DE VERDWENEN SNEEUWLEEUW

Ze hadden de leeuw niet eens gezien. Nochtans was die groter dan een echte leeuw.
Hij stond in de inkomhal. Zonder achtergrond, zonder witte kader. Helemaal vrij bij de buitendeur. Maar Fodie, Glodie en Otti hadden in het stripmuseum alleen aandacht voor de stripfiguren waarin ze zich wilden verkleden.

Voor Fodie was het makkelijk. Net voor de vakantie had hij voor het eerst zelf zijn haar geknipt. Hij had gelezen hoe Jommeke dat deed. Met een slakom op zijn kop. Het haar dat er onderuit stak knipte hij af. Zo simpel was dat. Ook de kleding was simpel.
Een zwarte korte broek, een wit hemdje en een blauw truitje zonder mouwen met V-hals.

Glodie wou zich verkleden als professor Zonnebloem. Met een kale pruik, een snor met puntbaardje en een brilletje leek ze al op Tournesol nog voor ze de lange groene jas en hoed had aan getrokken.

Otti twijfelde. Fodie en Glodie vonden hem perfect als Urbanus, met die te grote broek
en het rennerspetje, maar Otti zag zichzelf meer als kapitein Haddock, hoewel die rolkraagtrui te veel aan zijn keel pikte. Dan toch Urbanus?
“We zullen vragen of ze bij jou een stoppelbaard schminken.”
Gelukkig kende Otti de echte Urbanus niet, dus luisterde hij voor één keer naar de goede raad die Glodie hem altijd wil geven. Iedereen zei dat hij er zo grappig uitzag, dus kon hij er zelf ook mee lachen. Lol moet je zelf tappen, wisten zij al heel jong.

‘s Anderendaags hoorden ze dat er een leeuw was ontsnapt uit het stripmuseum. Een leeuw van karton, waar stond die dan? Die hebben wij niet gezien.
“Zou de leeuwentemmer van Suske en Wiske er nu achteraan gaan?
Misschien was het wel de Lion King die in de cinema naar zijn nieuwe film wou gaan kijken? Wie weet is het een Vlaamse Leeuw die het hier helemaal beu is?”
“Dan gaan ze die ’s nachts niet vinden, want het is een zwarte.”
Otti hoorde Fodie en Glodie bezig.
Hij kende al die leeuwen niet. Toch gooide hij zich in het gesprek met de opmerking
dat zwarte leeuwen niet bestaan.
“Toch wel, een Vlaamse leeuw is altijd een zwarte”, antwoordde Fodie, niet beseffend
hoe slim zijn antwoord was. “Ja, maar waarom zwart?”
Glodie ging het eens uitleggen.
“Weet je, Otti, bij ons wonen geen leeuwen, die wonen in Afrika, waar de mensen zwart zijn, en toen ze bij ons een leeuw op onze vlag wilden zetten, hebben ze hem zwart gemaakt om aan te tonen dat die eigenlijk van Afrika komt…”
“Ja, dat zal zo zijn…”, zei Fodie spottend. “Als jij het dan allemaal toch zo goed weet, Glodie, vertel dan eens hoe het kan dat een getekende leeuw uit een stripverhaal kan ontsnappen?”
“Misschien hebben dieven hem gestolen?” kwam Otti vlug tussenbeide.
“Dat kan natuurlijk”, zei Glodie. Ik geloof ook niet dat er een leeuw ontsnapt is. Je weet toch dat er iedere zomer van alles te doen is op het strand. Die zogezegde ontsnapte leeuw is volgens mij zo een stunt, een spel is voor kinderen…. “
“Jaja, wie vindt het eerst de papieren tijger, de getekende leeuw, de schat van Bramaputra…”

Via de luidsprekers op de dijk werden de vakantiegangers gevraagd van uit te kijken naar een papieren leeuw van anderhalve meter hoog en bijna drie meter lang. Ze werden aangeraden van hem niet te aaien of te voederen, en hem vooral niet proberen te vangen. En ’s nachts binnen te blijven. Leeuwen slapen in de dag, maar trekken ’s nachts op jacht.
“Dat is niet juist”, zegt Glodie, en ze begint te zingen van “a-wimoweh, a-wimoweh…
in het dorpje, het kleine dorpje daar slaapt de leeuw vannacht…” Zie je wel, niet alle leeuwen gaan op jacht in de nacht.”
Ze moeten er samen om lachen, maar dan gaat Glodie een beetje zenuwachtig verder…
“Maar stel eens even dat het waar is, kan die leeuw dan te voet tot bij ons geraken?”
“Wij zijn met de auto naar het stripmuseum gereden, maar ja, als die leeuw absoluut naar hier wil komen kan hij makkelijk de kusttram nemen…”, plaagde Fodie.

