NIEMANDSLAND

Na regen komt zonneschijn. En omgekeerd. Dat is maar goed. Elke dag in het zwembadje spelen gaat ook vervelen. Spellen vervelen nooit. Hoewel Gloria zich blauw
kan ergeren aan ‘Mens erger je niet’. Zeker als zij verliest.
Fons niet. Dat is een echte speelvogel. Spelen is voor hem belangrijker dan winnen.
Hij speelt zelfs graag met de kaarten.
Otto wil ook mee kaarten. Hoewel hij met zijn drie jaar moeiteloos tot tien en verder telt, herkent hij de getallen nog niet zo. Of hij doet alsof.
Gloria die altijd met een ander spel wil beginnen, wou Pim Pam Pet spelen.
“Gloria, het is Pim Pam Pot”, zei Otto.
Die antwoordde geduldig en een beetje belerend. “Neen, Otto, het is Pim Pam Pet. Wanneer je zes wordt ga je naar het eerste studiejaar en dan leer je alle woordjes lezen, ook Pim Pam Pet.”
“Het is Pim Pam Pot”, sloeg Otto terug. “Kijk maar” en hij gaat met zijn vingertje
over de laatste twee lettertekens en zegt “dat is een O en een T, zoals in mijn naam.
Ik heb twee keer een O en twee keer een T. “
Overal waar hij zijn letters ziet wil hij laten zien dat hij ze kent: “kijk, mijn letters.”
Ik vermoed dat hij met Pim Pam Pot Gloria wou plagen.
Fons, de oudste van de drie, dacht er ook zo over en zat achter zijn hand te lachen.

Ik schrijf oudste van de drie en maak een onvoorstelbare telfout.

Fons, mijn oudste kleinkind dat twee weken na mijn zestigste verjaardag geboren werd,
is ondertussen de oudste van vijf.
Otto (het derde kleinkind, maar Italiaans voor acht) heeft sinds een half jaar een broertje dat hij vooraf zelf de naam ‘Lemby’ gaf, maar mama en papa vonden Titus toch beter klinken. Titus is net als Otto een keizer. Een Romeinse keizer, terwijl Otto een Duitse keizer was.
En dan is er het vijfde. Niet van Beethoven, maar van mijn oudste zoon.
Omdat het een meisje is, is zij La quinta, met een mooie naam Nona, wat dan weer
‘De negende’ betekent.  maar betekenisvoller bekend als ‘ode aan de vreugde’.
Onze vijfde, mag dan wel de negende heten, zij is in de eerste plaats het eerste van mijn eerste. Hoe kun je nog meer ‘van tel zijn’?
Titus en Nona zijn bovenal mooi en lief en levendig. Daar kan ik niet veel aan toevoegen.
Nu ze nog maar enkele maanden oud zijn kun je alleen maar vertederd toekijken hoe wonderlijk ze week na week groeien en bewegen en dingen bijleren. Geluk ligt in die kleine dingen. Later spelen ze beslist ook mee in mijn verhaaltjes tussen feiten en fictie.

Zoals Otto, die met zijn drie jaar Bingo, maar ook Memory op verbluffende wijze speelt.
In die spellen kan hij in competitie met Fons en Gloria. Hij licht de kaartjes wel snel op zodat hij alleen kan  zien wat er op staat. Je moet niet naar school gegaan zijn om tactisch te kunnen denken. Als de andere twee reclameren, doet hij sluw “wàt?”, met beide handen opzij alsof hij het evangelie leest.
Natuurlijk hebben kinderen met drie jaar al een geweldig werkend geheugen. Wellicht gaat er veel verloren hoe meer ze in hun geheugen opslaan, maar hier en nu weten ze het wel.

