PJOTR DE GLOBETROTTER – Deel IV – terug naar de natuur

PJOTR IS VERLIEFD

Big Foot had Pjotr niet alleen aan die vervallen ranch geholpen. Hij zorgde ook voor extra mankrachten en, hij bracht een vrouwelijke werfleider mee naar de ranch.

Bij de eerste besprekingen had Pjotr niet onmiddellijk door dat deze mooie indiaanse de dans zou leiden.
 Hij vond het zelfs een beetje vervelend dat die
aan een stuk door ratelde. Zij kwam bovendien met het ene voorstel na het andere.
 Alsof het haar ranch was.
Big Foot zat er bij en zei niks.
 Maar toen Pjotr zijn vragen aan Big Foot bleef stellen, zei Big Foot lachend: “Je blijft een echte blanke man. Bij ons zijn vrouwen even belangrijk als mannen.
Ik heb Dichali meegebracht omdat zij zoveel meer weet dan ik. Ik weet niks. Zij heeft voor architect gestudeerd
en heeft pakken ervaring.”
Pjotr besefte hoe dom en onbeleefd hij geweest was.

“Duizend excuses, mevrouw. Ik wist niet…”
“Geen erg”, antwoordde ze. “Het spreekt in jouw voordeel dat je zo snel beseft dat je niks weet. Bij de meeste mannen duurt dat doorgaans veel langer.”
Toen ze lachte, verschenen er kraaienpootjes
rond haar ogen.
Ze was niet veel jonger dan Pjotr zelf.

“Ik heb vele verhalen over jou gehoord…” , begon ze, 
terwijl ze Pjotr van kop tot teen monsterde.
“Toch niet gelezen in Tamtam” gooide Pjotr er haastig tussen.
“Neen, mijn goede vriend Big Foot heeft mij alles
over jou verteld toen hij kwam vragen
of ik jou wou helpen.”
“Ik denk dat Big Foot jou graag
 hier wil houden, ook al ben je een bleekgezicht.”

Voor het eerst van zolang Pjotr Big Foot kende, stak die zijn hand op en zei “Ugh”.

De ene werkvergadering na de andere zat Pjotr met open mond naar Dichali te luisteren. Ook wel omdat hij nauwelijks een kans kreeg
om iets te zeggen.
 Maar hij vond dat niet erg, want zij had goede ideeën. Hij had het zelf niet beter kunnen bedenken.
 Zo moest hij alleen maar nu en dan instemmend knikken.
 Eigenlijk moet ik toch iets meer zeggen,
 sprak hij zichzelf moed in.
Bij het begin van de volgende vergadering sprak hij: “Dichali, ik wil je danken voor hetgeen je voor mij doet. Ik vind al jouw voorstellen fantastisch. Doe gerust alsof dit ook jouw ranch is, die je ze voor je jezelf
aan het inrichten bent.”
“Doe ik altijd”, antwoordde ze kort.
 “Als je creatief wil werken, moet je denken
 dat je voor jezelf werkt.”
“Ik vind het echt geen probleem”, stamelde Pjotr. Alles wat je voorstelt valt volledig in mijn smaak.
Weet je, wanneer ik later oud zal zijn
en niet meer zo goed te been, zal ik telkens als ik val denken : Ik val meer
 en meer in Dichali haar smaak…”
Voor het eerst in al die weken van samenwerking
 viel Dichali stil. Ze kleurde zelfs een beetje rood. 
Meer dan anders.
“U maakt een grapje”, zei ze aarzelend,
 “want anders is dit wel heel persoonlijk.”
Nu was het aan Pjotr om rood te kleuren.
“Mijn excuses, mevrouw Dichali, ik wou je niet…
Ze had er plezier in dat Pjotr nog verlegen kon zijn.
Ze antwoordde al even persoonlijk :
”Voor mij moet je niet oud worden om in mijn smaak te vallen, dat doe je nu al…”
Die zat.
 Daar had Pjotr niet van terug.
 Hij zocht naar een goede zin om het evenwicht te herstellen en vroeg: “je hebt mij nog nooit verteld wat jouw naam wil zeggen. Indianennamen hebben toch altijd een betekenis?”
Dichali lachte luid. “Je gaat dit misschien niet geloven,
 maar Dichali betekent: “zij die zeer veel spreekt.”
Nu moest ook Pjotr hartelijk en opgelucht lachen.

Wanneer ze uitgelachen waren bleven ze elkaar aankijken. De vonk sloeg over.
Pjotr raakte even in ademnood.
Hij deed alsof hij een hoestbui kreeg.
“Je doet maar”, zei hij na een hele tijd.
“Ik vind alles goed.” Dichali stond recht, gaf hem een voorzichtige zoen op zijn wang en wandelde van hem weg. Zonder om te kijken, zwaaide ze even met haar hand.

Pjotr was zichzelf niet meer.
 Voor het eerst liet hij de paarden over aan zijn medewerkers en liep heel de tijd te dagdromen. Je zag hem blozen
 als hij aan Dichali dacht.
 Hij wou nog niet toegeven aan zijn gevoelens. 
Dat was niet meer voor hem.
Wat zou Dichali denken?
 En hoe ongelukkig zou hij zelf zijn als hij
 over zijn gevoelens sprak en zij hem daarmee uitlachte.
 Hij zou haar niet meer onder ogen durven komen.
Toch stond hij vaker voor de spiegel.
 Waste zich regelmatiger en trok al eens een proper hemd aan. Als een verliefde tiener keek hij uit naar hun volgende werkvergadering.

De gebouwen stonden er al bijna honderd jaar.
 Ze moesten alleen gemoderniseerd worden en een persoonlijk tintje krijgen.
Wanneer de werken zo ver gevorderd waren dat Pjotr aan verhuizen mocht denken, begon hij te klagen.
Wat moet ik alleen in zo’n groot huis?
Hoe kan ik me nog met mijn paarden bezig houden 
als ik dit huis op orde moet houden ?
 Als hij personeel in huis wilde halen,
 moest hij ook voor inkomsten zorgen.
Kon hij het over zijn hart krijgen van paarden
 te verkopen?
 Zeker niet van zijn eerste groep.
 Misschien van paarden die later getemd werden
en waar hij niet zo’n persoonlijk band mee had.
 En wat als hij eens opnieuw tochten organiseerde
en grote feesten gaf op zijn ranch?

