PJOTR DE GLOBETROTTER – deel II – naar de Eskimo’s

PJOTR BIJ DE ESKIMO’S

En zo werden de levens van Pjotr en Petrova
uit elkaar gerukt, nog meer dan ze het zelf wilden. Petrova gaf hem niet echt de schuld
 van wat er gebeurd was, maar toch
 wou ze hem een tijdje niet meer zien.
En Pjotr, die haar nog wel graag had teruggezien, geraakte niet tot bij haar omdat pers en publiek de verloren Petrova voor zich opeisten.
 Pjotr telde niet meer mee.
Zo voelde hij dat toch.
 Maar lang zou hij niet blijven treuren. Misschien moest het wel zo gebeuren zodat hij eindelijk de wijde wereld 
in zou trekken.
 Hij had bewezen dat hij als een reiziger een uitvinder kon zijn voor kleine en grote problemen.

Hij verkocht alles wat hij had
 en vertrok met zijn paard. 
Zo lang hij langs de Oeral trok
werd hij herinnerd aan Petrova.
 Soms noemden de mensen hem Petrova Pjotr. Hij kon het niet horen. “Ik ben toch geen meisje”, zei hij dan. Petrova is een meisjesnaam.
 Hij liet zijn baard groeien.

Hier en daar werkte hij in een smidse,
 maar hij wist dat hij verder moest trekken.
Naar het koude Noorden. Naar de Eskimo’s.
 Dat was een goed plan, niemand kende hem daar. Maar het was een slecht plan omdat hij te weinig
 van de Eskimo’s kende.
Hij moest zijn paard achterlaten.
 Dat arme beestje zakte tot aan zijn buik in de sneeuw en het had ook geen vacht om zich tegen de kou
 te beschermen.

Pjotr trok verder met een hondenslee. Maar zo goed hij met paarden was,
 zo slecht was hij met honden. 
Hij hield niet van honden. En helemaal niet van hun onophoudelijke gehuil.

Poolhonden zijn afgerichte wolven,
 die getraind worden om de slede voort te trekken, maar het blijven wolven.
 Ze hebben weinig eten nodig.
 En dat zoeken ze nog liefst zelf én ze blaffen niet maar huilen nog zoals echte wolven.
 In de witte stilte van het landschap
klinkt dat gehuil dubbel zo luid.

De honden luisterden niet naar Pjotr.
 De Eskimo’s mochten zelfs een dutje doen
 op hun slee. Hun honden brachten hen wel 
naar huis. Zonder morren, zonder lawaai.
 Bij Pjotr leek het of ze onder elkaar ruzie maakten waar ze die vreemde snoeshaan zouden heen brengen. Daarom huilden en jankten ze voortdurend.
 Het was zo erg dat ze soms volledig stopten
 omdat een deel naar links trok en een ander deel naar rechts.

Pjotr was ook een kop groter dan al die Eskimo’s. Dat gaf meer dan eens problemen bij het groeten. Eerst stak hij zijn hand uit zoals hij gewoon was, maar de Eskimo’s geven geen handen. Zij wrijven de neuzen tegen elkaar.
 Hun neus is het enige stukje dat niet is ingepakt. Eskimo’s hebben kleine neusjes,
 zeker in vergelijking met de grote snotkoker van Pjotr. Omdat die door de kou een ijskegel werd, 
kwetste hij de andere wel eens bij een begroeting, door bijvoorbeeld zijn ijsneus in de andere zijn oog
 te steken. De meeste Eskimo’s waren bang
 om hem dag te zeggen.

Gelukkig had Pjotr een grote troef.
 Hij kon als geen ander verhalen vertellen.
Naar verhalen luisteren was toevallig
de favoriete ontspanning van de Eskimo’s.
Hij moest natuurlijk zo snel mogelijk hun Innutut-taal leren.

Hij zou meer dan een jaar bij de Eskimo’s blijven.
Niet alleen voor de taal. Hij wou ook 
één zomer meemaken in het noordpoolgebied.
Dat was de enige periode van het jaar dat ze bessen 
konden plukken en wortelen opgraven, samen met zeewier, hun enige groenten.
De rest van het jaar aten ze zeehonden, walrussen, walvissen en ook kleinere vissen.