Zijn knuffel ‘Piet Konijn’ is helemaal versleten. Maar hij kan er geen afscheid van nemen. Zo’n twee maanden geleden, toen hij bij ons logeerde, vroeg ik hem of hij terug voor een konijn zou kiezen, mocht hij een nieuwe knuffel krijgen. Of hij ondertussen een ander lievelingsdier had.
“Ik wil een olifant”, had hij gezegd.
“Als knuffel bedoel je toch?”, had ik voor de zekerheid gevraagd. Een echte olifant, zelfs een kleine baby-olifant kan bij jou niet in de kamer. En die zijn niet zo proper, dacht ik er voor mezelf bij.
Ik beloofde van met hem naar de Zoo te gaan en daar een olifant-knuffel te kopen. Deze week herinnerde hij mij er aan. Niet gewoon van “Opi, jij had toch gezegd dat we naar de Zoo zouden gaan om een olifant knuffel te kopen?” Neen. Hij zei slim met een beteuterde blik :”Opi, mijn konijn is nu echt versleten. Ik zou nu graag een olifant als knuffel hebben.” ’s Avonds viel mijn frank: die lieve schat heeft mij subtiel bij mijn oren getrokken.
Morgen zie ik hem terug. De olifant-knuffel ligt klaar. Niet uit de ZOO wel van ‘in den olifant’. Daar zijn ze zachter en beter.

“Wie speelt er mee ‘processierups?”
Gloria had de vraag nog maar gesteld of ik kreeg al jeuk.
“Wij hebben dat op scoutskamp gespeeld. Iemand begint als processierups en die moet dan andere kindjes vangen die mee processierups worden en dan mee andere kindjes vangen tot iedereen processierups is geworden.”
“Gloria, dat lijkt me wel een aanstekelijk spelletje, maar wij zijn hier met vier in de keuken of met vijf als oma haar borduurwerkje opzij legt…”
Heel even keek ze beteuterd, maar dat duurde niet lang want ze had al een ander idee. Zij is een bron van inspiratie, zolang zij maar de touwtjes in handen kan houden.
“Wie kent er een land dat geen echt land is?”, vroeg ze.
Fons die dat raadspelletje misschien ook op scoutskamp had gespeeld, speelde er onmiddellijk op in. “Luilekkerland” flapte hij er uit.
“Neen, Fons. Dat telt niet. Dat is een sprookjesland.”
“Maar je vroeg toch een land, dat geen echt land is. Wel, een sprookje is niet echt,
dus ik heb het juist. En…Plopsaland”.
Fons begon rond de tafel te lopen terwijl hij de kabouterdans deed.
Ik weet zeker dat Otto dat nooit eerder gezien had. Hij is fan van Bob de Bouwer,
van brandweerman Sam en van Paw Patrol, niettemin danste hij mee met Fons.
Fons die het eigenlijk ook niet kende, zong:  ‘draai een keer in het rond,
stamp met de voeten op de grond, luister niet naar dat gesemmel, dat je hoort
van Gloria Kwebbel”
Otto begreep niet wat Fons zong maar zong toch duchtig zijn versie mee.

De eerste vuisten gingen in de lucht en niet voor het ritme van de dans.
Oma die op de bank zat te borduren en gevecht en gehuil voelde komen,
gooide er vlug ‘Borduria’ tussen. Mijn land is ‘Borduria’.
Fons stopte zijn kabouterdans. Hij vond grappig wat oma zei.
Omdat zij zat te borduren vond ze Borduria uit.
“Borduria bestaat niet oma”, zei Fons lachend.
“Toch wel, in de avonturen van Kuifje. Wij hadden thuis al die boeken.”

“Wie heeft er al gehoord van ‘Niemandsland’”, probeerde ik.
Ik zag aan hun gezichten dat ze ook aan mij wilden zeggen :”dat bestaat toch niet”,
maar ze keken me vragend aan, wachtend op verdere uitleg.

