Alles plat behalve De Wever

“Wanneer ruil je die mountainbike eindelijk in voor een echte bompa-fiets?” “Je bent de zestig voorbij en grootvader. Ga toch eens rechtop zitten. Na één uur op die mountainbike kreun je een week van de pijn.” Mijn zoon vindt het dwaas dat ik nog over een mountainbike hang.
Hij heeft overschot van gelijk. Als ik binnenkort Fonske wil meenemen op de fiets, zoals zij vroeger tussen mijn armen op een stoeltje aan het stuur, moet ik wel een klassieke fiets aanschaffen. Maar mijn mountainbike loopt nog zo soepel dat ik er moeilijk afscheid van kan nemen. Ik kocht hem destijds om met mijn zonen op alle terreinen mee te fietsen. Zij kochten al verschillende nieuwe fietsen terwijl ik nog altijd mountainbike. Dat iedereen mij ondertussen voorbij vliegt, zelfs een vrouw met twee kinderen in haar bakfiets, neem ik er graag bij. Ik troost me met de gedachte dat ook bakfietsen geleverd worden met trapondersteuning.
Er is niks mis mee. Mijn ketting rikketikt bijvoorbeeld nog altijd zoals een goed lopende ketting hoort te rikketikken. En ja, één keer stond mijn pedaal kaduuk, omdat ik in mijn vlucht om een dwaze chauffeur te ontwijken over een te hoge middenberm probeerde te jumpen. M’n pedaal raakte het muurtje, mijn fiets maakte een kwartdraai, maar een tegenligger botste mij terug in de goede richting en ik belandde op m’n wielen en reed verder alsof ik regelmatig om te stoefen bokkensprongen maak. Maar naast dat pedaal-verhaal? Niet eens één platte band in al die jaren.
Kan het dan puur toeval zijn dat ik gisteren, enkele dagen voor ik mee moet naar de fietsenwinkel voor een bompa-fiets dan toch plat rij? Uitgerekend op de dag van de arbeid, wanneer alle winkels gesloten zijn? Mijn zoon kon niet weten dat ik zou gaan fietsen of waar ik zou fietsen, maar het is wel straf dat ik meteen niet één platte band heb, maar zowel voor- als achterwiel plat staan. Terug naar huis wandelen was geen optie. Mijn mobieltje had ik niet bij mij, maar gelukkig wel uitgebreid plakgerei in het zakje onder mijn zadel. Ik reed lek en lek in de doorsteek van het Rivierenhofpark langs de autostrade tussen de Collegelaan en de Sterckxhoflei. Als zo’n geprofileerde band van een mountainbike plat staat kom je geen meter meer vooruit. Meestal staan mijn banden op 2 bar, om de wrijving te verminderen.

Op een van de banken zat een fietser een Aquarias te drinken, geheel overeenkomstig de slogan ‘hydratation never tasted so good’. Hij zag dat ik zijn fiets monsterde op zoek naar een passende fietspomp en lachte me toe.
“Ik had vorige week prijs”, was het eerste wat hij me zei. “Hier ongeveer op dezelfde plaats. Misschien zit ik daarom nu op deze bank.”
“Ik denk dat ik twee keer prijs heb”, zeg ik, “voor en achter plat.” “Hoe is dat mogelijk”, zegt hij en hij steekt zijn vinger bezwerend naar mij uit: “dat is pas echt de Gordel”. Ik trok onmiddellijk mijn buik in, maar hij had het over de Gordel rond Brussel. “Gaan ze hier nu ook bloknageltjes gooien, ja?” Hij zag aan mijn gezicht dat ik geen zin in onzin had. Ik stond daar met twee platte banden en kon niet weg. Dan moet ik kunnen nadenken om de situatie te kunnen keren. Ik keek rond of er geen andere fietser in de buurt was met een fietspomp maar hij stak zijn pomp als lokaas vooruit. “Hier, fietsers moeten elkaar helpen, als wij niet meer solidair kunnen zijn, wie dan nog wel”, probeerde hij mijn sympathie te winnen, om onmiddellijk met zijn redenering verder te gaan. Ik had zijn fietspomp in mijn hand, technisch gesproken was er nu een verband tussen ons, maar daarom nog geen verbond. Vluchten kon niet meer. Je zag zo dat hij vastberaden was mijn hele pitstop vol te lullen.

“Weet ge het Mestputteke zijn? Dat is hier achter de hoek aan de Herentalsebaan. Weet ge wie daar nu woont in dat groot huis naast mevrouw Leemans, ge weet wel, ‘lenen bij mevrouw Leemans is lenen bij een vriendin’? “Bart De Wever” zei ik op een toon die de indruk moest geven dat ik zomaar wat gokte en van niks wist. “Bart De Wever, helemaal juist. Ik had het niet beter kunnen zeggen.”
Ik trok een grimas van tja, wat doe je daar aan en concentreerde mij verder op mijn banden. Als ik thuis een band moet plakken verdwijnt iedereen uit mijn buurt, want ik ben daar geen krak in en kan dan sakkeren alsof de wereld vergaat. Maar deze wielertoerist weet dat natuurlijk niet en gaat rustig door. “Hebt ge dat huis al gezien? Gij en ik kunnen ons zo geen huis permitteren.” Ik kan het moeilijk hebben als vreemden in mijn naam spreken. Wat weet die nu in welk huis ik woon en waar. Ik weet wel dat ik niet aan de Herentalsebaan zou willen wonen. Abou Jahjah heeft er gewoond en verder een oud lief van mij. Zou onze vriend hier weten waarom het Mestputteke het Mestputteke heet? De kak van de stad werd daar afgeleverd aan de boeren voor de bemesting van hun velden. Als dat geen dubbele bodem is? Stel dat die handel nog bestond, dan was Bart De Wever wellicht de kakbaron van Vlaanderen, of  Bart Kak zoals Jef Kak, zo noemen ze in Antwerpen iemand die denkt dat hij het is maar in feite niks voorstelt.
Alsof hij mijn gedachten kan raden, vervolgt hij: “Wat heeft die De Wever eigenlijk al gedaan, buiten op tv komen? Juist niks, en ik ben er zeker van dat er nooit iets van zal komen. Wat moet die bij de federale besprekingen zitten, als hij België kapot wil maken? Gaan we het beter hebben in VL-land? Die man heeft geen oplossingen. Roepen is makkelijk, maar een land is niet zo maar te splitsen. Hebben ze al ooit klaar en duidelijk gezegd hoe ze Brussel gaan oplossen? “
Ik heb mijn binnenbanden vrij gekregen en als een oude MacGuyver pak ik een stuk van een kapotgesneden voetbal die daar toevallig ligt en giet er mijn flesje Evian in. Al snel zie ik luchtbelletjes uit mijn ondergedompelde binnenband opborrelen. Ik feliciteer mezelf dat ik mijn aandacht zo kan splitsen, interesse veinzen voor mijn gastspreker en ondertussen toch een netelig probleem oplossen, hoewel, het is niet omdat ik het lek gevonden heb dat ik het ook kan dichten. Ik laat de vulcaniserende lijm nooit lang genoeg drogen, waardoor de rustinnekes onvoldoende plakken. Je zou kunnen chronometreren, maar mijn horloge heeft niet eens meer een secondewijzer, het glas is gebarsten en het toppeke is er af, maar toch blijf ik ze dragen, als herinnering aan weer een andere geliefde.
Meneerke Pomp lijkt ook nu mijn gedachten te kunnen lezen want hij zegt :”vijf minuten” en tikt op zijn horloge de chrono in. Ik kan niet anders doen dan wachten en luisteren. Ondertussen zoek ik naar het toppeke van het tubeke dat uiteindelijk onder zijn voet blijkt te zitten. Zou hij dat allemaal doen om mij bij zijn verhaal te houden?

“Hebt ge vanmorgen Caroline Gennez op de radio gehoord? Zij noemde de NVA de Nieuwe Vlaamse Arrogantie. Goed gevonden, hé.” Wie vriendelijk is voor Gennez is mijn vriend, wou ik zeggen, maar ik had me voorgenomen van geen voorkeur te laten kennen. Gelukkig stond ik daar te knoeien met mijn fiets, anders zou ik mijn mond niet zo lang kunnen houden. Ik neem te graag zelf het woord en politiek is samen met onzin mijn favoriete gespreksonderwerp. Waarschijnlijk omdat ze zo complementair zijn.
“Ze zijn net als die andere Vlaamse extremisten en hun grote Duitse voorbeelden alleen met zichzelf bezig, met hun propaganda-machine, met de volgende verkiezingen. Schieten op de anderen, dat kunnen ze goed, het volk een rad voor de ogen draaien, nog beter en denken dat ze boven iedereen staan, het best. Kritiek pareren ze verontwaardigd met een schutterige repliek. Ik denk dat ze daarvoor Bracke hebben toegelaten in de club. Die weet van iedereen wel iets dat niet mag geweten worden en bovendien kent hij de media en de communicatietrucs als geen ander. Hij moet het beeld van De Wever corrigeren, want ‘den Bart’ is eigenlijk tegen alles en iedereen en vindt alleen zichzelf goed, maar de propagandamolen weet die perceptie te keren. Met Bourgeois lukte dat niet, die wou de dictatuur al instellen nog voor ze veel stemmen haalden, daarom leggen ze die voortaan het zwijgen op.”

