De Haan is geen kiekenkot

Het stond in grote letters op de eerste pagina van de Zeek(r)ant: “ De Haan is geen kiekenkot!” De uitspraak kwam van mijnheer Bieroman, burgemeester van de kustgemeente De Haan.
Hij wou de hanen weg. Terwijl bijna iedereen in De Haan een haan in huis had.
Een beeldje op de schouw of een ijzeren exemplaar in de tuin.
Het was altijd zo geweest. Bij een gemeente als De Haan hoort een haan en geen zwaan.

De burgemeester zelf had enkele zomers geleden kunstenaars uitgenodigd hanen van wel twee meter hoog te beschilderden. Die werden hier en daar in de gemeente tentoongesteld. Het kwam op televisie en iedereen wou die hanen zien. De hanen-wandeling was vooral voor kinderen een leuke zoektocht. Wie ontdekt eerst de volgende haan?

Twaalf hanen moest je zoeken. De gemeente had ze zo geplaatst dat de zoektocht slim langs ijsjes-kraampjes liep, langs de paardenmolen, langs de gocarts, langs de vele terrasje voor grote en kleine dorst.

Juwelier Jansens was de eerste handelaar die van de wandeling profiteerde. Hij noemde zijn winkel voortaan ‘het Goudhaantje’ en liet een prachtige gouden haan in zijn gevel inwerken. De gemeente hertekende de wandeling en sprak nu van dertien hanen.

Misschien hadden ze dat beter niet gedaan, want het bracht de handelaars op ideeën.
Al snel werd het hanen-park uitgebreid met minder kunstvolle hanen.
Een verhuurder van gocarts plaatste een haan in wereldtrui voor zijn deur.
‘Fietsen Ludo, de fiets van de kampioen’, stond op de trui.
Daarop liet de winkel aan de overkant wel tien hanen plaatsen met één haan die voor de andere uitliep. “Altijd haantje de voorste met fietsen André” stond er bij.
En dan was er de horlogemaker die een haan liet plaatsen die om de drie minuten kraaide. Vele wandelaars schrokken zich een hoedje.
Nog meer schrikken was het bij de beenhouwer, die een gepluimde haan zonder kop voor zijn winkel zette. Dat men eigenlijk van een kip zonder kop spreekt, stoorde hem niet. Wie kent nu nog het onderscheid tussen een haan en een kip?
Paaseieren bij de bakker kwamen plots van een Paashaan.
Zelfs dakwerken Dekkers plaatste een haan onder een afdakje op de stoep.
Op het reclamebord stond: ‘een gezonde haan moet droog staan’.
Als toerist moest je een weg zoeken tussen een bos van hanen.

De burgemeester Bieroman had genoeg van dit haantjesgedrag.
‘Te veel is altijd verkeerd. We moeten met nieuwe ideeën komen.’
Marieke, de jongste deelnemer aan de vergadering, had op dit moment gewacht.

‘Misschien is het tijd om iets te doen rond de meeuwen van De Haan?’
‘De meeuwen van De Haan? Wat is dat nu voor iets? Wij hebben geen meeuwen,
de meeuwen zijn van de natuur, niet van de gemeente. Meeuwen vliegen vrij rond
of had je dat nog niet gezien?’
“Klopt, maar u zegt zelf dat we iets anders moeten zoeken. Zoals de Bremer stads-muzikanten of de rattenvanger van Hamelen. Een verhaal is belangrijker dan een beeld. En met de meeuwen van De Haan hebben we een verhaal.’
‘Ik ken dat verhaal niet’, zei burgemeester Bieroman.
‘Dat is jammer’, zei Marieke. ‘Wanneer u het volk vertegenwoordigt zou u moeten weten wat het volk denkt. U was nog met die hanen bezig, maar iedereen had het over die meeuwen. In de scholen werd er over verteld, gidsen spraken er over met de toeristen.
Op de duur kenden zelfs buitenlanders de drie meeuwen van De Haan. Behalve u natuurlijk. Is het u niet opgevallen dat er drie meeuwen zitten op het piratenschip
voor de kinderen? ”