Toen het donker werd en lang nadat ze gingen slapen probeerden ze elk om beurt de anderen te overtroeven en doen schrikken met hun leeuwengebrul. Maar wanneer oma even langs buiten aan hun raam ging krassen gilden ze met drie luider dan ze tevoren de leeuw hadden proberen na te doen.

’s Anderendaags waren ze de leeuw vergeten en speelden ze het spel dat ze altijd speelden op het strand. Dat wil zeggen, ze graven een zo diep mogelijke put en proberen dan de zee daar in te laten weglopen, zodat ze eindelijk te voet naar Engeland kunnen stappen.
Toen dat weer eens niet lukte waren ze bereid van een eind over het strand naar de hoge duinen te wandelen.

Ze kwamen verklede politiemannen tegen in uniformen van vroeger met een grote snor zoals de detectives Jansen en Janssen bij Kuifje. En in plaats van een vergrootglas hadden die allemaal een grote vlakgom bij…
“Zie je wel dat het een spel is”, zei Fodie. “Gisteren maken ze de mensen een beetje bang en nu doen ze onnozel met grote vlakgommen.”
Gaan ze die leeuw weggommen, zodat de mensen op het strand hem niet kunnen zien?”

Boven hen kwam een helikopter cirkelen. Er hing iemand half naar buiten die de duinen afspeurde.
“Ga hier weg”, riep Otti naar de helikopter. “Ga de dieven pakken”,
“of ga pintjes pakken” riep Fodie er lachend achteraan.
“Kindjes pakken?”, wat zeg jij nu, Fodie.” “Pintjes, Godie, pintjes, geen kindjes.”
Het was alsof de piloot hen kon horen, want de heli draaide weg en verdween uit zicht.

Fodie, Glodie en Otti liepen de duinen op en sprongen en rolden terug naar het strand.
“Oma wil jij onze schop bijhouden, oma wil jij onze sandalen bijhouden, oma mogen wij onze T-shirt uitdoen?”
Oma liep als een lastezeltje onderaan de duinen over het strand, want ze had ook nog drinken, koekjes en fruit mee in de rugzak, een opvouwtentje, emmertjes, twee vliegers, een bal en nu ook hun schoenen, schoppen en kleding.
Ze keek naar omhoog en zag de koters ravotten. Met een gerust gemoed zette ze zich neer en tuurde naar de zee.
Ze had er geen idee van wat er boven op de duintop tussen de blauwe lucht, het groene helmgras en fijne duinenzand gebeurde.

Want boven haar, tussen het helmgras, vlakbij het duinenpad stond de ontsnapte leeuw. Zomaar. Vlak voor de neus van de kinderen. Veel groter dan hen.
Natuurlijk schrokken ze wel, maar bang waren ze niet. Want die leeuw stond daar maar. Van papier of karton. Zonder te bewegen.

Otti bleef toch maar achter Fodie en Glodie staan, terwijl hij een stokje naar de leeuw gooide.
De leeuw zijn bek ging open, maar je hoorde niks. Er kwamen, net zoals in een stripboek, grote letters uit zijn muil, groen met een zwart randje. ‘GRAUW’ kon je lezen.
“Kijk, mijn letter”, was het eerste dat Glodie zei.
“Natuurlijk”, zei Fodie, altijd als iemand probeert te brullen gebruikt die jouw letter. “GRRR”, reageerde Glodie.
”Stel je voor dat hij jouw letter zou gebruiken, dan zou hij “FLAUW” brullen.”
Daar kon Fodie niet mee lachen. Hij stapte weg. Glodie liep achter hem aan.
“Hé, laat mij niet alleen bij de leeuw”, riep Otti hen achterna. “Kom terug…”