Hij hoorde hier en daar of er mensen mee 
in zijn avontuur wilden stappen. Als medewerker.
 Hij had snel kandidaten genoeg.
 Maar aan die ene die hij in huis wou,
durfde hij het niet goed te vragen.
 Dichali sprak hem er dan maar zelf over aan.
Nadat ze eerst om raad was geweest bij Big Foot.
 Die had haar gerust gesteld :
”Pjotr is geen bleekgezicht meer.
 Hij is een van ons. Trouwens ik ga hem binnenkort een indianennaam geven. Ik vraag hem ook mee naar de conventie met de zuidelijke indianenstammen. Het is goed van daar minstens een bleekgezicht aan onze kant te hebben.”

Na dat gesprek met Big Foot was Dichali zo in de wolken dat ze recht naar de ranch van Pjotr reed.
“We moeten eens praten, Pjotr”, had ze onmiddellijk gezegd.
Pjotr schrok en speurde zijn geheugen af naar wat hij in hemelsnaam fout had gedaan. “Ja, zoals je wil”, antwoordde Pjotr aarzelend.

“Ik vind het goed dat je de jonge indianen zo enthousiast kunt maken voor de ranch en de paarden. Ik ben ook blij voor jou dat je genoeg personeel gevonden hebt om hier desnoods elke twee dagen een groot feest te houden voor meer dan honderd man. En dat je er waarschijnlijk in zult slagen van met je trektochten zoveel mensen naar hier te lokken. Maar zeg nu zelf, om dat alles in goede banen te leiden
 heb je toch een vrouw naast jou nodig…?”
Pjotr stond daar als een kleine jongen, die een standje kreeg omdat hij zo dom was geweest.

“Ja, Dichali, je hebt volkomen gelijk, maar waar vind 
ik een vrouw die dat allemaal kan en vooral die dat wil doen? Volgens mij is het makkelijker van 100 wilde paarden te vangen dan één vrouw…”
Dichali kneep haar ogen tot fijne streepjes. 
Ze haalde diep adem en besloot van te doen
of ze zijn domme opmerking niet had gehoord.
“Ver moet je toch niet zoeken? Ik sta hier voor je neus. Waarom stel je die vraag niet aan mij?”
“Dat is waar, dat is waar”, zei hij nu bloednerveus, terwijl zijn gezicht bleker wegtrok dan ooit tevoren.
“Mijn lieve Dichali, daar droom ik al van sinds de eerste dag
 dat ik jou zag en deze ranch nog een bouwval was.
Week na week zag ik wat er onder jouw leiding van gemaakt werd. Het ging te snel voor mij. Ik was alleen maar bezig hoe het zou zijn als jij hier niet meer kwam omdat jouw werk hier gedaan was…”

Dichali draaide met haar ogen.
 “Mijn werk hier is nooit gedaan, Pjotr. Als jij dat wil.”
Pjotr knikte. Sprakeloos. Hij dacht zelfs dat hij ging flauwvallen.
“Zeg het dan toch”, brulde Dichali nu.
Zij was zo dicht bij komen staan dat haar speeksel
 Pjotr op de wangen spatte.
“Zeg dan toch gewoon, Dichali, wil jij hier met mij
 de ranch besturen? Wil jij bij mij zijn in goede en
kwade dagen?
 Wil-jij-mijn-vrouw-zijn???”
“Alle donderwolken nog aan toe. Dit is toch echt het bewijs dat je mij nodig hebt. Pjotr, alstublieft.”
“Dank u wel”, zei Pjotr.

“Dank u wat? Dank u wie?
 Pjotr, wat voor een kleuter ben jij soms toch.”
“Dank u, dat je gezegd hebt wat ik droomde maar nooit zelf
 zou durven zeggen. Dank u, dat jij in mijn leven bent gekomen. Soms als een donderwolk, zoals je daarnet zei. Maar ik heb een donderwolk nodig en een fikse regenbui om mij wakker te houden. “Maar meen je dat? Wil jij echt mijn vrouw zijn?”
“Neen, Pjotr dat is nu eens squaw-humor.
 Indianen lachen niet. Hun vrouwen wel. Omdat het nodig is.”
Nu wist Pjotr nog niet wat hij moest denken.
 Hij bleef dan maar stil staan kijken, terwijl er tranen
over zijn wangen bengelden.
“Waarom dacht je dat ik in jouw slaapkamer
 een zo groot mogelijk bed heb voorzien,
terwijl jij nog vroeg of dat wel nodig was.”
“Is dat ook squaw-humor”, stamelde Pjotr.
”
“Neen, brave bleekscheet, dat is ontwerpen
 met oog voor de toekomst.”
“Zal ik dan maar meteen de touwtjes in handen nemen?”
“Ga je wassen en trek je beste kleren aan. Wij gaan samen naar Big Foot, die heeft je ook nog wat te vertellen.”
“Jazeker, mijn Aiyana.”
Dichali bekeek hem met een diepe frons in haar voorhoofd.

Pjotr had haar zojuist ‘eeuwige bloesem’ genoemd.
Voor haar had het wel iets sterkers mogen zijn.

Big Foot lag nog zijn middagdutje te doen toen Dichali met veel lawaai kwam binnenstuiven.

Enkele meter achter haar aan kwam Pjotr aangesloft.
 Hij leek wel een communicant die op z’n paasbest
door zuster overste was betrapt op het bijten op een hostie. Hij stond daar of hij bloed in de mond voelde
 en hij zo kon gaan overgeven.

“Als jullie ruzie hebben moeten jullie niet
bij mij komen”, zei Big Foot die het liefst gewoon verder wou slapen.