‘Is het u niet opgevallen, juffrouw Marieke, dat er maar twee op staan?’, zei burgemeester Bieroman. ‘Ik heb er eentje laten wegnemen. Omdat die precies op een leeuw leek. Een leeuw met vleugels. Belachelijk.’
‘En ik dacht dat die er af was gevallen en in herstelling was,’ zei Marieke. ‘Maar u hebt dus onze leeuwmeeuw laten wegnemen. Hoe is dat mogelijk? Iedereen kent ondertussen de leeuwmeeuw, de geeuwmeeuw en de Zeeuwse mosselmeeuw, maar u burgemeester weet van niks.’
Er werd gelachen in de zaal. Voor één keer had de burgemeester geen antwoord klaar.
‘Zal ik u eens een lesje geven?’
Er werd opnieuw gelachen. Marieke was niet alleen de jongste in de zaal maar ook nog eens de kleinste. Een kindje vergeleken met de burgemeester, die met zijn ronde buik soms meneer ‘Bierbuik’ werd genoemd in plaats van Bieroman.
De burgemeester zuchtte diep en keek ongeïnteresseerd naar het plafond.

Marieke nam het woord en was niet van plan van dat vlug af te geven.
‘Het waren de redders die als eersten de leeuwmeeuw opmerkten. Ze gaven hem ook die naam. Iedere morgen zagen ze de leeuwmeeuw ongeveer op dezelfde plek in de golven duiken en daarna met een natte kop over het strand huppelen. Met zijn vleugelveren wreef hij de donsveertjes op zijn kop naar voren. Om te vermijden dat de veertjes onmiddellijk door de wind weer naar achteren zouden geblazen worden, wreef hij zijn kop in het zand. Opnieuw zette hij de donsveertjes naar voren en bleef zo in de zon zitten. Om het zand in zijn veertjes te laten drogen. Het leek een heel klein beetje op de manen van een leeuw.
Op het einde van zijn zonnebad pikte hij met zijn snavel een beetje zand op. Zijn bek ging open en in zijn verbeelding klonk hij met dat zand in zijn bek ‘wraauw!!!’, zoals een leeuw. In het echt klonk het zoals gewoonlijk piepend ‘wiew, wiew, wiew’. Maar hij had zijn naam gemaakt. Niet alleen bij de redders, ook bij zijn collega’s meeuwen, want je zag hem altijd aan kop van het peloton vliegen. Als koning van de meeuwen.

Helemaal achteraan vloog meestal de geeuwmeeuw. Als hij het peloton al kon volgen. Niemand wist waarom, maar deze meeuw vloog bijna altijd met zijn bek wagenwijd open. Moest hij zijn stembanden laten afkoelen, was hij de vliegenvanger van de groep, had hij gewoon een grote bek waar iedereen van weg vluchtte?
Met die open bek pakte hij natuurlijk veel wind en kon hij niet volgen. Maar er was meer aan de hand. Meer dan eens had men hem tegen een paal, tegen een strandhuisje, ja zelfs tegen een hoge golf zien vliegen. ‘Die zit te slapen’, had iemand een keer opgemerkt. En daarmee was zijn naam de ‘geeuwmeeuw’ geboren.

