VANMORGEN (Fons & Gloria)

Op een morgen, bijna dertig jaar, geleden bracht ik de kinderen met de auto naar school. Toen ik voorbij de elektriciteitswinkel Big Ben reed, moet ik ‘bij manier van spreken’ gezegd hebben. Het overkomt me wel meer dat ik mijn eigen woorden op die manier nuanceer. Mijn jongste, die hooguit drie was en de finesse van de taal nog aan ’t leren was, plakte die manier van spreken als ‘meneer” van spreken in zijn figuurlijk woordenboek. Volgens hem woonde deze ‘meneer’ boven de winkel van Big Ben, want ik wees op het moment van de uitspraak met mijn hand in die richting. Die “meneer” moest wel een tovenaar zijn, want die wist gewoon alles van ons en kende onze gesprekken nog voor wij ze voerden; want hoe kon het anders dat papa al wist wat “meneer van spreken” over een en ander dacht?

Op een vergelijkbare manier heeft Fons een eigen invulling gegeven aan “vanmorgen”.
Voor hem is vanmorgen niet het begin van deze dag maar een verwijzing naar een recent verleden. Laatst.
“Vanmorgen zijn wij naar het park geweest”, zegt hij, terwijl hij nog in pyjama aan het ontbijt zit. Hij wil dan vertellen dat ze daar recent zijn geweest. De eerste keer heb je ‘t niet door. Fons bedenkt verhalen even natuurlijk als hij ademt en vertelt ze in een heldere taal en mooie zinnen. Maar met ‘vanmorgen’ zet hij iedereen op het verkeerde been. Moet je hem corrigeren? Uiteraard niet. Je kunt niet tot een spraakwaterval komen als er telkens dammen worden opgeworpen. Hij is toch ook van pinazji naar spinazie gekomen en tatejage zal binnenkort ook wel tatoeage heten. Net zoals hij het moeilijke bibliotheek nu nog als biloteleek uitspreekt of  jager zegt voor jarig en wanneer hij gaat kleuren wil hij dat ik eerst een afdeling (afbeelding) op de iPad zoek. Soms is er enig heen en weer gepraat nodig alvorens je mee bent met de betekenis die hij aan het woord geeft. Zo vertelde hij dat de ‘werkemannen’ hun tuin helemaal als de onze gingen maken (zelfs met plas op het slecht aangelegde terras) en met een matras. Ik dacht dat hij het over ligstoelen had, maar door hem te laten praten bleek het om het terras te gaan. Het is zo schattig hoe hij vol vuur zijn verhaal brengt en ochottekes hier en daar ongewone betekenissen aan woorden geeft. Ik denk dat ik ze hier allemaal heb opgenoemd. Voor de geschiedenis, voor hem later. Laat hem dus maar elk verhaal met ‘vanmorche’, zoals hij het uitspreekt, beginnen. Hij zal er wel achter komen dat er meerdere tijdsaanduidingen zijn. 