In de zomer woonden ze in een tent, gemaakt van dierenhuiden.
 Dat moest Pjotr beter passen.
Want met een iglo lukte het niet zo.
Omdat hij zo groot was,
 moest zijn iglo hoger zijn.
 De Eskimo’s hadden hem geleerd
hoe hij de ijsblokken moest opstapelen.
 Maar om voldoende hoog te bouwen 
moest de onderste cirkel als erg groot zijn, waardoor de iglo zou kunnen instorten.
Hij bouwde als enige dan maar een piramide in ijs. Dat leek hem steviger en dan kon hij
in het midden een keer rechtstaan.
Wanneer de iglo klaar was, gingen de Eskimo’s met een fakkel langs de binnenwand
 om die een beetje te doen smelten.
 Dat smeltwater vroor terug aan en maakte
 de iglo steviger.
Maar ook met dat smelten wou het niet 
zo lukken.
 Doordat zijn iglo in een punt uitliep
smolt die punt onder de warmte van de fakkel telkens bijna helemaal weg.
De Eskimo’s konden hun pret 
niet op wanneer het hoofd van Pjotr weer eens uit de piramide stak.
Wat moesten ze met zo’n vreemde snuiter die twee koppen groter was
 dan zijzelf en alles anders deed.

Dat die grote Pjotr toch van dienst kon zijn, leerden ze op een middag toen ze zoals vroeger aan ’t vissen waren. Gewoon, met een touw aan een stok. Iedereen probeerde om beurt.
De anderen gaven commentaar.
 Er werd gedronken en gelachen.
Niemand had gezien dat een ijsbeer 
met veel honger, tot vlak bij hen was gekomen. Eskimo’s zijn niet snel bang
 omdat ze meestal een wapen bij zich hebben of vuur in de buurt om ijsberen af te schrikken.
Nu hadden ze niets van dat alles 
en konden ze alleen maar dicht bij elkaar kruipen.
Toen de ijsbeer nog maar enkele meter
 van hen verwijderd was
 ging die op zijn achterste poten staan
 en brulde. Op film is dat mooi,
 die witte pels van de beer
 en dan de grote rode tong
 die uit zijn bek komt,
 maar in het echt is dat veel minder leuk.
Wat konden ze doen?
Ze hadden niks bij.
 Ze waren wel met meer,
 maar een beer blijft een beer.
 En die kwam nog dichter.

“Blijf zitten”, zei Pjotr.
 De Eskimo’s leken op een menselijke iglo. Met Pjotr in het midden.
Plots sprong hij recht.
 Hij was zo groot als de beer.
Met zijn wilde haren en zijn lange baard zag hij er heel anders uit dan de doorsnee Eskimo die de beer gewoon was te zien.
En dan brulde Pjotr uit alle kracht.
De Eskimo’s, die zelf piepstemmetjes hebben, wisten niet wat ze hoorden.
Zouden ze niet beter bang zijn van Pjotr
 dan van die beer?

De beer leek er net zo over te denken. Het leek of die in zijn haren krabde 
en nog eens goed keek. Is dit wel echt? Droom ik misschien? Is dit een nieuwe diersoort? Een model dat ik nog niet ken?
Toen Pjotr een derde keer brulde kropen niet alleen de Eskimo’s een beetje van hem weg
maar ook de beer liep weg.
Van die dag af noemden ze hem Pjotr, de berentemmer.

Pjotr was al een populaire naam in Groenland, maar waar onze Pjotr bij de Eskimo’s woonde, werd het volgende jaar iedere nieuwgeboren Eskimo “Pjotr” genoemd, zelfs wanneer het een meisje was.
Hij moest bijna nooit meer zelf voor zijn eten zorgen. Iedere dag werd hij wel bij iemand uitgenodigd. Er werd zelfs ruzie over gemaakt.
Voor hem hoefde dat echt niet, want iedereen kookte hetzelfde.Dat wil zeggen, niemand kookte, maar at alles rauw.

Ook die gewoonte zou Pjotr doorbreken.
 Niet door een wit konijn uit zijn hoed te toveren. Hoewel. Een enkele keer was hij er in geslaagd van een sneeuwkonijn te vangen.
Omdat het diertje te klein was om het met twintig man te delen, had hij het,
 tegen de regels van de Eskimo’s in,
 in zijn eentje opgegeten.
 Vooral omdat hij het beu was van altijd alles rauw te eten.
Zijn vrienden aten grote brokken vlees of vis rauw. Zonder omkijken. Om zich te voeden.

Hij zou hen leren dat eten een feest kan zijn.
 Dat je daar tijd moet voor nemen.
 Niet alleen in het zoeken naar nieuwe bereidingen maar ook in het eten zelf.
 Het was fantastisch dat ze alles wat ze vingen samen deelden. 
Nu moesten ze nog leren samen eten.

Pjotr leerde hen barbecueën.
 Ze wisten uiteraard hoe ze vuur moesten maken.  Met zeehondenvet, dat hadden ze genoeg.
 Maar vuur maak je  om je te verwarmen of om licht
te maken, toch niet om te koken?

