niet van plan van dat vlug af te geven.

‘Het waren de redders die als eersten de leeuwmeeuw opmerkten. Ze gaven hem ook die naam. Iedere morgen zagen ze de leeuwmeeuw ongeveer op dezelfde plek in de golven duiken en daarna met een natte kop over het strand huppelen. Met zijn vleugelveren wreef hij de donsveertjes op zijn kop naar voren. Om te vermijden dat de veertjes onmiddellijk door de wind weer naar achteren zouden geblazen worden, wreef hij zijn kop in het zand. Opnieuw zette hij de donsveertjes naar voren en bleef zo in de zon zitten. Om het zand in zijn veertjes te laten drogen. Het leek een heel klein beetje op de manen van een leeuw.
Op het einde van zijn zonnebad pikte hij met zijn snavel een beetje zand op. Zijn bek ging open en in zijn verbeelding klonk hij met dat zand in zijn bek ‘wraauw!!!’, zoals een leeuw. In het echt klonk het zoals gewoonlijk piepend ‘wiew, wiew, wiew’. Maar hij had zijn naam gemaakt. Niet alleen bij de redders, ook bij zijn collega’s meeuwen, want je zag hem altijd aan kop van het peloton vliegen. Als koning van de meeuwen.

Helemaal achteraan vloog meestal de geeuwmeeuw. Als hij het peloton al kon volgen. Niemand wist waarom, maar deze meeuw vloog bijna altijd met zijn bek wagenwijd open. Moest hij zijn stembanden laten afkoelen, was hij de vliegenvanger van de groep, had hij gewoon een grote bek waar iedereen van weg vluchtte?
Met die open bek pakte hij natuurlijk veel wind en kon hij niet volgen. Maar er was meer aan de hand. Meer dan eens had men hem tegen een paal, tegen een strandhuisje, ja zelfs tegen een hoge golf zien vliegen. ‘Die zit te slapen’, had iemand een keer opgemerkt. En daarmee was zijn naam de ‘geeuwmeeuw’ geboren.

De Zeeuwse mosselmeeuw is de derde meeuw van De Haan. Misschien komt hij oorspronkelijk van Zeeland, maar hier is hij thuis, dat is duidelijk. Het is een echte mosseldief, die de terrassen afschuimt. Hij pikt geen frietjes mee of een reepje pannenkoek, hij is alleen zot van mosselen. Die kun je toch genoeg op het strand vinden, zou je denken? Jazeker, maar onze mosselmeeuw heeft ze graag gekookt. In eigen nat, in witte wijn, in tomatensaus. Het is hem gelijk, als ze maar gekookt zijn, dan gaan ze open en kan je zo de mossel pikken. En omdat hij geen mosselpot en een kookfornuis heeft zit hij geduldig te wachten aan de rand van het terras om zijn mosseltje mee te pikken. Een enkele keer zal hij om een mossel bedelen. Bij kinderen lukt dat meestal wel. Die hebben snel meer aandacht voor de frietjes dan voor de mosselen. Gooi je hem één mossel toe, blijft hij met smekende blik vragen voor nog. Hij is wellicht de bekendste meeuw omdat hij contact zoekt met de mensen.
Als hij grote honger heeft eet hij natuurlijk ook ongekookte mosselen, recht van het strand. Maar graag doet hij dat niet want hij slikt dan toch stukjes schelp mee in.
Hij is de enige meeuw aan heel de kust die na het kakken zijn gat afkuist. Schurend over het zand probeert hij de niet verteerde stukjes schelp van zijn poepje te wrijven. Hij piept niet zoals de andere meeuwen ‘wiew, wiew, wiew’ , maar ‘aauw, aauw, aauw’.

‘Asjeblief, Marieke! Is dat het verhaal waarmee je onze gemeente wil bekendmaken bij de toeristen?’ riep Bieroman.

‘Jazeker,’ antwoordde Marieke, ’het verhaal is al bij velen bekend. En het is een leuk verhaal. Het zou een fabeltje kunnen zijn, het zou echt kunnen gebeurd zijn. De mensen houden daarvan. En het kost niks. Je moet maar eens op het strand gaan zitten aan de waterlijn en je oren goed openhouden. Je hoort mensen tegen elkaar bezig: ‘zou dat nu die geeuwmeeuw zijn ? Kijk ’s hoe die zijn bek openhoudt’. Wanneer een meeuw in de zon zit vinden de mensen het een leeuwmeeuw. Ook zonder gecoiffeerde manen.

En op de terrassen zie je steeds meer mosseleters mosselen naar voorbijvliegende meeuwen gooien. Zij denken dat ze kenners zijn. Ik heb het zelf meegemaakt dat zo’n meeuw een toegeworpen mossel in de vlucht met zijn bek opving. Er steeg een applaus op van het terras alsof Thibault Courtois een wereldsave had gemaakt en ons land daarmee de wereldbeker had geschonken.

Ik vind dat die derde meeuw zo snel mogelijk terug op het piratenschip moet geplaatst worden. En het schip moet een opvallende naamplaat hebben: ‘Meeuwenschreeuw’ bijvoorbeeld. Met daaronder de Engelse, Duitse en Franse vertaling: “Gulls cry, Möwe schreien, Cri de mouette” en een verwijzing naar de website van de gemeente, waar ze naar het verhaal van de meeuwen kunnen surfen. De meeuwen moeten ook groter.’

‘Ja, maak er maar hanen van’, gooide iemand er vlug tussen.

‘Lach maar, vergeet niet dat iedere morgen bij de ochtendbeelden om de zovele minuten het schip van De Haan op televisie te zien is. Daarom moeten die meeuwen groter en de naam moet op het scherm leesbaar zijn. Er zullen zeker kijkers zijn die zich afvragen ‘wat doen die reuze meeuwen op dat schip?’ ‘De kans is groot dat hun volgende uitstapje naar De Haan gaat, en dan is het aan ons om hen zo te verwennen dat ze voor hun volgende vakantie De Haan kiezen.’

‘Droom maar voort’, zei de burgemeester.

‘Wacht, ik heb nog niet gedaan. Op al ons briefpapier, op de auto’s van de gemeente, op het gemeentehuis zelf, komt een wapenschild met drie meeuwen. Mysterie alom! Wat betekenen die drie meeuwen? Is dat de luchtmacht van de hanen? Zijn wij een gemeente van duivenmelkers? Komen de eerste meeuwen van hier? U ziet het. Allemaal spannende vragen die de mensen zullen bezig houden en ons geen euro kosten.

En we koppelen daar ieder jaar een wedstrijd aan:’ Wie kent de juiste namen van de meeuwen van De Haan?’
Iedereen die minstens drie nachten in De Haan verblijft mag deelnemen.
En er is maar één prijs. Een verblijf van veertien dagen in De Haan. Met alles er op en er aan. Tot go-carts en ijsjes toe. Voor het hotel denk ik aan Beau Séjour, hier naast het gemeentehuis, dat spreekt tot de verbeelding, vooral van kinderen en we kunnen het wel regelen dat het voortaan ‘het Meeuwenhof’ heet.
Opnieuw spanning: ‘Zullen we de meeuwen daar zien, zit de leeuwmeeuw bijvoorbeeld aan de receptie, ligt er een geeuwmeeuw op de slaapkamer, werkt de mosselmeeuw in de keuken? ‘

‘Wil er eens iemand een glas water halen voor Marieke, ik denk dat haar hoofd oververhit is’, zei de burgemeester.Maar de andere raadsleden kozen partij voor Marieke.
‘Zij komt met een uitstekend idee en dat moeten we een kans geven.’
Er werd gestemd. Iedereen was voor, alleen de burgemeester was tegen.

‘Ik heb alles genoteerd’, zei de secretaris, ‘we kunnen er morgen al mee beginnen.
Ik vind dat Marieke zelf het verhaal voor de website moet schrijven en ik heb nog wel het adres van de mensen die de meeuwen hebben gemaakt voor het schip. Ze moeten ze groter maken en je moet kunnen zien wie de leeuwmeeuw is, wie de geeuwmeeuw en wie de Zeeuwse mosselmeeuw.’
‘Ja, en die zit dan op zijn gat, zeker?’ probeerde burgemeester Bieroman nog, maar er was niemand die nog naar hem luisterde.

Een jaar later waren de grote hanen van De Haan vergeten. Op het piratenschip stonden drie grote meeuwen. Eentje met manen rond zijn kop, eentje met de bek wijd open en de derde, tja, die zat op zijn gat met zijn vleugels gespreid voorwaarts om zijn evenwicht te behouden.

Zo stonden ze ook op het nieuwe wapenschild van De Haan afgebeeld. Er werd meer over gepraat dan over de hanen. Omdat er een verhaal aan vasthing.

En de wedstrijd werd een succes. De gemeente ontving honderden formulieren. Vaak ingevuld door kinderen, met tekeningen op de koop toe.
De leeuwmeeuw en de geeuwmeeuw had iedereen juist, maar bij de derde naam vergaten velen van de ‘Zeeuwse’ toe te voegen. De meesten schreven gewoon de ‘mosselmeeuw’. De jury moest streng zijn en zij die de ‘Zeeuwse’ vergaten vielen uit.
Het lot zou beslissen. Wie kreeg een verblijf van veertien dagen in De Haan aangeboden met alles er op en er aan?
Marieke mocht als bedenker van de wedstrijd de winnaar aanduiden.

Het was een mooie zomeravond op het terras van La Potinière. Er werd muziek gespeeld en gedanst. Wanneer de trekking werd aangekondigd stroomden de toeristen toe. De drummer roffelde op zijn floor tom. Om de spanning op te drijven.
Dan haalde Marieke een formulier uit de grote witte berg papier en las plechtig voor: “ de winnaar van een veertiendaags verblijf in onze gemeente… Oh, ik lees hier twee namen, en wat een mooie tekeningen… Het piratenschip, de leeuwmeeuw, de geeuwmeeuw, de Zeeuwse mosselmeeuw. Alle drie juist. Maar u wil weten wie er gewonnen heeft, dames en heren ? Ik ga u niet langer in spanning houden, de winnaar is: ‘Foris en Gorila!’

Applaus in het park, maar ook verbazing, iedereen wou de winnaars met die gekke namen zien. ‘Willen Foris en Gorila naar het podium komen? Zijn jullie hier?’
Er kwam niemand. Een paar snotneuzen deden of zij een gorilla waren.
‘In ieder geval proficiat, Foris en Gorila, uw prijs ligt klaar op het gemeentehuis.’

Foris en Gorila waren nog kinderen. Zij lagen op dit uur al lang in bed. Ook al was het vakantie. Zij hadden stiekem een formulier ingevuld. Hun ouders wisten van niks. Wanneer wij winnen gaan wij zelf die prijs afhalen. Wij verdienen van te winnen, want wij weten wat het betekent wanneer de naam niet helemaal juist is.

Mama had nochtans erg leuke namen voor hen bedacht: Fons voor het eerste kindje.
Hij was de mooiste baby van de wereld. De vreugde van de jonge ouders was groot.
Daar moest op gedronken worden. Het was feest. Papa ging zijn zoon laten inschrijven, samen met twee behoorlijk zatte nonkels. In de drukte verstond de ambtenaar de naam niet. ‘Schrijf het even op’ had die gezegd. Zwanzend met broer en schoonbroer had papa ‘Fons’ geschreven. De ambtenaar maakte van de ‘n’ een ‘r’ en een ‘i’. En zo schreef hij het in de boeken. In plaats van Fons moest het kindje ‘Foris’ heten, want het stond zo opgeschreven.
Mama was boos. ‘Hoe is dat nu mogelijk? Kun jij nu niet gewoon ‘Fons’ zeggen?
En schrijven lukt ook al niet. Weet je wat? Als we nog eens een kindje hebben, neem dan voor alle zekerheid letterkoekjes mee,’ had ze gezegd.

Toen een meisje geboren werd, nam papa de letters ‘Gloria’ in letterkoekjes mee naar het gemeentehuis. Nu kunnen ze niks fout doen, dacht papa.
Het was dezelfde ambtenaar van vorige keer. Met een brede glimlach legde papa de letterkoekjes in de juiste volgorde voor de neus van de man achter het loket. ‘Je mag ze opeten nadat je mijn dochter foutloos in de boeken hebt opgeschreven.’
De man keek papa aan en veegde de koekjes op zijn bureau. Papa was er gerust in.

Toen papa zijn trouwboekje terugkreeg stond daar ‘Gorila’ in plaats van ‘Gloria’.
‘Ben je nu gek geworden, ben jij werkelijk zo dom of doe jij dit met opzet?’ riep papa, ‘wie heet er nu in godsnaam Gorila?’
‘Uw dochter’ antwoordde de man met een geniepig lachje.
‘Maak daar nu en wel onmiddellijk ‘Gloria’ van.’
‘Te laat’, zei de man, ‘wat in de boeken staat mogen we niet veranderen.’

Foris en Gorila. Het waren wel namen die niemand vlug vergat.
Van het moment dat Foris kon schrijven voegde hij een ‘l’ aan zijn naam toe. ‘Floris’ was tenminste een echte naam. Gorila weigerde van een ‘l’ toe te voegen. Dan stond ze helemaal voor aap. Nu, met één ‘l’ had het nog iets van een roepnaam: ‘Goriiiila!’

’s Anderendaags ging Foris naar de bakker. Daar lag het krantje van De Haan. Daarin las hij :’Wie zijn Foris en Gorila? Zij winnen de meeuwenwedstrijd.’
‘Gorila, Gorila’, wij hebben gewonnen. We mogen onze prijs gaan afhalen op het gemeentehuis. ‘Joepie, poepie, snoepie’ juichte Gorila.
‘Niks zeggen, Gorila, mondje dicht. Het moet een verrassing blijven voor mama en papa. Weet je wat, we vragen of we straks met een gocart mogen rijden, dan zijn we vlak bij het gemeentehuis. En dan kunnen we misschien eventjes weg…’

Het was een goed plan. Toen mama en papa in de winkel stonden om de gocarts te betalen, liepen Foris en Gorila weg. Mama en papa zullen wel in paniek zijn als ze ons niet vinden, maar we haasten ons terug en wanneer ze ons cadeau zien, zullen ze wel niet boos zijn.’