Waren die vijf minuten nog niet om? Mijn ogen begonnen pijn te doen van vriendelijk te staren. Ik kreeg er visioenen bij. Op de partijraad van de NVA zag ik Bracke naast Bourgeois zitten. Telkens er een moment van stilte is, veert Bourgeois recht en begint te zingen :”ze zullen hem niet temmeeuh…” Bracke, die uit zijn vorige carrière gewoon is mensen de mond te snoeren en het snorretje heeft van een leeuwendompteur, slaat Bourgeois met de vlakke hand op het hoofd, waarna Bourgeois in zijn stoel terug zakt en opnieuw voor zich uitstaart.

Ik moet zichtbaar aan het dromen zijn geweest want mijn pompbediende herhaalt nog ‘s: “ge moogt plakken…de rustinnekes.”
“Ik heb de laatste keer zelf ook voor De Wever gestemd”, verrast hij mij dan toch nog. “Ze kunnen met overtuiging liegen. Ons laten geloven dat alles beter wordt als we van die Franstaligen af geraken, maar toen ik hoorde dat hij een bonus wou geven voor elke werkloze die de RVA van den dop kon gooien heb ik begrepen hoe asociaal en dictatoriaal die NVA-ers zijn. Ik ben vierenvijftig en vind geen werk meer, hoe zeer ik ook zoek. Ge moet eens indenken wat dat met een mens doet als ze dan een heksenjacht op u openen, dat ze u willen dumpen, elimineren in feite. Dat de Vlamingen toch ’s nadenken: De Wever en zijn ploeg zijn niet bekwaam om een land te leiden, het lijken wel pubers met grootheidswaanzin.”
De buitenbanden kon ik zo met mijn duimen terug op hun plaats duwen, nu was het alleen nog pompen of verzuipen. Zouden we samen gaan aanbellen bij De Wever? Of geeft hij niet thuis en orakelt weer in de Zevende dag?
Ik bedankte mijn presentator van arbeidsvitaminen voor de pomp en het geduld.
“Ik moet u bedanken omdat ge zo vriendelijk naar mijn gezaag hebt geluisterd. Luisteren naar wat de ander zegt is een zeldzame gave in deze tijd. Ik zie het echt somber in, geloof maar niet dat de toekomst van Vlaanderen hier om den hoek ligt. Natuurlijk als de mensen voor hem blijven kiezen zullen we er door moeten, maar dan wordt het dikke “shit” van ‘t “Mestputteke”.
Ik kies een andere terugweg en besef eens te meer: ik ben te weinig “luisterend oor” en te veel kletsmajoor.
3/5/2011

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

Maak van die hoofddoeken toch geen hoofdzaak…

Nu ik bijna geen haar meer heb op mijn hoofd, mag ik zonder badmuts in het zwembad. Vroeger, toen mijn haren nog lang en belangrijk waren voor mijn imago, moest ik ze willens nillens in een idiote badmuts stoppen. Dat waren de spelregels. Zonder muts kwam je niet in het water. Zo werd ik ook een keer naar huis gestuurd omdat ik hippiegewijs op blote voeten naar school kwam. Het was nochtans geen uniformschool, maar het mocht niet. Uitgesloten. Of je werd uitgesloten. Als iedereen gaat doen waar hij of zij zin in heeft, zegden ze, is de samenleving zoek. Wie zijn eigen regels wil maken moet maar op een eiland gaan wonen. In een samenleving moet je de regels en overeenkomsten volgen. Zeker wie er later bij komt. Het is zo oud als Adam en Eva uit het aards paradijs. Ze konden alles hebben, zolang ze maar van die appelen bleven.
Regels komen uit de overlevering of groeien uit een consensus. Meestal zijn regels en overeenkomsten een afspiegeling van hetgeen in dat tijdsgewricht als een consensus over normen en waarden beschouwd kan worden. Voor de goede werking van een maatschappij, om het leefbaar te houden. Het is gezond dat die regels en reglementen voortdurend onder druk staan, dat de nieuwe tijdsgeest ze in vraag stelt en dat ze kunnen evolueren wanneer de algemene mening evolueert. Vroeger droegen de vrouwen hier ook een hoed of sjaal. En niet alleen in de kerk. Nu draagt alleen het koningshuis nog hoeden, met Fabiola op kop, als levende voorbeelden van mensen die niet evolueren.
Vroeger ging men volledig gekleed pootjebaden vanuit een cabine die tot aan de waterlijn werd getrokken. Ooit deed de minirok meer stof opwaaien dan nodig was om er een te naaien en waren hotpants ook in de populaire betekenis hot. Maar zie, in een slingerbeweging wordt de monokini tegenwoordig terug ‘aangekleed’.

Kleding heeft met identiteit te maken. Groepsidentiteit veelal. Wie een parka droeg zat in een andere groep dan zij die bomberjasjes droegen. Je had mods en rockers, Johnny’s en Marina’s, punkers en gothic. Alleen de jeans bereikt alle groepen van de bevolking. Een dress code staat niet alleen op dure uitnodigingen. Er zijn ook nu nog werkgevers die de lengte van het haar, de keuze van de kleding en het vuil onder de nagels van hun personeel controleren. Is dat erg? Een beetje maar.
Je weet dat wie bij Antwerp wil spelen, in rood en wit moet spelen. Zelfs de eerste burger van ’t stad, Patrick Janssens, zal daar niet in zijn GBA-uniformpje komen aandraven. Daarom blijft zijn slogan “’t stad is van iedereen” overeind, want hij kent de regels van het spel, wat kan en niet kan. Met zijn managerskwaliteiten zal hij waarschijnlijk zeggen: mannen, iedereen krijgt speelkansen en uitzicht op een vast contract en ik ga voor betere speelpremies pleiten en voor betere accommodatie zorgen, maar vergeet niet: de liefdevolle kleuren van Antwerp zijn rood en wit, dus laat die mauve-witte outfit thuis. Wie dat dan niet doet zet zich buiten de club, zoals Laila Ekchouchou van de “blijfvanmijnhoofdoek-club” die kost wat kost de hoofddoek wil opdringen.

Janssens zou niet democratisch zijn als hij geen hoofddoeken aan zijn loketten wil? Mag een samenleving, een school, een sportvereniging of een bedrijf nog wel zijn spelregels bepalen, alstublieft? Het zijn de enkelingen die daar misbaar over maken die de democratie niet respecteren. Zij zetten de wereld op z’n kop wanneer ze als minderheid even hun regels aan de goegemeente gaan opdringen. Wie ergens lid van wil worden respecteert eerst de reglementen alvorens zijn persoonlijke eisen te stellen. Het is de elementaire beleefdheid. Daar hoeft geen verdere uitleg bij.
Een stad besturen is geen sinecure. Zeker wanneer iedereen zijn eigen wetten maakt.

Iedere morgen maak ik met plezier een kleine wereldreis, die al kleur krijgt in de Driekoningenstraat. Ik ben altijd opnieuw gefascineerd door de chassidim Joden, met hun lange baarden, die als bij Tuizenfloot uitwaaieren als ze brommer rijden en zou het fijne willen weten van hun collectieve manie van hun hoeden met zakjes van de Carrefour of de Delhaize in te pakken wanneer er regen dreigt. In de Provinciestraat lopen Joden en Arabieren als mieren door elkaar en dichterbij de Carnotstraat lopen zwarte Afrikanen heupwiegend en vaak zingend door de straat. Zo verschillend van de kleine drukke stapjes van de Chinezen iets verderop in Chinatown. Ik kijk niet meer op van de totaal Noord-Afrikaanse Diepestraat waar het business as usual is, maar dan in slow motion. Ik schrik alleen wanneer ik via de de Plantin Moretus een binnenweg naar de Turnhoutsebaan neem, en de concentratie zwarte hoofddoeken zie van vrouwen die de kinderen naar Sint Agnes, een uniformschool van de nonnekens, brengen. In de blijde Inkomstraat zowaar. Het lijkt wel of ze de school gaan overvallen.
Het ligt niet zozeer aan de zakkleding, want de chassidim vrouwen en kinderen lopen er evenmin getailleerd bij en dat vinden we hooguit weinig aantrekkelijk. De hoofddoek, en hoe die gedragen wordt, bepaalt die overweldigende impact. Zo’n hoofddoek verbergt niet alleen het haar, maar ook de hals, de oren, het voorhoofd. Het maakt de mensen moeilijk herkenbaar en dat ervaren we als onaangenaam in onze open samenleving. Je gezicht verbergen is tegen de regels. Vraag dat maar aan mensen die een baard en snor hebben. Je zou nu zeggen zo iets banaals, maar hoeveel keer wordt er niet gevraagd of je soms iets te verbergen hebt. Voorschriften, gebruiken, gewoonten. In een moskee doen we de schoenen uit, Amerikanen leggen hun linkerhand op de knie bij het eten, Italianen zijn gekrenkt als je met duim en pink naar hen wijst, want zo wijs je de duivel af en wij, wij hebben niet graag dat iemand zijn gezicht verbergt.

