Bij ons in de fifties

Wanneer coiffeur John je haar geknipt had nam hij een koperen kruik omgekeerd tussen zijn vingers en maakte je haren nat. Vervolgens nam hij de fles fixateur. Als hij het groene goedje in zijn handen wreef grijnsde hij in de spiegel naar zijn slachtoffer. Voor hem was dit het hoogtepunt van elke knipbeurt. Daarmee zette hij de kroon op zijn werk.
Nadat hij het stijfsel in je haren had gewreven, trok hij een scheidingslijn in je haar die zo zuiver was als de maagd Maria. En hij was niet eens kerkelijk.
Dat interesseerde me meer dan hetgeen hij met mijn haar aanving.
Ik snelde wel mee met mijn broers naar de overkant van de straat om in de spiegeling van de etalage van kruidenier Kamiel ons haar te luchten, maar mijn haar bleef even plat. Het klemde als een bankvijs op mijn hoofd maar ik moest tenminste geen schrik hebben zoals mijn broers die een bros kozen, dat een fakir-kabouter onderweg op m’n kop zou gaan zitten om me een poepje te laten ruiken.

Ik liet mijn broers altijd voorgaan bij coiffeur John, om langer de sfeer op te snuiven.
Het was maar honderd meter van onze deur maar je betrad er een wereld die je van geen kanten kende.
Wij waren binnenblijvers. Omdat dat veiliger was voor ons vel en ons zieltje daaronder.
Bij coiffeur John zaten boeren die hun klak ophielden terwijl ze zich vakkundig lieten scheren en vloekten waar iedereen bij zat. Het geurde naar lotions en koffie maar vooral naar het onbekende.
Links van hem had coiffeur John een kartonnen pancarte staan die trapsgewijs,
met verplaatsbare ‘sjotterfiguurtjes’ in de kleuren van hun ploeg, het klassement
van ’t moment aangaf.
Meestal na het inzepen wees John met de pink van de hand waarin hij het scheermes hanteerde naar de pancarte: “wat denkt ge ervan?” Meer moest hij niet zeggen.
Ik zat de seconden af te tellen tot er weer een boer de voorzet van coiffeur John oppikte en de hele reutemeteut van geklaag, gestoef, tot en met ruzie om niets van voor af aan opnieuw begon. De ambiance viel nooit stil. Coiffeur John zei zelf niks meer maar glimlachte. Hij deed spontaan aan klantenbinding nog voor er cursussen werden over geschreven.

Wanneer er kinderen voor een knipbeurt kwamen verscheen zijn vrouw uit het living waar de koffiegeur vandaan kwam met een koekje. Zelf hadden ze geen kinderen, meneer pastoor kwam uiteraard niet bij hen langs. Niettemin hadden ze koekjes klaar en Robbedoes.

Stripverhalen kwamen bij ons niet in huis. Wij lazen verhalen van Puk en Muk, geleend bij de bibliotheek van de parochie. Dat was niet erg, ik las liever een verhaal met alleen tekst dan een prentenboek. Prentenboeken waren voor kinderen die niet goed konden lezen en ik wou hetgeen ik las zelf in de cinema van mijn hoofd verbeelden.
Zo zal het kaboutertje dat ik ooit onder de kast in het licht van mijn zaklamp had gevangen een verbeelding van Puk of Muk geweest zijn. Maar toen bleef ik tot huilens toe beweren dat ik werkelijk een kaboutertje had gezien, dat verschrikt tegen de plint van de kamer gedrukt stond. Met prentenboeken zou mijn fantasie nooit zo gewerkt hebben.