‘Kunnen jullie bewijzen dat jullie echt Foris en Gorila zijn’, vroeg de vrouw in het gemeentehuis.
‘Ik heb nog geen identiteitskaart’ zei Foris, ‘maar is dit ook goed?’ en hij toonde zijn abonnement van de Zoo. Daar stond zijn foto op en zijn naam. Gorila deed hetzelfde. Zij deed altijd hetzelfde als haar broer.
‘Proficiat’ zei de vrouw. ‘Hier kan ik het wel mee doen. En waar zijn jullie ouders?’
‘Die zijn nog even boodschappen doen, maar zij komen zo dadelijk. Wij mochten al de prijs komen afhalen, omdat we gisterenavond niet naar het park mochten. Wij hebben tenslotte het formulier ingevuld. Dus hebben wij in feite gewonnen.’
‘Zo is het,’ zei de vrouw zonder verdere vragen te stellen en overhandigde hen de sleutels van de kamer in het hotel en een pak bonnetjes: voor gratis maaltijden in de restaurants van De Haan, voor gratis gocarts, voor gratis ijsjes. Dit was geen droom, dit was super-de-super echt. Gorila gilde zo luid dat iedereen in het gemeentehuis naar het loket kwam kijken.

‘Gaan we eerst een ijsje eten?’ vroeg ze aan Foris. ‘Nee nee, we gaan zo vlug mogelijk terug naar mama en papa, maar weet je wat, het hotel is hier vlak naast, misschien kunnen we wel even naar onze kamer gaan kijken. We hebben toch al de sleutel.’
Ze liepen voorbij de receptie alsof ze hier al weken logeerden.

Het was een kamer als in een film, met een enorm groot bed met gordijnen en een baldakijn, zo’n dak boven het bed.
Foris liet zich in het bed vallen, Gorila ging de badkamer verkennen, op zoek naar zeepjes en parfumflesjes.
In de tweede slaapkamer, was een schattig deurtje. Er hing en spreuk boven: ‘if you can dream it, you can do it’. Ik ken dat, dacht Foris, ik heb dat al eens gelezen bij een Disney-film.
Het deurtje klemde een beetje wanneer hij het probeerde te openen. Achter de deur was het donker, maar hoe klein het deurtje ook was, hier in deze ruimte kon hij het plafond niet eens zien. Er leken grote planten te staan. ‘Dit is precies de jungle,’ zei Foris tegen Gorila. Ze zagen twee rode ogen in het donker. Die ogen bewogen en toe ze wegdraaiden zagen ze dat ze van een gorilla waren. Toen hij wegliep zagen ze een hoofdletter ‘L’ op zijn rug, zoals je dikwijls op auto’s ziet van mensen die nog niet goed met een auto kunnen rijden. ‘Dat is een echte gorilla Foris, hij heeft een ‘L’ meer.’ Gorila wist niet of ze fluisterde of gilde.

‘Waar is de deur’ riep Foris, terwijl hij Gorila bij de arm nam. Maar ze zagen geen deur meer. Rondom rond hen was er alleen jungle.
‘We moeten hier weg’ zei Foris, ‘hadden we maar een jeep of zo, te voet lukt het ons nooit.’ Geen drie tellen later zaten ze beiden in een jeep.
‘Gas geven Foris, geen vragen stellen, maak dat we hier weg zijn.’
‘Ik doe mijn best, ik ben geen Cheetah, Gorila.’
‘Maar ik wel,’ hoorden ze van op de achterbank. ‘Ik ben blij dat ik jou eens kan bedanken omdat je altijd zo over mij stoeft’, zei de cheetah met zijn kop tegen Foris zijn oor.
‘Wat is dat hier allemaal’, gilde Foris.
‘Wat is dat, wat is dat? Dat ben ik, jouw favoriete cheetah. Zeg eens Foris, heb jij wel een rijbewijs? Mag jij wel met een auto rijden, want ik zie hier een “L” hangen.’
‘Ik ben nog maar acht jaar, wat zou ik een rijbewijs hebben en trouwens waarom zou ik antwoorden, cheetahs kunnen toch niet praten’.
‘Flauwerik’ zei de cheetah, ‘als je niet met mij wil praten, dan ben ik weg,’ en hij sprong over Foris en Gorila op de motorkap en verder voor hen uit. Terwijl hij voor de jeep liep deed hij alsof hij een revolver uit zijn pels haalde en op drie poten lopend draaide hij zich om en richtte de revolver op hen. ‘Pang’ riep hij en verdween.

Foris moest op de rem voor een aanstormende olifant en stoof de woestijn in. Zo ver ze konden zien was er zand.
‘Dit is me te gek’, zei Foris, ‘ik wil niet meer rijden. Gorila jij mag sturen. In de woestijn kun je niet op een tegenligger botsen of door het rood rijden.’
Gorila zat nog maar pas achter het stuur of daar stond midden in de woestijn een verkeerslicht, op rood. Gorila stopte. Het licht bleef op rood staan. En bleef maar op rood staan.
‘Rij toch door, Gorila, seffens smelten we hier nog weg.’
Dit is wel jouw schuld, hé Foris, jij altijd met je gekke avonturen’ zei Gorila. ‘Als ik mocht kiezen, dan lag ik nu met een lekker drankje aan de rand van een zwembad ergens in het zuiden van Frankrijk.’
‘Een vers geperst appelsiensapje met ijs voor de jonge dame en een Almdudler, recht uit de Alpen, voor de jonge heer.’ Foris en Gorila lagen in een zetel bij een prachtig zwembad. Langs de ene kant zag je in de verte de bergen en als je de moeite nam van recht te staan kon je aan de andere kant de zon in de zee zien.

‘Ik snap hier niks van. Ik ga nu zwemmen voor ik uit deze droom wakker word. Tot straks.’ Met een sierlijke boog dook Foris als een dolfijn in het water. Hij zwom weg zonder omkijken. Achter hem vroor het water dicht en danste Gorila als een sneeuwprinses over het ijs.

Foris bleef zwemmen, het water werd wilder, maar hij zwom door. Hij had het gevoel dat hij tot in Engeland kon zwemmen. En inderdaad, daar waren de krijtrotsen. Hoe moest hij daar op klimmen? Gelukkig zag hij een deurtje aan de voet van de rotsen. ‘Exit’ stond er op. Met een krijtje had iemand er ‘BR’ voor geschreven. ‘BRexit’, dat kende Foris van op school. De Engelsen die uit Europa willen.

Met moeite kreeg hij de deur open, maar hij had het gevoel dat hij door elkaar geschud werd. ‘Foris, ben jij nu op die korte tijd in slaap gevallen?’ Gorila had hem wakker geschud. ‘Kom, we moeten terug naar mama en papa.’

Die stonden nog altijd op de stoep voor de gocartwinkel. Met een half boos en een half blij gezicht. Dat was natuurlijk geen gezicht. Maar toen ze hoorden wat hun kinderen gewonnen hadden, waren ze helemaal niet meer boos.
‘Het is een fantastisch hotel, papa, we zijn al eens gaan kijken. Jullie hebben een kamer met een hemelbed. Ik ben er even in gaan liggen en ben onmiddellijk in slaap gevallen.
En je moet niet meer koken, want we kunnen elke dag gratis op restaurant gaan en gratis gocarten of met de fiets gaan rijden. Het is een cadeau, ook voor jullie…’

‘Dat is fantastisch,’ zei papa nu, ‘maar je begrijpt toch dat wij heel ongerust zijn geweest.
Ik zeg het honderd keer. Blijf bij ons in de buurt. Loop niet alleen weg. Maar ja, Foris, als ik iets zeg gaat dat bij jou het ene oor in en het andere uit…’ ‘Daarvoor hebben we toch twee oren’ zei Foris, ‘en maar één neus. Als het ons de neus uitkomt dan kunnen we die snuiten. Onze oren kunnen we niet snuiten.’
‘Neen, maar onze oren kunnen wel tuiten,’ zei Gorila, die graag het laatste woord had.

‘Wat worden ze toch groot’, zei mama wegdromend, ‘waar is de tijd dat we met hen op zoek gingen naar de hanen van De Haan…’ Tot ze er een kiekenkot van maakten’ zei Foris, die de titel uit de Zeek(r)ant onthouden had.

 

Hugopa, 1-10-2018

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

In naam van Bruno Broodje en Sarah Snijmes

Bruno Broodje had zijn naam niet mee. Hij had hem van zijn vader gekregen die Ben Broodje heette. Die was blij met zijn naam en liet iedereen er graag van smullen. Vader begreep dan ook niet waarom zijn zoon Bruno Broodje altijd werd geplaagd.

In de kleuterschool wou iedereen in Bruno Broodje bijten. Dat was niet zo erg. Je zou het een vorm van knuffelen kunnen noemen. Maar in de lagere school werd hij vooral uitgelachen met zijn naam. Broodje gezond was nog wel leuk en met dat Chinese jongetje dat hem altijd ‘blootje’ noemde omdat die de letter ‘r’ niet kon uitspreken kon Bruno zelfs lachen, maar bruin broodje of een broodje kak maakten Bruno verdrietig.

Om de klasgenoten op andere ideeën te brengen zei hij wel eens stoer dat hij een tijgerbroodje was, maar niemand pikte dat op. Stokbroodje werd wel snel doorgegeven en stouteriken voegden er broodjestrommel aan toe en sloegen met denkbeeldige stokbroodjes op de broodjestrommel die Bruno dan was.

De meester greep nooit in. Soms deed hij lustig mee. Wanneer Bruno iets niet begreep, zei de meester soms :”moet ik jouw broodje nog ’s bakken?”
Wanneer Bruno zijn bank niet proper had opgeruimd was het van: “kijk es aan, onze broodje heeft weer kruimels achtergelaten.” Al even flauw was het wanneer Bruno zat te dromen : “hé, Broodje van de bakker, wordt eens wakker.”
Toen de meester zei :”Als je niet verandert, zal ik eens een ‘hot dog’ van jou maken”, wist Bruno eigenlijk niet wat de meester bedoelde, maar het maakte hem wel bang.

Neen, het leven op school was geen gesneden brood voor Bruno. Zijn naam haalde het slechtste in zijn vriendjes naar boven. Op een dag hadden ze zijn gezicht helemaal met choco ingesmeerd en liepen ze joelend de speelplaats rond :”wie wil er een broodje
cho-ho-co.”

Tijdens turnen hadden ze Bruno eens helemaal als een tol in zo’n dik touw gewikkeld. Bruno had het gevoel dat hij ging stikken. Toen de turnleraar vroeg waarom die plaagstokken dat deden, zeiden ze lachend dat ze gebonden brood aan het maken waren.

Slechts één keer had de directeur straffen uitgedeeld. Hij kon moeilijk anders, want Bruno werd huilend met de ziekenwagen naar het hospitaal gebracht. Het was winter en om het klaslokaal extra te verwarmen stond er vooraan zo’n elektrisch vuurtje, je kent dat wel, met van die fijne gloeidraadjes die rood stonden van de hitte. Ze hadden Bruno, die nog een korte broek droeg, met zijn billen op die gloeiende verwarming geduwd. Ze wilden een geroosterd broodje van hem maken. Een toastje. Bruno’s billetjes waren pijnlijk verbrand.

Had ik maar een gewone naam zoals iedereen dacht Bruno verdrietig. Waarom heet ik niet Peeters of Janssens?
Overal waar hij voor het eerst kwam zei hij dat hij alleen maar Bruno heette. Hoezo Bruno, Bruno hoe ? Gewoon Bruno. Zondermeer, probeerde hij dan.
Wanneer er vervolgens thuis brieven kwamen voor Bruno, zonder familienaam werd zijn papa boos. Papa begreep maar niet dat Bruno zich schaamde voor zijn familienaam.
Papa was er net fier op. Ben Broodje. Zijn oren flapperden wanneer een mooie mevrouw hem lachend zei dat hij het lekkerste broodje van de wereld was. Nou ja, dat was toch één keer gebeurd. Bij een Nieuwjaarsfeestje op het werk. Honderden keren had Ben Broodje het voorval verteld.

Waarom zeggen ze dat nooit tegen mij, dacht Bruno dan. Hij was het broodje dat men niet lustte, dat men in stukken wou snijden, dat men wou roosteren of dat achterbleef wanneer er moest gekozen worden. Bruno was een broodje verdriet. Wacht maar als ik groot ben maakte hij zich sterk. Van zodra ik genoeg centen verdien, ga ik naar de gemeente en laat ik mijn naam veranderen. Hij had gehoord dat zoiets kon, maar nu beslisten zijn mama en papa daar nog over en die vonden een naamsverandering helemaal niet nodig. En zouden er zeker geen geld voor geven. Hij zou zich nog lang moeten schuilen achter zijn voornaam. Bruno, ik heet Bruno. Noem me toch gewoon Bruno.

Wanneer de vakantie voorbij was en hij twee maanden Bruno zondermeer mocht zijn, zakte de moed hem weer in de schoenen. Opnieuw naar school, opnieuw die plagerijen moeten ondergaan en die onzin moeten aanhoren. Maar vanaf dit jaar werd het toch een beetje anders. Er zat een nieuw meisje in de klas, en die heette, stel je voor: Sarah Snijmes.

De pestkoppen hadden een nieuw mikpunt gevonden. Sarah Snijmes. Dat is nog onnozeler dan Bruno Broodje, dacht ook Bruno.

Omdat Sarah niet al te groot was werd zij van dag één dreumes in plaats van Snijmes genoemd. Zakmes was de volgende bijnaam. Sarah was niet alleen klein, maar ook zo plat als een lat. Hé, Snijplank kon je al snel horen.

Er bestaat een uitdrukking “zij is zo mager dat als je er een brood naar gooit het gesneden terugkomt. En met Bruno en Sarah in de klas konden ze dat perfect uitbeelden. Nou ja, perfect? Het was vooral pijnlijk voor Bruno. Met vier pakten ze hem dan op en gooiden hem tegen Sarah Snijmes aan. Hoewel die ook werd vastgehouden vloog Bruno er bijna nooit tegenaan. Hij knalde wel altijd op de grond.

Bij Sarah deed de leraar soms alsof hij haar naam niet meer juist wist en noemde haar dan Snijders of Messi, waarbij hij dan schaapachtig vroeg of ze toch geen familie was van dat voetballertje? Een enkele keer wanneer hij boos was, had hij haar ook wel ‘luiwammes’ genoemd.