Ze waren ervan overtuigd dat Pjotr zijn barbecue door de warmte in het ijs zou wegzakken.
Maar Pjotr plaatste de barbecue op zijn hoogte, zodat hij voldoende ruimte kon laten tussen de diverse ijsblokken die elkaar slechts op enkele punten raakten.

Terwijl ze in spanning rond de barbecue stonden en elkaar lachend aanstootten, maakte Pjotr ondertussen rustig sateetjes met klein gesneden stukjes walvis, walrus en zalmforel
gemengd met groen zeewier en een blokje wortel. Hij legde de sateetjes op de barbecue
 en draaide ze regelmatig rond.

Natuurlijk staken onze Eskimo’s de stokjes te snel in hun mond en verbranden hun bek.
Rauw-eters die ze waren.

Ze waren helemaal in de war
 wanneer Pjotr hen een biefstukje
 van rendier voorschotelde,
met een sterk sausje van zwarte bessen.
 Heel hun leven aten ze vis. 
Nu werden ze compleet van hun sokken geblazen door zo’n mals stukje vlees.

In de ogen van de Eskimo’s groeide Pjotr nog elke dag verder.
Dat had ook een gek praktisch gevolg.
Pjotr was aanbeland bij Eskimo’s van de Adgormiut-stam. Hun naam betekent: “mensen die tegen de wind ingaan”.
 Terwijl deze Eskimo’s bijna al hun verplaatsingen met de hondenslee deden.
 Nu ze Pjotr bij hen hadden 
liepen ze wel tegen de wind in.
Op een rijtje achter hem aan.
 Alsof ze pinguïns waren.
Maar pinguïns zijn allemaal even groot.
 Pjotr liep twee koppen groter op kop 
met zijn grote snotkoker in de wind. Wanneer hij stilstond kwamen ze uit hun rijtje snel rond hem staan. Net zoals de pinguïns. Dus hield Pjotr regelmatig halt.

Hij had ook recht op wat warmte rond hem.
 Hij liet zich dan een beetje zakken
 zodat ook zijn bevroren neus even kon bekomen. Hij dacht er niet meer aan van zijn neus te maken. In zijn zak hield hij een neusdoek die hij dan voor de warmte even op zijn neus legde.

Om zijn zinnen te verzetten was hij beginnen zingen. 
Zoals hij vroeger deed op de avonden van zijn trektochten. Nu kon hij wel niet meer zingen van :
” Oh, de kozakken, laten hun moed niet zakken,
wacht efkens mannen want mijn paard moet…”
want Eskimo’s reden geen paard en wisten 
dus ook niet wat die paarden zo nodig moesten.
Hij had de tekst aangepast.
Nu zong hij van :
stomme kozakken,
hou eens op met  pinten pakken,
straks zullen jullie door het ijs wegzakken,
dan zijn 
jullie echt wel domme labbekakken...”

Pjotr kreeg tranen in de ogen de Eskimo’s voor het eerst met hem meezongen.
Want, Eskimo’s zingen nooit.
 Maar omdat ze alles wat Pjotr deed wilden nadoen, zongen ze mee alsof ze het altijd gedaan hadden.

Een kozakkendans uitvoeren terwijl ze marcheerden was niet mogelijk, maar toch stapten ze achter hem met de armen gekruist terwijl ze achtereenvolgens de linker- en de rechtervoet uitzwaaiden.
Zo geraakten ze nauwelijks vooruit,
 maar dat deerde hen niet want ze hadden nog nooit zo’n pret gehad onderweg.

Pjotr dacht wel eens,
 stel dat we van uit een vliegtuigje gefilmd zouden worden voor een documentaire over Eskimo’s,
wat zouden de kijkers daar van moeten denken.?
En Petrova, mocht ze kijken ?
Zou ze hem herkennen?
Zou ze navraag doen?
Zou ze hem willen terugvinden?
Zou zij in dit witte landschap Sneeuwwitje 
willen zijn die verlangt naar haar prins Pjotr?
Hij schudde met zijn hoofd.
Petrova dat was toen.
 Nu leef ik hier met mijn dwergen van Eskimo’s.
Ik zal wel hun Sneeuwwitje zijn.

Niet veel later leerde hij hen ook
het lied van de zeven dwergen zingen:
Hé ho, hé ho, een Eskimo is zo,
hij gaat maar door,
 ook als het vroor,
zingt hij zich warm in koor…
Hé Ho, hé ho…

Pjotr wist dat hij deze Eskimo’s gelukkig maakte. Hij zou hier altijd kunnen blijven,
maar dit was een geschikt moment 
om hen achter te laten. Werd het niet tijd om aan zichzelf te denken?