Je krijgt geen solidariteit door op de Groenplaats te protesteren. Solidariteit houdt in dat andersdenkenden met jou meedenken en dat was daar niet het geval. Ook de platform-tekst brengt jullie niet verder dan het argument dat wij moeten luisteren omdat jullie gelijk hebben. Met deze verkeerde signalen wordt de hoofddoek belangrijker dan bijvoorbeeld de gedragingen van jongens die meisjes uitschelden voor hoer en lastigvallen omdat zij zich integreren of, wat het ergste blijkt, verliefd worden op een gewone jongen van hier. Die intolerantie en inmenging in het leven van anderen wordt te weinig benadrukt omdat er zo’n breekpunt wordt gemaakt van die hoofddoeken. De hoofddoek zet een veel belangrijkere problematiek in de schaduw. Begrijpe wie kan.

In het interview met Joël De Ceulaer in het weekblad Knack vertelt de woordvoerster van “blijfvanmijnhoofddoek” dat ze de eerste 23 jaar van haar nog jonge leven geen hoofddoek heeft gedragen, maar dat ze er nu klaar voor is. Dus moet iedereen haar nù met die late bekering volgen? De jongedame Ekchouchou is dan wel hier geboren, maar is nog lang niet klaar om hier te leven. Het is voor haar uitgesloten dat ze verliefd zou worden op een man van hier. Haar man zal uit Marokko moeten komen. Mochten er kinderen van komen zullen die in het Arabisch opgevoed worden, met de kleding, de cultuur, de muziek en keuken van het thuisland. Dat die eventuele kinderen een leven overeenkomstig het tijdsbeeld zouden mogen kiezen wordt bij voorbaat uitgesloten. Laat staan dat zij mogen hopen op een beetje spontaan geluk. Open staan voor wat het leven te bieden heeft bijvoorbeeld. Met haar 26 jaar heeft Ekchouchou alvast een verzekering afgesloten die haar moet garanderen dat ze in Marokko begraven zal worden. Is het dan zo verwonderlijk dat wie dit allemaal leest zich afvraagt wat zij hier dan zit te doen? Daarnaast zijn er zovele ‘sans papiers’ die hier in de korte tijd dat ze hier zijn, hun best doen om de taal te leren, werk te vinden en via de kinderen en de school behoorlijk inburgeren, om Belg te kunnen worden onder de Belgen in de hoop op een beter leven. En dan terug gestuurd worden.

Laat ons niet spreken over die verfoeilijke partij, die denkt dat zij over alles en nog wat het debat mogen claimen. Er zijn genoeg mensen, de overgrote meerderheid zelfs, die wel multicultureel kan denken, zonder vreselijke slogans, maar die zonder bijgedachten klaarheid wil. Zoals een ouder zijn kinderen opvoedt met duidelijke afspraken over wat kan en niet kan, moet een samenleving dat doen op een correcte manier op grotere schaal. En laat alstublieft de verlichting over de hoofddoeken en andere verstarringen neerdalen. Draag ze ondertussen thuis, draag ze in het openbaar in een vereenvoudigde vorm als een gewoon sjaaltje, een hoed, een pet, of vindt er een minder stringent alternatief voor zoals joodse vrouwen die geen pruik willen dragen, hun haar in een soort gehaakte lange muts steken, en voorhoofd, oren, nek en keel vrijlaten. Maar maak er vooral geen hoofdzaak van. Leer van elkaar, trouw onder elkaar, feest, lach en leef samen. Doe gewoon. Maar vergeet niet: wie bij Antwerp wil spelen doet dat in hun liefdevolle kleuren: rood en wit. Zo is dat en niet anders.
20/2/2007

Geplaatst in Pol & Soc & Fictie | Een reactie plaatsen

Paal en perk

Vanmorgen zag ik dat er tegen de garagepoort van de buur gereden was. Niet echt tegen de poort, want die stond open, maar wel tegen de horizontale verbinding, zo’n 2 m boven de grond. Waarschijnlijk zal weer zo’n grote monsterachtige hybride wagen zonder omzien gekeerd zijn en daarbij die metalen balk geraakt hebben. Wie zo’n wagen koopt stoort zich niet aan dergelijke details, maar wil zich ongenaakbaar voelen om ongehinderd zijn weg te gaan. Met hun grote wielen rijden ze toch overal over heen. Een stoeprand stelt niks voor. Bijgevolg draaien en keren ze hoe breed het hen uitkomt. Van stoep naar stoep. Zelfs betonblokken, bedoeld om het verkeer te kanaliseren, kunnen hen niet tegenhouden. Iets meer druk op het gaspedaal, de motor kort laten grommen, de betonblok omver duwen en erover. Ze vinden dat ze het verkeer in eigen handen kunnen nemen, volgens het recht van de sterkste. En het zijn niet alleen macho-mannen met compensatiegedrag. Laatst zag ik een vrouw in zo’n zwarte BMW-tractor rechts uit de file rijden het fietspad op, over het voetpad tot aan de hoek waar ze achter de verkeerslichten door de hoek om reed. En niet stapvoets maar met bekwame spoed, om niet geklist te worden. Kom daar maar als voetganger om die hoek aangewandeld.

Onze chauffeur van vannacht zag het ook heel groot, want in eenzelfde draai moest het verkeersbord met omgekeerde driehoek tegenover die poort er ook aan geloven. Op mijn weg verder lette ik voor de aardigheid eens op de verkeersborden. Ik ging er zowaar bij schuinmarcheren want acht op tien van de verkeersborden stond scheef. Waarschijnlijk niet allemaal aangereden, want soms stonden ze voor auto’s onbereikbaar achter draadwerk. Ofwel doen de paaltjesputters hun werk maar ‘halfsegats’ ofwel worden ook voetgangers onweerstaanbaar aangetrokken tot de verkeerspalen, en dan bedoel ik niet op de kunstzinnige wijze van Tania Dexters. Vandalenstreken kom je overal tegen, niettemin hebben chauffeurs een bizarre voorkeur voor verkeerspalen. Het valt nog het meeste op langs de autostrade. Daar is dan een zee van open ruimte, maar er zijn van die chauffeurs die uitgerekend op die smalle lichtpaal vlammen. Je moet al goed kunnen rijden om ze niet te missen. Zijn er magnetische krachten in het spel of is het gewoon dat we die aangereden paal wel zien maar in het voorbijrijden geen sporen zien van de duizenden keren dat er van de baan af gesukkeld werd maar in het niets ernaast werd gereden. Het kan natuurlijk ook dat onze blik zo gefocust is op wat verder afgelegen is dat we de balk voor onze eigen auto niet zien staan.

Zelf ben ik een oplettend chauffeur, er ontgaat me weinig langs de weg, en toch heb ik zelf ook zo’n paal-verhaal. Jaren geleden ging ik mijn dochtertje afhalen van de scouts. Hun lokaal lag aan de speelplaats van een school en in het weekend reed iedere ouder gewoon die speelplaats op. Ik ook dus. Mijn jongste zoon zat naast mij en voor de grap zei ik: “kijk, papa kan basketten vanuit de auto”, en reed zigzaggend naar de basket-ring aan het einde van de speelplaats, terwijl ik met m’n rechterhand deed alsof ik de bal stuiterde op de versnellingspook. Mijn zoontje keek naar mij en weer naar voor tot zijn wenkbrauwen zich als uitroeptekens rechtop zetten terwijl hij net niks uitriep maar toch zijn handje voor zijn open mond bracht. Aangemoedigd door wat ik dacht zijn stille steile bewondering te zijn deed ik nog een extra schijnbeweging met een draai aan het stuur.
En toen stonden we met een klap stil. Op die speelplaats kon je niet alleen basketten, maar ook volleybal spelen en ik was tegen een volleybal-paal aangereden. Ik had het niet gezien want het net hing er niet aan en ik was gefocust op de basket-ring waarvoor ik mij al dribbelend naar voor moest buigen want het dak van mijn auto zat in de weg.
Nu, vele jaren later, rijd ik mee met mijn zoon in de auto. Als ik nu zeg: “heb je dat daar gezien?”, antwoordt hij : “papa, ik ben aan het rijden, ik let op baan.” En dan ben ik fier dat ik hem zo goed heb opgevoed zonder dat hij het gemerkt heeft dat ik hem aan het opvoeden was. Het lijkt nu allemaal uit hemzelf te komen. En zo hoort het toch, niet?
28/2/2007

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

Inge Vervotte praat in steno

(Dit verhaal is geschreven in maart 2007, toen Bracke nog Terzake deed)