Bruno wist hoe Sarah zich voelde, hoe zwaar een naam kon wegen, maar hij herademde omdat de aandacht van de pestkoppen een beetje van hem werd afgeleid. Sarah was een meisje en trok alleen al daardoor meer aandacht.
Hij had nu bovendien een lotgenote om mee te praten. Maar van zodra de klas merkte dat zij vrienden werden, werden ze samen geplaagd. “Broodje is op snijmes, broodje is op snijmes”, werd gezongen in de gang. “Pas op broodje niet te dicht komen of Sarah snijdt je open.” Soms werden ze hardhandig tegen elkaar aan geduwd.

De middelbare school waren niet bepaald “brood en spelen “ voor hen, maar brood en Sarah was troostende combinatie.

Bruno en Sarah werden vrienden voor het leven. Ze gingen naar de universiteit, vonden elk een leuke job en trouwden met elkaar. Op hun deurbel stond ‘Broodje-Snijmes’. Zoals het werkelijk was, maar voor hun gezamelijk mailadres kozen ze voor het speelse “broodmes.be”.
Ze verdienden centjes en werden in de grote mensenwereld nog zelden geplaagd.

Toch had Bruno het idee van een officiële naamsverandering niet laten varen. Hij kon die naamsverandering nu eindelijk betalen.
Hij had er jaren over nagedacht en toen het eindelijk zo ver was en hij thuiskwam van de gemeente vroeg Sarah benieuwd “wel wat is het geworden?” Sarah had zich aan een heel gewone naam verwacht, Janssens , Peeters of Wouters. Of zou hij voor een iets stoerdere naam gekozen hebben. Van Leeuwen bijvoorbeeld? Of zou hij met zijn nieuwe naam wraak nemen op al die pestkoppen uit het verleden en zich voortaan De Meester laten noemen?

Tot haar verbazing had Bruno zijn naam laten veranderen in Brood.

“In Brood? Wat maakt dat nou voor verschil?”

“Wel, in de eerste plaats, wanneer je gewoon twee letters van je naam laat vallen kost dat veel minder. En ik word daarmee naamgenoot van de beroemde Nederlandse zanger Herman Brood, die van het dak van een hotel sprong. Wanneer je mijn naam in het Engels uitspreekt heb je Bread en zo heet een Amerikaanse popgroep met meerdere wereldhits.”

“Maar wat heb je daar nou aan”, vroeg Sarah. “Broodje of brood, het komt nog altijd van dezelfde bakker, hé? En een zanger die van het dak springt. Geweldig.”

“Luister Sarah, ik heb daar lang genoeg over nagedacht en dat is nu mijn keuze. Ik voel mij daar goed mee, en dat is toch het belangrijkste, of niet soms?”
Wat kon Sarah daar op zeggen? Het was Bruno zijn naam en je naam is wie je bent.

Toen Sarah haar naam liet veranderen deed ze eigenlijk net hetzelfde als Bruno.
Zij liet haar naam wijzigen van Snijmes in Snijbloem.

“Dat vind ik nog onnozeler”, was de reactie van Bruno. Ik hoor het al op televisie in een quiz: “Hoe heet het gekste koppel van het land. Juiste antwoord: Brood-Snijbloem.”

Mijnheer en mevrouw Brood-Snijbloem leefden lang en gelukkig en hadden twee kinderen. De namen waren steeds minder een onderwerp van gesprek.

En toen hun kinderen naar school gingen, leken hun keuzes niet meer zo gek.
Was de tijdsgeest veranderd? Was men blij dat naast zovele onuitspreekbare namen nu en dan een gewone Nederlandse naam te horen was?

In ieder geval, toen zoontje Herman naar school ging leek de naam Brood geen rare reacties meer uit te lokken. Integendeel. Herman Brood kwam zelfs glunderend van school. Weet je wat de meester zei toen hij mijn naam hoorde?
“Herman ik buig diep voor jouw naam. Brood is van het belangrijkste wat de mens nodig heeft. Vroeger zag men vaak in de huizen een spreuk hangen boven de schouw : “Geef ons heden ons dagelijks brood.” Nu nog studeren wij om later een goed werk te vinden en brood te kunnen kopen. Het is van alle tijden dat men jou overal, iedere dag wil.”

De kinderen in de klas keken met bewondering naar Herman. Dat was fantastisch. En hoe anders dan vroeger. Niemand die er aan dacht van te plagen of te spotten. Brood was belangrijk en wie die naam droeg mocht daar fier op zijn.

En wanneer het dochtertje naar school ging was er een gelijkaardig verhaal. Zij had gekozen voor de naam van mama omdat ze met haar voornaam Snoes heette. Snoes Snijbloem.
Wat een prachtige naam had de juf gezegd. Als ik jouw naam hoor word ik blij. Snijbloemen geven we aan iemand die we graag zien. Snijbloemen op tafel vrolijkt het hele huis op. Snijbloemen geven kleur aan het leven. Dankjewel dat ik jou met zo’n prachtige naam mag kennen.

Bruno Broodje en Sarah Snijbloem pinkten een traan weg. “Dit is het mooiste wat ik ooit gehoord heb”, zei Bruno tegen Sarah. Zij nam zijn hand vast en knikte. In ’s hemels naam toch. Je naam is toch maar een indeling, een nummer, een etiket. Jij bent wie je bent. Je bent lief, brutaal, slim, mooi, wat dan ook, maar toch niet hoe je heet ? Dat wisten Bruno Broodje en Sarah Snijmes al heel hun leven lang.

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Fantasie, Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Sint Fredegandusschool in de jaren zestig

Sint Fredegandusschool bestaat dit jaar 125 jaar. De sint hebben ze al lang laten varen en verder zal Fredegandus in weinig te vergelijken zijn met de school die ik 50 jaar geleden leerde kennen. Gelukkig maar. Een terugblik…

Het is een halve eeuw geleden dat ik naar Sint Fredegandus ging. Van ’62 tot ’68. Het waren de golden sixties. Maar afgezien van het feit dat wij de liedjes van The Beatles
uit de eerste hand leerden kennen en ons haar lieten groeien, beleefden wij dat in Deurne verre van revolutionair. Ik zal dan ook nooit spreken van de ‘goede oude tijd’. Het waren gewoon andere tijden. Het was wat het was. Wij waren zelf ook anders toen. Naïef vooral. We stelden ons weinig vragen en beleefden onze tienertijd van dag na dag.

Elke dag was zoals de dag tevoren. Er gebeurde werkelijk niks. Wij gingen niet zwemmen, wij gingen niet op uitstap, deden niet aan sport, er was nooit een schoolfeest of iets anders om de buurt en de ouders bij de school te betrekken.
School leek zowel voor de leerkrachten als voor de leerlingen een bezigheidstherapie. Je deed gewoon het ‘middelbaar’ om later als bediende te gaan werken. Wie echt wou studeren met universiteit in het verlengde, ging naar het college.

Sint Fredegandus, bij ons mocht de Sint er nog bij, richtte zich op de praktijk. Met steno- dactylo voor de jongens die graag secretaresse wilden worden. Met de doorschrijfmethode voor de droogstoppels die ambitie hadden als hulpboekhouder. We kregen ook handelscorrespondentie en talen, maar om zelf te mogen schrijven of het woord te voeren moest je naar een echte school gaan. Wij zaten in een tunnel en wisten niet beter. We dachten dat Sint Fredegandus er zo eentje was.

Was er een programma, waren er richtlijnen? Op papier waarschijnlijk wel. In de praktijk leek het of er alleen een samenraapsel leerkrachten was dat zijn boterham kwam verdienen. Zonder bezieling, zonder dat er iemand controle uitoefende, zonder dat er samenspraak was. Het leek een toevallige samenloop van omstandigheden die men naar andere vergelijkbare projecten ‘school’ noemde. Het klinkt hard, maar wie er bij was oordeelt misschien nog strenger.

Kamiel Diddens was toen directeur. Eens per week kwam hij de rapporten uitdelen. Hij was de ‘capo’ in casa nostra-traditie. We hielden de adem in wanneer hij met half gesloten ogen sprak. Als hij slechte punten voor ‘beleefdheid’ becommentarieerde met: dat is d-o-m: “slum” durfde niemand zeggen: ‘dat heb je al honderd keer gezegd.’
Dat je een nul had voor wiskunde, taal of, God betere het, godsdienst was niet belangrijk. Beleefdheid, daar ging het om.

Nochtans kon Kamiel Diddens wel meer zeggen dan dat. Dat weet ik omdat hij regelmatig bij ons thuis kwam eten. Hij, met broeder Nest en de schildpad. Wij noemden die oude broeder ‘de schildpad’ omdat hij geen woord zei en hij een kop had, en vooral een verrimpelde nek, die op die van een schildpad leek. Het was een inspecteur op rust, die in het Starrenhof in Kapellen woonde en om onduidelijke redenen werd meegenomen. Was het omdat het Kamiel zijn beurt was om op hem te letten? Of omdat ze met drie elkaar beter in ’t oog konden houden? Als de schildpad er niet bij was, schoof broeder Armand mee aan als zwijgende derde.

Ouders meegerekend waren we met tien. Maar dat liep gesmeerd. We hadden ervaring. Ook de pastoor en zijn onderpastoors schoven nu en dan aan. Niet voor een flauwe pannenkoek of een boterham met choco. Zij kwamen altijd op vrijdag. Wanneer mijn moeder visjes had gebakken. Wij aten dan zelf wat vroeger, zodat de tafel tijdig kon gedekt worden voor de gasten. De broeders zaten dan braaf met drie op een rij. De capo, die met half gesloten ogen zelf ook niet veel zei. Naast hem de zwijgende mee-eter en dan broeder Nestor, die zijn dankbaarheid soms wou tonen door iets vrolijks te vertellen. Dat vermoed ik, omdat hij vooraf begon te lachen en daardoor niet aan zijn verhaal kwam, omdat hij steevast door broeder Kamiel de mond werd gesnoerd. Hij bracht dan maar geraniums mee voor mijn moeder.

vooraan: broeder Nestor – broeder Berchmans -broeder Kamiel – broeder Albert achteraan: x – broeder Eusebius – x – broeder Armand en broeder Kristiaan

Ik was acht of negen jaar, maar die vrijdagavonden zijn mij bijgebleven. Met een gevoel van medeleven voor broeder Nestor. D-o-m-me Kamiel! Waarom kon hij die broeder niet laten zijn wie hij was? Het was tenslotte toch ook een ‘bestuurder’, als prefect van Sint Fredegandus? Als mens was hij niet meer gesloten dan zijn directeur Kamiel. Bij hem had je nog het gevoel dat hij uit dat harnas wou breken, dat hij hunkerde naar vriendschap en gezelligheid. Maar je kon hem zo moeilijk verstaan. Niet alleen omdat zijn ‘Vlaanders’ zo vreemd klonk, maar ook omdat hetgeen hij zei nog vreemder was.

Hij gaf godsdienst uit Jezuskes tijd. Geneuzel los van de realiteit. Er werden ook nooit vragen gesteld. Het uur ging voorbij terwijl wij turfden hoe vaak hij ‘nietwaar’ zei. Dat klonk het duidelijkst en besloot ongeveer elke zin.

Mijn medeleven van toen ik hem thuis tafelend leerde kennen kwam terug wanneer ik zag hoe hij het mikpunt van de school was. Vooral in de winter toen het nog sneeuwde en iedereen het einde van de speeltijd afwachtte om de prefect met sneeuwballen te bekogelen. Ongelooflijk hoe hij dat onderging. Tien minuten speeltijd stond hij onder de punt van het afdak van het fietsenhok. Slapend zo leek het, berustend in ieder geval. En dan ging de bel en vlogen de sneeuwballen naar hem. En alsof het afgesproken was mikte een regiment jongens naar de sneeuwpartij op de punt van het afdak, zodat die ‘en masse’ op de arme man zou vallen.

Hij moet eenzaam zijn geweest. Met wie kon hij spreken? Hij was de prefect, maar iedereen onder hem deed zijn zin en negeerde hem. Zijn dichtste vrienden waren zijn geraniums, die hij kort voor hij naar de les kwam nog eens ging onderstoppen. Dat zag je aan de zwarte randen onder zijn nagels.

Op een dag zei hij tegen mij in het passeren: “hoe is ’t nog met uw pa. Doe hem de groeten.” Ik was zo geschrokken dat ik niet in staat was iets terug te zeggen. Stel dat ik had geantwoord: ‘Mijn mama is heel blij met de geraniums’, ik denk dat het hem jarenlang plezier zou hebben gedaan.

Wie helemaal geen respect had voor de prefect was de ‘overlever’ broeder Kristiaan Delvigne. Zelfs als prille twintiger (°okt. 38) schopte hij al wild om zich heen. Zou hij het aan zijn brutaliteit te danken hebben dat hij als tachtiger nog altijd voorzitter is van alles wat met Scheppers te maken heeft? Zouden ze bij Scheppers bang zijn geweest van blaffende honden? Ook als die niet bijten?

In de tien jaar dat ik hem gekend heb, had hij in ieder geval geen mededogen. Met niemand. Hij gaf ons Frans. Maar de helft van de les was hij aan het afgeven op de ‘negers’ in Congo, waar hij als ‘broekie’ in witte pij les had gegeven. Hoe vaak heeft hij ons niet vergeleken met die aartsluiaards die gene klop uitvoerden? ‘Leg je hen uit hoe ze een poortje moeten schilderen, zitten ze uren later nog met hun verfborstel in de hand te kijken zonder dat ze iets geverfd hebben.’
Of hij schuimbekte over zijn collega Frans, De Lille, die vast benoemd was en daardoor niet weggestuurd kon worden. ‘Wacht maar wanneer ik het voor het zeggen zal hebben…’ Aan overtuiging, dan toch in zijn eigen kunnen, zou het hem nooit ontbreken. Wie hem een ‘gezellige’ dikkerd noemde, sprak maar voor de helft de waarheid.

Bij hem hadden we kunnen turven hoe vaak hij in de tijd van een lesuur iemand ‘espèce de cornichon’ noemde. Ik heb er decennia lang een afkeer voor cornichons aan overgehouden. Die krokodillen zonder kop brachten mij altijd broeder Kristiaan in herinnering. En mijn goesting was weg. Tot mijn vrouw op een keer zei: ‘het kan best zijn dat hij ‘espèce de cornichon’ zei, maar in gedachten zal hij het in Brussel veelgebruikte “espèce de cochon” bedoeld hebben.
Zou je dat nu nog kunnen, zowat iedereen uitmaken voor ‘stuk varken’? Hoe zouden de mondige moslimleerlingen daar op reageren?