Niemandsland is het stuk land tussen twee grenzen. Dat is dus niet van het ene land en ook niet van het andere. Het lijkt of de landen die normaal aan elkaar zouden grenzen hun lijn verkeerd getrokken hebben. Of slordig. Dat ze wel op hetzelfde punt vertrokken, maar met hun hoofd naar de grond gericht, kijkend naar de verfborstel in hun hand, in hun land, zei ik bijna, steeds verder van elkaar wegliepen.
Omdat je zo’n grens tussen twee landen niet op een dag kunt trekken, deden ze ’s anderendaags verder op het punt waar ze ’s avonds gestopt waren.
Waar was hun collega van het andere land naar toe? Oh, die zal al vertrokken zijn.
Of zou die luie lijntjestrekker nog in zijn bed liggen? Met rugpijn wellicht.
Deze wakkere lijntjestrekker kromde de rug en trok verder. Zo gebeurde het dat er soms kilometers land tussen de twee grenzen in lagen. Niemandsland. Het land waar de smokkelaars op adem konden komen.
Weten jullie wat smokkelen is? Ze knikten. Op school hadden ze al geleerd van mensensmokkelaars.
Nu zijn er in Europa geen grenzen meer, maar vroeger had je zelfs een grens tussen ons land en Nederland. Aan de grens stond een man van de douane. Dat was geen soldaat, maar zijn uniform leek wel van het leger. Bruingroen. Aan zijn riem  droeg hij een bruin lederen tasje. Met een revolver,  dachten wij. Om ons gerust te stellen zei mijn papa dat er niks in dat tasje zat, dat hun revolver in het bureau achter slot zat.
De douaneman vroeg altijd aan iedereen: “iets aan te geven?”
Daarmee wou hij weten of wij iets over de grens wilden brengen waarvoor betaald moet worden. “Drank, sigaretten, boter?”
Mijn papa zou nooit smokkelen, dat wisten we, maar toch wij zaten op de achterbank met een rode kop te zweten. Zeker als die man ook nog vroeg: “doe die koffer eens open.”
Stel je voor dat mijn Nederlandse neven daar voor de grap iets ingestoken hadden. Een konijn, een kostuum, Karel I. Dat waren sigaartjes die ze net over de grens maakten. Een kostuum had ook gekund, want mijn oom was kleermaker.

Mijn mama keek de hele tijd achterom naar mij. Ik vreesde altijd dat zij op de vraag ‘iets aan te geven’ zou antwoorden: “ja, die tweede van links, dat is eigenlijk een Hollander, die kan ook zonder ophouden tetteren.” Maar ik zweeg als vermoord. Soms was ik toch al bijna dood. Met zes op de achterbank, kon  je nauwelijks ademen.

Wij smokkelden dus niet, hoe spannend het mij ook leek. Maar veel mensen smokkelden wel. Voor de spanning, voor het spel. Ze verstopten dan flessen jenever onder de baby in de kinderwagen, of onder de grotere kinderen, die daarmee op een opvallend verhoog zaten.
Als je de afdekdoek zou wegnemen zag je kistjes sigaren, flessen drank en ook verse haring. Geen boter want dat was niet proper.
Hoewel boter interessant was voor het prijsverschil. Nederland is een land van molens en koeien. Er waren er die een pakje boter onder hun hoed de grens over smokkelden. Vroeger droegen alle mannen nog een hoed. Als het dan warm was en je moest lang aanschuiven kon het gebeuren dat de boter op je hoofd begon te smelten. Uit die tijd komt de uitdrukking: ”hij heeft boter op zijn hoofd”, waarmee men wou zeggen: die mag doen alsof er niks aan de hand is maar hij speelt vals en dat zal wel uitkomen. Boter smelt.

“Ik zou wel in Niemandsland willen wonen”, zei Gloria. “Als het toch van niemand is
dan kan het net zo goed van mij zijn.”
“Wie gaat jou water leveren en elektriciteit. En hoe krijg jij ooit een brief. Welke postbode komt daar naar toe? ‘Aan Gloria, achter het grote bos in Niemandsland.”
Fons zag Niemandsland niet zitten.
“Och, ik zet een brievenbus net over de grens en ga winkelen in het goedkoopste
van de twee landen.”