Je zag Siegfried Bracke denken, gisteren in Terzake. Als jong verslaggever had hij nog nota’s genomen in steno. Hij had het met veel moeite geleerd. Hij kon de woordvoerder meestal wel volgen, maar wanneer hij de tekst achteraf wou uitschrijven, kon hij er niet veel meer uit opmaken dan de aanhef ‘dames en heren’ en het slot ‘bedankt voor uw aandacht’. Vaste afkortingen die hij uit het hoofd kende, maar het verhaal er tussenin leken plots niet meer dan mooi geschreven krullen en streepjes.
Zo praat die Inge Vervotte, vond Siegfried terecht. Snel en sierlijk, zonder aarzeling, maar na drie zinnen volg je niet meer, niet dat het moeilijk is, maar omdat ze in feite niets zegt. Als je niet hier en daar een trefwoord kunt opvangen, zou je denken dat ze stiekem haar catechismus zit af te rammelen.
Siegfried werd door Vervotte in snelheid gepakt en dat was hij niet gewoon. Hij luisterde, schudde met zijn hoofd en vergat haar af te stoppen. In plaats van haar aan het kruis te spijkeren (haar aan het kruis, niet omgekeerd) en een antwoord te eisen op de vraag of ze nu ‘ja of neen’ budget zou vrijmaken voor die zware gehandicapten die we in de reportage gezien hadden. Hij liet haar varianten borduren op “natuurlijk moeten die mensen geholpen worden”, maar blijkbaar niet door haar.
Het is de truc met de lege doos die Inge opvoert sinds ze nog een klein spierinkje was. Toen ze een ondergeschoven kindje was, dat bijna niet mee mocht met de Christelijke Mutualiteiten naar Maloya omdat zij er zo ziek uitzag. Ze was vel over been, zo bleek en broos dat je er medelijden mee had en ook was ze niet breder dan haar kartonnen doos, waarop ze veel te groot Vervotte Ingeborg had geschreven. Haar huilen was zacht en zielig, zonder dat er een traan uit die grote droeve ogen kwam. De begeleidende verpleegster kon het niet meer aanzien en droeg Vervotte vlug de bus in, met de belofte aan de ouders en de verantwoordelijken van het ministerie van gezondheid dat ze persoonlijk voor haar zou zorgen. De ouders dankten God en de verpleegster die de meest ervaren verpleegster van Mechelen en omstreken bleek en al jaren met de ziekenkas naar Zwitserland meeging. Na haar reis met Vervotte zou deze zorgzame Florence Nightingale evenwel nooit meer dezelfde zijn. Meer nog, na de 14 dagen Maloya moest ze op doktersbevel een maand het sanatorium in om te herstellen van de zenuwinzinking die de kleine Inge haar had aangepraat.
Gebukt onder complexen koos Vervotte voor een studierichting die knappe grieten links laten liggen omdat er geen glamour afstraalt van een maatschappelijk assistente.
Vervotte haalde bij de examens, die nu ook mondeling waren, weer haar lege doos boven. Als een karmelietesse die eindelijk haar zwijgplicht mag doorbreken, ratelde ze, niet eens de vragen van de examinator afwachtend, aan een stuk door tot de brave man, overspoeld door haar tsunami van woorden, haar buiten stuurde met een angstig “het is goed, ga maar, ‘t is goed”.
Haar verbaliteit was haar enige troef om aandacht te krijgen. Ik praat maar door en doe of ik interessant ben tot ze naar me luisteren. Desnoods zeg ik de paternoster van achter naar voren op, want als ik blijf praten lijkt het van op een afstand dat ik dan toch bij het gezelschap hoor.
Maar keer op keer luisterden de mensen niet eens naar wat dat Thereseke van Lisieux aan ’t vertellen was. Ze keken haar even verbaasd aan en lieten haar in het niets door tateren. Het deed pijn van binnen zo genegeerd te worden, maar toch vond Inge dat ze haar doos van Pandora gevonden had. Moedig blijven praten, ziekjes blijven kijken, en ik haal mijn slag thuis. Wie mijn toehoorders ook zijn, wat de omstandigheden ook zijn, ik krijg altijd gelijk, zelfs zonder dat ze willen weten waar ik het over heb. Wanneer ik praat, willen de mensen zo vlug mogelijk verder gaan met hun leven, dat veel interessanter is. Maar ondertussen kan ik ze zelfs blanco cheques laten tekenen. Als dit mijn enige talent is wil ik God daar toch voor danken en dit talent niet begraven maar er mee werken.

Wie van ons heeft niet van kanaal veranderd, toen ten tijde van de Sabenacrisis dat zielige vakbondsmeisje het weer eens in het gesproken dagblad kwam uitleggen. De media volgde haar met ongeloof, luisterde, zoals te voorspellen was, niet naar wat ze zei, maar schreef wel dag na dag over het fenomeen Vervotte. Dat meisje kan het nog ver schoppen in de politiek werd al meteen voorspeld. Wat zij deed paste inderdaad perfect bij de vernieuwde CD&V. Na Dehaene, die niet wou antwoorden als het hem niet zinde, had de partij besloten dat diegenen die voortaan het woord namen in hun naam onbewogen volzinnen konden braken zonder dat er lettertjes in de brij zaten. Leterme was daarmee in zijn West-Vlaanderen inmiddels het stadium van graag geziene kermis attraktie ontstegen. Wat hij deed had men nog nooit gezien, niet van Marc Eyskens, die weliswaar welbespraakt, na elke trouvaille op applaus wachtte, niet van Pieter De Crem die met zijn schaperig geblaat alleen maar op de zenuwen werkte. Aan Leterme kon je om het even welke vraag stellen en die begon te praten. Zonder te moeten nadenken, zonder gestes, zonder stoppen en zonder dat je er aanstoot kon aan nemen, want eigenlijk sprak hij zonder inhoud. En hij kon die truc in een verstaanbaar Nederlands brengen en zelfs in het Frans. De boeren waarbij hij zich thuis voelde, duwden hem soms voor de grap een volle minuut in de koeienbak onder water. Tot algemene hilariteit bleek hij gewoon verder te praten wanneer men hem weer boven water haalde.

Ook aan de andere kant van Vlaanderen had de partij iemand gevonden die dat kon, maar alleen veel trager. Jo Vandeurzen zou nooit die vlotheid van Leterme evenaren, maar met zijn open hemdskraag was hij de volkse voorzitter, die nog eens rustig zou herhalen wat zijn baas veel vlugger verteld had. Als ze nu nog in het centrum van Vlaanderen een vrouw zouden vinden, die de devotie had van een Mia De Schampelaere, maar in tegenstelling tot deze stille aanbidster, ook de truc met de lege doos zou beheersen, dan zat de partij en die vrouw gebeiteld. Niet alleen in de regering, maar ook in de slappe was, of zoals gisteren in Terzake als Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin.
Ondanks de goede raad die ze ongetwijfeld krijgt van de 20 gespecialiseerde raadgevers op haar kabinet, nam ze eens te meer
Siegfried Bracke weerloos in haar lege doos.

Onder haar verantwoordelijkheid zijn de wachtlijsten voor steun aan personen met een handicap in plaats van korter nog met 2000 wachtenden langer geworden.
3/3/2007

Geplaatst in Pol & Soc & Fictie | Een reactie plaatsen

Een leuke job voor Filip en Mathilde

Ik kan de frustratie van Filip wel begrijpen. Na elke missie naar het buitenland is het tegenwoordig heibel. Jaren aan een stuk heeft hij moeten horen: ”zal hij het wel ooit kunnen”. Ondertussen zegt men: “zal hij het wel ooit worden?”. Dat moet toch aan je vreten. Al die inzet, al die ingehouden jaren blijken plots voor niets. Je kunt je niet verdedigen want elk woord staat morgen uitvergroot en met de nodige interpretaties in de krant. Hij kan al heel zijn leven geen kant op.
Was hij maar niet uit uit Paola geboren maar ergens langs de kanten van Wiekevorst of Tubize uit een simpele werkmansbroek geschud, dan sprak niemand over hem. Hij zou boeren op het land of werk vinden in de fabriek. Op zondag zou hij met die immense houterige handen van hem het doel van de plaatselijke voetbalclub verdedigen. Hij zou wellicht nooit veel verder dan zijn dorp geraken, maar de kans is groot dat hij meer dagen van simpel geluk zou kennen dan hij nu op zijn vingers kan tellen.
Maar het parcours van ons vorstenhuis loopt niet langs het geluk. Voor zover geweten is, heeft Boudewijn nooit kinderen gehad, daarom werd Filip troonopvolger. Met dat vooruitzicht zou Paola hem gek maken. Van het moment dat Filip tot de jaren van verstand komt, hamert Paola dag na dag in op dat al zo vreemde kinderhoofd: “Philippeke, een prins=dom, een konink=rijk, wat ga jij dan later worden?”  Van al dat hameren is zijn hoofd voorgoed beschadigd. Nooit zal hij gezond verstand hebben.
En dan sterft Boudewijn vroeger dan verwacht. Paola ziet haar kans en wordt zelf koningin. Filip moet nu hopen dat zijn vader vlug sterft, maar daar durft hij niet eens aan denken en vegeteert verder in de wachtkamer van Laken. Hij gaat alleen in jaren vooruit. Hij heeft ook voor niks anders geleerd dan voor koning, en daar zijn geen vacatures voor, tenzij voor koning van de Vogelenmarkt of voor koning van de Rock ’n Roll. Hij heeft bovendien geen vrienden, zelfs zijn broer houdt meer van een hond dan van hem. En hij kan niet op café gaan om zich eens goed te bezatten en aan den toog iedereen lastig te vallen met zijn frustraties.
Ter compensatie wordt hem Mathilde geserveerd, maar hij heeft schrik van meisjes. Nog altijd. Op eigen initiatief zal hij hen nooit aanraken. De gouvernante heeft hem vroeger verteld dat hij, omdat hij al prins is, in een kikker zal veranderen wanneer hij een meisje kust. Aan Laurent werd dan weer verteld dat hij al kikker was in een te klein kostuum.

