Kapotneuken

David Davidse kwam bij Ruth Joos in Mezzo ‘Kuifje’ in het Antwerps voorstellen.
“Keufke” zei hij, en Ruth probeerde hem na te zeggen. Giechelend alsof het Toerkmenistaans was. Of zoals iemand die voor het eerst oesters proeft.
Ruth woont al enkele jaren in Antwerpen. Ze moet minsten toch al van het dialect van “A” gehoord hebben. Maar Germanistes doen wel vaker raar over taal.
Van mij mag ze een beetje raar doen als ik in een interview lees dat zij zich mateloos ergert aan formuleringen als “naar…toe” en “ik heb zoiets van”. Wellicht wordt ze ook mottig van “dagdagelijks” en het omgekeerd gebruiken van “over” en “voor” in tijdsaanduidingen?
Zal ik maar meteen toegeven dat ik graag naar haar luister op Radio 1?
Haar broer Filip heeft zijn moedertaal blijkbaar bij een andere moeder geleerd.
Hij mag tot mijn ontzetting in de plaats van Frank Raes de verslaggeving doen bij interlands op Canvas. Ik kijk al nooit naar voetbal en die ene keer dat ik toch ‘s naar een interland van de Rode Duivels kijk, vlucht ik van de commentaarstem.
Waar bij Frank Raes het ritme en de beweging van zijn commentaar hoger ligt dan dat van de Duivels, praat Filip Joos even teleurstellend als het voetbal zelf. Zonder animo, zonder creativiteit. Vroeger zette ik het geluid uit en luisterde naar Jan Wauters op de radio, maar Jan is nu met pensioen in Zuid-Afrika en mijn toestellen staan tegenwoordig ook ver uit elkaar in huis. Maar we dwalen af.

Achteraan in het Antwerpse “Keufke” staat een uitspraaklexicon, zei David Davidse. Om het de niet-Antwerpenaar makkelijk te maken, en hij las enkele voorbeelden. “Gogget” voor “gaat het?”, “perusch” voor parkiet, “tefrente” voor “verschillende” en ook “tantefèren”…
En ik moest aan mijn tante denken. Dé tante, zo noemden we haar. Mèt lidwoord.
Eén keer noemde ik haar “aunt”; ik had mijn eerste lessen Engels gekregen op school
en ik verwelkomde haar fier aan de deur met een “Hi, aunt”. Ze was razend. Ze dacht
dat ik haar hond had genoemd.
Zij was naaister en kwam bij ons aan huis voor mijn moeder en zussen op bestelling kleedjes en jassen naaien.
Ze kreeg het dan “oep eur seskes” (ze werd zenuwachtig) als ik er bij bleef zitten,
ook al was ik toen hooguit zeven, acht jaar, maar ze kon niet verdragen als mijn moeder
bij het passen aan mij, kleine aap, vroeg wat ik er van vond. Als dé tante op dat moment een draad zou “vessemen” (door oog van de naald steken), zou ze zich beslist in haar vinger geprikt hebben. “Goade gij da na wèr aan die tantefèr vragen…”
Voor mijn tante was een tantefèr een moeial.
David Davidse dacht dat het betekende: iemand die maar zit te lummelen terwijl er nog zo veel te doen is “tant à faire”.
Als klein jongetje nam ik dan stilletjes wraak op haar door de klosjes garen dwars door te knippen. Dan kreeg ze een “floere geroktat” (een appelflauwte). “Zie nu Anna (mijn moeder) die “moosjer” (prutser) heeft dat helemaal “verreneweert” (stuk gemaakt), dat is helemaal “nor de zjenoe” (naar de vaantjes). En tegen mij zei ze dan : “g’anget wer oat, hé, “kapotneuker”, “kwistenbiebel” (rare). Als mijn moeder er bij was durfde ze mij geen “ababbel” (oorveeg) geven.

Hoewel zij ook regelmatig naar familie in Nederland ging, zal de huidige betekenis van “kapotneuken” niet tot haar doorgedrongen zijn. Tot mij toen ook niet. Dat kwam veel later. Maar dan was ik weer in de war toen mijn vriendin altijd zei, hoewel ze geen Zuid-Afrikaanse was, “nie neute nie”. Nu weet ik dat ze bedoelde dat ik niet zo moest zagen, maar toen dacht ik, vermits zij wel vaker woorden net iets anders zei dan wij ze zouden formuleren, dat het een kleurrijke variante was op: “nu niet ik heb hoofdpijn, of de rode loper ligt uit”. De eerste keer dat ik het hoorde moest ik bovendien de redenering verdringen dat tweemaal negatief positief is. Dus, dat zij met nie nie eigenlijk “ja” bedoelde.
Vele jaren later, toen mijn oudste zoon trouwde, gaf zijn opa tijdens het diner hem volgende raad: “Denk er aan, als een vrouw neen zegt, bedoelt ze vaak “ja”.
Het grappige is dat zijn vrouw net tevoren, aan mijn kersverse schoondochter de raad had gegeven: ”in het huwelijk moet ge niet altijd ‘ja” zeggen…”. Ge moet u niet laten…(zie titel).
15-10-2008

Dit bericht is geplaatst in Nostalgie. Bookmark de permalink.