Kristiaan Delvigne was niet de enige broeder die het celibataire leven heel persoonlijk interpreteerde. Maar waar de anderen de firma Scheppers verlieten, zou hij zonder omzien zijn weg banen naar de top. Tot hij daar zat. Als de keizer zonder kleren.

In het prachtige Meeuwenhof leefden nog meer broeders.
Zouden ze dat gebouw tot de grond hebben afgebroken om de schande met jonge knapen uit te wissen? Nu hoor je dat sommige jongens van toen het na vijftig jaar nog altijd niet uit hun geheugen hebben kunnen wissen.
Toen werd er niet over gesproken. Maar ook nauwelijks op gereageerd. Er werd gelachen met enkele jongens die wel meisjes leken en misschien daarom regelmatig bij ‘broederke’ op zijn kamer werden geroepen. Wij wisten niet beter dan het verknipte mouwvegers waren. In die onnozele jaren was het geen onderwerp. Zelfs niet wanneer het ‘broederke’ in kwestie van Deurne naar Alsemberg werd overgeplaatst, en later naar Wetteren. Wij waren al blij dat we van die aansteller met zijn Napoleon-complex verlost waren.

De eerder genoemde broeder Armand riep niemand naar zijn kamer, maar wou altijd mee in de bank komen zitten. Om joviaal te doen? Uit broederschap?
Broeder Berchmans stond soms een kwartier naast jou met een hand op je schouder. Wat vervelend was, zker als je een test blind-typen deed en die hand je bewegingen belemmerde. Misschien wou hij er gewoon zeker van zijn dat je niet spiekte?

Broeder Emiliaan hield zijn handen heel de tijd in bidsprinkhaan-houding voor zich. In stem en beweging was hij de meest vrouwelijke. Toen de andere broeders een kostuum begonnen te dragen, bleef hij trouw aan zijn zwart kleed. Hij straalde alleen als hij in mooie met goud bestikte kazuivels de mis mocht opdragen. Hij had verder gestudeerd en was ook priester. Maar stond hij voor de klas, dan zag je aan hem dat het leven lijden was. Ik herinner mij dat hij naar buiten vluchtte als het hem te veel werd. Zeker die keer toen er iemand tijdens zijn les een stinkbom aangestoken had. Hij deed de deur achter zich op slot en liet ons in de stank zitten.

Alle broeders hadden een voornaam als artiestennaam. Nestor, Kamiel, Kristiaan, Armand, Hendrik, Emiliaan. Alleen broeder Berchmans werd aangesproken met zijn familienaam. Ze noemden hem ook ‘de Pin’, nooit broeder Pin. Dus dat zal wel een bijnaam zijn geweest.
Hij was in die tijd de oudste van de bende, maar ondanks zijn tachtig jaar de meest wereldse. Bij mooi weer was hij te vinden op het Galgenweel waar hij zeilles gaf. Daarnaast begon hij met een accordeon-orkest, ‘de Meeuwkens”, waarmee ze parochiefeesten in de buurt opvrolijkten.
Hij reed met een lichte brommer. Wat al uitzonderlijk was voor een broeder in de jaren zestig. Maar daarbij droeg hij nog ’s een helm. Wat helemaal nog niet verplicht was, maar het beeld wel origineel completeerde.

Je moest al gek zijn om broeder te willen worden. Van velen onder hen dachten wij toen dat ze het ook in mindere of meerdere mate waren. Van broeder Eusebius waren we nogal zeker. Die mens mankeerde iets in zijn hoofd. Hij was heel handig met hout en tekende meer dan behoorlijk. Vandaar dat hij tekenles mocht geven. Dat wil zeggen, dat wij een uur mochten tekenen. Lesgeven was er niet bij. Nog meer dan bij Emiliaan kon je merken dat het niet zijn keuze was. Hij liep onophoudelijk rond in de klas. Getormenteerd. Als een leeuw in een kooi. Zuchtend en blazend. Vandaar zijn bijnaam: ‘soupape’. Ventiel was nog niet in zwang.

Dan leunde hij achteraan in de klas met zijn hoofd tegen iemand aan om te zeggen: ‘die zievereir daar peist dat ik het niet gezien heb, hé. Wacht maar! Twee strafpunten, joeng.’ Om vervolgens vooraan in de klas hetzelfde te gaan zeggen over iemand achteraan in de klas.
Om zijn woede te kalmeren gooide hij met krijtjes. Niet zo goed als ‘den Teen’ een leraar wiskunde die, als ik mij goed herinner, Denissen heette. Die smeet zijn krijtjes als kogels.

Baert, Plasmans en Vissers gooiden met bordvegers. Als het tegen je lijf was zag je trui helemaal wit van het krijt, kreeg je zo’n bordveger tegen je hoofd deed dat behoorlijk pijn. Met meneer Baert heb ik het ooit voorgehad. Maar in plaats van in elkaar te kronkelen, bleef ik hem recht in de ogen aankijken. Daar werd die zo razend van dat de aders op zijn kale, rood aanlopende kop bijna sprongen. “Bandet! Buiten.” Ik heet helemaal niet zo, maar hij noemde me zo omdat hij in het begin van het jaar mijn naam fout gelezen had als ‘Bandet’. Ik bleef zitten tot het speeksel uit zijn razende mond mij bijna raakte. Dan stond ik treiterig traag op uit mijn bank. Hij kwam achter mij aan om mij een trap onder mijn broek te geven. Vooraleer hij mij kon raken pakte ik, zonder omkijken, zijn voet vast en trok door. Tot grote hilariteit van mijn medeleerlingen lag meneer Baert tussen de banken op de grond.
Toen directeur Kamiel mij op zaterdag vroeg waarom ik punten van beleefdheid had gekregen, legde ik het voorval uit. Voor een keer zei hij niet d-o-m: slum, maar wuifde met zijn hand om aan te geven dat ik mocht gaan zitten.

Wij waren zo braaf en toch waren er zo veel leerkrachten die voortdurend over hun toeren waren. Of niet opgeleid of geschikt voor het beroep.
Als kind vond ik het normaal dat je de mensen tegen wie je sprak aankeek. Blijkbaar werd dat de leraren niet aangeleerd. Meneer Vissers stond daar vaak als een vis op het droge naar lucht te happen en keek alleen met toegeknepen ogen in de klas als hij aanlegde met zijn bordveger om diegene die hem stoorde uit te schakelen met een welgemikte worp. De enige momenten dat hij enigszins relax was en zelfs kon lachen was als hij vertelde over zijn legerdienst.

Ook meneer Plasmans keek ons nooit aan. Bij hem hadden we misschien wel geruisloos de klas uit kunnen sluipen. Hij gaf ons geschiedenis. Wanneer hij na een uur de klas uitstapte deed iedereen zijn schrijfarm pijn. Hij begon op het linker bord, pende dat vol, terwijl hij aan zichzelf dicteerde wat hij schreef, dan pende hij het middelste bord vol, vervolgde op het rechterpaneel, klapte dat om en ging verder. Wanneer hij in vorm was en alle borden volgeschreven waren, veegde hij een eerste bord af. Zonder omzien naar de klas. Wie niet kon volgen had pech.

Meneer Gevers keek ook altijd boven onze hoofden naar het plafond, maar dat kwam omdat hij seksuele voorlichting gaf. En dat deed hij heel anders dan de onwetende broeder Emiliaan. Deze man sprak uit de praktijk. Hij gaf ons bijvoorbeeld de raad, voor wanneer we later getrouwd zouden zijn, van altijd een pot vaseline op het nachtkastje te zetten. Ik was met de klap wakker. Vaseline ? Dat gebruikt mijn vader om af te schminken als hij toneel speelt. Omdat het een amateurgezelschap was, ging die pot vaseline vrolijk van hand tot hand.

Meneer Gevers was behoorlijk cool ondanks de hete onderwerpen die hij behandelde. Op een keer sprak hij over het celibaat. Een oudere leerling, die elk jaar voor een meerjarenplan koos, durfde op te merken: “trek die mannen hun broek uit en ge zult zien dat ze een spel hebben zoals iedereen…” Onverstoord antwoordde meneer Gevers: “ik stel voor dat iedereen naar zijn eigen broek kijkt?” Het was meteen b(r)oeken toe.

Meneer Moens, gemeenzaam ‘de Smos’ genoemd, was nog zo’n plafondkijker, hoewel hij meetkunde gaf. Hij was ook geen man om voor een klas te staan en liep altijd rood aan wanneer je hem uit zijn evenwicht bracht. Door bijvoorbeeld zijn driestappenplan : “gegeven – te bewijzen – bewijs” overhoop te halen. Het volstond zijn vertrekpunt : “we weten dat…” te betwisten met een: “maar leg eens uit, hoe weten we dat?” . Keer op keer liep hij er niet alleen in, maar ook in vast. Wat een ellende om altijd weer de hele meetkunde van het begin te moeten uitleggen. Hij werd er doodongelukkig van, terwijl wij achter zijn rug gniffelden met hoe hij zijn linkerhand zo frivool in zijn zij hield en hoe zich met zijn andere hand vastklampte aan een krijtje dat maar schreef en tekende om het niet gevraagde te bewijzen. Tot hij er zelf niet meer wijs uit raakte.

Hij woonde bij ons in de buurt. Ik wist dat hij getrouwd was, maar er waren genoeg die vonden dat hij niet alleen een zacht eitje, maar ook een mietje was.
Dat dachten we ook van meneer Sips. Meer dan tien jaar voor de Village people beroemd werden, droeg hij een leren gilet en een typische Village-people-snor. Hij reed in knalrode Anglia en van zijn wiegend loopje kon je zeeziek worden. Van hem wisten we alleen dat hij Russisch studeerde, omdat hij er zo over stoefte. Ik herinner me ook dat hij bij examens van achter een krant, waar hij een kijkgat in had gemaakt, surveilleerde. Hij werd dan wel eens l’oeil de Moscou genoemd.

Het toeval wil dat ik hem twee jaar geleden samen met andere oud-leerlingen tussen pot en pint heb ontmoet. Hij was het tegendeel geworden van een communistische spion. Hij ging er prat op dat hij nog regelmatig Duitse strijdliederen zong. En dat ze toen wel raad wisten met dat bruin gespuis. Toen ik hem zei: “wij waren ooit wel leerlingen van jou, maar eigenlijk ken je ons toch niet? Ik heb langs moeders kant joodse voorouders en ben redelijk geschokt door wat jij hier uitkraamt..”, antwoordde hij, zonder blikken of blozen: “dan ben jij het bewijs dat ze met de gaskamers hun werk niet grondig genoeg gedaan hebben!” Daarmee vergeleken verbleken de negers van broeder Kristiaan.

En wij die dachten dat Sips en Smos als Sipje en Sopje van de andere kant waren. Van de leraar die wel zo was, beseften we het niet. Omdat dat uit niets leek. Hij leek iemand uit de film. Ik zat er in de les naar te kijken hoe er nooit één haartje verkeerd zat in zijn kapsel. Beter dan bij Cary Grant. Ook zijn kleding was klasse. Mijn peter was kleermaker, net als de leraar zijn broer overigens. Ik wist dat de kwaliteit in afwerking van een kostuum onder meer af te lezen is aan de manier hoe revers op de kopzijde met de hand gepikeerd worden. Zijn model regenjas met korte kraag zag je alleen in de film en ik weet nog hoe zijn winterjas er uit zag. Die kocht hij zeker in Parijs.
Ik denk niet dat hij een auto had. Hij kwam met de tram en te voet. En zijn pas was ook haast filmisch. Met bekwame spoed, sportief en mannelijk. Dat men hem Fifi noemde, deed bij mij geen lichtje branden. Mijn oudste broer werkte in een elektro-groothandel en die sprak altijd over Hifi, High Fidelity, dat was nieuw en wie mee wou zijn nam het in de mond, dus leek het mij logisch dat Fifi naar analogie stond voor Fine fidelity. Omdat meneer De Lathouwer zacht praatte. Daarom zette hij zich altijd nonchalant op een vrije bank, te midden van ons. Om dichterbij te zijn en zijn stem niet te moeten verheffen.

Hij is nu in de tachtig en altijd een verfijnd en discreet man gebleven. Altijd vriendelijk en empatisch in de omgang, hoewel we dat woord toen nog niet kenden. Ik herinner hem als een warme mens. Zo verschillend van zijn collega’s die elke morgen boterhammen met zuurpruimen aten.
Hij had esthetica moeten geven. In de plaats van Theo Salden, die vesten droeg in de meest waanzinnige kleuren. Okergeel, olijfgroen en zilvergrijs.
Omdat hij die vest te lang bleef dragen sloeg die zilverdraad groen uit. Esthetica was voor hem een verplicht nummer. Van daar dat we op een heel jaar maar vijf pagina’s in ons schriftje volgeschreven hadden. Zijn vak was boekhouden. Zijn hobby basket. In de les combineerde hij die twee. Als hij het over activa en passiva had voerde hij met een onzichtbare bal aan zijn grote handen dribbelbewegingen uit. Omdat ik de hele tijd naar die drukke handen zat te kijken luisterde ik nauwelijks naar wat hij zei en begreep ik niks van boekhouden.

Ik moet het nog over een andere man uit de film hebben. Onze leraar Engels en Duits. Voor mij was hij Elliot Ness. Niet van de film the Untouchables, maar Robert Stack van het gelijknamige feuilleton uit de jaren zestig. Niet dat meneer Cuppens op Stack leek, maar de manier hoe hij voor de klas stond, ook wel in onberispelijk streepjes kostuum, deed mij aan Robert Stack denken. Met zijn boek in de ene hand en zijn sigaret in de andere. Die sigaret hield hij niet tussen de V-vorm van zijn vingers, maar met duim, wijs- en middenvinger bracht hij het – niet brandende -topje van zijn sigaret behoedzaam naam zijn lippen. Als hij dan inhaleerde trok hij één oog dicht. Niemand waagde het een kik te geven of te hoesten van de rook die hij uitblies.