Niettemin nam ik Robbedoes in dank aan van mevrouw John, omdat ik haar dan
van dichtbij kon zien en ruiken. Ik was een beetje gebiologeerd door haar. Louter antropologisch, als ontdekkingsreiziger. Ik zag genoeg vrouwen om me heen. Maar in die jaren zou ik niet vaak dichter bij een niet katholieke vrouw geraken. Of het moest mijn buurvrouw zijn.
Die had ook Robbedoes in huis en een al even rauwe stem van het roken als de vrouw van coiffeur John, maar ze zag niet zo mooi bruin. Mevrouw John zag overal bruin. In haar gezicht, op haar armen op haar benen. Veel bruiner dan mensen die naar de kerk gingen. Voor haar was een zondag waarschijnlijk een zon-dag. Bloot in de tuin. Als kind denk je na over die dingen.
Misschien lag onze buurvrouw niet in de tuin om ons niet voor het gedoopte hoofd
te stoten en omdat zij wel een kind had. Zij had ook al televisie, net als de vrouw van de coiffeur. En wij nog niet. Mijn vader zei dat het socialisten waren die alles kregen terwijl zij er de schuld van waren dat het huisvuil niet werd opgehaald.
Ik begreep dat niet omdat onze buurman aan de dokken werkte.
Hij was de eerste man die ik in ‘jeansbroek’ zag met blokkenhemd.
Mijn vader droeg altijd kostuums. Niet kerkelijken droegen geen zondagse kleren, dat was duidelijk. Misschien was er een parallelle wereld aan de gang terwijl katholieken naar de kerk gingen. Met winkels die alleen dan jeansbroeken verkochten.
De buurman leek met zijn jeansbroek uit het feuilleton Lassie te komen, dat we kenden van hun televisie. We leerden er ook nonkel Bob kennen, die vreemd genoeg ook geen kostuum droeg. Ondanks de verschillende levensopvatting mochten we wel bij hen gaan kijken; zo had hun enige dochter meteen een trits speelvriendjes en toonden wij haar ouders dat meer dan één kind beter was.

Het is pas jaren later dat ik begreep dat hun naam onze buren waarschijnlijk tot niet kerkelijken veroordeelde. Gelukkig hadden wij een naam die overal bewondering afdwong door zijn distinctie, zeldzaamheid en Franse klank. Heel wat anders dan hun “Kuterna”. Omdat zij er zich ook niet aan stoorden, waren wij ons van geen kwaad bewust wanneer er op de wijze van jingle bells: “Kuterna, Kutervoor, Kutermiddenin” werd gezongen. En een grap als: “zet een horizontaal verbindings-streepje in hun naam, dan komt dat vanzelf recht te staan” ging helemaal aan ons verstand, dat alleen met christelijke waarden was gevormd, voorbij.

Ik had ook nog nooit het woord “tettenzak” gehoord, toen de Verelst dat tegen zijn neef zei op geen twee meter afstand van kardinaal Cardijn, die de jeugdclub kwam inhuldigen.
Ik dacht dat ik mee door God zou worden neergebliksemd. Gelukkig gebeurde dat niet, wellicht omdat God Cardijn niet wou storen, maar die ”tettenzak” had mij wel als de bliksem getroffen omdat mijn verbeelding het beeld van een tot de helft met roze paté gevulde koffiebeurs in mijn geheugen etste.

Wij leefden erg tussen de lijntjes. Gereserveerd en beheerst alsof we het koningshuis waren. Een voorbeeldgezin in de parochie. Met vier jongens en vier meisjes. Kinderen van meneer de ingenieur, zoals de mensen zegden. Van het mooie huis met de trappen. Natuurlijk waren er nog huizen met trappen, maar niet in de directe buurt en mensen kwamen toen niet verder dan de straten om hen heen.