De Zeeuwse mosselmeeuw is de derde meeuw van De Haan. Misschien komt hij oorspronkelijk uit Zeeland, maar hier is hij thuis, dat is duidelijk. Het is een echte mosseldief, die de terrassen afschuimt. Hij pikt geen frietjes mee of een reepje pannenkoek, hij is alleen zot van mosselen. Die kun je toch genoeg op het strand vinden, zou je denken? Jazeker, maar onze mosselmeeuw heeft ze graag gekookt. In eigen nat, in witte wijn, in tomatensaus. Het is hem gelijk, als ze maar gekookt zijn, dan gaan ze open en kan je zo de mossel pikken. En omdat hij geen mosselpot en een kookfornuis heeft zit hij geduldig te wachten aan de rand van het terras om zijn mosseltje mee te pikken. Een enkele keer zal hij om een mossel bedelen. Bij kinderen lukt dat meestal wel. Die hebben snel meer aandacht voor de frietjes dan voor de mosselen. Gooi je hem één mossel toe, blijft hij met smekende blik vragen voor méér. Hij is wellicht de bekendste meeuw omdat hij contact zoekt met de mensen.
Als hij grote honger heeft eet hij natuurlijk ook ongekookte mosselen, recht van het strand. Maar graag doet hij dat niet want hij slikt dan toch stukjes schelp mee in.
Hij is de enige meeuw aan heel de kust die na het kakken zijn gat afkuist. Schurend over het zand probeert hij de niet verteerde stukjes schelp van zijn poepje te wrijven. Hij piept niet zoals de andere meeuwen ‘wiew, wiew, wiew’ , maar ‘aauw, aauw, aauw’.

‘Asjeblief, Marieke! Is dat het verhaal waarmee je onze gemeente wil bekendmaken bij de toeristen?’ riep Bieroman.

‘Jazeker,’ antwoordde Marieke, ’het verhaal is al bij velen bekend. En het is een leuk verhaal. Het zou een fabeltje kunnen zijn, het zou echt gebeurd kunnen zijn. De mensen houden daarvan. En het kost niks. Je moet maar eens op het strand gaan zitten aan de waterlijn en je oren goed openhouden. Je hoort mensen tegen elkaar bezig: ‘zou dat nu die geeuwmeeuw zijn ? Kijk ’s hoe die zijn bek openhoudt’. Wanneer een meeuw in de zon zit vinden de mensen het een leeuwmeeuw. Ook zonder gecoiffeerde manen.

En op de terrassen zie je steeds meer mossel-eters mosselen naar voorbijvliegende meeuwen gooien. Zij denken dat ze kenners zijn. Ik heb het zelf meegemaakt dat zo’n meeuw een toegeworpen mossel in de vlucht met zijn bek opving. Er steeg een applaus op van het terras alsof Thibaut Courtois een wereldsave had gemaakt en ons land daarmee de beker had geschonken.
Ik vind dat die derde meeuw zo snel mogelijk terug op het piratenschip moet geplaatst worden. En het schip moet een opvallende naamplaat hebben: ‘Meeuwenschreeuw’ bijvoorbeeld. Met daaronder de Engelse, Duitse en Franse vertaling: “Gulls cry, Möwe schreien, Cri de mouette” en een verwijzing naar de website van de gemeente, waar ze naar het verhaal van de meeuwen kunnen surfen. De meeuwen moeten ook groter.’

‘Ja, maak er maar hanen van’, gooide iemand er vlug tussen.

‘Lach maar, vergeet niet dat iedere morgen bij de ochtendbeelden om de zovele minuten het schip van De Haan op televisie te zien is. Daarom moeten die meeuwen groter en de naam moet op het scherm leesbaar zijn. Er zullen zeker kijkers zijn die zich afvragen ‘wat doen die reuze meeuwen op dat schip?’ ‘De kans is groot dat hun volgende uitstapje naar De Haan gaat, en dan is het aan ons om hen zo te verwennen dat ze voor hun volgende vakantie De Haan kiezen.’

‘Droom maar voort’, zei de burgemeester.

‘Wacht, ik heb nog niet gedaan. Op al ons briefpapier, op de auto’s van de gemeente, op het gemeentehuis zelf, komt een wapenschild met drie meeuwen. Mysterie alom! Wat betekenen die drie meeuwen? Is dat de luchtmacht van de hanen? Zijn wij een gemeente van duivenmelkers? Komen de eerste meeuwen van hier? U ziet het. Allemaal spannende vragen die de mensen zullen bezig houden en ons geen euro kosten.
En we koppelen daar ieder jaar een wedstrijd aan:’ Wie kent de juiste namen van de meeuwen van De Haan?’
Iedereen die minstens drie nachten in De Haan verblijft mag deelnemen.
En er is maar één prijs. Een verblijf van veertien dagen in De Haan. Met alles er op
en er aan. Tot gocarts en ijsjes toe. Voor het hotel denk ik aan Beau Séjour, hier naast het gemeentehuis, dat spreekt tot de verbeelding, vooral van kinderen en we kunnen het wel regelen dat het voortaan ‘het Meeuwenhof’ heet.
Opnieuw spanning: ‘Zullen we de meeuwen daar zien, zit de leeuwmeeuw bijvoorbeeld aan de receptie, ligt er een geeuwmeeuw op de slaapkamer, werkt de mosselmeeuw in de keuken? ‘