Wij hadden ook een leraar muziek, meneer Vandeputte. Hij had ooit de prijs van Rome gewonnen. Nochtans zag hij er helemaal niet sportief uit. Ik heb nog een schriftje Muziek uit die tijd. Ik was van goede wil, de eerste pagina had ik versierd met muzieknoten en instrumenten redelijk knullig in kleurtjes getekend. En dan… drie pagina’s muziek, voor een heel jaar. Niet meer, gelukkig ook niet minder.
Op zekere dag werd hij door een grotere leerling bij zijn revers tegen het bord geplakt. Meneer Cuppens die in de klas ernaast aan het lesgeven was, stormde binnen en plakte die leerling niet tegen het bord, maar tegen de muur. Boenk, boenk, boenk. Of meer dan drie keer.
Van de zes jaar leerkrachten staat hij op nummer één. Als ze mij vragen “wat heb je geleerd op Sint Fredegandus”, zal ik spontaan zeggen “Engels en Duits bij Cuppens” en daarnaast met tien vingers typen.
Onderaan staat de eerde genoemde “lul”, officiële naam De Lille. Die man was echt niet in staat van les te geven. Die was zo zenuwachtig, had zoveel schrik dat hij beloofde van geen les te geven als de klas zich koest hield. Ik zat ook in die klas maar vond dat ‘knudde’. De ‘lul’ begon dan in het Antwerps over ‘den Beerschot’ te zeveren. Zijn favoriete club. Broeder Kristiaan sakkerde daar vaak over, maar hij had gelijk.

Sint Fredegandus in de jaren zestig. Het was iets, maar vooral leek het op niks.
Hoe kun je het nu inbeelden dat de turnles, bij gebrek aan turnzaal vervangen werd door lessen wegcode? Toch kwam die turnleraar, ik denk dat hij Frans heette, elke keer in polder- sportbroek en wit T-shirt naar de klas. Daarover droeg hij een geklede groene vest. Ik denk dat hij kikte op het feit dat hij in een klaslokaal stond. In andere scholen geraakte hij daar waarschijnlijk nooit. Hij was dan ook strenger dan de andere leraars. Om de verkeerssituaties te illustreren, moesten wij dan prentjes uit een drukwerk van Via Secura knippen en in ons schriftje kleven. In die tijd had je nog geen lopende ‘Velpon’. Populair waren potjes zoals voor filmrolletjes, waarin een schupje zat waarmee een soort geplette rijst-kleefstof op het blad kon worden aangebracht. Maar omdat je daar niet mooi kon mee aflijnen, kleefde de pagina’s van mijn schriftje aan elkaar. De leraar ‘turnen’ gooide mijn schriftje in de uiterste hoek van de klas. Ik kreeg een rode nul voor turnen omdat ik pech had met mijn schriftje ‘wegcode’. Gekker kon het niet worden.

In het hoger middelbaar kregen we nog nauwelijks Frans, maar wel Franse correspon-dentie. Van nog zo iemand die ons wou laten boeten. Die trok al punten af, als je een komma vergat. ‘Une virgule’, zei hij dan, want om ons te laten voelen dat wij de Frans taal verprutsten, sprak hij geen woord Nederlands. Deze meneer heette Nau, maar iedereen noemde hem Flikka. Wanneer er tijdens de vasten ’s morgens in de kapel van het klooster drie man en een paardenkop zaten, wist iedereen dat meneer Nau naar de mis was geweest.

En dan kom je in de echte wereld en merk je wat je met die zes jaar Sint Fredegandus kunt aanvangen.
Mijn eerste ‘sprekende’ vakantiejob deed ik bij de Wijngaardnatie. Naast het verifiëren van laadbrieven voor hun schepen, moest ik ook nu en dan de telefoon aannemen.
De baas was over de middag gaan lunchen met zijn secretaresse. Iemand aan de telefoon wou hem dringend spreken. In mijn beste schoolfrans wou ik uitleggen dat hij over een kwartiertje zeker terug zou zijn. In plaats van te zeggen ‘il rentre dans un quart d’heure’, zei ik, bloednerveus maar toch mooi: “il rentre dans un coeur d’art.”

Hugo Bernolet – Maart 2018
Geplaatst in Nostalgie | Een reactie plaatsen

Met mijn vergrootglas over mijn klas

Fons had de griep. Hij miste zijn vriendjes van 2A in Rumoldus. Ik schreef hem dit verhaal over zijn klasgenootjes. Einde van de week was hij genezen en mocht ik het in de klas komen voorlezen…

 Fons is ziek. Hij is in de greep van de griep. Zijn temperatuur klimt boven de veertig.
Hij hoest als een hondje dat bang heeft in het donker. Hij kan niet naar school. Gloria wel. Mama is naar de unief. Papa blijft thuis werken. Hij zit beneden aan zijn computer. Fons kan hem zien door zijn vergrootglas.

Zijn vergrootglas is een afgekeurde lens voor de sterrenkijker van zijn overgrootvader. Bij het slijpen waren er krasjes in gekomen. Sindsdien ligt ze ongebruikt in een kistje met rood fluweel.
De lens zelf vond dat niet erg. Waarom zou ik opgesloten moeten zitten in een sterrenkijker, dacht de lens. Nu ben ik vrij. En als er ooit toch iemand door mijn krasjes wil kijken, zal ik die belonen met de beelden die hij of zij graag zou willen zien.

Fons was de eerste die de tovenarij ontdekte. Hij sprak er echter met niemand over. Hij mocht die lens niet alleen uit zijn kistje halen.
Hoe kan die nu breken, dacht Fons. Die lens is zeker vijf centimeter dik.
Omdat ze zo groot was als een taart voor 12 personen, was ze natuurlijk erg zwaar om op te tillen.
Het was altijd een karwei om de lens bovenop een oude lampenkap te tillen. Maar dan was zijn vergrootglas klaar. De hoogte van de lampenkap was net goed om hetgeen hij wou zien scherp te stellen en het licht dat door de lampenkap viel kleurde de beelden mooier dan echt.

Vandaag kijkt hij naar papa. Die zit met een koptelefoon op aan zijn computer.
Met de ene hand tikt hij op de toetsen van zijn computer. Met de andere hand speelt hij in verbeelding mee met de jazz waar hij naar luistert. Papa luistert graag naar jazz. Altijd via de koptelefoon. Ook wanneer hij piano speelt luistert hij naar zichzelf via de koptelefoon. We weten niet of hij goed kan spelen, want wij kunnen het niet horen. We zien alleen zijn vingers. En die gaan niet boogiewoogie, altijd hetzelfde, op en neer. Zijn vingers springen naar alle kanten alsof de toetsen in brand staan. Plingplong krakkeboem reutemetazz-jazz.

Bij jazz kies je zelf wat je doet. In de muziek, maar ook in taal. Ik schrijf bijvoorbeeld vrind met alleen een ‘i’, kint met een ‘t’ en iullie met een ‘i’ in plaats van een ‘j’. Dat is jazz.
Ik denk dat de juf dat niet zo erg vindt, want zij schrijft haar naam Barbra niet zoals alle andere Barbara’s hun naam schrijven. Barbera zou nog mooier zijn. Met een ‘e’ betekent het ‘vreemdeling’, in het buitenland geboren. Zoals sommige kinderen van mijn klas.

Mijn klas, na één dag mis ik al mijn klas, mijn vrienden en vriendinnen en natuurlijk juf Barbra.
Kan ik haar zien onder mijn vergrootglas? Ja, daar is ze. Ik zie haar praten, maar ik hoor ze niet. Ik weet hoe zacht ze praat. Het lijkt wel of ze watten in haar keel heeft.
Zo anders dan de juf van vorig jaar. Ook een heel goede juf, die voor ons het prachtige ‘spektakel’ maakte, maar met een stem als alle klokken van Rome samen.
Ik zag juf Ria ook eens onder mijn vergrootglas. Er was een voetbalwedstrijd bezig. Op een bepaald moment blijven alle spelers staan en kijken dezelfde kant uit. Ook de supporters kijken die kant uit. De scheidsrechter loopt naar de rand van het veld en trekt een rode kaart. Niet voor een speler op het veld, maar voor iemand uit de tribune. En dan zie ik juf Ria die wordt weggeleid door twee mannen met een rode armband om. Ik kan niet horen wat ze roept, maar iedereen in het stadion wél en daarom moet ze buiten.

Mijn vergrootglas is fantastisch, maar het zou nog leuker zijn moest er ook geluid bij zijn. Nu kijk ik precies naar een stomme film. Toen ik nog niet wist wat dat was, zat ik eens op een zaterdagmiddag naar een film te kijken. Mijn papa passeerde en zei “dàt is nu echt een stomme film…”
“Please papa, mag ik toch verder kijken? Dat is Charlie Chaplin. Ik vind die leuk.”
“Ja, zei papa, kijk maar verder, maar weet dat dit een voorbeeld is van een stomme film.” Papa zag dat ik bijna begon te wenen en dan legde hij uit dat een ‘stomme film’ niet meer dan een film zonder geluid is. Om toch muziek bij de beelden te hebben, zat er vroeger in de cinema een pianospeler naast het podium. Ik denk dat die jazz speelde.

Mijn vergrootglas maakt veel goed. Zeker wanneer ik, zoals nu, ziek ben.
Wanneer ik mij concentreer kan ik door mijn vergrootglas zien wat ik wil. Mijn juf denkt soms dat ik mij niet kan concentreren, dat ik zit te dromen en naar buiten uit het raam kijk. Ik kan haar natuurlijk niet vertellen dat ik dan aan het oefenen ben om door mijn vergrootglas te kijken. Als ik mij concentreer zie ik door het raam ook van alles.

Eens kijken wat mijn vrienden nu aan het doen zijn.
Zie ik dat goed? Gaat mijn klasje voetballen? Zou dat komen omdat ik terugdacht aan juf Ria die met haar groot lawijt uit het voetbalstadion werd geleid? Of zou het zijn dat we sinds kort een nieuwe jongen in de klas hebben die Davoet heet. Davoet doet aan voetbal denken. Of zou het komen door mijn koorts?
Het lijkt een echte wedstrijd. Op een groen veld, met twee ploegen van elf.
In de blauwe ploeg staan onder meer Tibe, Robbe, Zakaria, Laura, en Rayan naast Julia, Jessica, Quincy, Dina, Achi en Jessica. Zoveel brildragers bij elkaar. Hun trainer is Anthony, nog een brildrager. Zou die mikken op een brilscore (0-0). Dat zou hen wel passen. Zal ik ze de mollen noemen?
Goed. Dan noem ik de andere ploeg de Russen. Ze spelen in het rood. Met Mats en Lucia in de spits. Met verder Nikita, die kapitein is, Kayla, Jules, Gaston, Eline, Ebe, Lisse, Jasper en Alan. Hun trainer is Nikolas.
Het is een wedstrijd van Rus-mol-dus. Met de Russen tegen de mollen. Juf Barbra is scheidsrechter.

Ik zie Juf Barbra op haar vingers fluiten. Dat mag, maar kan iedereen haar horen.
Ik in iedere geval niet. En de spelers blijkbaar ook niet.
Hallo jongens, komt er nog wat van?
Ebe en Zacharia staan praten met Mats, alsof er nog niet gefloten is.
Ook Julia en Laura staan te giechelen. Zoals altijd met hun vriendin Lisse.
Meisjes, Lisse speelt bij de andere ploeg. Zij is nu even jullie tegenstander.
Gelukkig is er Jasper. Hij heeft het begrepen en brengt, rustig als altijd, het spel op gang. Via Gaston en Kayla komt de bal bij Mats, maar die zit nog niet in de wedstrijd. Komaan, Mats praat verder tijdens de rust.
Alan heeft wel er zin in. Hij trekt spurtjes langs de flank. Hij is de beslist de snelste, maar alleen ik zie dat. Wanneer krijgt hij de bal aangespeeld?

Eindelijk, de eerste goeie aanval wordt opgezet. Hij vertrekt bij Jasper, die heeft Alan gezien. Alan perst er weer een spurtje uit en legt mooi naar het midden. Nikita controleert de bal en snelt naar het strafschopgebied. Daar staat Quincy. Oh Oh, Nikita botst in volle snelheid tegen Quincy. Juf Barbra fluit voor een obstructiefout. Maar dat is niet juist. Quincy heeft niks fout gedaan. Hij heeft nog geen voet verzet. Hij speelt nooit voetbal.
Toch gaat juf Barbra in haar achterzak en haalt er een gele kaart uit én meteen een rode. Maar wat doet ze nu? Ze trekt ook nog oranje en blauw.
Neen toch? Ze trekt de foute regenboog van K3. Waar zijn we mee bezig, zeg.
Lisse, Laura en Julia vinden dat natuurlijk leuk en beginnen spontaan alle kleuren
van de regenboog te dansen.Vrienden, hebben wij nog een wedstrijd? Wat zou ik nu graag op het veld staan.

En dan breekt de zon door, zoals dat vaak gebeurt na een regenboog. De stralen weerkaatsen op de armbandjes en de diadeem van Jessica. Ik kan niks meer zien in mijn vergrootglas. Verblind moet ik terug in mijn bed. Rustig mijn koorts meten. Toch even wachten daarmee. Ik zou van opwinding de koortsmeter stuk bijten.

Wanneer ik kort geslapen heb en de koorts is afgenomen, is de wedstrijd nog altijd bezig.
Ik ben net op tijd om wellicht de beslissende aanval van de wedstrijd te zien.
Alan heeft van de flank de bal prachtig tot bij Mats gebracht, die met een lange dribbel
de nog steeds stilstaande Quincy voorbij gaat, vervolgens ook zowel Achi, Rayan als Robbe zot dribbelt om dan loepzuiver de bal op het hoofd van Jules te leggen. Die slaagt er in de bal voor de voeten van Lucia te koppen.
Tibe schiet op het goede moment wakker en komt uit zijn doel op Lucia af gelopen. Maar Lucia omspeelt moeiteloos Tibe, die er bij gaat liggen.
Nu moet Lucia scoren, het doel is leeg. Maar lief als zij is, laat zij deze open doelkans aan Jules en speelt zonder te kijken de bal in zijn richting.
Wat jammer. Jules is niet gevolgd. Hij is de andere kant op gelopen.
Hoe is dat nu mogelijk? Ik denk dat alle Russen nu hun haar uittrekken.
Jules, Jules, Jules toch. Wanneer een andere speler geblesseerd is, dan is die gekwetst. Aan zijn been of zo. Wanneer Jules geblesseerd is, hangt zijn bles weer voor zijn ogen en ziet hij niks meer. Mats had de bal nog zo mooi op het hoofd van Jules geschilderd en Jules had knap doorgekopt naar Lucia, maar daardoor kwam zijn bles voor zijn ogen en liep hij de verkeerde kant uit. Wat een gemiste kans.
Ik mag roepen zoveel ik wil, ze horen mij toch niet.