PJOTR WIL NAAR DE INDIANEN

Pjotr de Globetrotter begon in zijn hoofd weer lijnen over de wereldbol te trekken.
Hoger dan de Noordpool kon hij niet. Dan maar opzij en naar beneden.
Hij had er geen idee van hoe ver hij moest reizen en over welk terrein, maar het leek hem wel
 de juiste weg naar de indianen.
 Hij sprak er met zijn Eskimo’s over.
Die hielden niet van indianen. Maar ze hielden wel van Pjotr.

Ze waren heel verdrietig nu hij hen ging verlaten, maar ze hielpen hem inpakken
en overladen hem met geschenken en goede raad.
 Hij kreeg een kano mee. En veertien poolhonden. Allemaal Husky’s. Omdat Pjotr die mooi vond. Wij redden ons wel met Leika’s, Alaska Malamuts, Groenland honden kleinere Elandhonden, maakten de Eskimo’s hem wijs. Neem jij maar alle Husky’s.
Ze vertelden er niet bij dat Husky’s de koppigste
 onder de poolhonden waren.

Het afscheidsfeest duurde lang.
Met een barbecue er bovenop.
Alles wat ze van hem geleerd hadden
 wilden ze een laatste keer tonen.
Konden ze op enkele dagen tijd twee koppen groeien dan hadden ze ook dat nog gedaan.

Wanneer Pjotr eindelijk met zijn hondenslee vertrok, deden de Eskimo’s hem al zingend uitgeleide.
Links en rechts van zijn slede dansten ze 
de kozakkendans.
Tot de Husky’s om ter snelst gingen lopen.
Pjotr viel achteruit op zijn slede
 en hoorde zijn Eskimo’s
 van steeds van verder weg zingen: ” wij zijn kozakken,
wij gaan lekker pinten pakken,
Pjotr zal ons niet meer door het ijs zien zakken,
wij gaan terug rauw eten  en dan lekker smakken…”

 PJOTR EN DE POOLHONDEN

Pjotr stond voor de reis van zijn leven. Gelukkig wist hij dat nog niet.
Van de Eskimo’s naar de indianen
 ga je immers niet over één nacht ijs.
Al vlug zou hij ontdekken dat er niet overal ijs was.
 Dat hadden ze hem niet gezegd. Daarom had hij die kano mee gekregen.

Zijn vrienden hadden hem dus ook niet verteld waarom hij zo makkelijk al de Husky’s meegekregen had.
 Husky’s willen vooral vrij zijn, Husky’s lopen makkelijk weg als je ze uit het gareel laat. Pjotr had daar nooit op gelet.
Wanneer de Eskimo’s met hun honden bezig waren
 zat Pjotr meestal sneeuwballen naar hen te gooien. Om hen te plagen en hen van hun werk te houden.
Hij had natuurlijk beter een beetje opgelet. 
Toch waren het geschikte poolhonden. Onvermoeibaar en tegen de grootste kou bestand. Maar met een eigen willetje.
Dat zou hij later op de reis nog ervaren. Maar in het begin leek alles koek en ei.
 De Husky’s liepen en sliepen
 alsof het voor hen een vakantiereisje
 was en dus maakte Pjotr zich geen zorgen. In feite lette hij niet zo op hen. Of toch niet van harte.

Hij had ze namen gegeven die allemaal
 als Husky klonken.
Alleen de beginletter wisselde.
Hij spande hen voor de sleden volgens het alfabet.
Tijdens de eindeloze ritten over de witte vlakte hield hij zich wakker door telkens
 hun namen te herhalen.
 Het waren als nummers, zonder verdere betekenis. Zonder gevoel
voor die honden.
Vooraan liepen Brusky naast Dusky. Dan had je Fusky met Husky, daarachter Kusky met Lusky.
 Dan volgden Nusky met Musky. En Pusky met Rusky.
 Dichter bij hem kwamen Susky met Trusky. En vlak voor hem liepen Xusky en Zusky.

Ze sliepen in het gareel, dicht bij elkaar. Wanneer hij geen tijd had of te moe was
 om vlug een iglo te bouwen of een tent
 op te zetten, ging hij wel eens tussen hen 
in liggen. Met zijn neus dicht en wakend. Maar meestal bouwde hij ’s avonds snel
 een kleine iglo. Groot genoeg om in te slapen. Hij had een systeem gevonden om dit werk te vergemakkelijken. Hij nummerde de ijsblokken met rode verf en maakte er bouwpakketjes van die hij achter de sleden mee deed glijden.
En zoals wij na een werkdag een ijsblokje
in ons drankje doen, stapelde Pjotr na zijn werkdag de ijsblokken volgens de juiste nummers terug op elkaar, en zijn iglo-bedje was gespreid.