We hadden wel enige bezienswaardigheden in huis. In de inkomhal ondermeer een metershoge reliëf fresco van de aartsengel Michaël die van op zijn steigerende paard een draak aan zijn voeten met een lans de doodsteek gaf. Mijn vader creëerde het reliëf met plasticine op de muur en schilderde het nadien als een schilderij met poederverf.
Bezoekers lieten we graag aan de scherpe klauwen van de draak voelen.
In de woonkamer hadden we een fresco van
een groot zeilschip dat Antwerpen binnenvoer.
de kathedraal stond in de verte te gloriëren
in al zijn schakeringen boven een wapenschild van Antwerpen, met de tweekoppige adelaar uit de Oostenrijkse overheersing.
Onze eigen wapenschild stond bezijden de schouw. (zie foto bij verhaal “gevallen Frank gevonden) Ons motto klonk in het Latijn
“crede et pugna”, wat “geloof en vecht” betekent.
De ridderhelm erboven was zo diep dat we centjes in de mondklep van de helm konden leggen. Ik deed daarbij een wens. Ik weet niet of mijn vader die cent achteraf terug bij mijn spaarcentjes stak, maar het feit dat je die helm kon blijven voeden en die nooit vol geraakte was al wonderlijk genoeg om toch te geloven in de steun die ons embleem kon geven in het leven.
In de trappenhal was er ook nog een reliëf tableau van exotische vissen en afzonderlijk een uitvergroot zeepaardje en op weg naar de slaapkamer een tafereel uit Bambi met tal van diertjes uit het Bambi-bos.
Al die fresco’s waren nog intact toen het huis werd verkocht.
Alleen Sneeuwwitje en de zeven dwergen in de veranda verdween toen de keuken werd vergroot.
Nochtans was er aan ruimte geen te kort, althans wat het woongedeelte betrof.
Centraal in het huis, dat mijn vader zelf ontworpen had, stond de lange tafel, waar we met tien rond zaten. Met vader aan het hoofd, moeder aan zijn rechterhand, de oudste tegenover hem, als zijn plaatsvervanger op aarde. Zo zag die zichzelf toch. Maar helaas zag hij alleen dat zo.
Ik zat ver genoeg van de hoofdeinden om gespaard te blijven van opvoedkundige tikken tegen mijn hoofd. Ik was de zesde in de rij, maar praatte aan tafel voor tien. Daar moest niemand over klagen want met verjaardagen moest er toch iemand voordragen of de gezangen inzetten.

Met oudejaar speelden we toneel. Op het verhoog van de erker. We konden de salon bovendien met schuifdeuren afsluiten zodat decorwisselingen konden gebeuren zonder dat de familie en andere toeschouwers er kijk op hadden.
Vader speelde al genoeg toneel tijdens het jaar. Nog lang na zijn dood zegden mensen me: “uw vader kon nogal eens komedie spelen, hé”. Toen begreep ik dat pas in zijn juiste betekenis. Op toneel leek ons vader een vreemde, die andere vrouwen in zijn armen nam, van “oh la la, in ’t park van de nachtegaal” zong of dat er “een engelke op zijn tong piste”. Naargelang de rol die hij speelde waren wij beschaamd of bang.

Mijn vader was ook jarenlang de plaatselijke Sinterklaas tot mijn zus zijn schoenen herkende. Thuis zette hij wel eens zwarte vingers op de muur om de spanning op te drijven of vertelde hij zo geloofwaardig dat wij niet durfden gaan slapen.

Met oudejaar hield hij voor de nonkels en tantes conferences met een vuur alsof hij nog vlug in z’n eentje het aantal lachsalvo’s van het voorbije jaar op niveau moest tillen.
Wij begrepen niet altijd waarom er gelachen werd. Niet dat hij ooit iets scabreus zou zeggen. Hij vertelde zelfs geen grappen, maar goochelde met woorden over niets. Het was de manier waarop dat het ‘m deed.
Het is oneerbiedig van hem een tribune-speler te noemen, maar zonder publiek viel hij wel compleet stil om niet te zeggen in slaap, met een brandende sigaret in de mond, die er dan uitviel en in meer dan een hemd gaten brandde en hij, wakker geschrokken, de brand op zijn borst probeerde te doven.
’s Avonds kwam hij ons onderstoppen en dan trok hij de dekens zo hard aan dat wij
nu allemaal het deksel los willen, zo blijkt, tot ergernis van onze partners.

Alle andere taken waren voor mijn moeder. Ik zal haar tot het einde van mijn dagen bewonderen voor de manier waarop zij een gezin van acht op alle vlakken beredderde. Nu nog wisselen wij recepten van haar uit wanneer we iets lekkers willen maken. Althans diegenen die nog de moeite nemen om zelf te koken.
Voor mijn moeder was een maaltijd niet af zonder nagerecht. De ene dag serveerde zij ons pudding met koekjes, confituur en crème, een andere keer pudding met rozijnen, dan was het rijst met een laagje chocolade of met saffraan, gestoofde peertjes, pruimen en abrikozen in hun aangedikt vruchtensap, hoewel die abrikozen op rijst ook erg lekker waren. En op zondag diplomat of chipolata.