‘Wil er eens iemand een glas water halen voor Marieke, ik denk dat haar hoofd oververhit is’, zei de burgemeester. Maar de andere raadsleden kozen partij voor Marieke.
‘Zij komt met een uitstekend idee en dat moeten we een kans geven.’
Er werd gestemd. Iedereen was voor, alleen de burgemeester was tegen.

‘Ik heb alles genoteerd’, zei de secretaris, ‘we kunnen er morgen al mee beginnen.
Ik vind dat Marieke zelf het verhaal voor de website moet schrijven en ik heb nog wel het adres van de mensen die de meeuwen hebben gemaakt voor het schip. Ze moeten ze groter maken en je moet kunnen zien wie de leeuwmeeuw is, wie de geeuwmeeuw en wie de Zeeuwse mosselmeeuw.’
‘Ja, en die zit dan op zijn gat, zeker?’ probeerde burgemeester Bieroman nog, maar er was niemand die nog naar hem luisterde.

Een jaar later waren de grote hanen van De Haan vergeten. Op het piratenschip stonden drie grote meeuwen. Eentje met manen rond zijn kop, eentje met de bek wijd open en de derde, tja, die zat op zijn gat met zijn vleugels gespreid voorwaarts om zijn evenwicht te behouden.

Zo stonden ze ook op het nieuwe wapenschild van De Haan afgebeeld. Er werd meer over gepraat dan over de hanen. Omdat er een verhaal aan vast hing.

En de wedstrijd werd een succes. De gemeente ontving honderden formulieren. Vaak ingevuld door kinderen, met tekeningen op de koop toe.
De leeuwmeeuw en de geeuwmeeuw had iedereen juist, maar bij de derde naam vergaten velen van de ‘Zeeuwse’ toe te voegen. De meesten schreven gewoon de ‘mosselmeeuw’. De jury moest streng zijn en zij die de ‘Zeeuwse’ vergaten vielen uit.
Het lot zou beslissen. Wie kreeg een verblijf van veertien dagen in De Haan aangeboden met alles er op en er aan?
Marieke mocht als bedenker van de wedstrijd de winnaar aanduiden.

Het was een mooie zomeravond op het terras van La Potinière. Er werd muziek gespeeld en gedanst. Wanneer de trekking werd aangekondigd stroomden de toeristen toe. De drummer roffelde op zijn floor tom. Om de spanning op te drijven.
Marieke haalde een formulier uit de grote witte berg papier en las plechtig voor:
“ de winnaar van een veertiendaags verblijf in onze gemeente… Oh, ik lees hier twee namen, en wat een mooie tekeningen… Het piratenschip, de leeuwmeeuw, de geeuwmeeuw, de Zeeuwse mosselmeeuw. Alle drie juist. Maar u wil weten wie er gewonnen heeft, dames en heren ? Ik ga u niet langer in spanning houden, de winnaar is: ‘Foris en Gorila!’

Applaus in het park, maar ook verbazing, iedereen wou de winnaars met die gekke namen zien. ‘Willen Foris en Gorila naar het podium komen? Zijn jullie hier?’
Er kwam niemand. Een paar snotneuzen deden of zij een gorilla waren.
‘In ieder geval proficiat, Foris en Gorila, uw prijs ligt klaar op het gemeentehuis.’

Foris en Gorila waren nog kinderen. Zij lagen op dit uur al lang in bed. Ook al was het vakantie. Zij hadden stiekem een formulier ingevuld. Hun ouders wisten van niks. Wanneer wij winnen gaan wij zelf die prijs afhalen. Wij verdienen van te winnen, want wij weten wat het betekent wanneer de naam niet helemaal juist is.