Het gaat al zo snel. Iedere week zijn er nieuwe dingen die ik zou moeten noteren alvorens ik ze vergeet. En dan komt Gloria er steeds nadrukkelijker bij. Niet zozeer dichterbij, want Gloria houdt graag afstand. Minstens een gestrekte arm in afweer terwijl ze neen zegt.
Ze kan al hele kinderliedjes zingen, toch blijft “neen” haar meest gebruikte woord. Noem haar “zoeteke” of “poppemie” en ze reageert onmiddellijk met: “neen, Gloria”. Poëzie beperkt zich voorlopig tot “boempatat”, haar eerste krachtterm die ze om de haverklap gebruikt, zoals dat met krachttermen gaat. “Omà” ligt op het puntje van haar tong, want die springt onmiddellijk voor haar in ’t gelid. ’Opààà’ laat ze veel langer klinken.
Fons spreekt van het “opa-huis”. Elke keer opnieuw ben ik bijna ontroerd wanneer hij met fijn stemmetje zachtjes “dag, opa-huis” zegt wanneer we met de auto ’s avonds terug naar zijn thuis rijden. Tot Gloria dat in “oma-huis” veranderde. Niet omdat ze het slecht begrepen of onthouden had. Het is Gloria haar keuze: vrouwen aan de macht. Ik denk zelfs dat Fons geen ‘opa-huis’ meer durft zeggen sinds Gloria hem een paar keer heeft verbeterd: “neen Fons, oma-huis”.
Heerlijk toch hoe die kleine hoofdjes zo uiteenlopend denken en doen. Fons was er eerst en zal altijd wel eerste blijven, maar afgezien daarvan ben ik evenveel met haar bezig. Vertel verhaaltjes, zing, lees voor en breng hen vooral aan ’t lachen. Mijn geluk is hen gelukkig zien. Desnoods vertel ik tien keer na elkaar hetzelfde verhaal, met dezelfde sleutelwoorden en mimieken. Zolang ze “nog ‘s” zeggen. Fons kan blijven lachen, voor hem is het een toneeltje, iets dat we samen creëren, maar Gloria zal plots een streng gezicht trekken en “neen, opa” zeggen, doe niet onnozel denk ik dat ze er ooit zal bij aanvullen.

Fons moet geeneens moeite doen om haar aan ’t lachen te brengen. Al lacht ze zoals bakvisjes doen, overdreven in verhouding met de grap. En alles wat hij doet, doet zij na. Ook “in overdrive”. Niemand haalt haar beter uit haar frons dan Fons. ‘Frons’, omdat Gloria haar wenkbrauwen zo diep kan fronsen en zij zich aan alles en nog wat lijkt te ergeren. Een kruidje-roer-me-niet, tenzij het Fons is die roert.
Fons fantaseert en regisseert en Gloria laat zich meedrijven. Tot ze haar anker uit gooit en tegen de stroom in gaat. Hun samenspel verloopt uiteraard niet zonder slag of stoot. Onze ‘flinke meid’ deelt graag een plaagstoot uit. Heeft ze losse handjes en tandjes? De bieterkes staan in ieder geval stevig vast en ze kan er mooi haar stempel mee drukken. Gelukkig alleen als ze echt boos is. Ook met haar nageltjes laat ze wel eens een afdruk na. Als experiment. Om te zien hoe Fons reageert. Trekt hij gewoon zijn arm weg dan gaat zij er soms met ‘verbeten’ blik achteraan. Wanneer je het opmerkt blijft ze als bevroren staan, het hoofdje afgewend en de oogjes half toe. ‘Bemoei je niet, dat is iets tussen ons, I call the shots’, denk ik dat zij dan denkt. Het is het peper en zout bij het opgroeien. De ene doet zus, de andere doet zo.

We hebben een zetel met een uitstekende vering. Ze mogen er naar hartenlust in springen, hij is van sterk leder en gaat niet kapot. Fons vraagt me iets ritmisch te zingen en dan springt hij zich buiten adem in zijn aanstekelijke en vrolijke regendans. Hij danst voor zichzelf. Zijn plezier gaat naar de beweging en de beleving. Gloria springt mee maar heeft een doel. Met haar handjes op de rugleuning springt ze tot ze hoog genoeg is voor een zijsprongetje: met de voeten vooruit op de hand, voorarm of buik van wie in de zetel zit. Dan pas schatert ze het uit.
Fons fantaseert dat de zetel een boot is en daarrond water met krokodillen. Het is verbeelding, vooral verbaal. Gloria heeft lak aan dat soort toneel. Zij wil actie. Als ze niet van de ene naar de andere kant loopt, zoekt ze wel een wapen en stormt voor de afwisseling op je af. Gisteren viel ze me aan met een bezemsteel. Als een gewichtheffer steekt ze die boven haar hoofd om hem dan met alle kracht tegen jouw armen en benen te rammen. Je moet lachen met hoe ze in extase haar ogen openspert en al haar energie samenbalt voor die nakende aanslag. Maar na enkele stokslagen vergaat je het lachen want het doet echt pijn. Elke ‘auw’, is voor haar een aansporing om een tandje bij te steken.
Het gekke is dat die kleine geweldenaar de grootste bangerik is. Ze kijkt graag naar de beelden bij de liedjes van Kapitein Winokkio, maar bij Roodkapje vlucht ze weg. “Bang van boze wolf!” Om het kwaad te bezweren zingt ze dan een hele voormiddag: “ben niet bang van de boze wolf, ben niet bang, ben niet bang…” Een visje met dikke lippen in een onschuldige Goofy tekenfilm: “Bang van!” Zelfs van de sprekende Sprookjesboom van de Efteling loopt ze weg. Fons roept haar dan galant terug wanneer het fragment voorbij is.