“Ruzie maken?”, riep Dichali “waar heb jij het nu over? Zie jij niet dat wij zo net onze levens aan elkaar verbonden hebben? Dat wij de gelukkigste mensen zijn tussen de Wind River en de eeuwige jachtvelden?”


“Tja, dat wil ik onmiddellijk geloven als ik die beteuterde Pjotr daar zie staan. Jullie lijken wel de grote Manitou en de vlo die in zijn arendsveer mag wonen omdat die vlo de arend persoonlijk heeft gekend…”
Pjotr had in zijn leven al veel meegemaakt,
 maar nog nooit had men hem vergeleken met een vlo.
“Kan het op zijn minst ‘meneer’ de vlo zijn, kanarieveertje?”

Big Foot was nu helemaal klaar wakker.
 Hij schoot in de lach.
“Pjotr, Pjotr toch. Ik heb je nog nooit zo peuterig gezien. Dichali is de best squaw
die je ooit kunt vinden.
 Laat je door haar leiden en je wordt de gelukkigste man
van de wereld.
 Kom, laat me jullie samen het beste wensen.”
Big Foot nam de handen van Dichali en Pjotr
en sprak: “De Goden hebben jullie samen gebracht en zij willen dat jullie samen blijven. En ik, Big Foot,
 kan alleen maar zeggen dat de goden altijd gelijk hebben.”

Pjotr wist dat de indianen zoiets niet deden, toch vloog hij Big Foot om de hals.
Die zei ongemakkelijk “ Ugh, Ugh, Ugh”.
Dichali stond erbij met de armen gekruist terwijl ze Pjotr tot de orde riep.

“Pjotr, ook bij ons is het de gewoonte dat de man eerst zijn vrouw kust.”
Pjotr liet zich op zijn knieën vallen.
“Mijn liefste Aiyana, wil je het mij vergeven.”
“Ik ben zo blij dat ik niet meer weet wat ik doe.
 Mag ik jou dan nu in mijn armen nemen.”
“Dat mag niet, dat moet, bleekscheet.”
En wen er maar aan dat ik jou bleekscheet zal noemen telkens je mij zo onnozel Aiyana noemt. Ik ben geen eeuwige bloesem.”
“Zeg je dat misschien om met mij te spotten? Ik ben bijna zo oud als jij en dan klinkt eeuwige bloesem even fris als rimpelend appeltje.”
“Als je dan toch een indiaanse troetelnaam wil geven, mag je ‘Mansi’ zeggen. Dat klinkt niet alleen beter. Jij kunt er “mammie” in horen, als je dat graag wil. Het betekent ‘geplukte bloem’. Dat past beter bij mij. Jij hebt mij geplukt en ik ben altijd van jou”.

Pjotr stond er bij en keek alsof hij een olifant door de lucht zag passeren.
Big Foot schaterde het uit en klopte Pjotr
 op de schouder.
“Had ik jou daarnet niet gezegd dat zij haar ‘mansi’ kon staan?”

Er werd een groot feest gehouden op de ranch.
 Pjotr en Dichali verwelkomden de gasten.
 Velen hadden hun best gedaan om in traditionele indianenkleding te komen.
Iedereen werd gevierd.
 In de eerste plaats Pjotr en Dichali.

Iedereen noemde Dichali de bazin van deze prachtige ranch 
en wenste haar succes met de grote feesten die ze als de beste zou organiseren.
                                                                    Aan Pjotr werd gezegd dat hij blij mocht zijn dat hij zo’n vrouw gevonden had. Die zou er wel voor zorgen dat hij zich kon toeleggen op de paarden en de groepsreizen die nu een nieuw indiaans avontuur zouden beleven.
 En natuurlijk werd hij gefeliciteerd met zijn prachtige kudde paarden die overal op de ranch aanwezig waren.

Tot laat in de nacht werd de rituele zonnedans gedanst.
De gezangen hadden iets mysterieus, terwijl de drums zonder ophouden de hartslag van de dansers ritmisch volgde.
Omdat Pjotr uiteraard geen totempaal had op de ranch
 werd rond een groot vuur gedanst.
 Pjotr volgde zo goed hij kon de veel jongere indianen.
Tot hij er bij begon te duizelen. Hij bleef staan
en had de indruk dat de cirkel steeds dichter bij hem kwam
 en hem bijna in het vuur duwde.

Plots stond daar Big Foot naast hem die een groot Tomahawk-bijl boven zijn hoofd hield.
 De drums klonken zachter en de gezangen vereenvoudigden
 tot een monotoon laag gemurmel.

Pjotr keek ongerust naar bijl boven zijn hoofd terwijl hij de hitte van het vuur tegen zijn rug voelde schroeien.
 Dichali was er nu ook.
 Ze had een groot mes in haar handen.

Ze nam de pols van Pjotr en sneed hem met een flitsende beweging in de pols. Pjotr schrok. Hij kon niet achteruit
of hij zou in het vuur vallen.
 Toen sneed Dichali in haar eigen pols.
Big Foot legde beide polsen op elkaar en vermengde hun bloed.
“Pjotr, sprak Big Foot plechtig. Van deze nacht af
 zal jij in ons midden niet langer bekend zijn als
 Pjotr de globetrotter, maar zal jij aangesproken worden 
met jouw indiaanse naam “Big Horse”.
 Big Foot sloeg met de Tomahawk-bijl op de schouders van Pjotr.

 “Ik heb je als een rare Eskimo leren kennen die dacht dat het volstond van in de zon te lopen om een roodhuid te worden. Ik heb je een kans gegeven en jou van nabij gevolgd.
 In het begin werd je uitgelachen met alles wat je deed. Je probeerde ook zo hard op een indiaan te lijken.
 Maar je bleek een doorzetter en je slaagde er in van ons gemoderniseerde indianen terug naar de natuur te brengen. Daarbij heb je alle creativiteit en kennis gebruikt
 die je in vele jaren rondzwerven verworven hebt.
 In jouw wereld zouden ze zeggen: je verdient een pluim.
 Wij indianen geven een veer. Dat zegt zoveel meer.
 Een veer moet je verdienen en is voor altijd.
 Big Horse kniel nu voor onze voorouders en deze indianengemeenschap, zodat ik jou kan eren
 met een veer van een kraai.”

