Plakkers van ogen

Ze lachte weer met haar ogen en ik werd er naartoe gezogen. In gedachten draaide ik me om, om zo achteloos mogelijk naar de aquaria met kreeften te kijken, maar ik had het gevoel, neen, ik wist wel zeker dat zoals in een tekenfilm alleen mijn figuurtje zich omdraaide en mijn ogen ter plaatse bleven zweven, vastgeplakt aan die van haar.
Plakkers van ogen zijn de meest wonderlijke ogen waarin je helemaal kunt verloren lopen, zalig zinnelijk overgeleverd, zonder nog te weten waar je bent. Ze zijn sterker dan magnetische ogen, die alleen metaal aantrekken en dan sta je daar met een houten kop of een hart van steen. Wanneer je probeert weg te kijken zeggen ze vlug “kom hier, kijk naar mij”. En als je de herinnering wil wissen kleven ze als een film op je eigen lenzen onder de huidplooi van je oog – gewoonlijk ooglid genoemd, maar ja, lid – zodat ze ’s nachts in het donker naar je hersenen worden geprojecteerd en je niet laten rusten. Zulke ogen zijn het, plakkers maar evenzeer durvers. En omdat niet iedereen ermee gezegend is, zeg ik: zalig de dragers van dergelijke ogen. In mijn ogen toch. Ik kan me inbeelden dat onze muzelmaanse broeders er anders over denken als een vrouw in alles verhullende niqab plakkers van ogen heeft. Kunnen ze die dan wel overplakken met een balkje? Misschien is het daarom dat ze elkaar niet in de ogen mogen kijken?

Ik heb het altijd vreemd gevonden dat je de mensen niet recht in de ogen mag kijken.  Omdat ik ze met opzet in de ogen keek om hen te tonen dat ze mij met hun straffen niet konden raken, noemden sommige leraars mij arrogant en uitdagend. Maar ik vind het
van nature normaal dat je iemand die tot jou spreekt aankijkt. Hoe kan dat onbeleefd zijn? Wegkijken, dat is pas boertig.
Onder gewone omstandigheden is iemand aankijken een uiting van interesse betonen.
Bij een veroveringsgesprek wordt dat interesse betonen in het kwadraat,
en in een zakelijk gesprek staat het gelijk aan een demarrage naar dominantie.

Maar ‘revenons à nos moutons’, hoewel ik eerder: ‘revenons à nos poissons’ moet zeggen, want het verhaal dat ik wil vertellen speelt zich af in onze viswinkel.
Toen het nog een winkeltje was van drie op drie, de ruimte voor de klanten, waren haar ogen mij niet opgevallen. Je stond vooral rond te kijken naar de andere klanten opdat die jou niet voor zouden steken. Vooral wanneer het druk was zou je zo als een haring in een ton gerold worden terwijl je er zelf bij staat. Maar sinds de viswinkel een hal is geworden, te begrijpen in de ordegrootte van een sporthal, sta je als klant verloren in die ruimte.
Niet meer als een peloton wachtenden voor en achter elkaar, maar als paaltjes op een rij, meters van elkaar verwijderd.
De visvrouwen staan achter een geïmproviseerde toog en kunnen je nu een voor een
in ’t oog houden. Als je bestelling klaar is stap je samen met de visvrouw die jou bediend heeft naar de uitgang van de sporthal, waar op een tafeltje een kasregister staat. Doordat de ruimte groter werd, kom je nu paradoxaal dichter bij elkaar dan ooit tevoren. Beeld je in dat jouw favoriete bediende bij de bakker of beenhouwer plots van achter de toog komt en vijftig meter met jou alleen wegwandelt. Hoe vreemd zou dat zijn? Wat zeg je ondertussen? Ga je intiem of kijk je nietszeggend voor je uit, waardoor de spanningsboog uiteraard vele graden wordt opgekrikt?