Zij zorgde er ook voor dat wij van de eerste tot de laatste piekfijn en smaakvol gekleed liepen. Voor de meisjes was er de naaister die hen uit de Burda liet kiezen, voor de jongens een kleermaker. Dat was mijn peter, nonkel Dolf, die wij, alleen om de rijm, sekswolf noemden, wat nergens op sloeg want de man en zijn vrouw waren nog godsvruchtiger dan mijn ouders.
Elke avond baden zij op de knieën een rozenhoedje, waarin zij als Noord-Brabanders “de vrucht van uw schoot” lazen, wat wij nooit zouden zeggen. Terwijl zij dan wel met die schoot in hun onderbroek in bad gingen. Wij wisten dat niet en werden gestraft alsof we de kroonjuwelen ontbloot hadden. De volgende keren doopten we onze onderbroek na het baden even met het kruis in ’t water. Gewijd en geen gezaag.

Die sekswolf leerde ons de kwaliteiten van goed kleermakersschap, wij leerden hem de mode van de stad. De fiere gieter die zijn kale knikker met Veet insmeerde, denkend dat het een ‘fond de teint’ was die ze bij hen op de buiten niet kenden. Iedereen aan tafel kon zien dat hij er gloeiend bij was maar niettemin vertikte hij toe te geven dat hij iets op zijn hoofd gesmeerd had. Hoezeer zijn hoofd ook brandde en pikte, hij kikte niet.

In de vakantie logeerden wij wel vaker bij hen of bij andere familie die in de buurt van hun huis veilige dennenbossen hadden of overzichtelijke weilanden.
Wij hadden een stadstuin, wat klein bemeten was voor een gezin van acht. Bovendien beliefde het mijn vader er een rozentuin van te maken. Omzoomd met natuursteen uit de Ardennen waarvan, toen hij in opdracht een park had ontworpen, een lading bij ons thuis werd afgezet. De platste stenen werden gebruikt voor het pad naar de trappen aan de voordeur, de geblokte in de achtertuin, wat ons als speelruimte een smal tuinpad van acht meter lang overliet. Gezien het leeftijdsverschil speelden wij niet alle acht in dezelfde periode, anders zouden wij per kind een lopende meter speelruimte hebben gehad.
Niettemin timmerden wij op een onderstel van een kinderwagen een houten auto compleet met dak. Draaien konden we niet, een stuur was dus niet nodig, maar we konden er een hele vakantie mee zoet zijn. Eentje kon er in de auto zitten, terwijl twee anderen duwden. Voor drie duwers was geen plaats. Op het einde van de acht meter stapte de chauffeur zonder stuur uit om mee de auto op te tillen en te keren. Ik kan me niet herinneren dat we ooit ruzieden wie op de terugweg van acht meter chauffeur mocht zijn en wie duwer. Wij waren kampioen op de korte afstand.

Met die natuurstenen werd ook een vijvertje gemetst, een meter hoog, zodat we er niet per abuis konden invallen. Het wateroppervlak mat een meter vijftig op een meter. Dat is kleiner dan een doorsnee tafel. Maar dat belette ons niet van er in de winter met de vier jongsten ijshockey op te spelen. In feite stonden we twee aan twee tegen elkaars enkels te kloppen. De enkels blauw, de wangen rood van de kou. In de luchtbel onder het ijs waren de goudvissen een hartaanval nabij.

Voor de trap naar de tuin begon was er links en rechts een horizontale reling. Omdat de trap naar links vertrok stond de rechter reling een stukje terug. Dat buizenstel was de fiets die we niet hadden. Link als ik was zorgde ik er altijd voor dat ik het linkse buizenstel uitkoos wanneer ik een van mijn broers voor een wedstrijdje hardfietsen uitdaagde. De reling verroerde geen vin, maar als verslaggever van de wedstrijd maakte ik wel het verschil. Het was niet echt, het was de verbeelding die won, de woordenvloed die de snelheid maakte, maar toch was mijn jongste broer elke keer opnieuw kwaad omdat hij verloor.