Fodie kwam terug en liep voorbij Otti tot vlak bij de leeuw.
“Waarom doet men daar zo druk over, dit is een papieren leeuw, die doet toch niks?”
Uit zijn Vespa-tasje dat Fodie altijd bij zich droeg, nam Fodie een viltstift. Hij ging tot bij de leeuw en schreef op zijn vel : ’dit is geen vos’. En hij schreef er de Franse vertaling bij: ‘ceci n’est pas une pipe’. Dat had hij ergens op een affiche gelezen.
Mag ik ook iets schrijven vroeg Glodie en ze schreef: “de leeuw van Vlaanderen”.
Otti die nog niet kon schrijven, wou vlaggetjes aan zijn staart tekenen.
“Dat kan niet”, zei Glody, “want de leeuw is uit zijn achtergrond ontsnapt en dan kun je naast zijn lijf niets bijtekenen.“ Otti zette er dan maar een paar snorharen bij.

“Moeten wij nu naar de politie?
”Ja, waarom dan?”, zei Otti ook nu.
“Als je iets gevonden hebt, breng je dat best naar de politie”, zei Glodie.
“Waarom mag die leeuw niet aan zee blijven? Wij hebben hem gevonden, dus wij mogen toch kiezen wat er mee gebeurt?”
“Kunnen wij hem niet verstoppen?” vroeg Otti…
“Oma heeft in de rugzak kleurboeken mee en de doos met kleurstiften. Daar zitten ook tintenkillers bij. Misschien kunnen we zijn kleur wegwissen, dan valt hij al minder op?” Twee tintenkillers zaten er in de doos. Om die grote leeuw weg te wissen hadden ze er misschien wel honderd nodig. Otti veegde de snorharen weg die hij te veel getekend had.

Ik heb een idee”, zei Fodie. “Als we nu eens proberen van de kleur weg te krabben?
Die leeuw is niet gedrukt op karton, maar op een grote zelfklever die dan op het karton gekleefd wordt. Die moeten we er toch kunnen afkrabben? Oma doet dat ook altijd met etiketten op flesjes. Zij heeft er de nagels voor. De kunst is van gelijkmatig te trekken, zegt ze altijd.”

Met drie zetten ze zich aan het werk.
“Laat ons oma roepen, die krabt die leeuw zo weg…”
“Neen, we moeten het zelf doen. Eens we de rand los hebben kunnen we met drie gelijkmatig trekken”

Het was een groot werk. Soms passeerden er wandelaars. Ze hadden afgesproken dat ze dan met zand naar elkaar zouden beginnen gooien, dan zouden die wandelaars wel met een grote boog rond hen heen lopen.

Beetje bij beetje trokken ze de leeuw los van zijn karton. De grote zelfklever plakte onmiddellijk vol zand en flapperde in de wind.
“Laat ons er touwtjes aan maken, dan kunnen we hem in de lucht laten als een reusachtige vlieger…” Ze wisten dat oma altijd een reserveset touw bij had, voor wanneer er iets met de vlieger zou mislopen.
“We maken een touwtje vast aan de vier hoeken en eentje extra aan zijn kop. Na een paar meter brengen we ze samen aan één touw dat we dan van op de grond besturen. Wanneer de leeuw hoog genoeg is in de lucht, houden we hem daar een tijdje vast, zodat iedereen op het strand kan zien waar de ontsnapte leeuw uithangt en dan… dan laten we hem los, en verdwijnt hij in de wolken of vliegt hij in zee. In ieder geval verdwijnt hij voorgoed. “

Ze waren ver van het drukke strand, maar toen ze de leeuw in de lucht gekregen hadden hoorden ze tot in de duinen de mensen joelen.

Nog nooit hadden ze zo een pret gehad bij het vliegeren. En deze vlieger hadden ze helemaal zelf gemaakt.
“Otti jij mag zeggen wanneer we hem loslaten”.
Otti glunderde. Hij zette één voet op een zandbergje, hield zoals gewoonlijk zijn linkerhand in zijn zij en riep dan naar Fodie en Glodie: “piraten, zijn jullie er klaar voor?” Die brulden terug “ ja kapitein, alles klaar voor de start.”
“Maar neen, ik moet ‘start’ zeggen, oké?”
“Oké!” en toen hij “start” riep, juichten ze alle drie alsof ze net een raket naar de maan hadden gestuurd.