Filip moet altijd ernstig zijn. Hij draagt de toekomst van België op zijn schouders. Vandaar dat hij er zo onzeker en houterig bijloopt. En altijd lopen er leraren, lakeien, bewakers en raadgevers om hem heen. Nooit kan hij eens zijn eventuele geluk in een luchtsprong kwijt, of zijn frustratie in een hard gebrulde “klootzakkeuh”. Hoe ouder hij wordt hoe moeilijker het wordt, want zijn omgeving wordt steeds kritischer voor hem.
Moet dat eigenlijk wel? Iedereen doet in zijn leven toch wel ‘s een carrièreswitch? En als misdadigers recht hebben op een tweede kans, waarom dan Filip niet? Kunnen we hem niet uit die koningskwestie halen alvorens hij helemaal kierewiet wordt? Hij kan de bevolking wellicht beter in de luwte dienen. Ik weet trouwens al een fantastische job voor hem en ook voor Mathilde. Voor de tweede speelhelft van hun leven. En niet alleen zijzelf maar ook vele landgenoten zullen er gelukkig mee zijn.
Bovendien kan de dotatie flink naar beneden afgerond worden, want ze moeten niet meer naar het buitenland, ze moeten geen dure jurken en hoeden meer dragen of geschenken kopen voor buitenlandse gasten en recepties geven voor 1000 man en meer. Natuurlijk mogen zij nog in het paleis blijven wonen, mettertijd misschien eerder in het koetshuis, maar toch. In hun nieuwe job, stellen ze zich ten dienste van de gewone mensen en dan hebben zij, zoals elke werkende mens, een thuis nodig waar ze in het weekend kunnen uitrusten en met de kinderen spelen.

Ondertussen doet Albert II zijn tijd als koning uit en zien we wel wat we met die royale bedoening aanvangen als het zover is. Wellicht is Filip zo blij met zijn ander leven dat hij geen koning meer wil worden. Want wat ik hem en Mathilde wil voorstellen is echt iets voor hen. Niet alleen omdat het makkelijk is en binnen hun mogelijkheden ligt, omdat ze weinig tekst te onthouden hebben, maar vooral omdat het gedaan zal zijn met de stress van ‘doe ik het wel goed’. Ze moeten geen angst meer hebben van de media of van al die potentaten die naar recepties komen van stichtingen die hun naam dragen en waar zij soms teksten moeten voordragen waar ze niet één woord van verstaan. Voortaan moeten ze maar enkele eenvoudige zinnetjes onthouden, die elke dag dezelfde mogen zijn. Tot aan hun pensioen. Voor Filip is dat nog twintig jaar en dan mag hij er ook mee ophouden. Als koning zou het niet waar zijn geweest.
Als zij 250 dagen per jaar werken kunnen zij in die jaren die hen nog resten duizenden Belgen persoonlijk gelukkig maken. Nu is de afstand met de gewone mens te groot en is er niemand echt blij mee.

Laat ons beginnen met Mathilde. Zij zou vooral ’s morgens werken. Dan heeft ze daarna nog tijd vrij voor haar eigen kinderen. Ik stel voor dat zij zich inzet voor de moeilijke etertjes van ons land. Ik bedoel wel degelijk etertjes en niet ettertjes.
Hoeveel kinderen zijn er niet die bij het ontbijt hun boterhammetjes niet willen opeten, die hun brooddoos op school leegkappen en zienderogen vermageren. Ouders met dergelijke probleemkinderen kunnen dan een beroep doen op Mathilde.
Op de dag van afspraak komt Mathilde dan naar de keuken van die mensen, niet in een ensemble van een of andere Belgische ontwerper, maar in een eenvoudige blauw-wit geruite schort. Het slecht etende kindje zit zoals gewoonlijk onderuit gezakt aan tafel, met zijn hand onder zijn kin, en dan stapt Mathilde die keuken binnen en vraagt aan dat kindje: “zal ik jou een boterhammetje met choco smeren, want je moet flink eten, hé.” Op dat moment zal dat kindje geen hap door zijn keel krijgen, maar de bijna goddelijke verschijning van Mathilde in hun eigenste keuken zal hij van heel zijn leven niet vergeten. Ook de ouders, de familie, de klasgenootjes, iedereen zal er een deeltje geluk aan ontlenen. Later zal die jongen op basis van die verschijning in de keuken makkelijker een lief vinden en een job, want hij heeft altijd gezond zijn boterhammetjes opgegeten. Mathilde zal door die mensen aanbeden worden tot het einde van haar dagen. Ook haar eigen kindjes Elisabeth, Gabriel en Emmanuel zullen flinker worden, want de mama heeft nu een verhaal te vertellen.

De job die ik voor Filip heb is wellicht nog mooier, nog warmer, nog van grotere betekenis voor de gemeenschap, want hij kan meerdere huisbezoeken per dag doen. Hij zal zich richten tot de oudere mensjes en de alleenstaanden. Tegenwoordig zijn immers niet minder dan 30 % van alle huishoudens in ons land alleenstaanden. En hij kan die allemaal bezoeken en voor eeuwig gelukkig maken. Hij kan teruggeven wat er teloor is gegaan in onze maatschappij: de warmte van het persoonlijk contact. Dat stelde vroeger ook niet veel voor, maar het was er. In zijn alledaagse simpelheid, maar zeker als een rots. De melkboer die langskwam, de kruidenier die de bestellingen aan huis noteerde, de viskar op vrijdag, de kolenboer in de winter, de voddenman, de facteur die een borrel dronk. Het waren vrienden aan huis voor de thuiswerkende moeder de vrouw. Dat waren korte contacten, maar zo belangrijk voor een goed gevoel en voor, wat men later de sociale cohesie zou noemen. Nu haal je alles en nog meer in een grootwarenhuis. Aan de kassa kijken ze niet eens op van hun scanner want het moet vooruit gaan.

Stel dat Filip een melktoer zou hebben, kris kras door het land.
Niet zomaar op zijn initiatief, maar op aanvraag van familie en buren die iemand de verrassing van zijn leven willen bezorgen. Die klant voor 1 dag weet van niks en zit een beetje in zijn keuken te dommelen, wanneer er wordt gebeld. Of beter, wanneer er iemand achterom loopt en op de keukendeur klopt. Het eerste ogenblik denken ze dat ze dromen, want de man die langs het venster passeert lijkt sterk op de prins van België. Alleen draagt deze man een blauwe salopette en een ijzeren mandje met 6 flessen melk in. Hij waggelt wel zoals de prins, maar op zijn pet staat “Inza, Inzahier”.
En dan zegt Filip, op zijn onnavolgbare manier: “Goeiemorgen deze morgen, ’t is de melkboer.” Stel u de verbazing voor van die mensen dat de prins hen, eenzamen van België, heeft uitverkoren om hen melk te brengen. Filip praat vervolgens kort over koetjes en kalfjes, zegt ook iets over het weer, hoewel dat al moeilijk kan zijn, want het weer wisselt nogal eens en dan kun je niet met een vaste tekst werken. Maar dan, op volkomen natuurlijke en relaxte wijze, om helemaal hun vertrouwen te winnen, drinkt hij tot slot het glas van de vriendschap met hen. Een glas melk natuurlijk. De mensen gaan zo gelukkig en dankbaar zijn dat ze bij de volgende verkiezingen allemaal op Filip willen stemmen. Over het koninkrijk wordt niet meer gesproken. Filip for president. Van melkboer tot prins president.
(Alleen Jimmy Carter deed beter: van pindaboer tot president,
maar Amerika is groter dan België).
26-02-2007

Geplaatst in Fantasie | Een reactie plaatsen

De striptease van Leterme duurt te lang.