Uiteindelijk mogen de Russen toch nog juichen.
De mollen verdedigen zo goed ze kunnen om de brilscore op het bord te houden.
Hun speelhelft ligt ondertussen bezaaid met molshopen. Maar de Russen blijven komen. Onder aanvoering van Nikita voeren zij de druk op. Slag om slinger slalommen ze tussen de molshopen door.
Het is mijn goede vriend Ebe die tot zijn eigen verbazing scoort. De mollen hadden zo hun handen vol met verdedigen dat ze niet gezien hadden dat hun doelwachter Tibe het net van de doelpalen had genomen om er een hangmat van te maken. Daar lag hij ondertussen lekker in te slapen. Onder de hangmat door vloog de bal binnen.
Juf Barbra fluit de wedstrijd af. Ik druip af naar mijn bed.

In de late namiddag komt mama thuis van haar werk. Ze komt kijken hoe het met mij is.
In paniek loopt ze naar beneden. We moeten met Fons naar de dokter. Hij gloeit van de koorts en volgens mij is hij aan het ijlen. Hij roept de hele tijd in zijn slaap : ”De Russen komen, de Russen komen…!”

“Dat komt er van,” zegt papa. “Het is goed dat ze die kinderen meer willen laten lezen, daar niks van, maar waarom moeten ze die angstaanjagende titels uit de kranten lezen. Een leuk verhaaltje is toch zo veel beter…”

Hugo Bernolet – 13 maart 2018
Foto 1: Fons 3 jaar 4 maanden – Foto 2: klas 2A Rumoldus tijdens voorleesmoment
Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Het geheim van het knisperkonijn

Celestein het knisperkonijn was nog een echt konijn toen Joria het in het park vond.
Het lag verkleumd onder de sneeuw toen een wolkje sterrennevel er overheen streek.
Door de warmte van de sterrennevel droogde de sneeuw naar binnen op en zou voor
altijd blijven knisperen.
Joria moest het konijn laten liggen van haar mama. Toch nam zij het de volgende dag
mee naar huis. Onder haar jas, tegen haar hartje. Toen mama Joria uit haar jasje hielp
en het konijn ontdekte, leek het helemaal niet meer op het konijn dat ze in het park
gezien hadden. De sterrennevel had het konijn omgetoverd.

De sterretjes wilden het konijn helpen omdat de familie konijn nooit lief was geweest
voor Celestein. En al de dag erna werd het konijn in het park gevonden door een erg lief meisje. Joria heette ze en ze wou het konijntje absoluut redden. Hoewel haar mama dat helemaal niet zag zitten.
Het meisje pakte Celestein op en Celestein werd meteen verliefd. Wat deed het deugd
door iemand geknuffeld te worden. Dit had hij nooit eerder meegemaakt. Voor de meesten was Celestein een vies konijn met een vuile pels. Maar dat lief meisje keek daar gewoon aan voorbij. Zij liet zich ook niet afschrikken door de reactie van haar mama of van haar broer Fox. Hoe fantastisch zou het zijn van altijd bij zo’n lief meisje te mogen blijven?
Lieve sterretjes, vroeg het konijn, als ik een wens mag doen, als jullie voor mij willen toveren, maak het dan mogelijk dat ik bij haar kan blijven. En de sterrennevel deed zijn werk.

Toen mama het konijn van onder Joria haar jas haalde, was Celestein veranderd van een echt konijn in een zacht pluchen speelgoedkonijn. Weg was de bruine harige pels. Het konijn was helemaal wit, met hier en daar een lijntje roze. Aan de binnenkant van de oortjes, aan de kussentjes van de pootjes. Het konijn paste helemaal bij het meisje. Joria droeg die dag haar roze kleedje dat aan de randen afgelijnd was met een wit biesje. Dezelfde kleuren als het konijn, maar dan omgekeerd.

Niemand was meer verbaasd dan het meisje zelf. Want zij had het konijntje in het park onder haar jas gestoken en zij wist dat het een bruine, niet zo propere pels had. Dit is een toverkonijn galmde door het hoofd van Joria. Dit mag ik nooit loslaten. Dit konijn gaat mijn leven veranderen. Niemand anders heeft dit.

Joria hield Celestein altijd bij de hand. Ze praatte er mee alsof het een mens was. Het konijn maakte haar sterk. Maar owee als ze het even niet vond. Dan was ze echt in paniek. Ook wanneer iemand zei dat het toch maar een gewone vod was. Die bliksemde ze neer met haar ogen, zoals alleen zij dat kon. Er was de wereld van iedereen en er was de wereld van Joria en haar konijn.

Als ze ging slapen bewoog ze de stof van het konijn de hele tijd tussen haar vingers. Ze hield van het knispergeluid. Zo knisperde ze zichzelf meestal in slaap. Zelfs wanneer ze sliep lieten haar vingers zonder ophouden het konijn knisperen. Het gaf haar een goed gevoel.
Zij bleef haar konijn gewoon ‘konijn’ noemen. De naam Celestein was een idee van mama. Haar mama die met de beste bedoeling konijn in de wasmachine had gestoken.
Maar wat een drama. Konijn knisperde niet meer. Het was properder nu, zoals mama wou, maar het leek inderdaad niet meer dan een gewone lap stof geworden. Alle leven was weg uit het konijn.

Joria was ontroostbaar. Avond na avond huilde ze zich in slaap. En toen haar tranen op waren werd ze boos op mama. Zo boos was ze nog nooit geweest. Haar konijn betekende alles voor haar. En dat had mama nu maar eventjes kapot gemaakt.
Waarom kunnen kindjes mama’s en papa’s niet straffen als die iets fout doen? Zij straffen ons zoveel zij willen. Dat is niet eerlijk.
Joria had het gedurfd van dat vlakaf aan mama te zeggen. Mama was geschrokken, maar wou nu niet te zeer tegen Joria ingaan. ‘Kindjes moeten naar mama’s luisteren, omdat mama’s ouder zijn en hun kindjes op die manier leren leven’, zei mama daarop.
‘Dan moet jij toch naar jouw mama luisteren, die is ouder dan jij. Of moet dat niet meer? Van wanneer moet dat dan niet meer? ‘
‘Maar kindje toch, oma is oud, en op een bepaald moment weten oude mensen het niet meer zo goed’, zuchtte mama, en ze wist op voorhand dat haar dochter hier geen vrede mee zou nemen.
“Oma is te lief ja, om aan jouw oren te trekken. Oma zal waarschijnlijk zeggen: Mama doet haar best. Wel, ik doe ook mijn best. Maar je kunt je best doen en toch fouten maken. Zoals met mijn konijn.”

Mama zag wel dat Joria boos bleef omdat zij haar konijn gewassen had. Maar wat kon ze er nu aan doen?
Fox was de eerste die naar een oplossing zocht. Op een avond wachtte hij tot Joria in slaap was gevallen. Voorzichtig nam hij Celestein uit haar hand en ging er mee naar de keuken. Daar stopte hij het pluchen konijn in het diepvriesvak van de koelkast. Misschien zou het knisperen terugkomen door een nachtje in de kou?

Die ochtend was hij Celestein vergeten. Ze moesten snel naar school. ’s Avonds haalde hij het konijn uit het diepvriesvak. Het was een stijve plank geworden. Je zou er mee kunnen pingpongen. Zonder dat Joria het merkte stopte hij Celestein in het opwarmkastje van de chauffage.
Toen ze gegeten hadden zocht Joria naar haar knuffel. “Oh, Joria, ik vond dat Celestein vanmorgen zo koud had en ik heb hem in het kastje van de chauffage gestopt…Sorry dat ik dat niet gezegd heb, maar we moesten ons haastenvoor school…” Fox trok een afwachtend gezicht. Misschien zou Joria nu ook boos op hem worden. Het tegendeel was waar.
Ze liep naar de radiator, deed het deurtje open en haalde er Celestein uit, die geen stijf plankje meer was maar toch nog koud aanvoelde. “Dankjewel, Fox”, zei Joria met stralende oogjes, en tegen konijn: “je was toch niet bang, hé, toen Fox jou in het kastje van de chauffage stopte? Fox heeft goed voor jou gezorgd. Maar je hebt nog altijd koud. Kom maar bij mij, misschien ben je toch nog mijn toverkonijn?”

Fox straalde, mama had tranen in haar ogen. Hoe kon ze het goed maken bij Joria?

Ze had al wel eens gehoord van knisperfolie. Als ze die nu ergens zou kunnen vinden, zou ze die misschien in het konijn kunnen innaaien. Zou dat een verschil kunnen maken?

Ze durfde er niet aan denken dat dit pluchen speelkonijn ooit het zieke konijn uit het park was geweest. Als dat echt waar is zitten er misschien nog de darmpjes van het konijn en zijn hartje en al de rest nog in wanneer ik het openknip om er knisperfolie in te steken? Of duizenden wormpjes die alle ingewanden ondertussen hebben opgepeuzeld? Mama rilde bij de gedachte. Neen, daar durfde zij niet aan beginnen. Misschien dat oma het wel wil proberen?

Natuurlijk wou oma haar kindje helpen bij het helpen van haar kindje. Ze moest zelfs niet op zoek naar knisperfolie, ze had gewoon een lege zak chips meegebracht. Die knipte ze op maat van het konijn, maakte hem met losse steekjes hier en daar vast en naaide er een nieuw laagje witte stof over. Daarna borduurde ze de oogjes van het konijn iets groter zwart.
“Op die manier zou ik het ook kunnen”, zei mama toen oma het knisperkonijn teruggaf. “Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan”, lachte oma. “Och, je moet niet altijd alles tot op het laatste draadje willen uitpluizen” knipoogde oma naar mama.

Die avond lag Celestein zoals gewoonlijk naast het hoofdkussen op Joria te wachten.
Toen Joria konijn vastpakte en konijn zoals vanouds knisperde, leek het wel of Joria door de bliksem getroffen werd. Ze werd spierwit en daarna rood van opwinding.
“Je knispert!” riep Joria. “Konijntje, konijntje, konijntje je knispert terug! Fox! Konijn kan terug knisperen… En kijk die ogen. Kijk es hoe groot die naar mij kijken. Dag zoeteke, ben je terug? Oh, wat heb ik jou gemist. Mama, mama kom vlug, Celestein is terug.”

Mama kwam de trap op gehold. Fox mocht konijn als eerste even in zijn handen houden.
“Ik vind dat Celestein naar chips ruikt”, zei Fox.
“Foòòx” zei Joria verveeld.
“Maar dat is net goed, Joria”, zei Fox snel. “Dat betekent dat Celestein echt terug is en dat hij zich nog meer dan vroeger aan jou wil aanpassen. Hij weet hoe graag jij chips eet.”

“Zo is het maar”, zei mama, die tevreden de kamer in keek.
“Maar mama beloof mij dat je konijn nooit meer in de wasmachine zult steken.”
“Beloofd”, zei mama en ze spuwde tussen haar vingers zoals de Stampertjes dat deden in de film van Pluk en de Pettenflet. “Bah, mama, wat doe je nu weer? Dat was recht in mijn gezicht. En jouw speek stinkt”, zei Fox die daarmee een mooi verhaal minder mooi beëindigde.

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Joria en het knisperkonijn

In de vakantie vertelde ik de kinderen voor de vuist weg over Pjotr de globetrotter. Omdat ze er steeds meer van wilden horen, schreef ik voor hen een avonturenboekje over Pjotr. Toen ik er weer uit voorgelezen had zei Gloria:”Opa ik vind die avonturen ook wel leuk, maar wanneer schrijf je eens iets voor mij alleen?”
Ik beloofde over haar knuffel te schrijven. Dat werd een ‘knisperkonijn’.

Celestein was een flodderkonijn. Het magerste konijn dat je kon indenken.
Als je het zag liggen zou je denken dat iemand een stofvod vergeten had. Een stofvod met lange oren. Zijn oren waren langer dan die van andere konijntjes. Het leek of alleen zijn oren groeiden. Omdat hij zo klein was, sleepten zijn oren achter hem aan. En hij kon al zo moeilijk lopen. Overal en altijd was hij de laatste. Zeker ook als het eten verdeeld werd. Al keek hij zo uitgehongerd en droevig, niemand dacht er aan met hem delen.
In de drukte vergaten ook mama en papa hem vaak. Terwijl zijn broertjes en zusjes mooi rond en gezond opgroeiden bleef Celestein plat als een vaatdoek. Het leek of hij er niet bij hoorde.
Hij woog zo licht dat de broertjes en zusjes hem wel eens van de ene naar de andere gooien. Niet als een bal maar als een frisbee, een platte pannenkoek. Celestein sloot dan zijn oogjes en gaf geen kik. Hij kon zich toch niet verweren. Hij had de kracht er niet toe en er was niemand die het voor hem opnam. Laat maar waaien die plagerijen. Terwijl waaien in de wind niks voor hem was, want dan vloog hij gewoon weg. Joelend liepen de anderen hem achterna. Tot hij in de takken van de bomen bleef hangen. Dan keerden ze hun rug en zochten een ander spel. Terwijl Celestein daar bleef hangen. Alleen een forse rukwind kon hem terug op de begane grond brengen. In plaats van zijn broertjes en zusjes te berispen, lachte papa er mee en noemde Celestein een wegwerpkonijn.

Op een dag had het gesneeuwd. Ook dat was erg voor Celestein. Want meestal moest hij buiten slapen. Omdat alle plaatsjes in het warme nest al bezet waren.
Die dag lag hij half buiten, half in de ingang van het nest. Zo bleven zijn pootjes en een deel van zijn rugje droog en een beetje warm. Zijn lange oren lagen helemaal buiten als skilatten in de sneeuw. Niemand die er op lette. Niemand die kon zien hoe tegen de ochtend een wolkje sterrennevel over Celestein neerdwarrelde. Zonder te verbranden droogden zijn oren zo snel op dat het laagje sneeuw geen tijd had om te smelten.
De sneeuw was naar binnen getrokken en opgedroogd. Het knisperende geluid dat je hoort als je door de sneeuw loopt zou voor altijd bij Celestein blijven.

De familie konijn wist nu helemaal niet meer wat ze met Celestein moest aanvangen. “Celestein is een knisperkonijn. Hij zal ons altijd met zijn knispergeluid verraden. Leeft hij eigenlijk nog wel? Hij ligt daar maar stilletjes te zijn, tot hij beweegt of je hem aanraakt. Dan is het knisper, knisper, knisper.”
De familie konijn liet Celestein liggen en huppelde verder alsof Celestein nooit had bestaan.

Celestein stond er nu helemaal alleen voor. En alleen kon hij het niet redden. Als er niet vlug een oplossing kwam zou hij voor altijd tussen de gevallen bladeren verdwijnen.

