Focus op Fons

Brieven aan Fons 4

Alsof dat nodig was, alsof Fons ooit niet op de eerste plaats zou komen. Alsof de aandacht voor Fons tussen twee donderdagen zou kunnen wegvallen.
Fons is geen feuilleton. Fons is een deel van ons. In ons hoofd en in ons hart.
Op donderdag zijn wij in alle staten van euforie alsof Elvis, Merckx, God en klein Pierke tegelijk aanwezig zijn. De dagen naar de volgende donderdag raken we er niet over uitgepraat en hopen stiekem dat de ouders ondertussen ergens naar toe moeten en wij een extra-aflevering Fons mogen beleven.
Wij zijn fervente Fons-fans, want zoals Fons zijn er geen twee… Voorlopig toch nog, want over enkele weken wordt onze kleine Fons “grote broer” van een Fonske II. Of van een Fonske-meiske, die waarschijnlijk nog meer dan Fons op mama lijkt.
Ondertussen leren we ex aequo foutloos schrijven. Zij zullen met twee de mooiste, de liefste, de zachtste en de grappigste zijn. Ex aequo zonder wedstrijd wie vandaag de beste is. We gaan onze aandacht en superlatieven niet naar believen maar met liefde evenredig verdelen. Eenvoudig wordt het als er na het mooiste jongetje, het mooiste meisje bijkomt.
Voorlopig heeft Fons twintig maanden voorsprong. In ’t begin merk je dat natuurlijk,
maar misschien lijken ze met zo’n klein verschil mettertijd een tweeling?
Wij, die niet door weeën en bevalling moeten, kijken vooruit: hoe zal het zijn met twee? Druk, dat zeker. Schattig, ongetwijfeld in het kwadraat en spannend ook. Hoe reageert Fons? Ik weet nu al dat hij heel verzorgend zal zijn. En liefdevol.
Op de hoogste verdieping ligt een grote pop van toen mama-Fons klein was. Hij heeft die nog maar pas ontdekt. Hij weet dat het een pop is, omdat ze niet uit zichzelf kan bewegen, toch noemt hij haar baby. Voorzicht streelt hij haar haar en wangen en dan trekt hij haar naar zich toe en geeft hij haar kusjes. Maar als hij zelf op het verzorgingskussen ligt moet ze weg.

Hij is helemaal klaar voor zijn rol van grote broer en van hulp in het huishouden ‘tout- court’. In Italië hebben we eens een veegborstel met blik op steel gekocht, waarmee de Italiaanse mama’s de stoep vegen zonder zich te bukken. Daar loopt hij graag mee rond alsof hij in de living en keuken een traject voor nordic walking heeft herkend. Voor in de tuin hebben we een kindergritsel voor hem gekocht. Daarmee trekt hij grond vanonder de haag het gazon op. Hij ziet dat de overgang tussen gazon en grond een geultje dreigt te vormen. Ik denk dat hij dat wil rechttrekken. Het gras groeit er toch weer zo door.

Deze zomer begonnen we de donderdag met de planten in de voortuin water te geven vooraleer die in volle zon komen te staan. Ik vul de gieter in de keuken en dan loopt hij voor mij uit, zijn pas redelijk breed en een arm de hoogte in zwaaiend als een tambour major voor zijn sjerpa. Bij de plant gekomen neemt hij de gieter over. Doseren is een zaak voor kenners. Wanneer de planten te hoog staan, zoals de geraniums op de vensterbank, mag ik gieten maar geeft hij met een kort “ja, ja” te kennen wanneer het genoeg is. Die begankenis door de gang herhaalt zich driemaal.
In de loop van de dag lopen we wel meer door de gang, want tegenwoordig moeten we toch altijd even onze silly walks oefenen. Het begon, denk ik, toen hij het galmen in de gang ontdekte. Sindsdien lopen we meestal luid stampvoetend door de gang. De ene keer met de knieën zo hoog mogelijk optrekkend, dan in paardengalop, maar dat lukt iets minder. Zijn favoriet kan ik niet imiteren, hij kan met zijn handen en beentjes draaien of hij op wieltjes loopt. Wanneer ik buiten adem raak, loop ik nog altijd luid breed stappend maar nu met de handen op de rug. In ganzenpas loopt hij identiek achter mij, als schaatsers op een rij doen we de “navette” van de gang. Het is een gek spektakel. Op het einde van de gang bekijken we ons in de grote spiegel. Hij lacht van zottigheid, ik lach met hem mee.
Met de handen op de rug imiteren we trouwens onder ons tweetjes de zeven dwergen.
Ik zing dan “he-ho, he-ho, je krijgt het niet cadeau” en hij vertaalt ‘he-ho’ onveranderd in ‘ajuu, ajuu’.
De zinsbouw staat nog niet in de steigers, maar de verzameling losse woordjes is niet meer te tellen. En hij weet het wanneer hij met een nieuw woordje scoort. Vorige week zat hij zijn fruit te eten. Banaan en appel zijn makkelijke woorden, maar appelsien ligt al iets moeilijker.
Plots leek hij het woord zowaar uit te spuwen met een langgerekte “sien” waarbij hij zijn hoofd naar voor gooide en een gezicht trok zoals een kogelstoter wanneer die de kogel van zich af stoot.