De vlotte verteller die Pjotr zovele jaren geweest was,
 stond voor de zoveelste keer in zijn indianenbestaan ‘sprakeloos’.

Hij hoorde er nu echt bij. Hij had een squaw die hem door de indianenwereld joeg,
 hij had een indianennaam en een veer,
 maar aan wie kon hij vertellen hoe blij hij was.
Van zodra de feesten voorbij waren en Dichali
 hem geen nieuwe dagtaken had gegeven, 
trok hij naar zijn paarden. Daar kon hij gaan vertellen dat hij nu Big Horse heette.

Het viel hem op dat hij, sinds hij indiaan onder de indianen was geworden, met rust gelaten werd.
 Moest hij nu ook stug en stil worden?
 Hij, de praatvaar, de kletsmajoor, de verteller van de wereld? Of hadden de indianen ontzag voor hem gekregen?

Of was iedereen bang van zijn vrouw?
Dan ben ik toch niet alleen, dacht hij even.
 Maar hij schudde snel met zijn hoofd alsof hij
 op die manier die gedachte kon afschudden. Stel je voor dat Dichali zijn gedachten kon lezen.
Hij had niet de indruk dat zijn vrouw hem nodig had.

De ranchfeesten liepen als een trein.
 En als hij zijn vrouw van op een afstand observeerde,
 leek het of zij al bezig was met een uitbreiding van de ranch. Er liepen weer timmerlui en andere werkmannen rond
 en Dichali besprak plannen met hen.
Wanneer hij er een vraag over stelde, kreeg hij een ontwijkend antwoord of zei ze botweg: “Moet jij je niet klaar gaan maken voor de volgende trektocht, Pjotterke?”

Hij zag haar graag en zij hem waarschijnlijk ook,
 maar hij had heel zijn leven dat hij alleen was gedacht dat samenleven toch anders zou zijn.
 De trektochten te paard, liepen nog wel onder de naam ‘Reizen Pjotr’. Maar ook daar had hij het gevoel dat hij in feite niet meer zo nodig was.

‘Big Horse is een big Joke’, had hij op een avond luidop tegen zijn spiegelbeeld gezegd.
Hij zei dan ook niet neen, toen Big Horse hem vroeg of hij met hem naar de conventie met de Indianen van de zuidelijke staten wou reizen.
 Zij zouden verschillende stammen bezoeken.
 Pjotr keek er naar uit van Apaches en Comanches te ontmoeten. Dat waren meer stammen die hij kende uit de verhalen die hij als kind las.
 Big Foot wou hem niet teleurstellen en vertelde hem niet dat die zuidelijken nog moderner leefden dan zij in het Noorden.
Hij kon Pjotr goed gebruiken bij de besprekingen
 met de Amerikaanse overheid.
Omdat ze er de tijd voor hadden besloot Big Foot 
met de trein te reizen. Zo trok Pjotr eindelijk dieper 
in Amerika. Met de trein reizen was voor hem een nieuwe ervaring. En dan wist hij nog niet dat hij misschien kinderen 
van Big Foot zou ontmoeten.

 DE FAMILIE BIG – Big Lang, Big Bang, Big Zang

Big Foot was een stamhoofd die altijd wel bij iemand was 
waar hij raad en steun moest geven, maar in feite alleen leefde. Pjotr had zonder nadenken aangenomen dat een stamhoofd een soort priester was, die geen vrouw en kinderen had,
 zodat hij dan volledig in dienst van zijn mensen kon staan.
Hij keek bijgevolg raar op wanneer Big Foot
op dag één van hun reis aan Pjotr toevertrouwde
 dat zij in de komende dagen misschien wel een 
van zijn zonen zouden tegenkomen.
“Heb jij zonen?”, vroeg Pjotr stomverbaasd.
“Wat dacht je dan, mijn vriend? Dat ik een soort priester was?”
Ja, dat dacht Pjotr.
“Euh, neen”, loog Pjotr, “maar ik heb ze toch nog nooit gezien en jij hebt er nooit eerder over gesproken.”
“Dat klopt. Ik spreek er nooit over. Misschien ben ik beschaamd dat uitgerekend mijn eigen kinderen liever in de moderne wereld willen leven dan in ons eigen reservaat. Het is mijn lot.
 En eigenlijk ben ik toch fier op hen. Maar ja, zij wilden geen indiaan meer zijn toen ze ouder werden. Wat kon ik anders doen dan hen laten gaan?”

Pjotr was nu wel heel nieuwsgierig geworden.
“Ik zie aan je bleekgezicht dat je mij de komende dagen met vragen zult blijven bestoken. Het is misschien best dat ik hun hele verhaal vertel. Dat is eerlijker
 en we hebben er nu de tijd voor.”

Mijn vrouw is maar één keer zwanger geweest. We waren zo blij. We vertrouwden op de natuur. Ook wanneer mijn vrouw wel heel zwaar werd. In het begin werd er nog mee gelachen.

Dat is zeker de kleine van Big Foot.
 Die zal nog grotere voeten hebben dan zijn pa.
De bevalling was een drama.
 Mijn vrouw moest gewoon in onze tipi bevallen.
 Zonder enige medische hulp in die tijd.
Een kindje werd geboren. Het was er zeker eentje van mij want zijn voetjes waren bijna zo groot als het ventje zelf.
Mijn vrouw was uitgeput. De nageboorte liet op zich wachten.
En dan kwam nummer twee.
 Dat hadden we nooit verwacht. Het was ook een jongetje
en het had gewoon kleine voetjes.
Laat dit gedaan zijn smeekte mijn vrouw.
 Zij bleef pijn hebben alsof ze nog moest beginnen bevallen. En inderdaad met een grote schreeuw,
 zo luid en scherp dat het hele dorp wakker werd, 
kwam daar een derde ventje in de wereld.
Van de ene dag op de andere had ik drie zonen.
Mijn vrouw zou helaas de bevalling niet overleven.
 Zij stierf kort nadat zij haar drie zonen 
in haar armen had gekregen.