Daar stond de leeuw nu, kleurloos, alleen nog in wit karton. “Kijk, dat is een sneeuwleeuw” zei Otti. Wanneer het nu zou sneeuwen en alles wit werd
dan zou je de sneeuwleeuw niet meer zien.”
“En dan wij staan hier in de sneeuw in ons zwembroek”, lachte Glodie.
“Glodie, Fodie en ik dragen een zwembroek. Meisjes dragen een badpak of een bikini”, verbeterde Otti haar weer.

“We moeten hem camoufleren”, zei Fodie.
“Wat is dat camoufleren”, vroeg Otti.
“Dat is onopvallend maken, verdoezelen, laten opgaan in de achtergrond. Weet je, soldaten hebben altijd een camouflagepak aan van bruin, licht en donker groen.
Als zij dan in de natuur zijn kun je hen bijna niet zien..”
“Het is het makkelijkst wanneer we hem daar laten staan en dat wij duingras op zijn buik schilderen met daarboven blauwe lucht en we geven hem zandkleurige poten.
” “Goed idee, Fodie, dan moeten we morgen onze verfdoos meebrengen, maar wat doen we dan ondertussen met onze sneeuwleeuw?”

“Laten we hem platleggen en met zand bedekken. Ik ga aan opa vragen of hij naar het huisje wil rijden voor onze verfdoos en alle borstels die we hebben, liefst de grootste
en een extra emmertje water. Ik zal zeggen dat we een verrassing voor hem maken die hij pas achteraf mag zien, dan doet hij dat wel voor ons.”

Opa had nog extra verfjes gekocht. Niet de kleuren die ze nodig hadden, maar dat kon hij niet weten. Opa en oma waren heel benieuwd wat Fodie, Glodie en Otti met verfjes moesten in de duinen, maar beloofden van niet te komen kijken vooraleer hen geroepen werd dat de verrassing klaar was.

Otti schilderde het zand, Fodie en Glodie het gras en de lucht. Otti was als eerste klaar en leidde vervolgens de werken. Hij had een hoger gelegen duin gevonden van waar hij zowel het gras in de achtergrond kon zien als de schilderwerken van Fodie en Glodie op de sneeuwleeuw. Het was mooi weer dus was de lucht strak blauw.
“Glodie waarom schilder jij nu witte wolken, die zijn er toch niet?”
“Nog niet, Otti, maar die komen er wel en zo bespaar ik op de blauwe verf.”
Beetje bij beetje verdween de sneeuwleeuw in de achtergrond, omdat hij er bijna hetzelfde uitzag.

Fodi tekende hun schilderij met “Foglotti” Het leek een kakje op de voorgrond.

Ze renden de duin af “Opa, oma, kom kijken, kom kijken, de verrassing is af…”
Toen opa en oma eindelijk bovenaan de duin geraakt waren zagen ze…niks.
Toch niks speciaals. Alleen een mooi duinenzicht en drie gniffelde kinderen.
“Wel waar is de verrassing nu?”, vroeg opa.
“Dààr opa” zei Otti. “Kijk dan”
“Moet ik die duin opklimmen voor een kakje?”
“Maar dat is geen kakje, daar staat Foglotti geschilderd” , zei oma die betere ogen had.

Ze vertelden met drie het hele verhaal.
“Die leeuw in de lucht, dat waren wij dus en de sneeuwleeuw die overbleef hebben we met onze verf laten opgaan in de natuur.”
“Dat is fantastisch”, zei oma.
“Dat is een verrassing, zeg. En een verrassing die altijd opnieuw zal verrassen. Ook volgend jaar zullen hier wandelaars verbaasd opkijken als zij tegen jullie geschilderde leeuw aanlopen”, zei opa, terwijl hij zelf tegen de natte verf aanliep.
Zijn gezicht was blauw en met zijn witte baard leek hij wel baardsmurf.”
“Maar Opi-smurfi toch”, zei Otti.

21 juli 2019
Hugopa

Dit bericht is geplaatst in Fons, Gloria en Otto. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.