Niets is erger voor wie zich geleidelijk blootgeeft dan een publiek dat verveeld wegkijkt. Tenzij de stripper zelf, die blijft geloven dat zijn publiek begeesterd zal zijn wanneer hij/zij uiteindelijk in al zijn/haar glorie te bewonderen is. Teasen is plagen, uitdagen, spelen en meeslepen naar waar jij het wil. Moest ik het durven, zou ik zeggen dat het publiek aan je lippen moet hangen, maar in de context van een striptease wordt dit misschien verkeerd begrepen. Voor wie geen oog heeft voor dergelijk vertoon: Leterme is een slechte stripper. Dan mogen de media nog met rode oortjes elke beweging paginabreed uitsmeren en mag het personeel van het CD&V-cabardoucheke zijn best doen om omstanders aan te stoten en op te hitsen, Yves kan de verbeelding niet prikkelen en riskeert van het podium te verdwijnen nog voor hij zijn grote blote spreidstand heeft uitgehaald. Iedereen is, om het zo te zeggen, al aan de beurt geweest, die met zijn spleet tussen de tanden op de eerste rij en die met de scheve neus er achter, her en der worden al lijstjes met voorkeuren vergeleken, maar de zelfuitgeroepen hoofdact durft niet eens uit de coulissen komen. Omdat hij het niet kan? Of omdat hij in de kramp gaat voor een publiek?
Ik zag hem toevallig onderweg tijdens de Ronde van Vlaanderen. Al van bij de eerste strook kasseien in Wannegem-Lede dook hij op tussen het publiek. Of beter, werd hij, gekleed in roze trui – van de Ronde van Italië? – door zijn chauffeur of lijfwacht tot bij de rijen supporters afgezet. Van op een laddertje aan de overkant kon ik hem in ‘t oog houden. Zes meter heeft hij zich verplaatst. Van de kerkmuur tot aan het eerste huis ernaast, ondertussen zenuwachtig lachend en nauwelijks opkijkend van zijn GSM. Niet één keer heeft hij iemand aangesproken. Terwijl dat de essentie is bij koers kijken. Of je nu fan bent, fanaat of farfalu. Je praat met elkaar. Rijdt Bettini mee? Hoe heet die Quickstepper weer die nu kopman is bij Cofidis? En wanneer je de indruk wil geven een habitué te zijn, zeg je: er is precies minder volk dan de voorbije jaren. Maar Leterme zwijgt. Kan het niet zonder spiekbriefje. Dat niemand er aan gedacht heeft van hem een rugzakje koerskoekjes mee te geven. Ik mag er niet aan denken dat hij zo van helling naar kasseiweg tot aan de meet telkens weer tussen het volk gedropt werd.
“Hij voelt zich beter als mens tussen de mensen dan in de grote salons”, orakelde tsjoektsjoek Etienne Schouppe vandaag in de krant. Wat doet ons Iefke dan in die salons? Onder het behang kruipen?
Schouppe komt, nu hij verantwoordelijk is voor de kieslijsten van de CD&V, steeds meer naar voor als een baas Ganzendonck. De pater familias van het gezinnetje CD&V. Met ons Iefke als wereldvreemd manneke, maar toch de slimste van de klas, die de mismeesterde ambitie van papa Etienne gaat waarmaken. Als nakomertje is er ons Inge. Een vlijtig meiske, wellicht nog een grotere bolleboos dan ons Iefke, maar zo zielig dat geen enkele soutien haar voldoende steun kan geven in de grote mensenwereld. Zij zal altijd bij ons moeke moeten blijven of bij moeder de vrouw, zoals ze dat in het gildenhuis na de hoogmis zeggen.
Het moeke van dienst is Herman Van Rompuy, de slimste van de hoop, maar uitgemergeld van frustratie omdat zij haar ambities niet mag waarmaken en Etienne haar niet eens ziet staan wanneer hij weer te lang bij Jeanneke is blijven hangen. Etienne geniet van het leven. Uitdagend zelfs, nadat hij goed geboerd heeft bij de treinen. Nu hij op rust is telt hij zijn centen en wacht geduldig tot ons Iefke hem machtsgewijs nog een mooie oude dag zal bezorgen. Op café stoeft hij er graag over. Ons Hermanie doet dat ook, maar minder van harte, bij de catechese en bij de vrouwengilde waar Hermanie alleen maar bewondering oogst met haar Haiku’s in brooddeeg gebakken.
De kleine Yves laat zich de aandacht van papa welgevallen. Waarom weet hij niet, maar zolang niemand die vraag luidop stelt, moet hij er zich ook niet druk over maken. Dus koestert hij zich in de bonhomie van papa Etienne wanneer die hem over de bol aait en hem een grote toekomst voorspelt. Mama Hermanie kan het dan niet laten van ook bij Yves te passeren om hem een tik tegen zijn achterhoofd te geven waardoor de kleine net niet met zijn neus in de bloemkool met worst en patatjes stuitert, waarop Inge achter haar hand grinnikt, wat haar dan weer een extra blauwe plek op haar scheenbeen oplevert. Een schoon Vlaams gezinstafereel voorwaar.
Maar het zou allemaal wel goed komen, herhaalde papa Etienne steeds weer. Meer dan het geloof in de toekomst had de man, die groot geworden was met het transport en vandaar wist dat inhoud alleen maar ballast is, niet te bieden. Moeke Hermanie wou haar Iefke altijd de les spellen en verpakte haar frustratie in wijsheden als: “denk eraan, als gij hun leider wilt worden, moet gij hen volgen”. Als ik leider word stop ik u in ‘t klooster, dacht Yves zonder dat hij zijn arme moeder ook maar 1 seconde aankeek. Wanneer hij geen premier wordt loopt dat nog slecht af tussen die twee. Gezinsdrama’s komen in de beste families voor.
17/4/2007

Geplaatst in Fantasie | Een reactie plaatsen

Als Eddy Wally kunst is met een grote K…

(geschreven in 2007)
De VRT moet serieus blijven. Dat Eddy Wally 75 wordt mogen ze gerust in het nieuws vermelden. Dat hij bij die gelegenheid in het Sportpaleis optreedt, is een gegeven voor de happening-agenda. Maar een hele dag Eddy Wally vieren of het kunst met een grote K is, is niet meer normaal.
Toen Jan van Rompaey destijds Eddy Wally als rariteit opvoerde was dat met de nodige verwondering en ironie. Vele jaren later zal Jan op subtiele wijze de mythe van Wally in Amerika ontmantelen. Hij liet met de camera Wally en Marrietje in al hun zieligheid zien. Zonder commentaar. Twee oudjes alleen op hun hotelkamer, onbeholpen aan het zwembad, door niemand aangesproken, de taal niet machtig. Hij had op dat moment geruisloos uit de media moeten verdwijnen. Maar minder getalenteerde reportagemakers bleven de minus habens opvoeren, die zich bij gebrek aan inhoud en vernieuwing dan maar steeds exentrieker gaat kleden. Wat de man veertig jaar geleden zong en zei: – chérie/vliegmachien/marktkramer/ gewèèldig/ fantastisch/amaai zeg- zingt en zegt hij nu nog steeds. “Ik ben in de Verenigde Staten of America geweest, en ook in Sina”. Na twee zinnen knipt hij met de vingers en zingt twee lijnen lied. Altijd weer hetzelfde.
Destijds vroegen de studentenclubs hem als attractie. Om te lachen, zoals met Liberace in Amerika. Ze noemden het Camp, maar ondertussen zorgden zij ervoor dat hij ook buiten zijn café “Paris-Las Vegas” bekend werd.
De discussie bleef: is hij gewoon gek of gewiekst gek? Dertig jaar geleden liet hij, wanneer de studenten de tomaten bovenhaalden, het concert stilleggen en het licht uitdoen. Tegenwoordig staat in zijn contract dat bij optreden voor studenten er minimum 10 personen ingehuurd moeten worden als security.
Kamagurka gaf hem een rolletje in zijn tv-show “Lava”. Waarschijnlijk ook om te lachen, maar voor Eddy was het een nieuwe springplank. De gewestelijke omroep liet hem een radio-programma presenteren, “onvergetelijk”. Het zal ook niet ernstig bedoeld zijn geweest, maar Wally’s verbeelding had op dat moment al elke gelijkenis met de realiteit verlaten. Telkens wanneer ze bij de VRT zonder inspiratie zaten werd Eddy Wally te kijk gezet. Dat een normaal gesprek met deze man uitgesloten is, dat hij moeite heeft om de eenvoudigste namen uit te spreken, doet er blijkbaar niet toe. Niet een keer zal men de vraag stellen of mensen als Eddy Wally niet tegen zichzelf beschermd moeten worden.
Niettemin gun ik hem elke frank die hij er mee verdiend heeft. Een openbare omroep zou wel eens vaker aan zelfcensuur mogen doen, want Eddy Wally als kunst met grote K voorstellen is beschamend. Je moet niet eens zelf met kunst bezig zijn om je hierdoor beledigd te voelen.
Laat hem als veelkleurige papegaai ambiance brengen op braderijen, markt- en feesttenten, tot in alle achteraf zaaltjes van Vlaanderen toe. Laat hem ook een enkele keer alle fans verzamelen in het Sportpaleis, daar werden vroeger al eerder gelijkgezinden samengebracht, voor het Vlaamse nationaal Zangfeest, om maar iets te noemen.
In een tijd waarin juryleden in allerhande Idool-wedstrijden artiesten in ’t diepst van hun gedachten levenslange trauma’s bezorgen, heeft Eddy ongestoord een eigen publiek kunnen bereiken.
Voor alles zijn er in Vlaanderen mensen te vinden. Om naar de Pfaffs te kijken, zelfs om cd’s van Helmut Lotti te kopen, waarom dan niet om Eddy Wally “geweldig” te vinden. Maar nu hij driekwarteeuw oud is geworden mag het stilaan welletjes zijn. Straks hangt de onvermijdelijke Leterme nog zijn wagonnetje aan de populariteit van Eddy Kwally. Het zou me niet verwonderen. Eerder had toch ook al Bert Anciaux zijn borst nat gemaakt voor Kate Ryan en had hark Geert Bourgeouis zich ge-out als fan van Laura Lynn. Laat Eddy toch 1 keer écht uit een vliegmachien springen, dat kan geen kwaad, Eddy zingt zelf in deze onwaarschijnlijke wereldhit: “laat Eddy maar gaan, hij komt heus wel aan…”
22/4/2007