Daar stond ik dan als stamhoofd, met drie baby’s. Uiteraard kreeg ik veel hulp. Indianen zijn gastvrij. Nog meer dan tevoren werd ik iedere dag
 ergens te eten gevraagd.
Voor mijn zoontjes was er paardenmelk.
 Die lijkt erg op moedermelk en is lichter dan koeienmelk. Maar de jongens misten natuurlijk een moeder. Hoe goed ik ook mijn best deed, een moeder kan ik niet vervangen. En dan had ik ook nog mijn werk als opperhoofd.

Ik heb hen altijd veel verteld.
 Daardoor verwarden ze wel eens hun fantasie met de werkelijkheid.
 Zo dachten ze nog voor ze vijf werden 
dat ze in hun eigen tipi konden wonen.
 Dat was niet leuk voor mij.
 Het leek of het stamhoofd niet goed 
voor zijn kinderen zorgde.
 Gelukkig dacht niemand 
dat ik mijn kinderen buiten gooide.
Big Foot weet wel hoe het moet.

De drieling leek op elkaar, maar het waren heel
 verschillende karakters.
Daardoor was het ook makkelijker
 om hen na verloop van tijd een naam te geven die bij hen paste.

De eerstgeborene zou altijd de kleinste blijven.
 Een dreumes met te grote voeten.
Om hem te helpen noemde ik hem Big Lang.
 Hij was heel klein maar met zo’n naam voelde hij zich groot.

De tweede noemde ik Big Bang.
Hij was zelfs bang van zijn eigen schaduw.
 Hij dacht dat het een kwade geest was.
Op een zonnige dag heeft hij eens heel de prairie afgelopen, omdat zijn schaduw hem achtervolgde.
 Is dat dan wel een goede naam voor hem, kun je vragen. Wees gerust. Ook hij zou zijn voordeel doen met zijn naam. Maar daarover straks meer.

Omdat de derde met zo’n schreeuw ter wereld kwam en niet ophield jammerlijk te huilen noemde ik hem Big Zang.
Het was niet echt zingen wat hij deed, maar hij had een orkaan van een stem en vroeg of laat zou hij die wel op de juiste manier laten klinken.

Ik was natuurlijk niet blij dat ze elk een eigen tipi wilden,
 maar het bood ook mogelijkheden.
 Het werd rustiger in mijn eigen tipi en ik kon hun tipi aan hun eigenaardigheden aanpassen.
Big Zang kreeg een dubbelwandige tipi.
 De ruimte tussen de buitenste en binnenste tipi
v ulde ik met verendons. Het maakte de woning van Big Zang
 niet alleen lekker warm, ook het geluid werd binnenskamers gehouden.
 Je kon die ongelooflijke stem van Big Zang buiten nauwelijks nog horen. Het bracht rust in het dorp. Niemand begreep hoe het kon, maar iedereen was er mij dankbaar voor en dacht dat ik magische krachten had.

Het gezang van Big Zang valt niet te beschrijven. Als baby was het luid en schril, maar naargelang hij ouder werd en hij woorden kon uitspreken werd zijn gezang alleen maar erger.

Hij werd daarmee wel beste maatjes met Big bang. Wanneer die zich bedreigd voelde, volstond het dat Big Zang zijn klep opende en iedereen was weg.
De paarden steigerden, de bizons renden met zijn allen weg en de ouderenraad van de indianen kwam vragen
 of Big Zang alleen nog in gebarentaal wou spreken.
Ze beloofden dat hij later de eerste signalengever
 mocht zijn.

Ook zijn broer Big bang kreeg een tent in een tent.
Daar maakte ik een doolhof van. Ging je de buitenste tipi binnen dan botste je op de binnenste tipi. De ingang daarvan zat een halve tipidraai verder. Zo kreeg de angstige Big Bang de tijd om zich op zijn bezoeker voor te bereiden of de achteruitgang te nemen zonder dat iemand dat zag.

Gek genoeg had Big Lang de hoogste tipi.
Hoger dan die van mezelf. Omdat Big Lang niet stapte, maar sprong. Daarom had hij hoogte nodig. 
Ik had hem verteld dat in een ver land kangoeroes woonden die net zo’n grote voeten hadden als hij
 en die daarmee geweldige sprongen maken.

Ik had hem misschien beter Big kangoeroe genoemd.
 Want hij dacht werkelijk dat hij half indiaan, half kangoeroe was. Hij wou dan ook een buidel zoals de kangoeroes.
Daar stak een popje in.
‘Dat is mijn baby’, zei hij dan.
Hij was nog geen vier jaar oud als hij, zonder veel aanloop,
 van achter op een paard sprong. 
Je kunt denken hoe zo’n paard dan schrok.

Ach, het waren lieve jongens die wel eens kattenkwaad uitstaken. Zoals alle kinderen. Indiaantjes en bleekscheetjes.
Natuurlijk vielen ze altijd in ’t oog.

Omdat nog nooit iemand een drieling had gezien,
 die bovendien zonen van het opperhoofd zijn.
 Maar als ze tipi’s aan elkaar bonden zodat de bewoners niet buiten konden, of ze met opzet verkeerde rooksignalen uitzonden,
 gaven ze dat altijd eerlijk toe.
 Ik denk zelfs dat ze er fier op waren. Kijk eens naar ons drie.
Wie doet ons wat?

Big Lang bracht iedereen in de war door hen over het hoofd
 te springen en zette Big Zang zijn klep open zocht iedereen met zijn vingers in zijn oren zo vlug mogelijk dekking.
Big Bang wachtte altijd dat moment af om stoer te staan roepen. ‘Waar zijn jullie nu, kom maar af als je durft.” Terwijl hij zelf bij het minste zuchtje de benen nam.