Dan moest er voor eten worden gezorgd.
 Het gebeurde vaak dat de poolhonden onderweg,
terwijl ze de sleden voort trokken, een poolhaas vingen, een walrus omsingelden, en zelfs een Kariboe buit maakten. Een Kariboe is een hertachtig rendier
 dat wel veel groter is dan de poolhonden,
 maar die zijn zo snel en sterk samen
 dat ze het rendier al lopend uitputten.
Wanneer het dan struikelt, duikelen ze er 
met veertien op.
Als ze op een rendier jagen zit Pjotr heel die dolle rit
 vol angst en als een gek op zijn honden te roepen, 
terwijl hij zich moet vastklampen om niet uit de slee geslingerd te worden. Hij zou dan alleen achter te blijven. Als een speldenkop aan de Noordpool.

Maar als de honden aan het peuzelen slaan
 is het ook voor Pjotr lunch-time. 
Ze grommen wel een beetje wanneer hij een biefstukje voor hemzelf uit de buit wil snijden.
 Maar hij kan rustig de tijd nemen om een vuurtje te maken en zijn vleeslapje of ribstukje op smaak te brengen.

De honden zijn uitstekende werkers,
 maar als ze gegeten hebben willen ze een dutje doen. Lopen met een volle maag loopt meestal slecht af
 en vermits ze aan elkaar vastgebonden zijn,
 wil de ene Husky de andere Husky niet aandoen
 dat hij in volle ren een extra portie in de snoet gescheten krijgt.

Wordt er onderweg niet gegeten dan moet Pjotr ’s avonds maar wat anders uitvissen.
Als het ijs niet te dik is kapt hij een gat in het ijs en haalt hij een stevig stok boven. Geen vislijn, dat duurt hem te lang.

Hij beveelt zijn honden stil te blijven 
en dan begint hij te zingen.
 Als hij geluk heeft passeert er wel een schooltje vissen die wel eens willen kijken wat dat geluid toch is.
Steekt er eentje zijn kop boven water om het gezang beter te horen, krijgt die van Pjotr
een stevige patat om de oren, zodat die op het ijs vliegt.

Hij maakt er een punt van eerst elk van de veertien honden een visje te serveren alvorens aan zichzelf
te denken.
Hij lust zijn vis nog altijd niet rauw.
 Hij wil een vuurtje maken en zijn visje in een pannetje bakken tot hij het moeiteloos van de graat kan halen zoals de chefs in de grote restaurants.
Hij mag dan wel een globetrotter zijn die alleen reist, nooit zal hij vergeten dat je met goede tafelmanieren overal binnen mag.

Pjotr telt de dagen al lang niet meer. Hoe zou hij dat moeten doen?
Vanaf december blijft het overdag
 zo goed als donker. Er zijn enkel sterren
 en die kleuren het sneeuwlandschap blauw.
Daar is nog makkelijker mee te leven dan met de periode van de middernachtzon. Dan blijft het dag en nacht licht.
 Dat is heel vermoeiend.
Niet alleen voor Pjotr.
 Ook zijn poolhonden kunnen zo 
het Noorden kwijt raken.
Zij zouden dag en nacht blijven lopen. Daarom heeft Pjotr slaapmaskers bedacht
voor zijn honden. Geknipt uit gedroogde huid
 van de klapmuts, een zeehond met een gevlekte pels
 zoals een dalmatiër. Dat gaf het slaapmasker 
een modieus tintje, dacht Pjotr.
Het was een gevecht om die maskers over hun kop te trekken. Poolhonden kennen de geur van zeehonden.
Als Pjotr het masker, waar hij zo aan gewerkt had, te dicht bij hun bek bracht was de kans groot 
dat ze het opaten.
 Leg maar eens uit aan een hond dat hij geen snoepje krijgt maar een masker dat hem beter zal laten slapen.

Honden zijn zoals mensen, wist Pjotr. Of zoals apen. Alle apen apen alle apen na.
 Als je er in slaagt bij twee, drie honden zo’n masker aan te trekken, willen de anderen dat ook.

Musky en Trusky waren de slimmeriken van de groep.
 Zij waren bijvoorbeeld de enigen die hun vacht regelmatig lieten borstelen. Zij kwamen er zelfs om vragen bij Pjotr.
Pjotr begreep dat toch zo.
 Wanneer hij hen passeerde waren zij ook de enigen 
die opsprongen en hem aankeken. Recht in zijn ogen.
Waren zij deze reis beu en was dit hun manier van protesteren? Of was het dat zij bezorgd waren
 en leiding van hem verlangden?
“Hoe moet het verder, grote leider?