En dan is er het namen noemen. Geen woord kan hij mooier zeggen dan “mama”.
Papa klinkt een stuk zakelijker, onder mannen. Zelf hoor ik hem het liefst “opa” zeggen.
Hoewel hij het altijd laat klinken als “héla, luister eens”, alsof hij mij zo’n beetje tot de orde moet roepen. Dan zegt hij ‘opa’ en klopt op de plaats naast hem in de zetel. Of ‘opa’ en komt hij met mijn bril af als hij met mij naar een dvd’tje op computer wil kijken. Of hij laat ‘opa’ iets strenger klinken wanneer hij met mijn pantoffels aan komt draven als ik nog op blote voeten loop. Hugopa en oma Krol kan later nog.
Ondertussen eet hij helemaal zelfstandig. Met een vork prikt hij een stukje groente, een topje aardappel en een vleesje samen. Dan gaat het met een wijde boog, meestal vanuit de linkerhand, naar de mond. Natuurlijk valt er onderweg wel wat op de grond, maar dan zegt hij streng “opa” en wijst naar de grond. Hij zal niet uit zijn stoel komen vooraleer ik alles bij elkaar heb geveegd. Enkele maanden terug poetsten we de vloer de dag voor ons “kruiperke” langskwam, nu de dag nadat ons vriendje geweest is.
De bereiding van het eten gebeurt in harmonieuze samenwerking en loopt eigenlijk ook grotendeels onder zijn supervisie. Hij staat dan op een stoeltje bij de wasbak en spoelt de groenten met een grondigheid en ernst waarmee vergeleken Jeroen Meeus een kluns lijkt. Met zwier en zonder op een druppel water meer of minder te kijken legt hij de groenten op het aanrecht waar ik ze op maat snij alvorens ze in de stoompan te doen.
Als ik zijn tempo niet kan volgen kijkt hij mij onbegrijpend aan en neemt wat groenten terug in ’t water tot mijn snijplank weer leeg is. Meer dan eens steekt hij zijn armen uit en dan moet ik hem optillen zodat hij in de potten kan kijken. Hij kent de volgorde van de handelingen en ik moet het bijvoorbeeld niet proberen van zelf de timer op en af te zetten. Of het vlees in de pan te mikken zonder dat hij het gekeurd heeft. Bij dat alles blijft hij uitzonderlijk ernstig terwijl ik juist daarom mijn lach niet kan inhouden. En van het moment dat de kookgeuren de keuken vullen stapt hij naar zijn stoel en neemt alvast zijn morsdoek terwijl hij verlekkerd verlangend “hmmm, hmmm” zegt.
Omdat het verklarend woordenboek het omschrijft als :” iets waar je heel blij mee bent”, durf ik toch zeggen: Fons is een “godsgeschenk”. Zelfs als hij ernstig is moet je er mee lachen en ben je blij.
Ik vertelde eerder van het ochtendritueel met de planten. Wel, meer dan eens stopt hij bij de voordeur om toch nog eens te checken of de tuimelaar die de pin in de vloer drijft om de deur te verankeren, nog wel werkt. Een seconde tevoren loopt hij op zijn Fonskes zingend door de gang om dan plots minutenlang stilt te zitten bij die check-up, gehurkt zoals alleen Afrikanen en kinderen dat kunnen, klikklak, klikklak en hup, hij is weer weg.

Soms lijkt hij van rol te willen wisselen. Naast zijn tafeltje en stoel is een radiator van de chauffage. In de zomer staat die niet aan en alle magneetjes die we in huis vinden hangen er tegen gekleefd. Toen ik eens een magneetschijfje van op afstand tegen de radiator gooide, nam hij die eraf en gaf het aan mij terug. Ik mocht nog ‘s gooien. Als hij niet telkens triomfantelijk “bravo” had geroepen zou hij mij aan een uitbater van een schietkraam op de kermis doen denken, zoals hij daar stond met een arm op zijn tafeltje en met een rustig monkellachje naar mij kijkend. “Hier manneke, probeer nog maar eens.”
Het is niet erg opvoedkundig als ik er mee lach, maar als hij door het dolle heen is, als we bijvoorbeeld een kussengevecht voeren, kan hij plots met een heel ernstig gezicht mij een klets vlak in mijn gezicht geven om dan onmiddellijk zijn armpjes rond mijn nek te gooien en mij te troosten, “auw, auw, Oh, kom…”, om mij opnieuw op een mep te trakteren en terug te troosten. Drie, vier keer achter elkaar. Ik denk dat hij, wanneer hij echt uitgelaten is, door het dolle heen, zijn affectie wil tonen en daar een aanleiding toe creëert. Binnenkort zijn we op donderdag met drie, maar ik denk dat we voor altijd twee beste vrienden zullen zijn.

Dit bericht is geplaatst in Fonske. Bookmark de permalink.