Mijn zonen plaagden mij ook. Vooral met mijn opperhoofd zijn. Wanneer iemand mij om hulp kwam vragen en ik was er niet zegden ze soms : “Denkt u dat de grote Manitou nooit kaka moet doen?”

Of als ze iets vroegen en ik wist niet onmiddellijk het antwoord zegden ze onder elkaar “stel je voor dat zo iemand het grote opperhoofd zou zijn…” Ze noemden mij ook graag papa Big. Gelukkig wanneer er niemand anders bij was.
 Maar ze wisten dat ik mij dan een dik varken voelde. Papa Big is niet hetzelfde als Big papa.

Och, ik weet niet of ik een goede vader voor hen was, maar ik heb hen altijd gezegd: “jongens, ieder heeft
een talent en als je daar flink mee werkt kun je het ver schoppen in het leven.”

Misschien heeft Big Bang wel de grootste carrière gemaakt.
Van het ogenblik dat hij over de Big Bang gehoord had,
 de oerknal waarmee miljarden jaren geleden ons universum begonnen was, is hij beginnen studeren. Hij wou er alles over weten.
Het hielp hem ook als jonge kerel. Hij kon nu uitleggen
 dat hij Big bang genoemd werd, niet omdat hij angstig was, maar omdat hij zoals de oerknal kon ontploffen.
Later werd hij natuurkundige die overal in het land ging spreken over de Big Bang en hoe ons melkwegstelsel is ontstaan.

Big Lang is korte tijd beroemd geweest toen hij met zijn meter veertig werd aangeworven bij de basketters van Los Angeles Lakers.
 Iedereen wou hem zien, die kleine indiaan die tussen de benen van die reuzenspelers door liep en zo hoog sprong dat hij de bal gewoon in de ring kon neerleggen. Het publiek kwam speciaal voor hem.
Hij werd gevraagd in tal van tv-programma’s.
Maar nog voor het seizoen ten einde was legden zijn tegenstrevers klacht neer. Het was niet eerlijk, zegden ze. Iemand die zo hoog kan springen zal nooit de korf missen.

Big Lang was ontgoocheld. Gelukkig had hij in het basket veel geld verdiend. Hij kocht er zijn eigen circus mee.
 Hij was de directeur die alles aan elkaar praatte
 maar als verrassing in allerlei acts op trad. Van clowns tot trapezenummer tot leeuwentemmer. Het deed alles met evenveel plezier. En als er een paard in de ring passeerde kon hij het niet laten van onverwacht op de rug te springen. Van de drie is hij het meeste onderweg. Vandaag hier, morgen ginder.

De grootste huismus is Big Zang.
Tegen beter weten in wou die altijd en overal zingen. De enige die niet begreep dat het niet om horen was, was Big Zang zelf.
 Hij werd overal maar één keer gevraagd. Om te lachen.
 Omdat iedereen dat ongelooflijk gekrijs wel eens wou horen.
 Maar na een liedje begon het publiek te fluiten of liep de zaal uit.
Hij had een liedje gemaakt over hemzelf: “Ik ben een indiaantje
 en mijn naam is Big Zang. Ik heb nog twee tweeling broertjes. 
Zij heten Big bang en Big Lang…”
 Dat die broertjes veel beroemder waren kon Big Zang niet schelen. Net daardoor werd zijn liedje nu en dan gedraaid.

Tot op een dag iemand opmerkte dat zelfs de muggen uit de lucht vielen wanneer “ik ben een indiaantje en mijn naam is Big Zang”, klonk.
Een slimme fabrikant zag er de voordelen in en noemde het liedje van Big Zang ‘het belangrijkste slaapliedje ooit’.

Zelfs heel stil werkt het… ‘Dankzij Big Zang heeft uw kind nooit meer muggenbeten.
’

In het begin bestond er veel twijfel.
 Kunnen we onze kindjes nu naar zo’n slaapliedje laten luisteren? Ze gaan bang zijn en niet meer durven slapen.
Maar de fabrikant veranderde zijn reclame “Big Zang, het slaapliedje dat u lekker doet slapen zonder dat u er ooit
 moet naar luisteren.”
Op de kaft stond er nu : ”een half uur spelen voor het kind gaat slapen.” Er werden talloze exemplaren van verkocht.

Zijn liedje “ik ben een indiaantje” ging de wereld rond.
Ook in landen waar men de tekst niet verstond.
En het gekke was dat nazingen in een andere taal niet werkte. De muggen vielen alleen dood van het unieke stemgeluid van Big Zang. Hij werd er rijk mee en kon zich een grote muziekstudio kopen, waar de beste muzikanten ter wereld kwamen spelen. Op één voorwaarde: dat Big Zang zelf niet zou zingen.

De grote bijeenkomst met de indianen uit het Zuiden viel tegen. Pjotr voelde zich meer indiaan dan hen. Deze indianen liepen lui rond in hippe kleren
 met een coole zonnebril op hun neus, een snuif wit poeder in hun neus, en iedere dag een verse kwak gel in hun haar.

Sommigen hadden een biljartcafé, anderen een tattooshop. Soms zag je in dezelfde straat de ene garage van tweedehandsauto’s naast de andere.
 Zij waren alleen geïnteresseerd in snel geld.
Over de rechten van de indianen spraken ze niet eens meer.

Ontgoocheld reisden Big Foot en Pjotr terug.
 Maar ze zouden nog niet snel thuis zijn.
Ergens onderweg naar huis had het circus van Big Lang
 zijn tenten opgeslagen.
 Daar moesten ze naar toe. Big Foot wou zijn zoon Big Lang terugzien. Pjotr stond erbij en was even ontroerd.
 Ook al kende hij Big Lang niet eens. Maar dat zou niet lang duren.

Die Big Lang was een echt showbeest, die kon vertellen tot de tranen over je wangen rolden van het lachen. Hij kende natuurlijk veel meer verhalen van vroeger dan zijn papa.
 Zo had hij op een keer de politie een hele nacht beziggehouden door als kangoeroe verkleed rond te springen. De politie kon hem maar niet vangen.