Zouden wij niet beter vooraan lopen in de plaats van die Brusky en Dusky, die er toch bij lopen als kippen zonder kop…,”

Soms schrok Pjotr van zijn gedachten. Leefde hij te lang alleen in de sneeuw?
Toch luisterde hij naar die gedachten, alsof ze van een andere persoon kwamen. Dus beloonde hij Musky en Trusky. Zij mochten voortaan voorop lopen.
 Omdat ze voorbeeldig hun slaapmasker droegen.

De dagen die er op volgden kon hij niet vlug genoeg slaapmaskers voor de andere honden maken. Wanneer het slaaptijd werd, begonnen er enkelen zowaar te huilen: “ik eerst, ik eerst…”
Was het voor het slaapmasker te doen
 of wilden ze ook op hun beurt vooraan lopen
 en de weg bepalen? 
Pjotr feliciteerde zichzelf. Zijn slaapmaskers waren een succes.

Of het nu licht of donker was, de honden waren ’s nachts rustiger. Voor het eerst hoorde hij sommigen luid snurken.
’s Morgens waren ze beter uitgeslapen
 en ja, “goedgezind”.

Hij had er extra werk mee, want hij moest nu elke dag 
de volgorde wisselen. Maar de honden waren geduldig. Alsof ze met hun lotje in hun poten afwachten 
of zij het grote lot gewonnen hadden. 
Je voelde een gezonde spanning.
 Een enkele keer was er eentje die jaloers reageerde, 
maar alles bij elkaar vond Pjotr voor het eerst 
dat hij met toffe honden op stap was.
 Hij groeide naar zijn honden toe.
 En wat hij nooit van zichzelf had kunnen denken,
 hij zag sommige liever dan andere.
Musky en Trusky waren zijn vertrouwenshonden geworden waarmee hij kon bespreken hoe het nu verder moest.
 En dan was er Susky.
 Susky was een beetje een plantrekker.
Je zag dat hij niet graag sledehond was. Hij had niet die verbetenheid.
 De andere honden probeerden altijd de collega die naast hen in het gareel liep voor te blijven. Susky niet. Die liet zich soms in het gareel hangen, zodat de anderen hem in feite droegen.
De dag dat hij als laatste voor de slede werd ingespannen greep hij zijn kans.
Heel de tijd keek hij achterom naar Pjotr.
Doordat zijn mondhoeken een beetje optrokken leek het of hij glimlachte.
Hij probeerde zich zelfs 
in zijn gareel te keren om op de slede te kunnen springen.
Pjotr kon het niet meer aanzien en haalde hem 
al rijdend uit het gareel.
Susky sprong op Pjotr 
zijn schoot en wou daar niet meer weg.
Pjotr had er een schoothondje bij
 en een sledehond minder.

Natuurlijk wou Pusky die naast Susky liep ook niet meer verder. Pjotr kon niet anders dan ook Pusky op de slede nemen.
Omdat Susky zijn plaats als schoothondje
 niet meer wou afstaan, kreeg Pusky een vrije rol.
Wanneer er jacht werd gemaakt op een poolhaas
of een Kariboe, kon Pusky, die niet meer in het gareel liep, het rendier de pas afsnijden, in het nauw drijven
 en sneller afmatten.
De andere honden waren akkoord met zijn rol als vrije jager.
Voor Susky hadden ze minder respect.
 Maar die haalde zijn neus op voor de anderen 
en bleef rustig bij Pjotr op de schoot liggen
 of hem overal volgen als zijn persoonlijke lijfwacht.

Dagen en weken gingen voorbij. Alles was hetzelfde.
 Behalve wanneer het Noorderlicht voor spektakel zorgde.
 Hij kon dan niet snel genoeg zijn honden hun slaapmasker aandoen. Anders zouden die gek worden. Want aan het Noorderlicht was geen ontsnappen aan.
 Zo groot als de hemel was leken er groene, blauwe en violetrode gordijnen te spoken. En ook het witte landschap kleurde mee in groen en blauw.

Op school had hij geleerd dat het een samenspel was
van deeltjes die van de zon kwamen en tegen de atmosfeer van de aarde botsten. Een uitzonderlijk natuurverschijnsel waar hij niet bang van moest zijn.
 Integendeel, hij moest blij zijn dat hij dit kon meemaken, want van de miljarden mensen op aarde waren er niet veel die dit te zien kregen. Hij legde zich dan tussen de honden en keek naar het grootste schouwspel ter wereld.
 Hij vond het spijtig dat hij dit niet met iemand anders
kon delen, met Petrova bijvoorbeeld.
 Hij troostte zich met de gedachte dat alleen echte
globetrotters dit meemaken.