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen

Stem voor mij

Dat moet u niet letterlijk nemen. U kent mij immers niet en ik ben niet verkiesbaar. De titel verwijst al naar de volgende verkiezingen. Voor nu is het te laat. Zondag moeten we onze stem uitbrengen en de kans bestaat dat u zich hebt laten (mis)leiden door de praatjes van de dames en heren die in het politieke vak zitten.
Is het u ook opgevallen hoe weinig er echt ‘stem voor mij’ werd gezegd, en hoe vaak ‘stem niet voor die en die…”? De E.T. van de CD&V, Van Rompuy, had het al maanden geleden aangekondigd: “wij moeten niet over ons programma praten, maar over hoe slecht paars het gedaan heeft.” Leterme maakte er zijn mantra van “wie gelooft die man (Verhofstadt) nu nog”. Hij zou ook kappen op de Franstaligen en gemeen uithalen naar Landuyt (SP.a). Zijn kartelpartner, de meest uitdrukkingsloze kop van Vlaanderen, Bart De Wever, neuzelt onbeschaamd dat de socialisten moeten verdwijnen. Hij heeft het dan niet alleen over de profiterende PS, maar over heel het socialisme als principe, hij is tegen het verdelen van de beschikbare middelen. Hij scandeert nog net niet: “weg met de solidariteit, leve het egoïsme”. In het mega(lomane) hoofd van Bart De Wever wordt het al enge “eigen volk eerst” uitgebreid met: “en ieder voor zichzelf”. De andere rechtse megafonen wil ik niet eens aanhalen. Maar vooral zij zouden sneller uitgepraat zijn en met zekerheid minder stemmen halen wanneer zij, in plaats van met modder te gooien naar de anderen, het uitsluitend over hun voorstellen mochten hebben: ‘stem voor mij’, want…
Er is één kandidaat die het al anders gedaan heeft en het is dan ook afwachten wat de kiezer er van vindt. Want ga je solo, neem je natuurlijk een risico. Alsof jij de enige renner in het peloton bent die besluit zonder epo te rijden terwijl de anderen lustig verder spuiten. De kopman van de Vlaamse socialisten, Johan Van de Lanotte heeft een oprecht ‘stem voor mij’ aan de kiezer/kijker voorgelegd, waarbij hij meer dan eens zei dat hij niet meer wil beloven dan realistisch haalbaar is. Rustig, ernstig, zonder show, zonder tijd te verspillen aan de andere kandidaten. Hebben wij na de nieuwe man, waar de vrouwen een tijdje de mond van vol hadden (niet letterlijk natuurlijk), nu ook de nieuwe politieker aan het werk gezien? Iemand die zijn zaak komt uitleggen, helder, overzichtelijk, goed gedocumenteerd, vertrekkend van een reëele situatie als een werkplan, waarin staat wat kan en niet kan, zonder acteerwerk, als een kandidaat op een examen, die dan terugtreedt en rustig de uitslag afwacht, samen met de andere kandidaten. Het zou moeten kunnen, ook al is het niet vanzelfsprekend. We willen wel een suggestie doen. Als een eerste aanzet, het begin van een positief stappenplan.
We gaan er van uit dat bij volgende verkiezingen de campagne alleen nog op tv zal gevoerd worden. Nu werden er nog plakploegen uitgestuurd, anders heeft het voetvolk het gevoel dat ze niet meewerkten, nu werden de markten nog afgedweild, maar wie gaat er nog naar de markt; en werden door de post partijfolders verspreid (met de staking in Gent moeten de kinderen van Verhofstadt en de flanflan-vrienden van Freya de baan op om te bussen).
Plaatselijk blijft dat wel voortbestaan als een onverwachte regenbui, maar tv is het enige medium dat nog telt. De geschreven pers staat toch al meer voor de camera dan achter hun schrijfmachine. Zij mogen uiteraard nog commentaar geven langs de zijlijn. In goedgeschreven columns. Maar verkiezingsprogramma’s op tv moeten er de volgende keer nog meer komen, tegelijkertijd op de VRT en op de commerciële zenders. Dat lost dan tijdelijk het probleem van al die onzin en sensatieprogramma’s op. De regionale zenders volgen de regie maar met plaatselijke kandidaten. En dat moet echt niet saai zijn. Een dag uit het leven van, kan, maar dan gedraaid met verborgen camera. Uiteraard zijn biografieën nuttig om de kandidaten op jeugdzonden en lastige tics te betrappen. Het belangrijkste onderdeel is de presentatie van de verschillende kandidaten én de tegensprekelijke debatten.
Dit lijkt wel veel van hetzelfde maar er zijn belangrijke verschillen. Om te beginnen mag er nog alleen volgens de “stem voor mij”-gedachte gesproken worden. En dan niet in slogans, maar in duidelijke argumenten waarom de kandidaat beter de gemeenschap zal dienen. De rechtse megafonen zullen snel uitvallen want zij willen niet de hele gemeenschap dienen. De presentator van dienst, Annelies Beck (liefst), Phara of Goedele, (Kathleen Cools is inmiddels veroordeeld voor jarenlange verkrachting van de neutraliteit) faciliteren de programma’s eerder dan ze te presenteren, maar centraal op het toneel zit een rechter. Of meerdere rechters, die onbevooroordeeld en met kennis van zaken de debatten volgen en zo nodig tussenkomen. Een beetje in de stijl van judge John Deed, zaterdagavond op Canvas. De rechter(s) kan de kandidaten onderbreken wanneer die argumenten gebruiken die niet onderbouwd kunnen worden, hen berispen wanneer zij een aanval op hun tegenstanders opzetten en hen van het scherm halen wanneer ze liegen, vals zijn (Leterme over Landuyt) of demagogische onzin verkopen. Het is duidelijk welke partijen niet lang zullen meedoen.
Het volstaat niet meer dat de kandidaten simpelweg kandideren, om het scherm te halen zullen zij een aantal examens moeten afleggen. Taalvaardigheid is er een van, een passage bij de leugendetector een andere. Zij zullen ook psychologisch doorgelicht worden. Psychopaten en megalomanen vallen uit. Idem dito achterbakse karakters. (Het valse lachje van Leterme zal worden afgestraft, evenals zijn hautaine lichaamstaal en lelijke kostuums). Natuurlijk krijgen we reportages van de verschillende proeven in samenvatting op het scherm.
Op het einde van elke uitzending zal de rechter zoals in een rechtszaal een oordeel vellen. Hij zal vooral de bevolking voor domheden waarschuwen, maar hun niet voorzeggen wat zij ervan moeten denken. Hij kan bijvoorbeeld zeggen: dit lijkt goed te zijn voor de Westhoek, maar denk eens, is dit goed genoeg voor alle uithoeken van het land? Kun je met deze man bij de groten der aarde komen? Kun je er überhaupt mee buiten komen? Verder dan zijn dorp? Zal hij willen werken voor de hele gemeenschap? Zal hij niet opnieuw hervallen in demagogie? Heeft hij een echte ploeg waar het land iets aan heeft en niet alleen zijzelf?
De rechter moet de bevolking ook opvoeden. Hij zal hen uitleggen dat discriminatie niet kan, evenmin als door het rood licht rijden en honden op straat laten kakken, dat wij met zijn allen verantwoordelijk zijn voor een harmonieuze samenleving, dat de rechten van het individu gevrijwaard moeten blijven, maar dat we ook plichten hebben, dat tsjevenstreken zonde zijn en dat wij en alle politiekers telkens de vraag moeten stellen bij hetgeen we doen of plannen van te doen: is dit correct, is dit eerlijk.
De rol van rechter zal cruciaal zijn en zeker niet eenvoudig. Misschien kan ik die rol de eerste keer zelf spelen, ik heb ‘m toch uitgevonden en heb grotendeels al in m’n hoofd wat die zou moeten zeggen en op welk moment. Er zijn immers zovele situaties denkbaar dat je die onmogelijk allemaal aan iemand anders kunt uitleggen. En met Annelies Beck aan mijn zij zal dat wel loslopen.
Stem op mij, ik zie het helemaal zitten. Maar eerst proberen 4 jaar Leterme uit te zitten.
6/6/2007