Mama had nochtans erg leuke namen voor hen bedacht: Fons voor het eerste kindje.
Hij was de mooiste baby van de wereld. De vreugde van de jonge ouders was groot.
Daar moest op gedronken worden. Het was feest. Papa ging zijn zoon laten inschrijven, samen met twee behoorlijk zatte nonkels. In de drukte verstond de ambtenaar de naam niet. ‘Schrijf het even op’ had die gezegd. Zwanzend met broer en schoonbroer had papa ‘Fons’ geschreven. De ambtenaar maakte van de ‘n’ een ‘r’ en een ‘i’. En zo schreef hij het in de boeken. In plaats van Fons moest het kindje ‘Foris’ heten, want het stond zo opgeschreven.
Mama was boos. ‘Hoe is dat nu mogelijk? Kun jij nu niet gewoon ‘Fons’ zeggen?
En schrijven lukt ook al niet. Weet je wat? Als we nog eens een kindje hebben, neem dan voor alle zekerheid letterkoekjes mee,’ had ze gezegd.

Toen een meisje geboren werd, nam papa de letters ‘Gloria’ in letterkoekjes mee naar het gemeentehuis. Nu kunnen ze niks fout doen, dacht papa.
Het was dezelfde ambtenaar van vorige keer. Met een brede glimlach legde papa de letterkoekjes in de juiste volgorde voor de neus van de man achter het loket. ‘Je mag ze opeten nadat je mijn dochter foutloos in de boeken hebt opgeschreven.’
De man keek papa aan en veegde de koekjes op zijn bureau. Papa was er gerust in.

Toen papa zijn trouwboekje terugkreeg stond daar ‘Gorila’ in plaats van ‘Gloria’.
‘Ben je nu gek geworden, ben jij werkelijk zo dom of doe jij dit met opzet?’ riep papa,
‘wie heet er nu in godsnaam Gorila?’
‘Uw dochter’ antwoordde de man met een geniepig lachje.
‘Maak daar nu en wel onmiddellijk ‘Gloria’ van.’
‘Te laat’, zei de man, ‘wat in de boeken staat mogen we niet veranderen.’

Foris en Gorila. Het waren wel namen die niemand vlug vergat.
Van het moment dat Foris kon schrijven voegde hij een ‘l’ aan zijn naam toe.
‘Floris’ was tenminste een echte naam. Gorila weigerde van een ‘l’ toe te voegen.
Dan stond ze helemaal voor aap. Nu, met één ‘l’ had het nog iets van een roepnaam: ‘Goriiiila!’

’s Anderendaags ging Foris naar de bakker. Daar lag het krantje van De Haan.
Daarin las hij :’Wie zijn Foris en Gorila? Zij winnen de meeuwenwedstrijd.’
‘Gorila, Gorila’, wij hebben gewonnen. We mogen onze prijs gaan afhalen op het gemeentehuis. ‘Joepie, poepie, snoepie’ juichte Gorila.
‘Niks zeggen, Gorila, mondje dicht. Het moet een verrassing blijven voor mama en papa. Weet je wat, we vragen of we straks met een gocart mogen rijden, dan zijn we vlak bij het gemeentehuis. En dan kunnen we misschien eventjes weg…’

Het was een goed plan. Toen mama en papa in de winkel stonden om de gocarts te betalen, liepen Foris en Gorila weg. Mama en papa zullen wel in paniek zijn als ze ons niet vinden, maar we haasten ons terug en wanneer ze ons cadeau zien, zullen ze wel niet boos zijn.’