Natuurlijk komt er veel op hen af. Verwerk maar eens die dagelijkse stroom van pulp op tv voor kinderen. Die inspiratieloze drukte heen en weer zonder verhaal in waanzinnige kleuren met onherkenbare galactische toestanden over flitsende robotten en laserpistolen en boeken met draken en nog lelijkere monsters. (Probeer er maar ’s alleen naar te luisteren, zonder naar het scherm te kijken…) Een goed verhaal, lieve figuurtjes, mooie prentjes, een rustig tempo, het mag niet meer zijn. Wat moet dat stormen in die hoofdjes, ’s nachts als het donker is. En je mag nog duizend keer zeggen dat draken en spoken niet bestaan.
Toen wij klein waren was het veel makkelijker. Er was nog geen tv en we gingen voor het slapengaan wel eens wandelen. En wie was er nu bang voor nonkel Bob? (Van zijn zoon was toen nog geen sprake.) We lazen Puk en Muk, die woonden op drie straten van Luilekkerland bij Klaas Vaak en verzamelden slaapzand voor ons, kindjes. ‘Liever lief’ en de bloemetjeskinderen moesten nog komen. Daar staat tegenover dat wij op zo jonge leeftijd bijlange niet zoveel kenden of assertief waren. Dat laatste mocht trouwens niet van thuis.

Geheel in haar eigen stijl, beknopt en zonder omkijken verbaast de kleine Gloria ook verbaal. Zo bekeken we laatst samen foto’s van het kerstfeest. “Hoe heet die soep weer”, zegt Fons en hij ondersteunt zijn hoofd om beter te kunnen denken. Gloria die aan haar tafeltje zit te kleuren, zegt zonder opkijken: “ venkel”. Fons is het wenen nabij : “Gloria, jij hebt het verklapt… ik was nog aan het nadenken…”

Het is een voorrecht van hen in deze fase te mogen meemaken. Fons is nu tweemaal zo oud als Gloria. Ook dat komt nooit meer terug. Vanaf volgend jaar en alle jaren later blijft het verschil in jaren gewoon twee. Zou ook het verschil in karakter vastliggen? Dat zien we later wel, nu zijn het om ter grootste hartendiefjes. Waren ze om op te eten, wat ze bij ‘manier van spreken’ helemaal zijn, zou ik zeggen: “Pak ze maar allebei in.” Zij pakken iedereen in die hen leert kennen.

Er was een tv-programma ‘taxi’ waarin de chauffeur gesprekken voert met zijn klanten. Simpele televisie, maar soms best interessant. Zeker om de tegenstellingen tussen mensen te zien in eenzelfde omstandigheid. De ene omarmt het leven zodanig dat hij ook bijna de chauffeur om de hals valt, de andere is zo stil dat je omkijkt om te vergewissen of hij stiekem al niet is uitgestapt.
Ik denk wel eens aan die ‘pratende’ taxichauffeur wanneer ik op woensdag Fons van school ga halen of Gloria op donderdag naar ons meeneem. Bij Gloria kijk ik inderdaad nu en dan achterom, maar zij zit altijd stil naar buiten te kijken. “Driving miss Gloria”. Soms, wanneer ik een praatje met haar wil maken reageert ze met “neen, opa, niets zeggen”. Maar wanneer we de steenfabriek De SaeGher passeren zegt zij onveranderlijk: ‘Gloria letter”. “Maar ook die van mama”, zeg ik dan. “Ja, ook!” Einde van de conversatie.