Geplaatst in Pol & Soc & Fictie | Een reactie plaatsen

Het geloof in Vlaanderen

(geschreven in 2007)
Geloven is aanvaarden zonder tastbare bewijzen. Daarvoor moet je in deze tijden je hoofd volledig leegmaken. En daar is Vlaanderen sterk in. “Ik ben een leeghoofd en daar ben ik fier op”, is een testimonium voor iedere Vlaming die zijn sticker op de juiste plaats draagt. Zolang we maar niet moeten nadenken, zolang ze ons niet nerveus maken met discussies en bewijzen. Wie duizendmaal zegt dat met zijn goed bestuur alles goed komt, beloven wij te geloven, zonder vragen te stellen. Zoals het vroeger was. Daarom sluiten we nu de ogen en zingen samen: “ Alles voor Vlaanderen, Vlaanderen voor Leterme”.
Schijnheilig Vlaanderen. Al twintig jaar schuifelt een groot gedeelte, al dan niet gegeneerd, rechts achter het VB aan. ‘Ikke en de rest kan stikken’, is de Vlaming op het lijf geschreven. Nog meer dan ‘eigen volk eerst’. Alleen de gedachte aan wat de buren zullen denken, hield het VB van een absolute meerderheid. Voor het goed fatsoen schoof een deel van de Vlamingen aan bij rood, blauw, oranje of groen. Maar zodra rechts in een andere verpakking zou gepresenteerd worden, zouden de rijen in de politieke supermarkt snel op rechts aanvullen.
Gisteren floepten dan eindelijk op rechts de lichtbalk “goed bestuur” aan en iets verder rechts “gezond verstand”. Het betekent niks, het is niet meer dan een uithangbord, maar toch werd opgewonden de spurt ingezet. Het was geleden van toen Lernout en Hauspie aandelen te koop aanboden. Toen geloofden de Vlamingen dat de spraaktechnologie zwart geld zou witwassen terwijl het bovendien iets aan hun dialect zou doen.
Met hetzelfde blinde geloof trokken ze nu massaal naar ‘Goed Bestuur’ en iets minder naar ‘Gezond Verstand’, want de Vlaming is altijd achterdochtig wanneer naar zijn verstand verwezen wordt.
Met ‘Goed Bestuur’ kan rechts niet fout zijn, want dat komt van de oude CVP en die hebben God aan hun zijde, zoals dat vroeger in Gotisch schrift op de koppelriemen stond. Leterme haalt 795.000 voorkeurstemmen, Vervotte 134.000. Zonder bewijs van goed bestuur, laat staan van zeden.

Professor Van de Lanotte mag bewijzen voorleggen zoveel hij wil, zijn zeven puntenplan argumenteren met cijfermateriaal tot ver na de komma. Vlaanderen wil niet luisteren, Vlaanderen is niet sociaal, wil niet delen met anderen. Van de Lanotte moet zichzelf niets verwijten, zij hebben geen fouten gemaakt. De kiezer heeft niet altijd gelijk, zeker niet wanneer hij niet wil weten, maar geloven. Geloven vooral dat het kartel, desnoods aangelengd met het VB en LDD, die Franse profiteurs beneden Brussel voor eens en voor altijd op hun zakdoek zal oprollen. Want ons samenlevingsmodel dat in het buitenland als voorbeeld wordt geprezen, is een illusie. De Vlaming gelooft dat het paradijs helemaal tussen De Panne, Brussel en Maasmechelen zal liggen zodra de geldstromen naar Wallonië worden drooggelegd. Wat er in het buitenland beneden de taalgrens gebeurt laat de Vlaming ouderwets koud.

Ik geloof nu eens niet dat er een historische staatshervorming in de maak is, ik geloof eerder dat er een gigantische zeepbel gaat ontploffen. Daarom moeten SP.a én VLD zo verstandig zijn van aan de kant te blijven. Laat de Vlaamse leeuwen maar voorbij marcheren, wie in plaats van links/rechts, links/rechts, rechts/rechts, rechts/rechts marcheert loopt altijd het decor in, daar kunnen een miljoen leeghoofden niet aan verhelpen. Zij mogen vol zijn van zichzelf, maar zullen toch nooit voor vol aanzien worden.
11-06-2007

Geplaatst in Pol & Soc & Fictie | Een reactie plaatsen

Ein bisschen Frieden, ein bisschen Friedl’

Ik luister naar Cabrio, het nieuwe programma op Radio1 dat ‘het beste moet nog komen’ moet doen vergeten. Na 1 uur luisteren weet ik al dat alleen het slechtste nog kan komen. Cabrio moet met zijn verwijzing naar een auto zonder kap een zomerbriesje in de ether brengen, maar kakelt als een kip zonder kop.
Wie haalt het in zijn hoofd de aangenaamste radiostem zonder voorafgaand referendum of schriftelijke toelating van de Verenigde naties in een doosje te steken? Zijn ze gek geworden bij de VRT?
Meer was er niet nodig dan Ein bisschen Friede en ein bisschen Friedl’ om de dag opgewekt en met liefde in het hart te beginnen. In alle bescheidenheid droeg Friedl’ bij tot een betere wereld. Jazeker, u hebt het goed gelezen, ik verwar niet met haar vorige programma “de Nieuwe Wereld” dat al evenzeer grote indruk maakte.
Wie naar Friedl’ haar oprechte interesse in de medemens luisterde was bereid van minstens 24u zijn eigen vooroordelen tegen de mensen op te bergen.
De voorbeelden vormen een lange lijst, maar omdat het geheugen kort is en de VRT ook alle verwijzingen naar het programma van haar website heeft gehaald, pik ik er uit de laatste week baron Paul Buysse uit. Als beroemd baron-beheerder heeft hij al vaak harde uitspraken gedaan over het reilen en zeilen in dit land, maar bij Friedl’ hoor je een man met een hart praten en met een grote sociale bewogenheid. Uit de laatste periode herinner ik ook hartchirurg Hugo Vanerwen, Knack-redactrice Anna Luyten, pianist-fantasist Glorieux… Ik denk dat wie bij Friedl’ in de studio zit niet zozeer een ander mens wordt, maar dat die mensen door haar empathie het gevoel krijgen dat ze eventjes zichzelf kunnen zijn. En laat dan maar toevallig de micro openstaan zodat iedereen kan meeluisteren.

Het beste moet nog komen was de naam van haar programma, maar ik vrees dat we, wat de radio betreft, met dat programma het beste gehad hebben. En dan mogen inspiratieloze kritikasters zeveren dat ze steeds dezelfde vragen stelde, wat doet dat er nu toe? Het resultaat oversteeg zonder moeite alle andere human interest-programma’s, vooral omdat Friedl’ de geïnterviewde alle ruimte gaf. Haar luisterbereidheid deed mensen praten. En ze heeft het talent om enkel in te pikken wanneer het interessant was om dat te doen, niet omdat de presentator zichzelf liever hoort praten, zoals dat meestal gebeurt. Zij greep zelfs niet in wanneer Roos – met de grote ogen – Van Acker begon op te snijden dat zij geroemd wordt om haar perfecte uitspraak van het Nederlands. Terwijl het uitgerekend de vrouw was die tegenover haar zat, de onvolprezen Friedl’ die niet alleen de aangenaamste stem heeft maar ook de mooiste uitspraak. Bij haar kan niemand merken dat zij van Roeselare komt. Tenzij je het in haar bio gelezen hebt, maar misschien klopt daar niets van en is Friedl’ een nagebleven fee die naar de radio is gestuurd om de mensen met haar uitstraling warmte te geven?

Er is inderdaad weinig over haar geweten. Ja, dat ze in Scandinavië op haar kop is gevallen en wij haar daardoor maanden hebben moeten missen, dat haar broers al even creatief zijn en dat haar gebit jarenlang het uithangbord was voor de tandartspraktijk van haar vader; maar nergens lees je bijvoorbeeld of ze een vaste partner aan haar zijde heeft? En of ze zelf gelukkig is? Dat ze daar eens een fata morgana voor organiseren.
Ik heb me vaak afgevraagd of zij niet met een onvervulde kinderwens zit? Wanneer een gesprekspartner vertelde dat die er bewust voor gekozen heeft van geen kinderen te hebben of net bereid is een carrière in de balans leggen tegen meer tijd voor de kinderen, hoorde je Friedl’ op haar stoel heen en weer schuiven en wist je dat ze zou doorvragen, je hoorde de fascinatie ook in haar stem.
Mocht daar inderdaad een leegte in haar leven zijn, is er dan niemand die haar kinderwens wil vervullen, zodat ze in latere programma’s nog meer vreugde kan uitstralen? Friedl’ hoort bij ons maatschappelijk welzijn. Dit land heeft meer nood aan Lesage dan aan Leterme. Met haar weten we tenminste dat het beste nog moet komen. Altijd opnieuw. Anders moet Radio 1 maar uit de ether.
25/6/2007

Geplaatst in Dagklapper | Een reactie plaatsen