Een grondig verhaal…

Mijn liefste is de ligusterhaag in de achtertuin beu. Voor haar hebben zelfs evergreens een houdbaarheidsdatum. Want ook eeuwig groen wordt op de duur saai. Rode haagbeuk daarentegen, daar zit leven in, met afwisseling en warme gloed. Het is een keuze met passie. Wie weet wil ze mij over de haag heen vertellen dat ze mij een eeuwig groentje vindt dat bang is om te veranderen? Dus, ga ik mee in haar beuk-verhaal al hou ik er een breuk aan over.

Sindsdien stop ik week na week een stuk ligusterhaag in de GFT. Ploeg ik de grond om, verwijder resterende wortels, plaats een hardhouten-boord, zodat we, zoals zij het formuleerde, voortaan een mooie scheiding zouden hebben tussen gazon en haag. Ik schrik niet langer bij het woord scheiding, zelfs al is het maar om te lachen. Op mijn leeftijd schud je onbegrijpend het hoofd. Hoe gigantisch moet de goesting zijn om er zoveel ellende mee op je nek te halen? Goesting, weten we ondertussen, gaat over, ellende blijft. Een scheiding in mijn haar is nog de enige die ik nog zou overwegen, moest dat mogelijk zijn met mijn breed uitgevallen middenstreep.

Achter de boord moest ik de grond verhogen en verrijken met potgrond, zodat de rode haagbeuk in de beste omstandigheden geplant zou kunnen worden. Ik zou grond halen in het containerpark, want die mag je gratis meenemen, als tegenprestatie voor het braaf sorteren en binnenbrengen van afval. De medewerkers composteren groenafval tot compostgrond, heet het in de(n) Antwerpenaar. Bleek dat ze die service hadden afgeschaft. Het was te veel werk voor te weinig gegadigden. En compostgrond, meneer, kan té rijk worden en bijgevolg giftig voor uw plantjes. Als uitleg kan dat tellen, maar waar ik dan gewone grond moet vinden konden ze mij niet zeggen.

Ik laadde een spade en enkele zakken, niet die van het containerpark, in mijn auto en trok op zoek naar een morzel grond van dit overbebouwde land. Ik durfde het niet gewoon aan de overkant van de straat halen, zoals de mannen die in het voorjaar een nieuwe afvoerbuis in onze voortuin staken en extra grond nodig hadden. Dat is grond van de gemeenschap zegden die gewoon. Wellicht is het juist, maar ik durf niet zo goed mijn spade in de grond steken in het nabijgelegen park, helemaal al niet in de gewijde grond van het kerkhof. Ik ben geen “man at work”, draag geen oranje kledij van Van Beirendonck.

Waar haal ik het dan wel? Kijk voor de aardigheid zelf eens uit naar een beetje makkelijk bereikbare grond die van de gemeenschap zou zijn en niet in het tuintje of de akker van iemand ligt, die niet onder de zoden of struiken steekt of vol stenen zit, zoals bij restjes van wegenwerken.

Na een uur tevergeefs rondrijden dacht ik aan het verlaten stuk grond tussen de luchthaven van Deurne en de spoorwegberm. Vroeger reden we er met de kinderen wel eens langs op de mountain-bike, omdat je er je behendigheid flink kunt testen, zoveel putten zijn er in de baan. Ik was er nog nooit met de auto geweest. Omdat het zo’n verloren gelegen baantje is waar niemand passeert en door de jaren totaal stuk lag. Ik denk dat het nog een baantje van de Duitsers moet geweest zijn. Zij waren thuis aan de luchthaven waar ze in de Erla fabriek hun jachtvliegtuigen herstelden. Toen de Amerikanen de Erla wilden bombarderen, misten ze hun doel en dropten hun bommen op het centrum van Mortsel, met honderden slachtoffers als gevolg. Misschien was er wel een bom of twee op dat baantje gevallen?

Daar de regenval van de voorbije dagen stonden er enorme plassen, zodat je de valkuilen niet zag. Maar als ik hier grond kon vinden, zou niemand me lastigvallen. Doorrijden dus maar. Tot ik tot mijn verbazing een zigeunerkamp binnenreed. Verlaten, weggestoken van onze drukke georganiseerde wereld die op geen dertig meter hiervandaan op de militaire baan voorbijraast. Ik had niet de indruk dat ze mij verwachtten. Moest ik zoals Fred Flinstone mijn wagen hebben kunnen oppakken om hem sneller te keren, had ik het zeker gedaan. Terwijl ik misschien heel erg welkom was geweest, als vredesgezant van de mensen die in huizen wonen, als vlotte bruggenbouwer, in ieder geval minder houterig dan prins Filip. Ik zou op illegaal gestookte drank getrakteerd zijn geweest en de zingeunermeisjes zouden met steelse blikken rond mij heen drentelen. Wie weet had ik wel nazaten van Django Reinhardt kunnen ontmoeten of toch minstens van de Gipsy Kings die mijn amateurgitaargreepjes met lachende tanden waartussen steevast één gouden, en kwinkslagen in een slavische taal die ik niet kon verstaan, maar die grappiger was dan die van Urbanus, hadden kunnen optrekken. Maar net als hen was ik op zoek naar een morzel grond, zij het wel minder groot dan die zij nodig hebben om zich ergens thuis te kunnen voelen.