En kwamen ze toch dichtbij, dan deed hij vlug zijn kangoeroepak uit, en zette hij de politie op het verkeerde spoor. “Ja, meneer de politie, ik heb daarjuist een kangoeroe gezien. Hij sprong die de straat op rechts in. En wanneer de politie die weg volgde deed hij terug zijn pak aan en nam de weg naar links. Big Foot lachte wel maar zei ook nu nog “maar jongen toch, hoe gevaarlijk. Ze hadden jou kunnen neerschieten…”

Op een andere keer ging Big Lang zich met het meest serieuze gezicht aanmelden bij het ballet.
 ‘Kijk maar hoe ik kan springen, kijk hoe ik op mijn tenen kan lopen.’
De mensen van het ballet keken heel verveeld. Iemand met zo’n grote voeten kon toch niet aan het ballet, dat was geen zicht. Maar Big Lang stond daar met zijn liefste glimlach en je zag aan alles dat hij dit heel graag zou willen doen. Kun je dan gewoon zeggen “je hebt te grote voeten?”

Hij had een kans gekregen, maar bij de eerste repetitie moesten er balletschoentjes gepast worden. Natuurlijk bestonden die niet voor zijn maat. Big Lang zat er niet mee. Voor hem was het een grap. De mensen van het ballet wisten niet waar ze moesten kijken, zo verveeld waren ze er mee.

Samen met big Zang ging Big Lang vaak aan de stoeprand staan en als er dan een bus passeerde begon Big Zang met zijn luide stem te brullen dat de bus over zijn tenen had gereden.
 De mensen kwamen toegesneld, haalden de chauffeur bijna als een misdadiger uit zijn bus. Die buschauffeur was natuurlijk overstuur wanneer hij de grote voeten van Big Lang zag waarover ze met kool een bandenspoor hadden getekend. Bij de meeste chauffeurs duurde het wel even voor ze door hadden dat ze voor de gek gehouden werden.
 Er was er zelfs eentje die iedereen uit zijn bus stuurde
en in vliegende vaart met Big Lang naar het ziekenhuis reed.

PJOTR IN HET CIRCUS

Big Lang nodigde zijn papa Big Foot en zijn nieuwe vriend Pjotr 
uit om een tijdje mee te reizen met zijn circus.
 Het waren gelukkige weken. Pjotr was weer op stap.
 Het rondtrekken zat hem als globetrotter nog steeds in het bloed. Verkleed als indiaan uit de film, met grote verenhoed mocht hij van Big Lang weer messenwerpen. Naar ballonnen. Dat was veilig.

Big Foot wou niet als indiaan meedoen,
 maar wit geschminkt kreeg hij wel een klein rolletje bij de clowns. Iedereen van de clowns droeg lange schoenen, maar in die van hem zaten echt grote voeten. Daar kon hij wel wat mee. Zoals de anderen pootje lappen. Telkens opnieuw. Of hij verplaatste als een heftruck een pallet waarop een opgeblazen huis stond. Op het einde deed hij een dansje met zijn zoon. Langvoet voor langvoet. Uitzwaaiend naast elkaar.

En elke avond na de voorstelling was het feest. Met al de artiesten rond een open vuur. Waarbij twee en een halve echte indiaan. Maar in de 
verbeelding van Pjotr waren ze allemaal indiaan.
 Met veren en indianenkreten en het gezicht met oorlogsstrepen beschilderd.

Ze trokken van stad tot stad. Van Zuid naar Noord.
 Stilaan kwamen ze in de buurt van het indianenreservaat waar Big Foot het opperhoofd was.
 Big Foot en Pjotr namen afscheid van Big Lang en zijn circus en reden onder hun beiden in een tweedehands pick-up truck de laatste weg naar huis.

PJOTR IN PJOTRLAND

Al van op de grote baan stonden er wegwijzers : “Pjotrland” en “Big Horse”.
Als mijn squaw Dichali mij naar huis wil lokken, heeft ze het wel groot aangepakt.

“Pjotrland”, zei hij tegen zichzelf.
 Het lijkt wel de naam voor een pretpark.
En “Big Horse” zou de naam kunnen zijn
 voor een saloon met cabaret waar
huppelende dames in zomertenue
 gevaarlijke sprongen maken.
 Ik hou wel van een grap, maar Dichali moet niet overdrijven. Ook zonder die wegwijzers zal ik wel de weg naar huis vinden. Straks gaat iedereen denken dat ikzelf mijn ranch
 ‘Pjotrland’ heb genoemd. Er zal weer gelachen worden.
 Fijne thuiskomst.

Even later betrok zijn gezicht. Het zal toch niet zijn dat Dichali van mijn afwezigheid heeft geprofiteerd om van de ranch echt een pretpark te maken?
 Stel je voor. Met om de twintig meter een eettentje.
 Nee, nee. Het is altijd het plan geweest van de stadsmensen terug in contact te brengen met de natuur. Via trektochten te paard. En omdat het tenslotte stadsmensen blijven zouden we ze ’s avonds verwennen met een stijlvol eetfestijn. Dat is de formule. Dat moet de basis zijn van ons succes.

Pjotr begon zich te ergeren aan de wegwijzers die,
 sinds ze de grote baan hadden verlaten, bijna op elke hoek
 van de straat stonden.
 Zo zat hij nog in gedachten verzonken toen ze bijna
 van de baan werden gereden door een bende jonge motorijders die een grote stofwolk achterlieten.
 Wat jammer dat ze op die manier de mooie natuur verkwanselen. De jeugd van tegenwoordig toch.
Waar is het respect naar toe? Niet alleen voor de natuur. Ook voor de andere weggebruikers. Nu verlang ik helemaal naar huis en naar de rust van thuis.