Natuurlijk kon ik niet elke wedstrijd naar mijn hand zetten. Bij “Mens erger je niet” verloor ik keer op keer, maar dan keerde ik het bord om. Daar stond een paardenrenbaan op afgedrukt. In mijn verbeelding was dat de wielerbaan van het Sportpaleis. En we waren weer vertrokken in een wedstrijd ploegkoers, met ploegen van drie, zoals alleen de zesdaagse van Antwerpen de renners in de baan bracht.
Ik moest de gele pionnen hebben, die leken het meest op de gouden truien van de Europese kampioenen, die toen Van Steenbergen-Severijns-Lykke heetten.
Mijn broers moesten onder elkaar maar uitvechten wie met de rode garde reed: Van Looy-Post-Vannitsen of met de zwarte truien, die meestal door de Duits-Zwitserse ploeg Bugdahl-Pfenniger-Renz gedragen werd.
Uiteraard besliste de teerling over de progressie van de pionnen, maar als wedstrijdcommentator was ik tegelijk ook organisator die een achtervolging of een sprintduel kon inlassen. Daar kon je punten mee verdienen, waarmee ik dan mijn achterstand opgelopen in de ploegkoers kon compenseren. Verloor ik uiteindelijk toch, dan troostte ik me met een Peter Post interview. Ik was kind maar kon goed Post’s Amsterdams dialect imiteren. Typisch was de manier waarop hij Van Looy uitsprak (fe-looij).
Hoewel we op wandelafstand woonden van het Sportpaleis was het ondenkbaar
dat wij naar een wielerwedstrijd mochten gaan. Dat gold evenzeer voor het voetbal, hoewel de “Hel van Deurne” nog dichterbij lag.
Ik was een papieren wielersupporter. Al wat ik er van wist, wist ik uit de krant.
Eén keer ben ik toch stiekem naar het Sportpaleis geweest toen er de Zesdaagse
werd gereden. Op zondagmorgen werd er een mis opgedragen voor de renners
en dan mocht het publiek gratis binnen. Tot mijn ontgoocheling moest ik vaststellen dat renners niet naar de mis gingen. Ik zag alleen Oskar Plattner. Omdat die als misdienaar diende. Misschien wel omdat hij als Zwitsers kampioen een kruis op zijn borst droeg.

God was overal in de fifties. Toch bij ons thuis.
Als wij niet met tien aan tafel zaten was dat omdat meneer pastoor en zijn onderpastoors bij ons thuis kwamen eten. Veelal op vrijdag. Om te controleren
of wij wel vis aten.
De kinderen werden in een vroege shift afgewerkt en mochten van uit de keuken toekijken of werden vroeg in bed gestopt. Soms bracht meneer pastoor zijn deken mee. Dat was niet omdat hij het bij ons koud vond, maar zo heette zijn baas. Een levensgenieter werd gezegd, wat men daar toen ook mee bedoelde, die zelf kwam vaststellen of mijn moeder inderdaad zo lekker kon koken.

Waren het niet de pastoors die aanschoven, dan kwamen de broeders van de school waar mijn vader voorzitter was van de oud-studenten en van de toneelkring.
Ook zij kwamen nooit alleen. De prefect bracht de directeur mee, die zelf de oude broeder-overste meebracht, die wij omwille van zijn verrimpelde huid de “schildpad” noemden.

De pastoors lieten hun oog vallen op ons vier broers voor de vroegmis, de broeders hadden het over de jongens die over enkele jaren toch zeker bij hen naar school kwamen. Over de meisjes werd niet gesproken. Die moesten niet naar school.
Die moesten ten dienste staan en gehoorzamen. Jongens moesten niet helpen in het huishouden en mochten meer. Maar toch ook weer minder dan niet katholieken.
Op zondag in je bed blijven liggen, bijvoorbeeld. Of contact hebben met wie je wou
of naar de Zesdaagse gaan als je van wielrennen hield. Waarschijnlijk omdat het niet mocht kan ik nog altijd die ene renner die ik als kind in levende lijve gezien heb zo voor de geest halen. Oskar Plattner, in zijn rode trui met wit kruis, met een bruingebrand gezicht, waarin felle bolle ogen en vlezige lippen. Zijn gitzwarte haar blonk onder de lichten van het Sportpaleis. Hij was vooral een sprinter, ooit wereldkampioen in die discipline, maar hij kon niet tippen aan een Van Steenbergen of een Van Looy. En toch was hij voor mij dat jaar de grootste renner. Omdat hij echt was, omdat ik hem gezien had. Dankzij de mis, als dienaar van God. Net als ik. Toen toch. Hij zou dat jaar de Antwerpse Zesdaagse winnen, aan de zijde van Rik Van Looy en Peter Post. Het was al 1962, de fifties waren voorbij.
10/3/2011

Dit bericht is geplaatst in Nostalgie. Bookmark de permalink.