Toch verlangde hij steeds meer naar een ander landschap. Naar zonnige oorden, naar bomen en velden met vruchten en ook wel wijdse meren.

Hij was al bijna vergeten dat hij ook hier grote wateroppervlakten kon tegenkomen. Daarvoor hadden 
zijn vrienden Eskimo’s hem een grote kano meegegeven.
Gelukkig bleven de sleden boven water drijven.
 Het leek wel een treintje op het water.
Met de kano als locomotief.
Pjotr wou de honden per slede verdelen.
 Maar de meesten wilden dat niet.
 Die wilden bij hem in de kano. Susky voorop.
 Die deed of hij met Pjotr vergroeid was.
 Musky en Trusky sprongen meteen vooraan in de kano
 alsof zij ook op het water de richting gingen aangeven.

Pjotr maakte kuipzeteltjes op de sleden.
 Maar hoezeer de honden honderden kilometers twee aan twee in het gareel hadden gelopen, naast elkaar in een zetel relaxen zagen ze blijkbaar niet zitten.
 Pjotr had niet genoeg sleden om iedereen zijn eigen zetel
 te geven. Daar stond hij dan.

Met Musky en Trusky als stuurlui klaar in de kano,
 Susky die aan zijn broek plakte en verder
 elf koppige honden, die als ruziënde kinderen 
elkaar de rug toekeerden. En die bij elke toenaderingspoging verder van elkaar weg gingen staan.

Na lang palaveren wou Brusky wel met Lusky in de relaxzetel. En hij kreeg Fusky bij Kusky, maar dan moest er een slede tussen blijven. Rusky en Zusky leken de laatsten te zijn die hij kon overtuigen.
 De anderen kon hij maar niet aan hun verstand
 brengen dat dit hun enige kans was.
“Hé vrienden, wie de boot mist blijft achter, hé.
Er komt geen volgende boot langs, als je dat maar goed weet!”
Pjotr hoorde het zichzelf roepen tegen die honden en hij dacht dat hij een beetje gek
aan ’t worden was.
Kon hij die honden hier zo maar achterlaten?
 Hij was er het hart van in.
 Niet zozeer
omdat hij het dan met vijf honden minder moest rooien, maar omdat hij, als niet honden-liefhebber, zich toch aan die honden was gaan hechten.

Negen honden waren ingescheept en keken naar de vijf op het ijs. Pjotr had geen echte band met zijn honden opgebouwd, moest hij toegeven. En nu was het te laat, want wanneer hij voor de zoveelste keer op een rustige manier wilde uitleggen dat ze beter zouden meegaan, groepeerden de vijf zich en namen afstand van Pjotr.

Ze gromden zacht en staken de kop naar beneden, wat normaal een teken van onderdanigheid is.
Zij wilden Pjotr duidelijk maken dat ze terug een eigen roedel wilden vormen en vrij voor hun eigen eten op jacht gaan.
 Ze konden jammer genoeg niet gewoon naar hem roepen: “och man, rot toch op!”.
 Pjotr begreep er niks van.
En dan, alsof er iemand teken had gegeven, staken ze tegelijk de kop in de lucht
en lieten een ijselijk wolvengehuil horen.
“Hé mannen, jullie moeten nu ook niet overdrijven, hé” probeerde Pjotr nog.
Maar het gehuil werd alleen maar sterker.
Wist Pjotr veel dat ze op die manier contact zochten met andere wolven in de buurt.
Hun gehuil ging tot meer dan vijf kilometer ver.

“Als het zo zit, laat mij jullie dan een knapzak meegeven voor onderweg.” En Pjotr liep naar zijn zelfgemaakte frigo om hen alle vis en vlees te geven die hij nog in voorraad had. Maar bij de eerste stukken vis die hij hen toegooide,
 stoven ze weg, de witte wildernis in.

Pjotr huilde. Susky dacht dat hij Pjotr kon troosten
door zijn tranen te likken. De honden in de kano 
en op de sleden keken beschaamd de andere kant op.
Wanneer de vijf helemaal uit het zicht verdwenen waren,
 bleef Pjotr nog een halve dag aan de rand van het water zitten. In de hoop dat zijn honden zouden terugkeren. Maar het waren Huskies, koppig in de kop en koud als ijs.

Uiteindelijk stapte Pjotr in de kano en vertrok.
 Met krachtige peddelslagen trok hij de karavaan op gang.
 Al snel liet hij zich door de stroming meevoeren.
Susky sprong op zijn schoot. Hij moest de neiging overwinnen om Susky niet in het water te gooien.
 Als je mij nog een keer een likje durft te geven, leg ik je tong op de barbecue en eet ik ze op met een lekkere Madeira-saus. Maar omdat hij hier nooit aan Madeirawijn, Parijse champignons of een halve liter kalfsbouillon kon geraken, liet hij het bij die gedachte.