Ze naderden de ranch. Van ver zag hij al dat Big Lang zijn circus bij de ranch had opgezet. Wat een verrassing. Wat zou Dichali daar van denken? Zou zij de kinderen van Big Foot kennen?
 Maar wat was dat? 
Een nieuwe attractie van het circus?
Bij de ingang van de ranch stond een toren.
 Het leek op een grote paardenkop bij elkaar getimmerd met houten planken. Wel dertig meter hoog.
‘Het paard van Troje zonder wieltjes’, zei Pjotr verbaasd.

Wat is hier aan de gang?
 Ze hadden nog maar net de auto geparkeerd
 of Dichali kwam op hem toegelopen.
“Pjotr, ben jij daar al?
 Je bent te vroeg, liefste.”
“Wat is hier gaande?” “Ik kan sapristi nog aan toe mijn rug niet keren of jij moet zo nodig alles veranderen.” “Wat is dat toch met jou?”
Dichali bleef zoals altijd haar coole zelf.

“Om te beginnen, welkom mijn allerliefste Pjotr.
 Heb je een mooie reis gehad? Je hebt Big Lang leren kennen?
 En hoe was het op de conventie?”
“Ja, ja en nog eens ja. Maar wil jij mij nu eens uitleggen
 wat hier aan de hand is?
Wat staat dat paard van Troje
 hier te doen? Waarom die wegwijzers met Pjotrland 
en Big Horse. Wij hebben hier toch geen pretpark?”
“Maar Pjoterke toch. Dit is toch jouw land?
 Waarom kunnen we het dan niet gewoon Pjotrland noemen?
 Wat is daar mis mee?
 En Big Horse?  Dat is jouw indianennaam.
Voor de ene zal je Pjotr blijven, voor de ander 
ben je Big Horse. Ik wou die twee aan elkaar koppelen. Versta je? Het draait allemaal en alleen om jou, toch? Pjotr is Big Horse. Daarom heb ik, om jou te plezieren, een Big Horse voor de ingang laten bouwen. Het is nog niet helemaal klaar, maar als je voorzichtig bent kunnen we al eens met de trap naar boven gaan om een kijkje te nemen. Ik ben er zeker van dat je het fantastisch vindt.”

Pjotr voelde zich plots heel ongemakkelijk.
 Hij had spijt dat hij zo bruut had gereageerd tegen Dichali. Wat een werk had zij verzet sinds hij met Big Foot op reis was vertrokken. En ze had het allemaal voor hem gedaan.

Ze namen de trap. Later zou er een lift komen voor het publiek, vertelde ze.
 Boven kwamen ze in een grote ruimte.
 Een zaaltje leek het wel.

Je kon er zitten terwijl er in de achtergrond rustgevende muziek speelde.
 Vooraan in de ruimte waren twee grote vensters. Dichali legde uit dat het de ogen van het paard waren.
“Kijk Pjotr, van hieruit kun je de prairie zien. Jouw wereld gezien door een paardenoog. Zoals je het altijd wou.”

Pjotr hield zijn ogen gesloten. Hij luisterde enkele minuten naar de muziek. Hou wou de rust in zich laten neerdalen. Hij was bijna ontroerd.

Dichali had zich herinnerd dat hij had verteld dat hij de wereld 
in een paardenoog had gezien. En nu heeft zij al die moeite gedaan om mij mijn wereld door een paardenoog te laten zien.
 Met Dichali viel alles samen. De liefde voor paarden,
 de liefde voor de natuur, de liefde voor indianen,
 de liefde voor haar… Wat een squaw.

Hij stapte dichter naar het raam en opende langzaam zijn ogen. Het was valavond.
Hij zag nog voldoende van de uitgestrekte prairie. De groene velden 
met hier en daar een boom, de laaghangende lucht, een kudde paarden in de verte… en dichterbij de circustenten van Big Lang,
 Big Hamburger eettentjes langs alle kant,
 versierd met honderden lampen,
 paardenmolens met houten paarden, springkastelen
 en schiettentjes, allemaal onder een regenboog van Pjotrland…?

Pjotr wou gillen toen plots voor zijn neus
 langs het raam Big Lang passeerde en verdween en terug passeerde.
“Verrassing” schaterde Dichali.

“Het is een ideetje van Big Lang. 
Speciaal voor jou heeft hij een uitklaptrampoline aan het paard laten maken. Op speciale dagen zal hij voor de ogen van de verraste bezoekers gekke sprongen maken.”

Pjotr was sprakeloos. Als betoverd daalde hij de trap af.
“Maar zeg dan toch eens wat”, liep Dichali hem achterna.
Pjotr hoorde haar niet.
Zonder omzien liep hij de velden in. De nacht tegemoet. Hij zocht zijn paarden op. Praatte met hen. Voor een laatste keer.

“Ik ben Pjotr de Globetrotter”, zei hij.
“Ik weet niet of jullie kunnen leven in de schaduw van een houten Big Horse, Big hamburger eettentjes en een tingeltangel paardenmolen, maar ik ben hier weg.
Het is tijd voor mij, beste vrienden, om weer eens verder de wijde wereld in te trekken.”
De paarden bleven rond hem staan.

Gaol, het paard dat destijds als verkenner vooruit gestuurd werd door de kudde, duwde zijn kop tegen het hoofd van Pjotr.
 Net als vroeger.
Ik ben geen indiaan, ik ben een paardenmens, dacht Pjotr.

Hij rilde over zijn hele lijf en hij begon te huilen. Akelig luid en alleen in het donker.
De paarden sloten zo dicht bij hem aan
 dat hij bijna versmacht werd.

Alsof ze wilden zeggen “wij zijn hier toch?”
Gaol, zijn trouwste paard duwde Pjotr met zijn snuit in de richting van zijn rug.
Pjotr klom op de rug van het paard.
En net zoals vroeger volstond het
 dat er een paard begon te rennen 
en de hele kudde zette zich in beweging.
Pjotr de trotter was vertrokken.
Dit keer voor goed….

 

HugoBe
aug 2018

Dit bericht is geplaatst in PJOTR DE GLOBETROTTER. Bookmark de permalink.