“Waarom probeer je geen landen uit te beelden”, zei oma.
“Ja, doen we. Dat wou ik al de hele tijd doen”, zei Gloria. “Mag ik beginnen?”
Zij dacht na. Iedereen wachtte.
“Ik weet het, ik weet het.”
Ze stapte zelfzeker naar de muur.
“Je mag niks zeggen, hé Gloria.” Fons wou het vooral voor hem zelf spannend maken.
Ze trok een denkbeeldige lijn hoog boven haar hoofd. Dan schoof ze met haar hand traag naar beneden, om met gestrekte vinger het laagste punt aan te wijzen.

“Is dat een land, dat is de muur…”
Met pret in haar ogen en haar mond in een streep, knikte ze en herhaalde de uitbeelding. Hoog, lager, lager en dààr.
“Ja natuurlijk”, zei Fons “Nederland” “Is het juist?”
“Het is Nederland. Ik weet er nog een, mag ik nog ‘s.”
“Het is eigenlijk mijn beurt”, zei Fons, maar Gloria was al opnieuw aan het uitbeelden.
Ze wees naar de groene zetel.

De zetel is voor hen al jaren een trampoline. Het leder verslijt, maar de veren blijven perfect dienst doen. Soms veren ze bij het springen zo hoog op dat ze met hun voeten aan de hoofdsteun geraken. En natuurlijk doen ze niet liever dan op de rugleuning staan. Met z’n drieën om dan samen op de zitting te springen. Ze weten dat het mag en leven er zich al jaren op uit. De zetel geeft geen krimp.

“Zetelland” zei Fons.
“Dat bestaat niet”, reageerde Gloria meteen.
“Het moet toch een land zijn dat geen echt land is?”
“Ja, maar Zetelland, daar heeft niemand van gehoord. Bobbejaanland is ook geen echt land, maar iedereen kent dat wel. Je moet het kunnen raden.”

Het duurde. Otto wou al iets anders gaan doen. Dit was geen spelletje voor hem. Hij kende Borgerhout en Berchem, maar waren dat landen?
En toch. Voor Fons de uitbeelding van Gloria kon raden, kwam Otto de kamer terug binnen en zei :”Legoland”, om onmiddellijk terug te gaan naar de andere kamer waar hij met Lego was beginnen spelen.
“Wow, Otto”, zei Fons bewonderend “ga jij mij helpen?”, maar Otto keerde terug naar zijn Lego.
“Fons ik geef je nog een extra tip.” Gloria wees opnieuw naar de groene zetel en haalde dan uit de kleurpotlodendoos een groen potlood.
“Groenland”, riep Fons opgelucht.
“Nu is het aan mij”, en hij dook in die groene zetel en sloot zijn ogen.
Otto die de duik van Fons had gezien nam ook een aanloop en dook bovenop Fons.
Die schrok even want hij was aan zijn uitbeelding begonnen, met gesloten ogen.
“Fons, doe jij nog mee”, zei Gloria die nog niet doorhad dat Fons al bezig was uit te beelden.
Nog met zijn ogen toe trok hij een angstig gezicht en begon heen en weer te schudden. Otto schudde mee. En dan trok hij een rustig blij gezicht.
Gloria stond er op te kijken en zuchtte.
“Ik denk dat hij aan ’t dromen is”, fluisterde oma zachtjes.
“Dromenland” riep Gloria toen.
“Juist. Maar ik mag er ook twee.”
Fons wachtte niet op antwoord en ging op zijn knieën zitten. Hij sloot weer zijn ogen
en vouwde zijn handen tot gebed. Omdat er niet direct een reactie kwam duidde hij
met zijn hand op zijn rug alsof daar vleugels zaten.
Opnieuw stak oma een handje toe.
“Gloria, jullie zijn er deze zomer met vakantie geweest.”
“Oh ja, Engeland, maar dat is dan engel-and, daar is een ‘l’ te kort.”
“Ja, zeg Gloria, het is maar een spel, hé. En je zegt toch Engeland en niet engel-and?”