Langs het kanaal, dacht ik dan, moet je toch nog een verlaten plek vinden waar je ongestoord enkele zakjes met grond kunt vullen? Hoewel ik mij daar ook niet gelukkig bij voelde. Stel dat iemand mij van op afstand putten ziet schuppen en met grote witte zakken in de weer zijn. Je kunt er in die verlatenheid rare dingen bij denken.

Ik kreeg de kans niet eens om het uit te proberen. Langs het water loopt een jaagpad waar je niet kunt schuppen, vervolgens is er een baan waar auto’s als gekken voorbijrazen, terwijl links containers staan als er geen andere opslagplaatsen gebouwd werden.

Wat is dat toch met dit land? Moet je nu echt naar zee of naar de purperen hei om een schep zand? Wat lopen die Vlamingen toch te zeiken over hun eigen Vlaamse grond? In Vlaanderen is elk stuk grond van iemand anders. Er is alleen nog echt Vlaamse grond onder het Parlement en in de tuin van Filip De Winter of van Kris Peeters. En die zullen niet delen.

Op het moment dat ik het dacht op te geven, zie ik in een veld nabij restaurant ‘de roeispaan’ enkele huizenhoge bergen gewone grond liggen. Geen rijnzand of ander commercieel zand dat uit de luiken van de binnenschepen is gehaald. Gewone grond. Een stukje opgepotte aarde. Ik keer mijn steven en haast mij naar een weg die mij naar die bergen moet leiden. “Verboden voor onbevoegden” staat aan de rand van de bolle kasseiweg. Wie zegt dat ik onbevoegd ben, denk ik fel. Bevoegd is ‘gemachtigd door de wet’, maar voor de wet zijn alle Belgen gelijk en men kan bovendien bevoegd zijn door ‘kennis’ of ‘ervaring’. Kijk, ik scoor drie op drie. Op grond van gelijkheid en ervaring, om van de kennis nog maar te zwijgen. Als er controle komt vertel ik ze dat ik een tip gekregen heb in het containerpark, omdat ze mij niet langer aan enkele zakjes grond konden helpen.

Nog voor ik mijn spade in de voet van de berg kan steken, zak ik met beide voeten tot aan de enkels weg in het slijk. Mijn onnozele kop vindt het nodig van op zo’n moment ‘het slijk der aarde’ door mijn gedachten te flitsen. Totaal ongepast, maar wat doe je er aan. Ik was al blij dat het geen passend liedje was. Ik noem het mijn eeuwige koppijn. Als kind wou ik al eens ’koppen’ als ik een standje kreeg of in de hoek vloog. Toen is het begonnen. Ik wou dan kwaad lijken en kijken, maar het duurde niet lang of een of ander opgewekt liedje kwam onweerstaanbaar mijn plannen doorkruisen. Het is net als grote kak. Je probeert het tegen te houden omdat het er het moment niet voor is, maar toch moet je toegeven aan de natuur en jawel, in plaats van kwaad te zijn begon ik dan te zingen…

Terwijl de witte zakken wegflapperen in de wind en ik dat verdomde zand niet in de zakken geschept krijg, draait er een witte wagen van de grote baan, de kasseiweg op. Mijn ‘cool’ zakt naast het slijk in mijn schoenen. Gelukkig is het iemand die zich even van het verkeer onttrekt, om rustig op de verlaten kasseiweg te keren en dan in andere richting weer in de rat-race mee te jagen.

Vijf zakken vul ik. Het zijn zakken van gevlochten nylon, waar het slijk doorsijpelt. Wanneer mijn koffer vol zit, zit ook mijn blauwe jeans onder het bruine vocht. Gelukkig alleen aan de voorkant.

Moe maar voldaan rij ik weg van de Wijnegemse bergen. Thuis voel ik dat ik me overtild heb en ik moet die zakken nog voorzichtig het huis door naar de achtertuin dragen. Tegen de tijd dat mijn allerliefste thuiskomt is de grond gemengd en verhoogd geharkt en wel. Ik glunder en verwacht een schouderkopje zoals men een klontje aan zijn paardje geeft. “Wat heb je nu gedaan, je hebt aarde gestolen”, hoor ik tot mijn ontgoocheling. “Ik wou je de wereld schenken maar ben niet verder dan een beetje aarde gekomen”, probeer ik nog aardig, maar mijn allerliefste doet alsof de helikopter die hoog in de lucht rondcirkelt al op zoek is naar mij.

Later op de avond belt mijn dochter dat zij met haar man een huis gekocht heeft. Hun stukje grond, met toekomstgericht zes slaapkamers bovenop. Ik kom van mijn grond en kus mijn allerliefste. Volgend jaar zal de rode haagbeuk meer voeten in de aarde hebben.
15/10/2009

Dit bericht is geplaatst in Dagklapper. Bookmark de permalink.