Op een dag passeerde Joria langs het weggetje waar hij lag. Ze was amper vier, maar kende wel honderd liedjes die ze de hele dag door zong. Haar broer, die enkele jaartjes ouder was, zong vaak mee maar kreeg het op zijn heupen als Joria altijd maar hetzelfde zong. Omdat hij niet luider dan haar kon zingen, begon hij er iets heel anders doorheen te zingen. Om Joria te dwarsbomen. Ze waren wel de beste vrienden, maar soms konden zij zo uit het niets tegen elkaar opvliegen. Zelfs als ze goed aan het spelen waren. Het volstond dat de ene de andere op de zenuwen werkte. Maar de uitbarstingen duurden nooit lang. Ze konden elkaar niet missen.
Haar broer heette Fox. En om daar geen twijfel over te laten bestaan, droeg hij dag en nacht een muts die zijn oma voor hem gebreid had en waarop wel tien vossensnuitjes stonden.
Toen Joria Celestein vond en wou oprapen was hij de eerste die riep dat zij dat moest laten liggen. “Dat is een dood konijn, Joria, dat zit vol van bacteriën.”
“Maar kijk ’s hoe mager en wat een lange oren.”
“Waarom denk je dat het zo mager is, Joria? Omdat het ziek is natuurlijk.”
Mama was er bij gekomen en gilde “Joria, gooi dat weg. Onmiddellijk.”
Joria bleef staan, met haar blik naar de grond gericht. Dat deed ze altijd als ze berispt werd. Minutenlang soms.

Mama wou het konijn niet zelf aanraken en zei opnieuw : “ doe dat weg Joria. Nù!”
“Maar ik voel dat het nog leeft. Laat ons ermee naar de dierenarts gaan.”

Mama nam Joria bij de arm waarin ze het konijn droeg en schudde met die arm in de hoop dat Joria Celestein zou lossen. Dat deed Joria natuurlijk niet. Zij trok zich integendeel los en stapte weg van mama en Fox.
“Joria, waar ga je naar toe?”
“Ik ga het konijn in veiligheid brengen.” Mama keek haar na. Joria verdween achter een dikke boom langs de weg. Toen ze terug tevoorschijn kwam had ze geen konijn meer in haar hand.
“Ik weet wel, liefje”, zei mama “dat jij dat konijntje wou redden, maar het was ziek of misschien al dood en dus niet te redden. Jij zou er zelf ziek van kunnen worden.”
“Zie je wel, Joria. Ik had het gezegd, hé”, zei Fox. Joria gaf Fox een duw.

Ze gingen naar huis. Over het konijn werd niet meer gesproken.

’s Anderendaags wou Joria na school terugkeren langs het park. “Heel even maar, Fox. Ik wil zien of het konijn nog leeft.”
Celestein lag nog altijd op de plaats waar Joria hem verborgen had. Ze raapte hem op en hield hem tegen haar wang. “Joria!”, riep Fox, maar Joria luisterde niet. “Dit konijn is ons geheim, Fox. Ik wil het redden.” Fox draaide met zijn ogen en ging op de weg staan alsof hij de wacht moest houden.

Joria had inpakpapier meegenomen. Zo van dat heel zachte witte, waarin kostbare dingen worden gewikkeld. Ze legde Celestein er in en plooide het papier toe. Daarna stak ze het onder haar jas, tegen haar hart. Misschien gaat het hartje van het konijn terug kloppen samen met mijn hartslag, dacht Joria.

Ze kwamen thuis. Mama stond hen op te wachten in de deuropening.
“Dag liefjes, hoe was jullie dag op school?” Fox vertelde over de nieuwe woordjes die ze geleerd hadden en over de maaltafel van drie die ze moesten instuderen.
Joria was zo bezig het woord van Fox af te pakken en haar verhaal te doen, dat ze niet eens merkte dat mama haar jas openritste en er een pakje op de grond viel. “Wat heb je daar?”, vroeg mama, zonder ook maar een seconde aan het konijn in het park te denken.
Joria veranderde enkele seconden in een standbeeld. ‘Ontdekt’, was het enige wat ze kon denken.

Onder haar jas droeg ze een roze truitje dat afgelijnd was met een witte boord. Het witte lijntje herhaalde zich ook bij de zakjes. Roze en wit. Zo zag het konijn er nu ook uit. De rug was wit, het buikje roze. Ook de grote oren waren wit en de binnenkant roze.
Joria keek met grote ogen naar het konijn. Wat was er gebeurd? Hoe kon dit zijn? Celestein had de kleuren van haar truitje aangenomen. Zomaar. En niet alleen de kleuren, maar ook de zachte stof. Joria kon niet antwoorden. Ze bracht alleen maar haar beide handjes naar haar mond. Hoe zou zij kunnen weten dat de sterrennevel die Celestein had betoverd er voor had gezorgd dat Celestein, die altijd alleen was, zich zou aanpassen aan wie lief voor hem was.

“Van wie heb je dat gekregen”, vroeg mama.
“Euh, … van de juf”, antwoordde Joria en daarbij trok ze zo groot mogelijke ogen, opdat die niet zouden knipperen en mama daar uit zou afleiden dat ze zomaar iets vertelde.
“Ben jij dan kindje van de dag?”
“Ik ben kindje van de dag, kindje van de week, kindje van het jaar”, lachte Joria.
“Kindje, kindje, kindje, kindje laat windje”, plaagde Fox. “Wanneer ga jij een groot meisje worden, Joria?”
Joria bekeek hem niet, maar deed of ze met een pistool naar Fox schoot. “Pieuw!”
“Kindje laat weer een windje”, reageerde Fox.
Joria haalde de schouders op. Zij had geen zin in Fox zijn vossenstreken. Nu moest ze mama een goed antwoord geven.

“Ik heb aan de juf verteld dat wij gisteren in het park zo’n mager konijntje gezien hadden met heel lange oren. De juf zei dat jij gelijk had, dat het misschien wel vol microben zou zitten, maar dan liet ze mij dit langoorkonijn zien dat al jaren in de kast van de klas lag. Wanneer je belooft van er goed voor te zorgen, mag jij langoor mee naar huis nemen. En ik heb gezegd dat ik daar heel goed voor ging zorgen.”

“Het is een mooi konijn”, zei mama. “En ik ben er zeker van dat jij er goed zult voor zorgen. Hoe lief van de juf dat zij jou zo’n mooi cadeau geeft. Je moet misschien morgen iets meenemen voor de juf…”
“Nee, dat is echt niet nodig, want de juf heeft me gezegd dat dit ons geheimpje is en ze gaf daarbij een knipoog.”

Toen mama de volgende dag de aandacht van de juf probeerde te vatten en naar haar knipoogde, vond de juf dat blijkbaar niet leuk, want ze stapte weg zodat mama haar niet meer kon zien.

 

Vanaf die dag waren Joria en haar knisperkonijn onafscheidelijk. Ze had tientallen poppen en knuffels. In alle formaten en kleuren. Poppen met een poppenhuis en een kast vol kleertjes. Beertjes die zacht waren als een kussen en dus onmisbaar als ze ging slapen. Maar voortaan mochten die alleen nog aan het voeteneinde.

Alleen haar knisperkonijn mocht nog bij haar zijn. Dicht bij haar, mee onder het dekbed. Zelfs wanneer ze in diepe slaap was liet ze Celestein tussen duim en wijsvinger knisperen. De enkele keer dat ze ’s nachts huilde was wanneer ze in haar slaap haar konijn uit bed had laten vallen. Zag je Joria dan zag je Celestijn haar konijn aan haar hand of onmiddellijk in de buurt.
Soms dacht ze wel na of ze haar konijn ooit zou kunnen missen. Ze kon toch niet als ze groter werd en misschien prinses in zo’n mooi stralend kleed met pareltjes en glitters nog altijd zo’n speelgoedkonijn in haar hand houden? Het wit konijn was nu al bruinig grijs geworden.

“Hoe ga jij je konijn noemen”, vroeg mama op een dag.
“Gewoon ‘konijn’, dat is toch goed? Meer moet dat toch niet zijn?”
“Ik zou het Fluwijn het knisperkonijn noemen”, riep Fox.
“Fo-ôx!” Jij hebt daar niks aan te zeggen. Het is mijn konijn.
“En Celestein?”, kwam mama tussenbeide. Dat rijmt ook op konijn.
Joria zuchtte. “Oké dan”, zei ze, maar ze bleef Celestijn verder “mijn konijn” noemen.

Soms sprak Joria konijnentaal met Celestein. Niemand kon haar dan verstaan behalve haar konijn. Althans zo leek het er toch op. Niemand kon de antwoorden van Celestein horen, maar je zag Joria luisteren en dan weer verder praten alsof ze zei:” ja, je hebt gelijk, maar vind je ook niet dat…” Alsof het een echt gesprek was tussen twee personen. Op die manier vertelde Joria alles aan haar konijn.
Fox en mama luisterden soms op afstand met verbazing mee.

Op een keer toen mama zich betrapt voelde dat ze aan het luistervinken was zei ze lachend: “ niet roddelen, hé Joria”. Onmiddellijk antwoordde Joria: “Roddelen? Denkt u dat ik zou roddelen? Dat doe ik echt waar nooit. Als ik over Fox vertel is het allemaal waar wat ik zeg.”
“Dan is het in orde”, zei mamma, waarmee ze hoopte dit onderwerp te kunnen afsluiten.
“Maar ik wil wel ’s weten wat jij over mij aan dat konijn vertelt”, reageerde Fox nu.
“Och Fox, dat weet je goed genoeg. Jij hebt mij gisteren pijn gedaan”.
“Dat is niet waar, wij waren aan het spelen en jij bent gevallen.”
“Maar jij wou mij niet loslaten en daarom ben ik gevallen.”
“Hoe kan ik weten dat jij geen leugens aan dat konijn vertelt? En daarbij, dat konijn heeft daar toch geen zaken mee. Zelfs al was het een echt konijn, maar dit is gewoon een lap stof, een vod.”
En toen vloog Joria Fox naar de keel. Je mag haar plagen, maar niet met haar konijn. Voor haar is Celestein echt. Een beste speelkameraad, die naar je luistert en waar je al je geheimen aan kunt vertellen. Ook wanneer je wel eens verdrietig bent en het gevoel hebt dat je er met niemand over kunt praten, dan is er altijd Celestein.

Het was dan ook een ramp voor Joria toen mama Celestein in de wastrommel had gegooid.

Joria was thuisgekomen van school, had naar Celestein gezocht, mama had haar verteld dat die in de was zat en Joria werd bijna gek. “Mama, alstublieft, zet die machine stil. Celestein gaat dood.”
“Maar Joria toch, doe nou eens gewoon. Jouw konijn moest toch wel eens ooit in de was? Dat is toch niet zo erg? We zullen haar direct in de droogtrommel steken…”
“Neen, mama, niet doen.” Joria bleef het hele wasprogramma huilend voor de wasmachine zitten. Nu en dan zag ze Celestein passeren. “Hij roept om hulp”, zei Joria. “Konijnen kunnen niet zwemmen en hij wordt misselijk van al dat draaien.”
Mama werd er zenuwachtig van. “Kom, kom, meisje, niet overdrijven, hé. Dit is toch maar een pluchen vod waar jij weliswaar aan gehecht bent, maar toch…”

“Neen, mama. Celestein is het konijn uit het park dat ik van jou niet mocht redden. Omdat ik er zo lief voor was heeft het zich omgetoverd tot een pluchen konijn in dezelfde kleuren als het kleedje dat ik die dag aan had…”

“Joria hou op met die onzin. Je hebt me zelf verteld dat jij dit konijn als troost van de juf gekregen had.”
“Dat heb ik verzonnen, mama, omdat jij mij anders niet zou geloven.”

Mama wist niet meer wat ze moest zeggen. Dit kan het konijn uit het park niet zijn. In het park zagen we een stervend, maar echt konijn. Dit is een speelgoedje.

Joria was ontroostbaar. Toen Celestein uit de droogtrommel kwam was hij zo proper als een vers gewassen onderbroek of washandje. Hij was niet echt opgewold, maar hij knisperde niet meer. Alle leven was er uit verdwenen. Joria had een lap stof in haar handen. De betovering was weggewassen.

Celestein was niet meer. Omdat mama er niet in geloofde.

Met wie moest Joria nu praten als ze verdriet had?

Joria voelde zich verlaten. Het zou nog jaren duren vooraleer ze een vriendje had. Gelukkig was er nog Fox om samen mee op te groeien.

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Het motto van Otto

Otto zit op mijn schoot te gloeien van koorts. Als een hartverwarmend kacheltje. Met oogjes die blinken, een neusje dat loopt en schoudertjes die hangen. De held lijkt geveld. Meestal is hij lief en levendig. Een spring in ’t veld, geheid in vijfde versnelling want slow motion is voor sissies.

Alles geven!’, zou het motto van Otto kunnen zijn. ‘Tadààà!’ Tot de tank leeg is.
Als hij in zijn bedje wordt gelegd zal hij nog zeggen: ”Otto wil niet slapen…”, maar ligt hij neer, met de beentjes opgetrokken en zijn poepje in de lucht is hij vertrokken. Hij heeft alles gegeven.
Wat een wonder, zegt men vaak van een mooi en bijzonder kind. Otto is meer dan een lief, schattig, grappig en intelligent wonder. Hij is de gelukkige zoon van mijn zoon.

Ik schrijf ‘gelukkige’, omdat ik zelden een kind zo dartel en opgewekt door de dagen heb zien huppelen.

‘Lopen’ roept hij en vertrekt met zijn armpjes hoog opgetrokken voor enkele rondjes rond de tafel. Om dan als een jong veulen van blijdschap in alle richtingen rond te springen of van zottigheid zo snel een pirouette te draaien dat hij even van de grond raakt en uit evenwicht neerploft. Otto schrijft ‘Levenslust’ telkens weer met een hoofdletter.

Hij schakelt, zo mogelijk, nog een versnelling hoger als op donderdag Fons en Gloria van school komen. Het lijkt wel of hij hen in jaren niet gezien heeft, zo staat hij te dansen als ze binnenkomen in de hal. “Kom Fons, springen” roept hij en dan springen ze minutenlang met z’n drietjes in de zetel. Dat hoort bij de begroeting. Als Fons even later rustig naar een filmpje op de computer wil kijken valt hij hem in de nek “ik ben een leeuw brrrauwww”. Blijft de reactie uit, dan klopt hij hem op zijn rug “Fonsje, wakker worden.” De liefde is groot en wederzijds. De knuffels zo mooi en talrijk.