‘Kunnen jullie bewijzen dat jullie echt Foris en Gorila zijn’, vroeg de vrouw in het gemeentehuis.
‘Ik heb nog geen identiteitskaart’ zei Foris, ‘maar is dit ook goed?’ en hij toonde zijn abonnement van de Zoo. Daar stond zijn foto op en zijn naam. Gorila deed hetzelfde. Zij deed altijd hetzelfde als haar broer.
‘Proficiat’ zei de vrouw. ‘Hier kan ik het wel mee doen. En waar zijn jullie ouders?’
‘Die zijn nog even boodschappen doen, maar zij komen zo dadelijk. Wij mochten al de prijs komen afhalen, omdat we gisterenavond niet naar het park mochten. Wij hebben tenslotte het formulier ingevuld. Dus hebben wij in feite gewonnen.’
‘Zo is het,’ zei de vrouw zonder verdere vragen te stellen en overhandigde hen de sleutels van de kamer in het hotel en een pak bonnetjes: voor gratis maaltijden in de restaurants van De Haan, voor gratis gocarts, voor gratis ijsjes. Dit was geen droom, dit was super-de-super echt. Gorila gilde zo luid dat iedereen in het gemeentehuis naar het loket kwam kijken.

‘Gaan we eerst een ijsje eten?’ vroeg ze aan Foris. ‘Nee nee, we gaan zo vlug mogelijk terug naar mama en papa, maar weet je wat, het hotel is hier vlak naast, misschien kunnen we wel even naar onze kamer gaan kijken. We hebben toch al de sleutel.’
Ze liepen voorbij de receptie alsof ze hier al weken logeerden.

Het was een kamer als in een film, met een enorm groot bed met gordijnen en een baldakijn, zo’n dak boven het bed.
Foris liet zich in het bed vallen, Gorila ging de badkamer verkennen, op zoek naar zeepjes en parfumflesjes.
In de tweede slaapkamer, was een schattig deurtje. Er hing en spreuk boven: ‘if you can dream it, you can do it’. Ik ken dat, dacht Foris, ik heb dat al eens gelezen bij een Disney-film.
Het deurtje klemde een beetje wanneer hij het probeerde te openen. Achter de deur was het donker, maar hoe klein het deurtje ook was, hier in deze ruimte kon hij het plafond niet eens zien. Er leken grote planten te staan. ‘Dit is precies de jungle,’ zei Foris tegen Gorila. Ze zagen twee rode ogen in het donker. Die ogen bewogen en toe ze wegdraaiden zagen ze dat ze van een gorilla waren. Toen hij wegliep zagen ze een hoofdletter ‘L’ op zijn rug, zoals je dikwijls op auto’s ziet van mensen die nog niet goed met een auto kunnen rijden. ‘Dat is een echte gorilla Foris, hij heeft een ‘L’ meer.’ Gorila wist niet of ze fluisterde of gilde.

‘Waar is de deur’ riep Foris, terwijl hij Gorila bij de arm nam.
Maar ze zagen geen deur meer. Rondom rond hen was er alleen jungle.
‘We moeten hier weg’ zei Foris, ‘hadden we maar een jeep of zo, te voet lukt het ons nooit.’ Geen drie tellen later zaten ze beiden in een jeep.
‘Gas geven Foris, geen vragen stellen, maak dat we hier weg zijn.’
‘Ik doe mijn best, ik ben geen Cheetah, Gorila.’
‘Maar ik wel,’ hoorden ze van op de achterbank. ‘Ik ben blij dat ik jou eens kan bedanken omdat je altijd zo over mij stoeft’, zei de cheetah met zijn kop tegen Foris zijn oor.
‘Wat is dat hier allemaal’, gilde Foris.
‘Wat is dat, wat is dat? Dat ben ik, jouw favoriete cheetah. Zeg eens Foris, heb jij wel een rijbewijs? Mag jij wel met een auto rijden, want ik zie hier een “L” hangen.’
‘Ik ben nog maar acht jaar, wat zou ik een rijbewijs hebben en trouwens waarom zou ik antwoorden, cheetahs kunnen toch niet praten’.
‘Flauwerik’ zei de cheetah, ‘als je niet met mij wil praten, dan ben ik weg,’ en hij sprong over Foris en Gorila op de motorkap en verder voor hen uit. Terwijl hij voor de jeep liep deed hij alsof hij een revolver uit zijn pels haalde en op drie poten lopend draaide hij zich om en richtte de revolver op hen. ‘Pang’ riep hij en verdween.