De eerste keer dat ik in de vernieuwde vishal kwam stond ik een beetje verbaasd rond te kijken. Je zou kunnen zeggen dat ik floot van verwondering. Ik fluit vaak als ik niks ander te doen heb en zeker in een grote ruimte waar de akoestiek mijn gefluit van het kastje naar de muur speelt.
De plakkers van ogen achter de toog haalde me meteen uit de rij, glimlachte geamuseerd en liet me niet meer los.
Ik dacht hé, en bestudeerde verder geïnteresseerd een kabel die uit de grond stak en waar later wellicht nog stroom zou doorgestuurd worden voor een toestel dat er nog niet stond. Het was niet meer dan een schijnbeweging, want zip, mijn ogen moesten terug naar haar, terug naar die glimlach, terug naar die plakkers van ogen. Gotcha. Er leek niemand anders meer in deze groteske ruimte. Er stonden nog veel klanten, maar ik had het gevoel dat ik daar alleen stond, tot niets anders in staat dan te kijken, gefixeerd, vol overgave.
Ik had mijn bestelling en we begonnen aan onze eerste wandeling naar de kassa.
We liepen zo dicht als op het gangpad in een kerk, als op de rode loper bij de Oscars.
Zij draaide haar ogen tot op de kortst mogelijke nog fatsoenlijke afstand van die van mij
en zei: “mijn gat blijft ijskoud”.
Die grote ruimte is inderdaad bedoeld als één grote frigo. Daarom is zij als een poolreiziger ingepakt, haar lichaam nog vormelozer dan wanneer ze een opblaasbed rond haar gedrapeerd zou hebben, maar toch vertrouwde ze mij toe:“mijn gat blijft ijskoud”.
Wat moest ik daarmee? Nodigde zij mij uit om haar te verwarmen? Wou zij het ijs breken en een opening maken naar meer persoonlijk contact? Of zei ze dat zonder nadenken omdat ze nog zinnetjes moest inoefenen voor wat je zegt als je met een klant vijftig meter door die sporthal naar de kassa loopt?
Ik moest in ieder geval snel iets terugzeggen, voordat ze het nog gênantere “voel eens”
zou zeggen. Dus gaf ik haar mijn beste Sean Connery-smile en zei iets als “verse vis heeft zijn prijs” en vroeg meteen hoeveel ik moest.

De volgende keer was er al van seconde één oogcontact en die glimlach.
Ze had zich gekwetst aan de oesters en bij onze wandeling naar de kassa zei ze me “kijk ’s naar mijn vinger”, en ze bracht die zo dichtbij dat ik maar m’n lippen moest tuiten om haar uitgestoken vinger zalvend te kussen.
“Ik ben nogal geschrokken, je zou mijn hartje eens moeten voelen.”
Gelukkig is die hal buiten die visbakken volledig leeg, er zijn geen struiken of boompjes waar een ogen-meisje onderweg naar de kassa achter gesleurd kan worden, door minder beheerste types dan ikzelf.
Om iets volstrekt neutraal te zeggen wees ik naar het bordje aan de kassa – binnenkort ook op zondag geopend – en zei: “moet jij dan zeven dagen op zeven werken?”
“Ja” antwoordde ze, “en ik zal hier helemaal alleen staan, want de anderen willen niet.”
Ik reed met raadsels naar huis. Beeld ik mij dit in, begrijp ik de signalen verkeerd?
Ik ben nog opgegroeid met een verklarend woordenboek over vrouwen geschreven door mannen, met zelfbegoochelingen als : als een vrouw neen zegt, bedoelt zij eigenlijk ja.
De volgende keer moet ik haar echt testen, dacht ik slim.

Vrijdag stuurde mijn vrouw mij inderdaad weer naar de viswinkel met de bestelling voor twee tongetjes. Onderweg kreeg ik een idee. Als mijn visogenvrouw opnieuw de truc met de ogen doet bestel ik mijn twee tongen en wanneer zij mij dan weer met haar ogen naar binnen zuigt zal ik zeggen :”ik heb alleen twee tongen gevraagd, ik heb niet gezegd
“wij – twee – tongen.”
Ik vond dat een wetenschappelijk verantwoord experiment en verkneukelde mij al op voorhand.

Ze handelde klant na klant af terwijl ze alleen oog had voor mij.
Het duurde wel wat want het was druk en zij stond er alleen voor, maar, ik was er en dat maakte haar zichtbaar blij. Eindelijk was ik aan de beurt. Ik zag haar uitdagend lachend van de kassa terug komen naar haar werktoog. Haar ogen plakten al van ver. Ik kon niets meer rondom mij zien. Maar ik stond klaar met mijn zinnetje : twee tongen en dàn, ik heb toch niet gezegd “wij” twee tongen..

Mijn mond gaat open als een vis op het droge en dan hoor ik “Wie is de volgende?”
Niet uit haar mond, maar uit de mond van een man die normaal in het magazijn hele walvissen op het hoogste rek legt en die nu even ons vissenogenmeisje een handje komt toesteken. Ik hoor mezelf geschrokken en met een veel fijnere stem dan bedoeld zeggen: “voor mij twee sollekes alstublieft”.
Ik vis achter het net met mijn experiment. Volgende week eten we biefstuk.

HugoBe
17-03-2010

Dit bericht is geplaatst in Dagklapper. Bookmark de permalink.