Het was tijd voor een ijsje. Ze smulden in stilte. Je zag dat ze over nog straffere uitbeeldingen nadachten.
“Ik weet nog een heel grappige”, begon Fons nog voor de anderen hun ijsje op hadden.
Hij vond het zelf zo goed dat hij er niet kon mee wachten. Hij trok een keukenschuif open en haalde er een koekenpan uit. Daar stapte hij heftig ‘ja’ knikkend mee naar Gloria en Otto.
“Japan” riep hij zelf glunderend.
“Met daarjuist Engel-and te splitsen kwam ik op Ja-pan.”
En welk land is dit dan ? Gloria trok met haar vingers haar ogen in spleetjes.
“China, maar dat is na-apen”, waarop Otto een aapje nadeed.
“Apenland” riepen Fons en Gloria samen.

“Opa weet jij nog een land?”
Ik fluisterde Turkmenistan in haar oor.
“Opààà” zei ze kwaad en ze trok haar wenkbrauwen bijna tot onder haar ogen.
“Dat was een grapje, Gloria” zei ik vlug. “Luister, hier komt de echte tip.”
Ik fluisterde weer in haar oor. Nu trokken haar wenkbrauwen op en haar smile
ging van oor tot oor.
Ze deed een kip na op haar erf. Kop naar beneden, graantje meepikken en dan zich makkelijk zetten. Veertjes op zijn plaats. Een beetje met de poep schudden en dan
pakte ze iets van onder haar poep. “Kakaland” lachte Otto. Gloria heeft haar kak gepakt.
“Ottoooo”, zei oma, maar verder ging er geen aandacht naar want Fons stak zijn vinger op alsof hij in de klas was, zo tevreden was hij dat hij het gevonden had.
“Een eiland!” “Juist!”
Het gaf hem een idee. “Otto, wil jij ook iets uitbeelden?”
Omdat het van Fons kwam, wou hij toch maar meedoen. Maar wat moest hij met landen. Hij vond zichzelf grenzeloos.
Nadat Fons Otto iets in zijn oor gefluisterd had, kroop Otto op de rugleuning van de groene zetel. Hij hield een hand voor zijn oog. Daarna deed hij alsof hij met een éénoog-verrekijker over de horizon tuurde, zoals hij al dikwijls gedaan had. Wanneer de zetel zijn piratenschip was en de bovenrand van de rugleuning het kraaiennest.
Toen sprong hij van de zetel en liep naar de hoek van de kamer waar zijn piratenvlag opgerold stond. Iedereen wist al welk land hij aan het uitbeelden was, maar liet hem met plezier zijn toneeltje verder opvoeren. Hij klom terug naar zijn kraaiennest, ditmaal minder vlot, want hij had nu ook een houten been, een papegaai op zijn schouder, nog steeds maar één oog en een echte piratenvlag bij zich die groter was dan hijzelf.
Daar stond hij. De piraat. Hij wees naar Gloria voor het eiland-gedeelte.
“Zou het ‘pirateneiland’ kunnen zijn” zei Fons voorzichtig terwijl hij zelf het woord
in Otto zijn oor had gefluisterd. Otto sprong van de zetel en omhelsde Fons alsof hij hem in twintig jaar niet gezien had.
Wij lachten. Otto glunderde. Hij had toch maar mooi aan dat stomme landenspel meegedaan. En dan verdween hij weer.

Oma was aan het opruimen om zo dadelijk de tafel te dekken.
Plots stond Otto daar terug. Hij was naar boven in de kasten gaan rommelen.
Daar stond hij voor ons met zijn armen gekruist en een air van “haha, jullie denken
dat ik jullie spelletje niet doorheb…”
Niemand van ons kon een woord uitbrengen. Verbluft dat we waren om zoveel genialiteit. Bevreesd ook dat we zouden stikken van het lachen.
Op zijn voorhoofd had hij met zo’n blokje dat ze voor de interlands uitdeelden, de Belgische driekleur geschilderd.
Voldaan keek hij naar ieder naar ons. Moest hij het  woord “schaakmat” kennen zou hij het misschien nu gebruikt hebben. In de plaats zei hij “perfect”, zoals hij alleen dat kan zeggen.

Hugopa
5 augustus 2019

 

Dit bericht is geplaatst in Fons, Gloria en Otto. Bookmark de permalink.