Maar ook dat zal wel veranderen. Vorige week heeft ze onze taal trouwens verrijkt met het originele “stokveger”. Wij noemen het ruitenwisser, maar dat kan verward worden met de ruitenwissers van de auto zelf. Stokveger veegt die twijfel weg. Zeker wanneer zij het met aandrang aanwijst. Wanneer ik haar de stokveger aanreik, zegt ze niks meer en kijkt verder naar buiten. Zij heeft de chauffeur getest. Krijg ik een ‘orzijntje‘ vraagt ze ook wel eens en dan heb ik spijt dat ik geen rozijntjes bij heb. Orzijntje vind ik trouwens een mooier woord.

Natuurlijk heeft zij nog niet zoveel verhalen als Fons. Wanneer ik hem van school haal heeft hij nog voor hij in de auto zit al enkele verhalen verteld en kapper Theo vriendelijk dag gezegd, want Theo heeft altijd een snoepje klaar.
Je weet meteen waarover zij het in het klasje gehad hebben: “opa, zal ik ’s zeggen vanwaar hoofdpijn komt…?” of “weet jij wat ribben zijn?” Hij verrast met de melding dat zijn vriendje die hij al kent van de crèche met hem wil trouwen. Maar dan vraagt hij of we hartjes van Fimo-klei zullen maken, want hij is verliefd op een meisje van de klas. Wanneer je de week daarop informeert naar dat meisje, blijkt die ondertussen verliefd te zijn op een ander meisje van de klas.
Een Nieuwjaarsbrief voordragen is met de familie erbij vervelend, maar alleen met hem in de auto kreeg ik een schitterende versie te horen de dag dat ze hem in de klas hadden ingeoefend. Soms zingen we heel de weg vol en laatst hebben we van Berchem tot Deurne Bert en Ernie-dialoogjes gehouden. Ik heb al zovele verhaaltjes verteld met Sesamstraat-stemmetjes, hij heeft er dus wel oren naar, maar ik vond het toch verbluffend hoe hij in zijn rol bleef en nooit om een repliek verlegen zat.

Ikzelf ben nergens als ik de weg moet uitleggen, maar Fons, als hij het over iemand van de klas heeft, begint steevast uit te leggen waar die woont. Laatst was hij weer aan een verbaal stratenplan bezig toen hij plots zijn uitleg eindigde met “…en blablabla”. “Blablabla, waar is dàt?”, vraag ik. “Oh, dat zeg ik als ik het niet meer weet.”
Of een diepgaander gesprek wil voeren? “Weet je wat de hemel is? Dat zijn sterretjes in de lucht. En al die sterretjes zijn oma’s en opa’s die gestorven zijn. Soms zijn er ook al mama’s en papa’s bij en zelfs kindjes.” Misschien was er die dag een oma of opa van een klasgenootje gestorven. Over mij ging het nog niet. Ook al vroeg hij na mijn hartoperatie, toen mama hem verteld had dat opa het nog een tijdje rustig aan moest doen: “opa, hoe lang ben jij nog verstorven?”
Het hield hem bezig, dat merkte je, dat voelde je ook. Zonder angst kwam hij op bezoek in het ziekenhuis. Je zag hem kijken, mij bestuderen en nadenken ‘hoe kan ik mijn opa laten weten dat hij de liefste opa van de wereld is?’
Een kind van drie dat uw lakens mooi trekt vooraleer hij doorgaat is al uitzonderlijk zorgzaam, maar dat was voor hem niet genoeg. Hoe kon hij zijn gevoel op onvergetelijke wijze formuleren? Terwijl hij mijn hand vasthield en me liefdevol aankeek zei hij: “Opa, ik ga kapster Veerle vragen van mijn haar zo te knippen als dat van jou, want ik wil helemaal zoals jij zijn…” Nooit kreeg ‘kaal’ een mooier verhaal.
Mijn kleinkinderen zijn mijn grootste vrienden.

Dit bericht is geplaatst in Fonske, Nieuw. Bookmark de permalink.