Fons en Gloria komen dan van school, maar Otto heeft er ook al een hele dag activiteit opzitten.
Als hij ’s morgens binnenkomt trekt hij zijn jasje uit, gooit het met zijn muts in de jassenkast en stoomt de gang door roepend : ”kom opa, spelen.” Met een bal, met de Lego, met de knikkerbaan. “Kom opa, binnen” en dan moet ik bij hem in zijn tentje kruipen. Als ik dan voorovergebogen zittend net binnen kan, met mijn benen buiten de tent, trekt hij mijn benen naar binnen en legt ze desnoods in een knoop. Ik probeer zo te blijven zitten in de hoop dat ik geen krampen in mijn kuiten krijg. Maar daar moet ik niet op wachten, want daar klinkt al: “ Opa buiten” en hij duwt me buiten. Nog voor ik ben recht gekropen is het terug van “Opa, binnen, Opa kom binnen”. Ik geniet ervan ook al zou hij het tien keer herhalen.

Later zit hij aan tafel in zijn Tripp trapp-stoel op zijn eten te wachten. “Opa hier zitten”.
Ik zet me naast hem en dan zegt hij “Opâa… De “O” houdt hij kort, de “a” lang in een klim naar boven. “Ja, Otto”, zeg ik dan. Hij kijkt naar mij met die bolle donkere ogen en opnieuw “Opâa…. “Ja, Otto”, “Opâa….
Ik voel me uitverkoren. Gelukkig. Zoals hij. Zeker wanneer hij dan zijn kleine handje op mijn schouder legt. Ik denk dat deze mantra ook voor hem meer betekent. Het is een bevestigend ritueel, oog in oog. Wij zijn vrienden.

Otto is pas twee. Maar hij praat alsof hij vier is. Dat heb je met een kind dat ‘krokodil’ zei als een van zijn eerste woordjes. Hij heeft met het plakboek van Nijntje woordjes geleerd. Krokodil, kikker, boom, vliegtuig, sneeuwman en Nijntje uiteraard. Eerst kan hij ze aanduiden, dan leert hij ze ook benoemen. En als hij dan een vliegtuig hoort passeren legt hij de link, gaat zijn vingertje naar de juiste plakker en zegt hij ‘vliegtuig’. Nijntje is de eerste van zijn vele helden. Hij lijkt dan ook thuis te komen als hij met zijn ouders naar de Nijntje-tentoonstelling gaat. Iedereen houdt afstand of wordt op afstand gehouden. Otto gaat gewoon in het bad van Nijntje zitten en doet of alle decorstukken zijn meubels thuis zijn.

Hij heeft niet alleen een uitgebreide woordenschat, hij ziet ook verbanden. Het kanon van het piratenschip van Lego, drie centimeter groot, linkt hij moeiteloos aan het kanon van de majoor uit de film ‘Pluk van de Pettenflet’. Het is zijn favoriete verhaal. Hij identificeert zich met Pluk. Hij moet ook een pet op andersom en de Explorer van Fisher Price is zijn takel. Een van de beertjes is het kleine eekhoorntje met hoogtevrees dat gered moet worden door Pluk met zijn takel en door Otto met zijn Explorer.
Laatst zag hij een duif op de tuinmuur. “Dolly, Dolly, kom hier. Pas op voor het venster.” Dolly is in het verhaal van de Pettenflet een vogel die zijn vlucht niet kan afremmen en door het raam vliegt of tegen de struiken.

Ik geniet elke seconde van de manier hoe hij loopt, van wat hij zegt, van hoe hij het zegt.
Je kunt niet alles noteren en vastleggen. Je kunt alleen maar blij zijn dat je het levend kunt meemaken. En in de herhaling wanneer mijn vrouw en ik ’s anderendaags vertellen wat we gehoord en gezien hebben en wat we ervan herinneren.

Gisteren zei hij mij bijvoorbeeld in het voorbijgaan : “Ik heb ruzie gemaakt met oma.” Je kunt dat tafereel moeilijk beschrijven hoe hij voorbij stapt en à propos met zijn blik schuin naar boven naar mij zoiets zegt. Oma had ‘neen Otto’ gezegd en hij had ‘neen oma, dat mag je niet zeggen’ geantwoord, terwijl hij tegen haar been tikte. Naar zijn gevoel hadden ze dus een discussie. ‘Ik heb ruzie gemaakt met oma’, was een perfecte zin om dat gevoel uit te drukken.
Hij heeft dat zinnetje opgepikt in de crèche, waar ze de kindjes elke dag op het hart drukken geen ruzie te maken. De crèche weerspiegelt Antwerpen, met bijna evenveel nationaliteiten. Hij moet er zijn mannetje staan. En dat doet Otto met verve. Denk ik.

Hij loopt een beetje rood aan van opwinding als hij mij aan de deur van het klasje ziet. “Opa!” roept hij en springt in mijn armen. Van uit de hoogte wuift hij naar de achterblijvertjes: “dag kindjes” en denkt “so long suckers”. Ik ben veilig bij opa, en vooral ik ben hier weg.

Enkele weken geleden moest ik Fons en Gloria van school halen en daarna Otto van de crèche. Het was voor hem een verrassing dat zijn beste vrienden er bij waren. Otto was zoals steeds door het dolle heen. In triomf stapte hij door de gangen naar zijn kastje met zijn jasje. Met een arm omhoog riep hij: “ik ben Otto! Dit zijn Fons en Gloria, ik ben Otto! Dit zijn Fons en Gloria…” alsof hij iedereen wou waarschuwen: let op ik heb mijn lijfwachten mee.

Kinderen weten meer dan wij kunnen vermoeden. Voor taal echt in zinnen doorbreekt, zie je soms hun denkproces achter een raak gemikt woord. Hij was anderhalf jaar oud toen hij demonstreerde dat hij doorhad dat er nog auto’s waren zoals die van papa (Volvo), van opa (Mercedes), van andere opa (Volkswagen), van Amelie (Renault). De sleutel waren de logo’s. Dit lijkt misschien voor de hand te liggen, maar hoeveel is er niet dat ons ontgaat? We vonden het een jaar geleden grappig als Otto streng met zijn vingertje in alle richtingen wees en daarbij iets onverstaanbaars brabbelde. Tot hij het beu zal geweest zijn dat wij niet naar zijn wens reageerden en zijn wijzen in alle richtingen beëindigde met de hint: “boer”. Bleek hij al de hele tijd de boer uit ‘Shaun the sheep’ te imiteren. Die ontdekking was een Eureka-moment. Otto die met zijn vingertje naar hier en ginder wijst en daarbij, zoals de boer, “woda, wo, da, bie, helà” brabbelt en dan plots die perfect uitgesproken “boer” daarachter. Toen ik hem vroeg “Otto, bedoel je de boer van Shaun the sheep”, reageerde hij opgelucht “Mèèèh”.
We verschillen 65 jaar en we verstaan elkaar. En hij weet dat.

In de film van “Shaun the sheep” komt een melodietje dat a-capella geneuried wordt door de schapen. Het is schitterend hoe Otto dat melodietje probeert te neuriën en mij dan aanstoot om de melodie voor hem te vervolledigen. Hij weet dat ik mee ben in zijn gedachtewereld. Ik zou er bij kunnen huilen, flauwerik die ik ben. Otto doet daar niet flauw over. Hij rekent er op dat ik zijn gedachten aanvul. Wij tegen de rest.
En hij zegt dat ook letterlijk. Zoals gisteren. We hadden samen chocolademelk gedronken. Ik zit tussen Fons en Otto in, en lach met de chocolademelksnor van Fons. Die trekt gespeeld een boos gezicht naar mij en steekt zijn vuist op. Otto ziet dat en pakt mij met zijn twee armpjes in bescherming en zegt streng tegen Fons: “Dit is mijn opa.”

Wat blijft er van hangen wanneer hij groter wordt, vraag ik mij af?
Fons, die vijf jaar ouder is, noemt mij nog dikwijls zijn beste vriend. Ik hoop dat het met Otto niet anders is. Wat de toekomst ook brengt.

Voorlopig wil hij vooral ‘werkeman’ zijn. Niet alleen wijst hij in boeken of op straat werkemannen aan. Hij wil vooral zijn papa volgen die, hoe briljant ook in zijn job van ontwerper en productontwikkelaar, voor Otto vooral de man is die een geweldig huis steen na steen ombouwt met een precisie en veelzijdig vakmanschap dat weinigen hem zullen nadoen.

Naast ‘werkeman’ is Otto dezer dagen vooral ook ‘sleutelman’. Hij moet de sleutels van de auto in handen hebben, hij opent deuren van kasten en kamers met de sleutel en wanneer hij het huis binnenkomt wil hij geen seconde verloren laten gaan om de voordeur langs de binnenkant te sluiten. Hij is de sleutelman. Met zijn ontluikende talenten en gedreven door zijn “MOTTO VAN OTTO” komt hij later beslist op een sleutelpositie terecht.

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen

Fodie en Glodie bouwen een kamp

Fodie en Glodie zijn Fons en Gloria. Ik maakte voor hele en aantal verhaaltjes voor bij het slapengaan.

Er hingen strandhanddoeken op het droogrek dat uitzonderlijk in de strijkkamer stond. Meer was er niet nodig voor Fodie. “Ik ga een kamp bouwen”, zei hij met grote zekerheid.
“Ik ga ook een kamp bouwen” zei Glodie. Glodie, die twee jaar jonger is dan Fodie, heeft toevallig altijd dezelfde ideeën en plannen, maar altijd nadat Fodie ze heeft uitgesproken.

Fodie ging de kamers rond en verzamelde wat hij kon gebruiken voor zijn kamp. Een wekker, twee kussens van het bed, een tennisraket, een fleece uit de zetel, een zaklamp en twee oude stoelen. Een van de stoelen legde hij neer, op die manier was het zowel een auto als een keuken. De andere stoel moest rechtop blijven om de strandhanddoeken van het droogrek verder te laten reiken.
“Maar dan heb ik niks om een kamp te bouwen”, begon Glodie.
“Maar Glodie dit is òns huisje. Kijk, hier is de kamer, en daar is de keuken, en hierboven is de slaapkamer.”
“Dat is te klein, ik wil daar niet liggen.”
“Ik ga daar wel liggen” en Fodie kroop op de zitting van de stoel onder de badhanddoeken minder dan een voetbal hoog boven zijn hoofd. Hij lag zo plat als een kat en ronkte een beetje. Hij zat helemaal in het verhaal.

“Ik wil een ander kamp bouwen” en Glodie kroop vanonder de doeken en het droogrek uit. “Pas op”, riep Fodie, “je stapt in de zee en daarin zwemt een grote walvis en gevaarlijke haaien”.
“Och, dat is het tapijt, ik speel niet meer mee…”, reageerde Glodie, maar toe ze wou weggaan sloop Fodie uit zijn slaapplaats als een lenige kat rond het droogrek en werd zo een haai die gek werd van de honger en die met zijn scherpe tanden zo’n klein meisje als Glodie misschien wel in één hap kon opeten. Glodie had haar rug gedraaid als de haai zo groot als de kamer werd en met een vreselijke “wraaauw” op haar toesprong. Glodie schrok een halve meter hoog en gilde nog luider dan de haai had gebruld.
“Niet bijten, niet bijten” riep ze en vluchtte zo snel ze kon in het huisje onder het droogrek.

De haai was terug Fodie geworden en kalmeerde Glodie met goede raad. Kijk, hier buiten het huisje ligt een roeispaan, hij nam de tennisraket, en als de haai te dichterbij komt sla je maar met de roeispaan op zijn kop.

Glodie sloeg met de tennisraket op Fodie zijn hoofd. “Weg haaitje, weg.”
“Maar Glodie stop nu toch, auw, dat doet pijn!”
“Jij bent een haai en haaien moeten weg”
“Glodie dit is niet leuk en kijk je hebt ons huisje kapot gemaakt”.

Fodie moest het alleen terug opbouwen, maar dit keer volgde Glodie wel haar fantasie.

Ze zat te koken in de keuken van het kamp. En met de beker van de tandenborstels, bereidde ze koffie en tomatensoep met frietjes, terwijl ze haar ingebeelde dochtertje streng toesprak. “Neen, je krijgt geen dessertje zolang je tomatensoep met frietjes niet op zijn. Papa, kom ‘ns, waar ben jij, kijk es, zij wil weer niet eten”.

Fodie nam de tandenborstels in zijn mond en zei “hmm, lekkere frietjes.”
“Niet alleen van de frietjes snoepen, papa. Proef eens van de soep. Is ze niet te warm voor onze baby.”
“Juist goed” zei papa Fodie. Even was er rust in het huishouden.
Tot Fodie de zaklamp nam. Die had hij nog niet gebruikt. Hij scheen er Glodie mee in de ogen. “Doe dat niet”.
“Haha, jij kunt mij niet zien” lachte Fodie en hij deed lustig verder.
“Stop ermee.. Ik wil de zaklamp”
“Neen, die is voor mij…”
Glodie zette haar tanden op elkaar. Fodie wist dat zij dan wellicht ten aanval trok. Ze greep Fodie bij de arm en zetten er flink haar nagels in.
“Jij mag niet meer in mijn kamp”, zei Fodie.

Op dat moment kwam mama de kamer binnen. “Fodie, Glodie, waar zitten jullie. Ik zoek jullie overal…”
Fodie scheen nog altijd met de zaklamp in Glodie haar ogen, Glodie had haar nagels nog altijd in Fodie zijn arm, maar tegelijkertijd brachten ze hun andere arm naar hun mond, om hun gegiechel tegen te houden. Hun ruzie was voorbij. Van uit hun kamp kampten ze samen tegen mama. Ze zagen haar voeten en benen onder de handdoeken uit naast het droogrek staan.

“Ik denk dat ze hier in de buurt zijn. Wat een rommel hebben ze toch weer gemaakt. Ik zal eerst eens die handdoeken opplooien…”

“Mama, dit is ons huisje..” riepen ze allebei. “En je staat in een zee met gevaarlijke haaien!”
Mama deed een stap opzij, alsof een hongerige haai op weg naar zijn prooi geen metertje verder kon zwemmen. “wraaauw” brulden ze beiden.
Mama was een beentje kleiner.

 

 

Geplaatst in Fons, Gloria en Otto | Een reactie plaatsen