De stroming zat meestal goed, zodat hij met de steekpeddel alleen moest bijsturen. Gelukkig kwam hij nog veel ijsvlakten tegen, want overnachten in de kano, met die likgrage Susky in de buurt zag hij niet zitten. Hij had al wel eens overnacht op een grote ijsschots, zodat hij een tent kon opzetten tegen de wind.

Als de ijsschots de goede richting uitvoer bleef hij soms meerdere dagen op de ijsschots kamperen. Dat was makkelijker dan met de kano te peddelen.
 Hij had het gevoel dat de overgebleven honden medelijden met hem hadden, want op Susky na, hadden ze sinds het vertrek en afscheid van hun wolf geworden vrienden, geen enkele keer moeilijk gedaan. Misschien waren ze liever met hem op reis dan terug wolf te worden en wild te doen.
Pjotr liet hen toch de vrijheid om te jagen en bemoeide zich niet te veel met hen.

PJOTR KOMT TERUG ONDER DE MENSEN

Dit was het nieuwe gewoon. Met de kano op het water,
 met de sleden op het ijs.
Vis vangen, samen eten met de honden. Een slaapiglo bouwen. De stand van de sterren bestuderen en hopen dat hij de goede richting uitgaat. Dagen, weken na elkaar.

Tot op een dag…
Pjotr had de sleden in een cirkel rond hem geparkeerd.
Hij had geen idee waar hij was. Het was dag en nacht zo goed
als donker.
Hij keek niet meer op, want al wekenlang was er niks anders te zien dan sneeuw en ijs.

Zoals gewoonlijk begon hij een gat in het ijs te kappen.
Tot hij plots een stem boven hem hoorde.
Hij schrok niet eens.
Hij dacht dat het weer zijn verbeelding was.
Maar dan hoorde hij opnieuw en veel luider :
“Hou op met in dat ijs te kappen. Hou op. Onmiddellijk.”
Dit klonk te luid om in zijn verbeelding te zijn.

“Ga weg, hier zit geen vis..” klonk het opnieuw.
Pjotr keek rond, maar zag niks.
Toch stopte hij met kappen en ging enkele meter verder zitten.
Daar begon hij opnieuw in het ijs te kappen
 en weer was daar die stem:
“Ik heb je toch gezegd dat onder dit ijs geen vis zit. Maak dat je hier weg komt.”

Pjotr schrok meer van zijn eigen stem dan van de stem die hij gehoord had toen hij terugriep:
“Zeg, ben jij God misschien, dat jij vanuit de hemel
 zo luid roept…”

Opeens scheen er een enorme lichtbundel naar hem.
“Alle Husky’s, kon hij nog zeggen…” en dan kwam 
het antwoord dat Pjotr buiten westen sloeg.
“Ik ben de eigenaar van deze ijsbaan. Dit is het oefenveld
 van het Black Hawks hockey team. Ga terug naar de wildernis, Eskimo. Straks komt ons team trainen en veeg ik jou met mijn ijsdweilmachine van de baan….”

Toen Pjotr wakker werd stonden er vijf ijshockeyspelers
 met hun geweldige schouders en helmen over hem gebogen. Hij lachte zwakjes en sloot opnieuw de ogen.

Hij was terug in de echte wereld.

Het nieuws haalde de kranten en de tv-journalen.
“Pjotr, de verdwaalde Eskimo die onder de ijsbaan van de Black Hawks vis wou vangen.”
Het publiek was gek van hem. Bij de thuiswedstrijden van de Black Hawks mocht hij met zijn poolhonden een ereronde rijden op de ijspiste.

Iedereen wou hem aanraken of met hem op de foto.
 Men vond hem een wildeman uit een ver verleden.
 Wie reisde nu met een slede de wereld rond? 
Hij werd de mascotte van de Black Hawks en posters
 en ijshockey-shirts met zijn naam op, zelfs namaak piramide-iglo’s vlogen als zoete broodjes de winkel uit.

Pjotr genoot van de belangstelling.
 Het gaf hem de kans om rustig op krachten te komen
na zijn vermoeiende avonturen aan de Noordpool.
Maar van zodra hij zich sterk genoeg voelde, wou hij verder.
Naar warmere streken, naar de indianen.

LEES VERDER IN DEEL III
Dit bericht is geplaatst in PJOTR DE GLOBETROTTER. Bookmark de permalink.