Foris moest op de rem voor een aanstormende olifant en stoof de woestijn in. Zo ver ze konden zien was er zand.
‘Dit is me te gek’, zei Foris, ‘ik wil niet meer rijden. Gorila jij mag sturen. In de woestijn kun je niet op een tegenligger botsen of door het rood rijden.’
Gorila zat nog maar pas achter het stuur of daar stond midden in de woestijn een verkeerslicht, op rood. Gorila stopte. Het licht bleef op rood staan. En bleef maar op rood staan.
‘Rij toch door, Gorila, seffens smelten we hier nog weg.’
Dit is wel jouw schuld, hé Foris, jij altijd met je gekke avonturen’ zei Gorila. ‘Als ik mocht kiezen, dan lag ik nu met een lekker drankje aan de rand van een zwembad ergens in het zuiden van Frankrijk.’
‘Een vers geperst appelsiensapje met ijs voor de jonge dame en een Almdudler, recht uit de Alpen, voor de jonge heer.’
Foris en Gorila lagen in een zetel bij een prachtig zwembad. Langs de ene kant zag je in de verte de bergen en als je de moeite nam van recht te staan kon je aan de andere kant de zon in de zee zien.

‘Ik snap hier niks van. Ik ga nu zwemmen voor ik uit deze droom wakker word. Tot straks.’ Met een sierlijke boog dook Foris als een dolfijn in het water. Hij zwom weg zonder omkijken. Achter hem vroor het water dicht en danste Gorila als een sneeuwprinses over het ijs.

Foris bleef zwemmen, het water werd wilder, maar hij zwom door. Hij had het gevoel dat hij tot in Engeland kon zwemmen.
En inderdaad, daar waren de krijtrotsen. Hoe moest hij daar op klimmen?
Gelukkig zag hij een deurtje aan de voet van de rotsen. ‘Exit’ stond er op. Met een krijtje had iemand er ‘BR’ voor geschreven. ‘BRexit’, dat kende Foris van op school. De Engelsen die uit Europa willen.

Met moeite kreeg hij de deur open, maar hij had het gevoel dat hij door elkaar geschud werd. ‘Foris, ben jij nu op die korte tijd in slaap gevallen?’ Gorila had hem wakker geschud. ‘Kom, we moeten terug naar mama en papa.’

Die stonden nog altijd op de stoep voor de gocart-winkel. Met een half boos en een half blij gezicht. Dat was natuurlijk geen gezicht. Maar toen ze hoorden wat hun kinderen gewonnen hadden, waren ze helemaal niet meer boos.
‘Het is een fantastisch hotel, papa, we zijn al eens gaan kijken. Jullie hebben een kamer met een hemelbed. Ik ben er even in gaan liggen en ben onmiddellijk in slaap gevallen.
En je moet niet meer koken, want we kunnen elke dag gratis op restaurant gaan en gratis gocarten of met de fiets gaan rijden. Het is een cadeau, ook voor jullie…’

‘Dat is fantastisch,’ zei papa nu, ‘maar je begrijpt toch dat wij heel ongerust zijn geweest.
Ik zeg het honderd keer. Blijf bij ons in de buurt. Loop niet alleen weg. Maar ja, Foris, als ik iets zeg gaat dat bij jou het ene oor in en het andere uit…’ ‘Daarvoor hebben we toch twee oren’ zei Foris, ‘en maar één neus. Als het ons de neus uitkomt dan kunnen we die snuiten. Onze oren kunnen we niet snuiten.’
‘Neen, maar onze oren kunnen wel tuiten,’ zei Gorila, die graag het laatste woord had.

‘Wat worden ze toch groot’, zei mama wegdromend, ‘waar is de tijd dat we met hen op zoek gingen naar de hanen van De Haan…’ Tot ze er een kiekenkot van maakten’ zei Foris, die de titel uit de Zeek(r)ant onthouden had.

 

Hugopa, 1-10-2018

 

Dit bericht is geplaatst in Fons, Gloria en Otto. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.